Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX6430

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-08-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
566048-AO VERZ 12-370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst afgewezen. Reflexwerking opzegverbod bij ziekte. Werkgever heeft tijdens ziekte herhaaldelijk voorgesteld het dienstverband te beëindigen, terwijl de overige door werkgever aangevoerde gronden het verzoek niet kunnen dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0805

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 566048/ AO VERZ 12-370

datum uitspraak: 27 augustus 2012

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IDC Group B.V.

te Ballum, gemeente Ameland

verzoekster

hierna te noemen IDC

gemachtigde mr. G.M. Metz

tegen

[X.]

te [woonplaats]

verweerster

hierna te noemen [X.]

gemachtigde mr. R. Boskma (ARAG Rechtsbijstand)

De procedure

Op 23 juli 2012 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van IDC. [X.] heeft een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2012. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

1. IDC is een onderneming die zich bezighoudt met (onder meer) incassodienstverlening.

2. [X.], 32 jaar oud, is op 1 september 2009 bij IDC in dienst getreden. Zij was werkzaam als administratief medewerkster voor een salaris van € 2.200,00 bruto per maand exclusief vakantiebijslag.

3. [X.] heeft zich op 17 februari 2011 ziek gemeld.

4. Op 11 april 2011 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [X.] volledig arbeidsongeschikt is en geadviseerd om ‘in de loop van de behandeling’ het werk voor enkele uren per week te hervatten.

5. Bij brief van 15 april 2011 heeft [A.], werkzaam bij IDC, namens IDC tegenover de arbodienst van IDC een aantal kanttekeningen geplaatst bij de tot dan toe ontvangen adviezen van de bedrijfsarts en geschreven dat IDC, indien nodig, alsnog een deskundigenoordeel zal vragen.

6. [A.] heeft op 11 mei 2011 [X.] thuis bezocht. IDC heeft bij brief van 23 mei 2011 de inhoud van dat gesprek aan [X.] bevestigd, haar verzocht het door [A.] ingevulde plan van aanpak ondertekend aan IDC te retourneren en aan [X.] geschreven:

“(…) Wellicht is een deel van de oplossing van jouw probleem, dat de arbeidsovereenkomst met IDC wordt beëindigd. We zouden of door een vaststellingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt of door een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter een waardig einde kunnen maken aan de arbeidsrelatie. (…) Ik raad je dringend aan dit te overwegen. (…)”

7. De bedrijfsarts heeft op 6 juni 2011 geoordeeld dat [X.] ongeschikt is voor eigen en voor aangepast werk en dat interventie ‘voorlopig niet’ nodig is. De bedrijfsarts heeft IDC geadviseerd ‘sociaal contact’ te houden met [X.].

8. Op 24 juni 2011 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat er voor [X.] ‘geen mogelijkheden tot eigen of aangepast werk’ zijn, dat interventie ‘nog niet’ nodig is en dat [X.] is verwezen naar een ‘terzake kundige behandelaar’.

9. In opdracht van IDC heeft Hoffman Bedrijfsrecherche in de periode van augustus tot en met oktober 2011 onderzoek gedaan naar [X.]. In het onderzoeksrapport d.d. 16 juli 2012 staat geschreven dat het onderzoek is uitgevoerd ‘ter vaststelling van de activiteiten’ van [X.] en dat er ‘geen relevante bevindingen’ zijn.

10. Op 15 oktober 2011 heeft de bedrijfsarts herhaald dat er geen mogelijkheden zijn voor [X.] tot eigen of aangepast werk en geschreven dat [X.] ‘adequate therapie’ heeft en ‘interventie niet zinvol’ is.

11. Bij brief van 26 oktober 2011 heeft IDC aan [X.] geschreven:

“(…) Zowel jij als IDC zal zich dienen te orienteren over ons beider toekomst en of wij in elkaars toekomst een rol moeten en kunnen spelen Ik nodig je dan ook uit om (…) verder te bespreken op welke wijze we al dan niet doorgaan met de arbeidsovereenkomst. Van belang voor jou om te weten is, dat het kantoor Zwaanshoek verplaatst zal worden naar Ameland. (…)”

12. Op 4 november 2011 heeft [X.] aan IDC een zwangerschapsverklaring gezonden, waarin is vermeld dat de uitgerekende datum is vastgesteld op 10 maart 2012.

13. Op 6 december 2011 heeft IDC een bericht ontvangen van de via de Arbodienst geraadpleegde psycholoog dat [X.] binnen 4 tot 8 weken na de start van de behandeling (op 23 november 2011) zou kunnen aanvangen met reintegratie.

