Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX6684

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-08-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/3185 & 12/3187
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat tussen eiseres en ... geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Voldoende aannemelijk is geworden dat de relatie tussen eiseres en ... een zakelijk karakter heeft. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3185 en 12/3187

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Bonsen-Lemmers),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C.W. Kieviet).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiseres in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) van verweerder ontving per 20 maart 2012 ingetrokken, omdat uit onderzoek is gebleken dat eiseres met [naam] (hierna: [naam]) een gezamenlijke huishouding voert.

Bij besluit van 26 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. AWB 12/3185. Zij heeft de voorzieningenrechter voorts verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 12/3187.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, als het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, als nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2. Eiseres ontvangt sinds 5 november 2008 een Wwb-uitkering naar de norm van een alleenstaande. Per 1 april 2009 huurt zij een kamer in de woning van [naam] aan de [adres] tegen een huurprijs van € 240,00 per maand. In het kader van het project Hoogwaardig Handhaven, is verweerder een onderzoek gestart naar de rechtmatige verstrekking van een uitkering aan eiseres. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft verweerder het besluit van 22 maart 2012 genomen. In het bestreden besluit heeft verweerder dit (primaire) besluit gehandhaafd.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster en [naam] een gezamenlijke huishouding voeren. Ingevolge artikel 3, derde lid, Wwb is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Vaststaat dat eiseres en [naam] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.

4. Volgens verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de relatie met [naam] zakelijk is. Naast het huurcontract is er immers geen zakelijke overeenkomst overgelegd waarin de wederzijdse rechten en plichten nauwkeurig afgebakend zijn. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk huur betaalt. Zij heeft geen kwitanties overgelegd. Geldopnames van de girorekening zijn te onregelmatig. Gas en elektra zijn in de huurprijs inbegrepen, zodat het vreemd is dat eiseres meebetaalt aan een naheffing hiervan. Ook heeft eiseres geen verklaring gegeven voor het feit dat er spullen van haar in de woonkamer staan. Deze woonkamer is volgens het overgelegde huurcontact uitgesloten van medegebruik. Niet valt in te zien op grond waarvan eiseres de woning schoonmaakt. Eiseres en [naam] hebben naar hun zeggen mondeling van het huurcontract afwijkende afspraken gemaakt. Die zijn voor verweerder niet controleerbaar. Voorts is niet duidelijk hoe zij de boodschappen regelen en wie het waspoeder betaalt. Eiseres doet wel de was voor [naam]. Volgens verweerder is de mogelijkheid blijven bestaan dat [naam] de huur en de boodschappen betaalt en eiseres als wederdienst huishoudelijke werkzaamheden verricht.

5. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij stelt zich in het beroep op het standpunt dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het huurcontract is stilzwijgend verlengd. Eiseres wijst erop dat zij bij uitzondering gezamenlijk met [naam] eet. Eiseres kookt niet regelmatig voor [naam]. Ieder betaalt zijn/haar eigen boodschappen. De zoon van eiseres is kok van beroep. Hij kookt wel eens voor zijn moeder en als [naam] er is, kan hij mee-eten. Sinds [naam] een vriendin heeft, eten eiseres en [naam] nagenoeg niet meer gezamenlijk. Verder is eiseres met [naam] overeengekomen dat zij gebruik mag maken van de woonkamer. Hierdoor staat daar ook een stoel van haar. Voorts heeft eiseres het tv- en radioabonnement afgesloten en de installatie verzorgd. Zij doet niet de was samen met [naam]. Ieder wast en strijkt de eigen was zelf. Eiseres is regelmatig aan de beurt om de ruimten die zij in medegebruik huurt, schoon te maken. [naam] betaalt aan eiseres de kosten van Eredivisie Live. Eiseres maakt geen gebruik van toiletartikelen van [naam]. Dat is overeengekomen dat de huur niet wordt geïndexeerd, brengt geen financiële verstrengeling mee. De huur wordt contant betaald en dat is via opnames te zien op de bankafschriften van eiseres.

6. Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, eist de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van ongehuwd samenwonenden die stellen, dat er sprake is van een zakelijke relatie en niet van een gezamenlijke huishouding, dat zij aantonen dat sprake is van een zakelijke overeenkomst waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn en op een voor verweerder eenvoudig te controleren wijze inzichtelijk worden gemaakt (zie CRvB 12 mei 1998, LJN ZB7597). De bewijslast dat sprake is van een zakelijke realtie ligt in beginsel bij eiseres en het ligt derhalve op haar weg om aan de hand van verifieerbare gegevens voldoende aannemelijk te maken dat op zakelijke basis tegen een reële huurprijs aan haar onderdak wordt verschaft. In het geval van eiseres acht verweerder inmiddels de huurprijs van € 240,-- per maand reëel.

7 In het bestreden besluit heeft verweerder er blijk van gegeven dat volgens vaste jurisprudentie van de CRvB van wederzijdse verzorging kan worden gesproken als sprake is van een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Als van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten of omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Voorts heeft hij ervan blijk gegeven dat op hem de bewijslast rust voor zijn standpunt dat eiseres en [naam] in ieder geval vanaf 20 maart 2012 een gezamenlijke huishouding voeren.

8. Ter zitting heeft eiseres desgevraagd verklaard dat, zoals is het bestreden besluit al was aangestipt, zij en [naam] een nieuw huurcontract hebben afgesloten, waarin ook het medegebruik van de woonkamer en het schoonmaken van de gezamenlijke ruimten (badkamer en keuken) zijn geregeld. Dit nieuwe huurcontract, dat is overgelegd in het kader van de nieuwe aanvraag, geeft de feitelijke situatie weer zoals deze inmiddels bestaat. Nieuw is dat de huurbetalingen via de girorekening van eiseres verlopen. Op verzoek van [naam] betaalt zij twee keer per maand € 120,--. Vastgelegd is nu ook dat de naheffing van de energiekosten door eiseres en [naam] wordt gedeeld, omdat de huur niet wordt geïndexeerd. Ook is vastgelegd dat eiseres de beschikking heeft over de woonkamer. Wat het schoonmaken betreft: thans maakt ieder badkamer en keuken na gebruik schoon.

9. Ter zitting is op basis van de bankafschriften nagegaan welke geldopnames geacht kunnen worden huurbetalingen te zijn. Het gaat om onregelmatige opnames die in de giroafschriften niet nader zijn aangeduid als huurbetalingen. Eiseres heeft hierover ter zitting verklaard dat [naam] de huur niet in een keer wil ontvangen, maar in gedeeltes, omdat hij het geld anders in een keer uitgeeft. Bovendien heeft eiseres aangevoerd dat zij, omdat zij in de schuldsanering zit, niet altijd over voldoende saldo op haar rekening beschikte, waardoor zij een geldopname moest uitstellen. De voorzieningenrechter wijst voorts op de zich in het dossier bevindende verklaring van [naam] die hij ten tijde van het huisbezoek op 20 maart 2012 heeft afgelegd. Deze verklaring luidt als volgt: ‘Het is geen gezamenlijke huishouding. Ik heb het ook bij de belastingdienst aangegeven. Ik ben het er niet mee eens. Ik heb bij de AOW alles bekend gemaakt. De belastingdienst heeft het goedgekeurd.’ Hier komt bij dat eiseres in de voorlopigevoorzieningprocedure hangende bezwaar een op 16 december 2011 gedateerde brief van de Belastingdienst Toeslagen heeft overgelegd. Deze brief heeft betrekking op de huurtoeslag van [naam] over 2010. De brief bevat onder meer de volgende passage: ‘U geeft aan in uw bezwaar dat mevrouw [naam eiseres] niet uw medebewoner maar uw onderhuurder is. Op basis van het door u meegezonden bewijs stel ik u in het gelijk. Wij zullen de huurtoeslag 2010 opnieuw voor u berekenen.’

Gelet op de voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat, ook al zijn de door eiseres verrichte huurbetalingen niet volledig controleerbaar en/of verifieerbaar, mede omdat eiseres geen boekhouding bijhoudt en naar eigen zeggen uit haar hoofd weet hoeveel zij [naam] heeft betaald of nog verschuldigd is, voldoende aannemelijk is geworden dat eiseres daadwerkelijk de afgesproken huur aan [naam] heeft betaald.

