Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX7205

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
11/4036
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2014:2105, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechter kan niet treden in de wettelijke regeling die er toe leidt dat de belastingkorting uitsluitend kan worden verrekend met de verschuldigde ib/pvv over box I en niet kan leiden tot een vermindering van de verschuldigde ib/pvv over box III, in het geval eiser bij gebreke van inkomen uit werk en woning geen ib/pvv verschuldigd is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 2212
FutD 2012-2296
V-N Vandaag 2012/2182
V-N 2012/62.17.7

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 11/4036

Uitspraakdatum: 29 augustus 2012

Uitspraak in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: H. Romijn,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, (ib/pvv) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (ook: box I) van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (ook: box III) van € 227.452.

1.2. Verweerder heeft met dagtekening 18 mei 2011 in één geschrift bij voor bezwaar vatbare beschikkingen de belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang (de beschikking belastingkorting) vastgesteld op € 131.814 en de verrekening van de belastingkorting met de aanslag ib/pvv 2008 (de beschikking verrekening belastingkorting 2008) gesteld op nihil.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 juni 2010 de beschikking verrekening belastingkorting gehandhaafd.

1.4. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Eiser heeft schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2012. Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtigde voornoemd. Namens verweerder is verschenen W.H.A. Entrop.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser heeft over het jaar 2008 aangifte ib/pvv gedaan naar een inkomen uit werk en woning van nihil. Daarnaast heeft eiser aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 227.452. De aanslag is met dagtekening 3 mei 2011 vastgesteld naar een te betalen bedrag aan ib/pvv in box III van € 61.348. Na verrekening van heffingskorting (€ 2.074), dividendbelasting of kansspelbelasting (€ 1.575) en de voorlopige aanslag van € 57.699 resteert een te betalen bedrag op de aanslag van nihil.

2.2. Eiser heeft op 1 januari 2008 een onverrekend verlies uit werk en woning van € 82.728. Voorts heeft eiser over het jaar 2006 een onverrekend verlies uit aanmerkelijk belang van

€ 527.259. In 2007 en 2008 heeft eiser geen aanmerkelijk belang. Naar aanleiding van een verzoek van eiser heeft verweerder op grond van artikel 4.53, derde lid, van de Wet IB 2001 met dagtekening 18 mei 2011 de beschikking belastingkorting van € 131.814 (25% van

€ 527.259) (de belastingkorting) vastgesteld.

2.3. Bij beschikking van 18 mei 2011 heeft verweerder op grond van artikel 2.11a, derde lid, van de Wet IB 2001 de beschikking verrekening belastingkorting 2008 vastgesteld op nihil, zodat op de aanslag ib/pvv 2008 geen verrekening heeft plaatsgevonden.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder de beschikking verrekening belastingkorting 2008 terecht op nihil heeft vastgesteld.

3.2. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de belastingkorting tot een bedrag van

€ 57.699 dient te worden verrekend met de over het inkomen uit sparen en beleggen verschuldigde bedrag aan ib/pvv 2008 ad € 57.699. Subsidiair stelt eiser dat de belastingkorting dient te worden verrekend met 1,2% van € 527.259, zijnde € 6.327.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en verrekening van de belastingkorting met (een deel van) de verschuldigde ib/pvv 2008 over box III.

3.3. Verweerder betoogt dat de belastingkorting op grond van de Wet IB 2001 uitsluitend kan worden verrekend met de verschuldigde ib/pvv over box I en er derhalve geen ruimte is deze te verrekenen met de door eiser verschuldigde ib/pvv over box III ad € 57.699.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 2.11a van de Wet IB 2001 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. De belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning nadat de regelingen ter voorkoming van dubbele belasting zijn toegepast, wordt verminderd op de voet van artikel 4.53 met een nog niet in aanmerking genomen belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang.”

4.2. Artikel 4.53 van de Wet IB 2001 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“1. Indien de belastingplichtige en zijn partner in het kalenderjaar en het daaraan voorafgaande kalenderjaar geen aanmerkelijk belang hebben, wordt een nog niet verrekend verlies uit aanmerkelijk belang op verzoek van de belastingplichtige omgezet in een belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang. (…)

4. De belastingkorting voor verlies uit aanmerkelijk belang vermindert de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning van het in het eerste lid, eerste volzin, eerstbedoelde kalenderjaar en de zeven daarop volgende jaren, maar uiterlijk van het negende jaar volgend op het jaar waarin het verlies is geleden.”

4.3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de wettelijke regeling die er toe leidt dat de belastingkorting uitsluitend kan worden verrekend met de verschuldigde ib/pvv over box I en niet kan leiden tot een vermindering van de verschuldigde ib/pvv over box III, in het geval van eiser onredelijk uitwerkt. Eiser immers is over box I bij gebreke van inkomen uit werk en woning geen ib/pvv verschuldigd. Ook in de toekomst verwacht eiser geen inkomen uit werk en woning te genereren, met als gevolg dat hij de belastingkorting nimmer zal kunnen verrekenen. Naar de mening van eiser is er geen redelijke rechtvaardiging voor de keus van de wetgever om uitsluitend een vermindering van de verschuldigde ib/pvv in box I toe te staan. Voorts ziet eiser in de omstandigheid dat hij vanuit zijn privévermogen (box III) informeel kapitaal heeft verstrekt aan de vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang had (box II), ondersteuning voor zijn standpunt dat de wettelijke regeling ter zake van de belastingkorting in zijn geval onredelijk uitwerkt. Het aanmerkelijk belangverlies van box II is immers geleden met vermogen dat ter beschikking is gesteld aan de vennootschap en dat oorspronkelijk afkomstig is uit box III. Eiser stelt dat aan hem daarom een vermindering van de verschuldigde ib/pvv over box III ad € 57.699 dient te worden verleend, dan wel ad € 6.327.

4.4. Eiser keert zich met zijn klacht tegen de wettelijke regeling als zodanig. Ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829 Wet algemene bepalingen is het de rechter echter niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Een dergelijk oordeel is aan de wetgever voorbehouden. De rechtbank kan hierover dus geen oordeel geven.

4.5. Dit is slechts anders indien de wettelijke regeling in strijd zou komen met enige een ieder verbindende verdragsbepaling of bepaling van anderszins supranationaal recht. In dat verband heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de wettelijke regeling in strijd is met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser betoogt dat hij anders wordt behandeld dan andere belastingplichtigen met een verlies uit aanmerkelijk belang die over box I ib/pvv verschuldigd zijn en daarom de belastingkorting wel kunnen verrekenen. Naar het oordeel van de rechtbank is er in die situatie echter geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen als bedoeld in artikel 14 EVRM. Het verschil in behandeling is dan immers niet gelegen in een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar is louter een gevolg van de omstandigheid dat de ene belastingplichtige wel en de andere niet een bedrag aan ib/pvv over box I verschuldigd is.

4.6. Eiser verwijst voor zijn standpunt nog naar een uitspraak van rechtbank Breda van 13 juli 2012, nr. 11/05509 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de wetgever de ‘wide margin of appreciation’ heeft overschreden bij een verschil in behandeling tussen ondernemingsvermogen en privévermogen in de Successiewet en dat voor de hierdoor ontstane ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat zodat sprake is van een onaanvaardbare discriminatie als bedoeld in onder meer artikel 14 EVRM. De uitspraak van de rechtbank Breda leidt niet tot een ander oordeel nu, zoals de rechtbank onder 4.5 heeft overwogen, in het onderhavige geval geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene kan de rechtbank het primaire en subsidiaire standpunt van eiser niet volgen en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. J.M. van Kempen en

mr. H. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.