14. Bij brief van 22 december 2011 heeft [A.] namens IDC aan [X.] geschreven:

“(…) Ik heb kennis genomen van de berichten van specialisten en de bedrijfsarts. Deze zijn van oordeel dat je niet kunt werken. Ik ben evenwel van mening, dat je op zijn minst in staat bent met mij van gedachten te wisselen over het einde van het dienstverband. Dit einde houdt geen verband met jouw ziekte. Het houdt wel verband met een gebrek aan vertrouwen bij IDC in jou en houdt verband met het feit, dat het kantoor van IDC is verhuisd naar het adres Nesserweg 13 te Ameland. Het kantoor te Zwaanshoek is gesloten. (…) Beide dingen nopen tot de conclusie dat reïntegratie geen reële optie meer is. Dat betekent vervolgens dat het dienstverband dient te worden beëindigd. (…)”

15. Bij brief van 9 januari 2012 heeft de gemachtigde van [X.] aan IDC geschreven dat [X.] zich beroept op het opzegverbod bij ziekte en niet bereid of in staat is mee te werken aan beëindiging van het dienstverband.

16. [X.] is per 1 februari 2012 met zwangerschapsverlof gegaan. Het zwangerschapsverlof is op 25 mei 2012 geëindigd.

17. Op 21 mei 2012 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [X.] arbeidsongeschikt is voor het eigen werk en dat er tevens sprake is van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft geadviseerd het arbeidsconflict conform de STECR richtlijn op te lossen.

18. [X.] heeft op 9 augustus 2012 de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat [X.] volledig arbeidsongeschikt is voor haar eigen en voor ander passend werk en dat de behandeling van [X.] ‘adequaat’ is.

Het verzoek

IDC verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens veranderingen in de omstandigheden. IDC stelt –samengevat – dat er twee redenen zijn voor het verzoek.

Ten eerste is het kantoor van IDC per 1 december 2011 verplaatst van Zwaanshoek naar Ballum te Ameland. Het is niet realistisch om van [X.], die met haar gezin in [woonplaats] woont, te verwachten dat zij een dergelijke afstand van huis naar werk zal overbruggen.

Ten tweede heeft IDC het vertrouwen in [X.] verloren. De communicatie met [X.] verloopt moeizaam. Na het gesprek van 23 mei 2011 was normaal contact met [X.] niet meer mogelijk. Pogingen om tot re-integratie te komen of zelfs maar contact te onderhouden werden door [X.] afgewezen.

Hoewel [X.] bij herhaling aan IDC te kennen heeft gegeven dat zij niet in staat was de straat op te gaan of auto te rijden, heeft IDC in augustus 2011 vernomen dat [X.] zich toch bij herhaling met de auto op de weg begaf. Dat blijkt ook uit het onderzoek dat Hoffman Recherche op verzoek van IDC heeft verricht. Bij brief van 22 december 2011 heeft IDC aan [X.] medegedeeld dat er een gebrek aan vertrouwen was ontstaan.

[X.] is nog steeds arbeidsongeschikt, en naar het zich laat aanzien is de situatie ernstig. IDC heeft opdracht gegeven voor een arbeidskundig onderzoek, om vast te stellen tot welke arbeid [X.] in staat is en hoe de re-integratie zou moeten plaatsvinden. IDC benadrukt dat de ziekte niet heeft geleid tot een vertrouwensbreuk. Deze is ontstaan doordat [X.] contact heeft geweigerd en een onjuist beeld heeft geschetst van haar conditie.

Voornoemde twee gronden leveren ieder op zich en gezamenlijk een verandering van omstandigheden op, welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst behoort te eindigen.

Het verweer

[X.] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. [X.] voert aan dat het verzoek verband houdt met haar arbeidsongeschiktheid. [X.] is tijdens haar arbeidsongeschiktheid altijd de bereidheid geweest om contact te onderhouden met IDC, maar IDC heeft bij voortduring aangedrongen op beëindiging van het dienstverband. Dit heeft geleid tot veel stress bij [X.] en tot verergering van haar klachten. [X.] betwist dat na 23 mei 2011 geen normaal contact meer mogelijk was en dat zij pogingen om tot re-integratie te komen heeft afgewezen. [X.] was volledig arbeidsongeschikt, zodat re-integratie niet aan de orde was. Bovendien is na 23 mei 2011 wel degelijk contact geweest tussen IDC en [X.]. IDC heeft zelf een afspraak met [X.] om gezamenlijk een Plan van Aanpak WIA op te stellen, afgezegd.

Uit de rapportages van de bedrijfsarts blijkt dat [X.] volledig arbeidsongeschikt was en nog steeds is voor haar eigen werk en voor ander passend werk. Indien IDC twijfels had over het oordeel van de bedrijfsarts, had zij een deskundigenoordeel bij het UWV moeten aanvragen. Dat is echter niet gebeurd.

