Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX7233

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
183486 - HA ZA 11-869
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op erfgenamen tot terugbetaling voorschotten PGB

Uit de stellingen de volgt dat de vordering deels ziet op budget dat betrekking heeft op de periode vóór het overlijden van erflater en erflaatster en deels op budget dat ziet op de periode na het overlijden van beiden en dat na dat overlijden. Dit betekent dat de vordering alleen voor wat betreft het deel dat ziet op de periode tot het overlijden van de erflater en de erflaatster tot de respectieve nalatenschappen behoort en voor het overige tot de eenvoudige gemeenschap waarin de erfgenamen ieder voor één vijfde deel gerechtigd zijn, nu zij immers als erfgenamen gezamenlijk in de rechten van de beide rekeninghouders zijn getreden.

Gedaagde heeft de nalatenschappen beneficiair aanvaard. Ingevolge artikel 4:202 BW brengt dit met zich dat de nalatenschappen overeenkomstig Afdeling 3 van Titel 6 van Boek 4 BW vereffend moeten worden. Dit betekent dat eiseres haar vordering, voor zover deze in de nalatenschappen valt, binnen een door de kantonrechter bepaalde (of nog te bepalen) datum moet indienen bij de boedelnotaris, of indien deze ontbreekt, bij de vereffenaar(s). Eiseres kan de erfgenamen niet rechtstreeks ter zake dit deel van de vordering aanspreken. Zij is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze ziet op de terugvordering van budget dat betrekking heeft op de periode vóór het overlijden van de erflater en de erflaatster. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat als niet weersproken vaststaat dat de vereffening nog niet is beëindigd.

Na het overlijden van erflaters is een totaal bedrag van € 143.476,62 aan budget door eiseres op de zogenoemde ervenrekeningen overgemaakt. Aangezien het PGB slechts toekomt aan de verzekerden ingevolge de AWBZ staat met het overlijden van beide verzekerden eind 2007 vast dat deze voorschotbedragen voor 2008 onverschuldigd zijn betaald. Of de toekenningsbeschikkingen voor 2008 al dan niet zijn ingetrokken kan daarom in het midden blijven. Gedaagde wordt in dit verband immers niet aangesproken als erfgename maar als één van de rechthebbenden op de bankrekening ten tijde van de onverschuldigde betalingen. In die hoedanigheid is gedaagde gehouden het onverschuldigd betaalde bedrag voor wat betreft het één vijfde aandeel in de desbetreffende bankrekeningen terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 183486 / HA ZA 11-869

Vonnis van 27 juni 2012

in de zaak van

ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ ZORGVERZEKERAAR

ZORG EN ZEKERHEID U.A.,

gevestigd te Leiden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A. Vijftigschild,

tegen

[A],

wonende te Badhoevedorp,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.G. Hees.

Partijen zullen hierna Zorg en Zekerheid en [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 november 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 17 januari 2012

- de akte overleggen producties van Zorg en Zekerheid

- de akte van [A], houdende het overleggen van het vonnis van de kantonrechter van 31 januari 2012

- de akte uitlaten producties van [A].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Zorg en Zekerheid is door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport belast met de uitvoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en is in die hoedanigheid aan te merken als een zorgkantoor. In de uitvoering van de AWBZ heeft Zorg en Zekerheid in de jaren 2004 tot 2009 voorschotten Persoons Gebonden Budget (PGB) uitgekeerd aan zowel [vader van A] als aan zijn echtgenote [moeder van A].

2.2. [A] is, net als haar broer en drie zusters, geboren uit het huwelijk van [vader van A] en [moeder van A].

