Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX6685

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/3481
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft aangenomen dat in het geval van verzoekster en haar broer sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3481

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

9 augustus 2012 in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.J. van der Staaij),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

(gemachtigde: drs. M.E. Zandbergen).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder onder meer de uitkering die verzoekster van verweerder ontving in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) beƫindigd met ingang van 6 april 2012 en ingetrokken per 21 maart 2012, omdat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met [naam broer verzoekster] (hierna: de broer van verzoekster).

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2012. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bosscher, namens haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Het primaire besluit van 5 april 2012 is volgens de voorzieningenrechter op goede gronden genomen. Op grond van het huisbezoek bij verzoekster op 21 maart 2012 is aannemelijk geworden dat de broer van verzoekster bij haar zijn hoofdverblijf had. Deze broer is toen bij verzoekster aangetroffen terwijl hij daar de nacht had doorgebracht. Bovendien bevond zich een zak met kleding van verzoeksters broer in de kamer van haar zoontje. Ook de post en wat toiletartikelen van de broer zijn bij verzoekster aangetroffen. Dat het verblijf van verzoeksters broer bij haar een duurzaam karakter had, is voldoende aannemelijk geworden, vanwege het feit dat de broer op 31 augustus 2011 en 4 oktober 2011 een schriftelijke verklaring heeft afgelegd, waaruit naar voren komt dat hij elke dag bij verzoekster verblijft en daar ook dagelijks slaapt. De resultaten van het huisbezoek op 21 maart 2012 wijzen er op dat daar op dat moment geen verandering in was gekomen.

3. Eveneens is voldoende aannemelijk geworden dat tussen verzoekster en haar broer sprake was van wederzijdse zorg. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat verzoekster voornamelijk de zorgtaken voor haar rekening nam. Zij deed de boodschappen en de was en zij kookte. Verzoeksters broer betaalde geen huur. De bijdragen van de kant van verzoeksters broer bestonden uit het regelmatig oppassen op verzoeksters zoontje. Soms haalde de broer ook boodschappen en een enkele keer haalde hij eten voor verzoekster en hem zelf.

4. Het voorgaande brengt mee dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening dan ook af.

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder onder meer verklaard dat verweerder ernaar zal streven de nieuwe Wwb-aanvraag van verzoekster snel af te handelen. Dit vanwege het feit dat verzoekster met de woningbouwvereniging Ymere heeft afgesproken dat zij haar huur over augustus 2012 in deze maand zal betalen. Verweerder zal dan ook proberen de afspraak met verzoekster die nu staat gepland op 22 augustus 2012, naar voren te halen.

Daarnaast zal verweerder proberen de behandeling van verzoeksters bezwaarschrift te bespoedigen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 augustus 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.