10. Ter zitting heeft eiseres een toelichting gegeven op de manier waarop [naam] en zij de was doen. Eiseres heeft verklaard dat zij in beginsel ieder hun eigen was doen. Echter, als de wasmachine niet vol zit, vraagt eiseres aan [naam] of hij nog was heeft die erbij kan. Eiseres heeft ter zitting uitgelegd dat het om een oude wasmachine gaat die niet is voorzien van een waterbesparend wasprogramma.

11. Voorts heeft eiseres ter zitting nader toegelicht hoe het gaat met het al dan niet gezamenlijk eten met [naam]. Eiseres heeft verklaard dat zij aanvankelijk meer samen met [naam] de maaltijden gebruikte. Inmiddels heeft [naam] een vriendin, waardoor hij veel minder in de woning verblijft dan voorheen. Eiseres en [naam] eten dus nauwelijks meer gezamenlijk. Wat de etenswaren betreft: eiseres heeft verklaard dat [naam] en zij andersoortige voedingsmiddelen kopen, zodat voor beiden in beginsel duidelijk is welke etenswaren van wie zijn. Inmiddels is het zo, aldus eiseres, dat er in de koelkast voor beiden aparte bakjes met voedsel staan. Er zijn vrijwel geen etenswaren voorhanden die [naam] en eiseres gezamenlijk gebruiken. Een uitzondering hierop vormt bijvoorbeeld de braadboter.

12. De voorzieningenrechter is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de bewijslast voor zijn standpunt dat eiseres en [naam] in ieder geval vanaf 20 maart 2012 een gezamenlijke huishouding voeren. Er is weliswaar sprake van gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning, maar eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Immers, niet gezegd kan worden dat de relatie tussen [naam] en eiseres geen zakelijk karakter heeft. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit moet worden vernietigd op grond van artikel 7:12 Awb.

13. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De voorzieningenrechter zal het primaire besluit van 22 maart 2012 herroepen, nu dit besluit berust op nagenoeg dezelfde onhoudbare grondslag als het besluit op bezwaar van 26 juni 2012. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat het primaire besluit hangende de bezwaarfase door de voorzieningenrechter is geschorst. In de desbetreffende uitspraak is aangegeven wat er, naar voorlopig oordeel, aan dit besluit schortte. Verweerder heeft vervolgens in de beslissing op bezwaar zijn oorspronkelijke motivering nagenoeg geheel gehandhaafd. Hierin ligt de aanleiding om het primaire besluit te herroepen. Eiseres heeft als gevolg hiervan recht op doorbetaling van haar bijstandsuitkering vanaf 20 maart 2012. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding meer. De voorzieningenrechter zal het verzoek daartoe dus afwijzen.

14. Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder. In het bestreden besluit heeft verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten in bezwaar afgewezen.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, uitsluitend door het bestuursorgaan vergoed op verzoek van de belanghebbende en voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Van dit laatste is in het geval van eiseres sprake, nu verweerder ten onrechte het primaire besluit heeft gehandhaafd. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres in bezwaar gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,--. De voorzieningenrechter kent een punt toe voor het bezwaarschrift en een punt voor het verschijnen ter hoorzitting. De waarde van een punt bedraagt € 437,--. De zwaarte van de zaak is gemiddeld. Deze proceskosten moeten worden betaald aan eiseres.

15. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in de voorlopigevoorzieningprocedure en in beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de voorzieningenrechter een punt toe voor het beroepschrift en het verzoek om voorlopige voorziening alsmede een punt voor het verschijnen ter zitting. De zwaarte van de zaken is gemiddeld. Deze proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,-- moeten worden betaald aan de griffier van de rechtbank, omdat ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend op grond van de

Wet op de rechtsbijstand.

16. Voorts zal de voorzieningenrechter verweerder gelasten het door eiseres betaalde griffierecht voor het beroep en voor het verzoek om voorlopige voorziening, telkens € 42,--, aan haar te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 juni 2012;

- herroept het primaire besluit van 22 maart 2012;

- bepaalt dat eiseres recht heeft op doorbetaling van haar Wwb-uitkering vanaf 20 maart 2012;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,-- , te betalen aan eiseres;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep en in het verzoek om voorlopige voorziening gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van in totaal € 84,-- aan haar vergoedt;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel - Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.