2.3. [vader van A] (hierna: erflater) is op 30 november 2007 overleden en [moeder van A] (hierna: erflaatster) is op 5 december 2007 overleden. Ingevolge het testament van erflater zijn alle baten van zijn nalatenschap toegedeeld aan zijn echtgenote (erflaatster) onder de verplichting voor haar om alle schulden te voldoen en is aan ieder van zijn kinderen toegedeeld een renteloze vordering op hun moeder ter grootte van hun zuiver erfdeel. Het testament van erflaatster heeft vervolgens geen effect gesorteerd, zodat de kinderen gezamenlijk erfgenaam zijn in haar nalatenschap (daaronder begrepen de baten en schulden uit de nalatenschap van erflater en bedoelde vorderingen), ieder voor één vijfde deel.

2.4. [A] heeft de nalatenschap van zowel erflater als erflaatster aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

2.5. Bij brief van 23 augustus 2010 heeft Zorg en Zekerheid aan [A] bericht dat bij een controle in november 2008 is geconstateerd dat de ouders van [A] eind 2007 zijn overleden en dat na de overlijdensdata nog een bedrag aan PGB ad € 39.756,82 op rekening van erflater is betaald en een bedrag aan PGB ad € 107.689,50 op rekening van erflaatster.

2.6. Zorg en Zekerheid heeft bij dagvaarding van 20 januari 2011 de vijf erfgenamen gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. Bij incidenteel vonnis van 11 mei 2011 heeft de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd verklaard voor zover het betreft de procedure tegen [A] en deze procedure verwezen naar de rechtbank Haarlem. Ten aanzien van de overige vier erfgenamen heeft de rechtbank Amsterdam de procedure aan zich gehouden.

2.7. Bij verzoekschrift van 13 september 2011 heeft [A] de kantonrechter te Haarlem - onder meer - verzocht een vereffenaar te benoemen. Bij beschikking van 31 januari 2012 heeft de kantonrechter dit verzoek doorverwezen naar de civiele sector van de rechtbank Haarlem.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Zorg en Zekerheid vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

gedaagden, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen de som van € 168.408,52, te verhogen met de wettelijke rente over € 165.162,50, sedert 30 december 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in de kosten van deze procedure. De kosten van het gelegde beslag daaronder begrepen.

3.2. Tegen de achtergrond van de gemelde feiten heeft Zorg en Zekerheid het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Na het overlijden van zowel erflater als erflaatster heeft Zorg en Zekerheid nog PGB-uitkeringen aan hen betaald. Ingevolge artikel 2.5.6.11 lid 1 onder a (de rechtbank begrijpt: artikel 2.6.12 lid 1 onder a) Regeling subsidies AWBZ eindigt het PGB met ingang van de dag gelegen na de dag waarop de verzekerde overlijdt, zodat deze betalingen onverschuldigd zijn gedaan. Voorts is tijdens de looptijd van het PGB door de budgethouder(s) te veel budget ontvangen. Aangezien de ten onrechte uitbetaalde PGB-uitkeringen zijn voldaan op de bankrekeningen van respectievelijk erflater en erflaatster zijn deze bedragen in de beide nalatenschappen gevallen. Voor zover sprake is geweest van betalingen na het overlijden van erflater en erflaatster zijn de erven door de ontvangst daarvan ongerechtvaardigd verrijkt, zodat een eventuele verwerping van de nalatenschap de erven niet kan vrijpleiten van terugbetaling.

3.3. [A] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4. [A] vordert voor zover de vordering in conventie geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen :

- een verklaring voor recht dat de in het nog te wijzen vonnis toegewezen (deel van de) vordering van Zorg en Zekerheid niet ten uitvoer kan worden gelegd zolang de vereffeningsprocedure ter zake van de nalatenschappen van erflater en/of erflaatster nog van kracht is en,

- eveneens voorwaardelijk - dat Zorg en Zekerheid verboden wordt tot deze tenuitvoerlegging over te gaan gedurende deze vereffeningsprocedure op straffe van een dwangsom van € 1.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag dat Zorg en Zekerheid zich hier niet aan houdt,

- met veroordeling van Zorg en Zekerheid in de proceskosten.

