Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX6665

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-07-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/2323 & 12/2817
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat er ten tijde van de aanvraag sprake was van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2323 en 12/2817

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2012 in de zaken tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P.E. Stam),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Slotboom).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om toekenning van een (aanvullende) uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen, omdat sprake is van een gezamenlijke huishouding met [naam hoofdbewoner] (hierna: de hoofdbewoner).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 16 mei 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 18 mei 2012 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 12-2323.

Bij besluit van 16 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. AWB 12-2817.

Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening gelijk met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012 waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts was ter zitting aanwezig H.R. Lameijer.

Overwegingen

Eiser heeft gewerkt tot en met september 2011. Sindsdien ontvangt hij een WW-uitkering ten bedrage van € 119,-- per maand. Op 28 februari 2012 heeft eiser zich gemeld bij het UWV Werkbedrijf voor een (aanvullende) Wwb-uitkering. Op 7 maart 2012 heeft verweerder de aanvraag in behandeling genomen. Per 8 maart 2012 heeft eiser zich laten inschrijven op het adres van de hoofdbewoner. Op 22 maart 2012 hebben medewerkers van verweerder met eiser een intakegesprek gevoerd. Direct hierna heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen. In bewaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een gezamenlijke huishouding voert met de hoofdbewoner. In dit verband wijst verweerder op de volgende feiten en omstandigheden:

- Tot 7 mei 2012 was geen sprake van een huurcontract dan wel aantoonbare huurbetalingen.

- Op 22 maart 2012 heeft eiser verklaard dat er geen noodzaak was voor een contract, omdat een mondelinge afspraak voldoende was.

- Op 5 juni 2012 is voor het eerst aantoonbaar een bedrag van € 200,-- overgemaakt aan de hoofdbewoner.

- Een huur van € 200,-- kan niet worden beschouwd als een commerciële huur.

- Eiser doet de huishouding en mag de gehele woning gebruiken.

- Als de hoofdbewoner thuis is, doen eiser en hij samen boodschappen voor ongeveer € 150,-- en daar betaalt eiser dan aan mee.

- De € 50,-- die eiser moet betalen, gebruikt hij voor de boodschappen ten behoeve van beiden.

- De koelkast wordt gedeeld en eiser kookt voor beiden.

- In de gehele woning liggen bezittingen van eiser en de hoofdbewoner, zoals meubels, kleding, toiletartikelen en administratie door elkaar.

- De gehele woning wordt door beiden gebruikt en men kijkt samen televisie en ontvangt gezamenlijke vrienden.

Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Eiser huurt vanaf 1 oktober 2011 als kostganger een kamer in de woning van de hoofdbewoner. De maandelijkse huur bedraagt

€ 200,-- en vanaf 1 maart 2012 € 50,-- extra voor bijkomende leveringen, zoals boodschappen doen. Er is sprake van een zakelijke kostgangersrelatie. In dit verband wijst eiser op de kostgangersovereenkomst van 7 mei 2012. Eiser neemt, als de hoofdbewoner er is, de huishouding voor zijn rekening, maar de hoofdbewoner is slechts twee weken in de maand thuis. Van wederzijdse zorg is in ieder geval geen sprake. Bovendien is geen sprake van financiële verstrengeling. Het enige wat zou kunnen duiden op een gezamenlijke huishouding is, dat eiser en de hoofdbewoner wel gezamenlijk boodschappen doen. Dit is volgens eiser echter te weinig om een gezamenlijke huishouding aan te nemen.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aanleiding bestaat van deze bevoegdheid gebruik te maken.

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding van eiser met de hoofdbewoner.

Ingevolge artikel 3, derde lid, Wwb is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Vaststaat dat eiser en de hoofdbewoner hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Ingevolge ter zake vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kan van wederzijdse zorg worden gesproken, als sprake is van een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Als van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten of omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat bij eiser en de hoofdbewoner ten tijde van de aanvraag om bijstand sprake was van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang dat eiser en de hoofdbewoner, wanneer deze aanwezig was, feitelijk alles gezamenlijk deelden. De boodschappen werden gezamenlijk gedaan en betaald; er werd gezamenlijk gegeten; de kamers, met uitzondering van de slaapkamers, werden door beide bewoners gebruikt; de eigendommen en de administratie van beide bewoners, lagen ongescheiden in de kasten in de woonkamer; de afspraken wie welke betalingen deed dan wel wie welke huishoudelijke taken verrichtte, waren niet zakelijk geregeld, laat staan op papier gezet. Voorts heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser en de hoofdbewoner aanvankelijk geen huurovereenkomst hadden gesloten. Eiser heeft de noodzaak daarvoor aanvankelijk zelfs ontkend. Dat van aanvang af sprake zou zijn van een commerciële kostgangersrelatie is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Op het door verweerder ter zitting herhaalde standpunt dat een huur van € 200,-- per maand niet kan worden beschouwd als een commerciële huur, volgt de voorzieningenrechter verweerder overigens niet, reeds omdat verweerder ter zitting niet kon aangeven welke huur de hoofdbewoner zelf voor de gehele woning betaalt, en wat dan wel als een commerciële huur zou kunnen worden aangemerkt. De voorzieningenrechter acht het niet onterecht dat verweerder, gelet op de eerder genoemde omstandigheden, heeft aangenomen dat ten tijde in geding, sprake was van een gezamenlijke huishouding. De omstandigheid dat de hoofdbewoner twee weken per maand niet thuis is vanwege zijn werk op een binnenvaartschip, maakt deze conclusie niet anders.

Het voorgaande brengt met zich dat het beroep ongegrond is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek daartoe dan ook afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Eiser heeft ter zitting aangegeven dat er inmiddels vanaf 7 mei 2012 wel een kostgangersovereenkomst is, met concrete afspraken over de verschuldigde huur. Daarin is ook duidelijk geregeld welke kosten eiser ten behoeve van de maaltijden bijdraagt en welke huishoudelijke taken hij op zich neemt. Eiser heeft voorts aangegeven de persoonlijke eigendommen van hemzelf en de hoofdbewoner, duidelijker gescheiden te zullen houden en daarover afspraken te zullen maken. Eiser heeft, na het treffen van deze maatregelen, op 12 juni 2012 een nieuwe Wwb-aanvraag ingediend.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het, ondanks de getroffen maatregelen, moeilijk zal worden om in een geval als dit, waarbij de kostganger en de hoofdbewoner een vriendschappelijke verhouding hebben, aan te nemen dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.

De voorzieningenrechter ziet niet in waarom de omstandigheid, waarbij iemand gaat wonen in de woning van een bekende met wie hij een vriendschapsband heeft, bij voorbaat zou uitsluiten dat sprake is van een zakelijke, commerciële, relatie waardoor het verkrijgen van een bijstandsuitkering als alleenstaande feitelijk onmogelijk is. Van belang is wel dat de betrokkenen hun zakelijke relatie goed vastleggen, zodat deze voor verweerder controleerbaar en verifieerbaar is. De voorzieningenrechter gaat er dan ook van uit dat verweerder zich bij de behandeling van de nieuwe aanvraag van eiser niet bij voorbaat afwijzend opstelt, doch eiser op het punt van het vastleggen van de zakelijke relatie ondersteuning biedt en aangeeft, op welke punten duidelijke afspraken vereist zijn.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.