3.5. Zorg en Zekerheid voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Uit de stellingen van Zorg en Zekerheid volgt dat haar vordering deels ziet op budget dat betrekking heeft op de periode vóór het overlijden van erflater en erflaatster en deels op budget dat ziet op de periode na het overlijden van beiden en dat na dat overlijden naar hun respectieve bankrekeningen is overgemaakt. Dit betekent dat de vordering alleen voor wat betreft het deel dat ziet op de periode tot het overlijden van de erflater en de erflaatster tot de respectieve nalatenschappen behoort en voor het overige tot de eenvoudige gemeenschap waarin de erfgenamen ieder voor één vijfde deel gerechtigd zijn, nu zij immers als erfgenamen gezamenlijk in de rechten van de beide rekeninghouders zijn getreden.

4.2. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [A] de nalatenschappen beneficiair heeft aanvaard. Ingevolge artikel 4:202 BW brengt dit met zich dat de nalatenschappen overeenkomstig Afdeling 3 van Titel 6 van Boek 4 BW vereffend moeten worden. Dit betekent dat Zorg en Zekerheid haar vordering, voor zover deze in de nalatenschappen valt, binnen een door de kantonrechter bepaalde (of nog te bepalen) datum moet indienen bij de boedelnotaris, of indien deze ontbreekt, bij de vereffenaar(s). Zorg en Zekerheid kan de erfgenamen niet rechtstreeks ter zake dit deel van de vordering aanspreken. Zij is daarom niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze ziet op de terugvordering van budget dat betrekking heeft op de periode vóór het overlijden van de erflater en de erflaatster. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat als niet weersproken vaststaat dat de vereffening nog niet is beëindigd.

4.3. Voor zover de vordering van Zorg en Zekerheid ziet op betalingen ná het overlijden van erflater en erflaatster geldt het volgende. [A] heeft in de eerste plaats betwist dat Zorg en Zekerheid de door haar gestelde budgetten heeft uitgekeerd. Nu evenwel uit de door Zorg en Zekerheid overgelegde e-mailwisseling met de ABN AMRO Bank, in samenhang bezien met de beschikking vereffening PGB van 18 december 2008 (productie E.2), volgt dat de in de beschikking genoemde bedragen na het overlijden van erflater als voorschotbetaling voor 2008 ten behoeve van erflater op de bankrekening van erflaters bij de ABN AMRO Bank zijn gestort, heeft [A] haar betwisting ten aanzien van het uitkeren van deze bedragen onvoldoende onderbouwd. Mede gelet op genoemde producties van de zijde van Zorg en Zekerheid had van [A] ten minste mogen worden verwacht dat zij – zo nodig in samenspraak met de overige erfgenamen bij de ABN AMRO Bank de bankafschriften over 2008 zou hebben opgevraagd, waaruit de juistheid van haar stelling zou moeten blijken. Vast staat derhalve dat op de ABN AMRO Bankrekening van erflater na diens overlijden een bedrag van € 108.830,70 is uitgekeerd.

Nu [A] ook geen bankafschriften over 2008 in het geding heeft gebracht van de Postbank (thans en verder: ING Bank) rekening heeft zij haar betwisting van de stelling van Zorg en Zekerheid dat in 2008 op de Postbankrekening budget voor erflaatster is uitgekeerd eveneens onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat in de brief van Zorg en Zekerheid aan haar van 23 augustus 2010 (productie G.12) een onjuist rekeningnummer staat vermeld is daarvoor onvoldoende, nu uit haar eigen stellingen blijkt dat het daarin genoemde rekeningnummer slechts één nummer verschilt van het rekeningnummer van erflaatster (13921 in plaats van 123921). Het moet er daarom voor worden gehouden dat in genoemde brief sprake is van een verschrijving. Uit de door Zorg en Zekerheid overgelegde beschikkingen voor erflaatster (productie E.3) volgt dat na het overlijden van erflaatster als voorschotbetaling voor 2008 een bedrag van € 34.645,92 naar de rekening van erflaatster bij de ING Bank is overgemaakt.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat na het overlijden van erflaters een totaal bedrag van € 143.476,62 aan budget door Zorg en Zekerheid op de zogenoemde ervenrekeningen bij de ABN AMRO Bank en ING Bank is overgemaakt. Aangezien het PGB slechts toekomt aan de verzekerden ingevolge de AWBZ staat met het overlijden van beide verzekerden eind 2007 vast dat de voorschotbedragen over 2008 onverschuldigd zijn betaald. Of de toekenningsbeschikkingen voor 2008 al dan niet zijn ingetrokken kan daarom in het midden blijven. [A] wordt in dit verband immers niet aangesproken als erfgename maar als één van de rechthebbenden op de bankrekening ten tijde van de onverschuldigde betalingen. In die hoedanigheid is [A] gehouden het onverschuldigd betaalde bedrag voor wat betreft haar één vijfde aandeel in de desbetreffende bankrekeningen terug te betalen. Daarbij is niet relevant of het uitgekeerde budget nog op de bankrekeningen staat. Voor de door Zorg en Zekerheid gevorderde hoofdelijke veroordeling tot terugbetaling van het gehele bedrag bestaat geen deugdelijke grondslag. Dit betekent dat de vordering van Zorg en Zekerheid tot een bedrag van € 28.695,32 zal worden toegewezen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien in hoeverre eigen schuld aan de zijde van Zorg en Zekerheid aan de terugbetalingsverplichting van [A] zou kunnen afdoen, zodat het beroep door [A] daarop wordt verworpen. Immers, ook als Zorg en Zekerheid schuld zou hebben aan het feit dat zij de budgetten na het overlijden van erflaters is blijven doorbetalen, doet dit aan de onverschuldigdheid van die betalingen niet af.

4.5. [A] heeft de verschuldigdheid van de door Zorg en Zekerheid gevorderde wettelijke rente betwist, althans de gestelde ingangsdatum voor zover deze eerder is gelegen dan de datum van de dagvaarding. Nu Zorg en Zekerheid heeft verzuimd in de dagvaarding uiteen te zetten op welke datum [A] ter zake de terugbetaling in verzuim is geraakt er wordt slechts in algemene bewoordingen gesproken over een eerste aanmaning zal de rente worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding.

4.6. Aangezien partijen beide deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen zo worden gecompenseerd dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

in voorwaardelijke reconventie

4.7. Gelet op het feit dat een deel van de vordering van Zorg en Zekerheid is toegewezen, is de door [A] gestelde voorwaarde ingetreden en komt de rechtbank toe aan een beoordeling van hetgeen in reconventie is gevorderd.

De vordering van [A] ziet op het niet ten uitvoer kunnen leggen van de vordering in conventie zolang de vereffeningsprocedure ter zake van de nalatenschappen van erflaters nog van kracht is. Zorg en Zekerheid concludeert tot afwijzing van deze vordering.

4.8. Uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat de aldaar toegewezen vordering geen betrekking heeft op een van de nalatenschappen. Alleen al hierom ontberen de vorderingen in reconventie een deugdelijke grondslag en zullen deze worden afgewezen.

4.9. [A] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Deze kosten worden aan de zijde van Zorg en Zekerheid tot op heden begroot op:

- advocaatkosten € 384,00 (2 punten x 0,5 x tarief ad € 384,00)

5. De beslissing

De rechtbank

In conventie:

5.1. verklaart Zorg en Zekerheid niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover deze ziet op de terugvordering van budget dat betrekking heeft op de periode vóór het overlijden van de erflater en de erflaatster;

5.2. veroordeelt [A] tot betaling van een bedrag van € 28.695,32 (achtentwintigduizend zeshonderdvijfennegentig euro en tweeëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 20 januari 2011;

5.3. compenseert de proceskosten tussen partijen zo dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst af het anders of meer gevorderde;

In reconventie:

5.6. wijst de vorderingen af;

5.7. veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure aan de zijde van Zorg en Zekerheid tot op heden begroot op € 384,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.?