Dat IDC [X.] verwijt een vertrouwensbreuk te hebben veroorzaakt, is de omgekeerde wereld. Het is IDC die de arbeidsongeschiktheid van [X.] voortdurend in twijfel heeft getrokken. Vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid stond elk contact in het teken van de wens van IDC om te komen tot beëindiging van het dienstverband. IDC heeft de privacy van [X.] ernstig geschonden door een recherchebureau in te schakelen. Daartoe was geen enkele aanleiding

De verhuizing van IDC naar Ameland is geen reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat [X.] niet bij IDC gere-integreerd kan worden, ontslaat IDC niet van haar re-integratieverplichtingen in het tweede spoor.

Subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [X.] om toekenning van een vergoeding van € 35.887,00 (C = 3), waarbij er rekening mee is gehouden dat tot 17 juni 2013 een ontslagverbod geldt.

De beoordeling

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

[X.] beroept zich op de reflexwerking van het opzegverbod bij ziekte. IDC weerspreekt dat het onderhavige verzoek verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [X.]. De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

Vast staat dat [X.] sinds 17 februari 2011 volledig arbeidsongeschikt is voor zowel haar eigen werk als voor aangepast werk. IDC is, blijkens haar brief van 15 april 2011, al in het begin van de arbeidsongeschiktheid ongelukkig met het oordeel van de bedrijfsarts en de door deze voorgeschreven aanpak. Bovendien blijkt uit de feiten dat IDC vanaf 23 mei 2011 -drie maanden nadat [X.] arbeidsongeschikt was geworden- steeds heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst terwijl niet is gebleken dat daar een geldige reden voor was. Blijkens de brief van 23 mei 2011 was IDC (destijds) van mening dat beëindiging van het dienstverband voor [X.] ‘een deel van de oplossing van jouw probleem’ zou zijn, maar deze voorstelling is oneigenlijk: er was geen sprake van een situationele arbeidsongeschiktheid en destijds bestond er nog geen arbeidsconflict; pas een jaar later -op 21 mei 2012- heeft de bedrijfsarts voor het eerst geoordeeld dat er een arbeidsconflict was. Ook overigens is niet gebleken dat beëindiging van het dienstverband het herstel van [X.] zou kunnen bevorderen.

IDC kan in redelijkheid ook niet volhouden dat [X.] pogingen om tot re-integratie te komen heeft afgewezen en dat [X.] een onjuist beeld heeft geschetst van haar conditie. Uit de berichten van de bedrijfsarts blijkt dat, behoudens het advies van 11 april 2011 waarin re-integratie volgens de bedrijfsarts ‘in de loop van de behandeling’ tot de mogelijkheden behoorde, re-integratie niet aan de orde is geweest en ook thans niet tot de mogelijkheden behoort. Indien IDC van mening is dat [X.] niet of onvoldoende meewerkt aan haar re-integratie of indien zij twijfels had over de (mate van) arbeidsongeschiktheid en ‘conditie’ van [X.], had IDC een deskundigenoordeel moeten vragen bij het UWV en niet een bedrijfsrecherchebureau moeten inschakelen.

IDC heeft –in het licht van de betwisting door [X.]- niet aannemelijk gemaakt dat [X.] ieder contact heeft geweigerd. Bovendien heeft IDC niet weersproken dat zij zelf een afspraak met [X.] om gezamenlijk een Plan van Aanpak WIA op te stellen, heeft afgezegd.

Ter zitting is wel duidelijk geworden dat de communicatie tussen IDC en [X.] moeizaam verloopt. Hiervan kan [X.] naar het oordeel van de kantonrechter geen verwijt worden gemaakt, gezien de aard van de ziekte en de beperkingen die zij daarvan ondervindt. Bovendien acht de kantonrechter het aannemelijk dat de herhaaldelijke voorstellen van IDC om het dienstverband te beëindigen de communicatie tussen partijen heeft bemoeilijkt.

Partijen zijn het erover eens dat re-integratie bij IDC niet meer aan de orde is, als gevolg van de verhuizing van het bedrijf van Hoofddorp naar Ameland. De kantonrechter is echter met [X.] van oordeel dat deze verhuizing onvoldoende zwaarwegend is om de arbeidsovereenkomst op die grond te beëindigen. Re-integratie van [X.] hoeft immers niet bij IDC plaats te vinden, maar kan ook elders gebeuren. [X.] heeft, bij monde van haar gemachtigde, ter zitting verklaard dat zij wil re-integreren in het tweede spoor. Daarbij heeft [X.] erop gewezen dat op dit moment niet is te voorzien wanneer zij met re-integratie kan starten, maar dat dat mogelijk voor 17 juni 2013 zal zijn, te weten de datum waarop het ontslagverbod bij ziekte komt te vervallen. [X.] heeft derhalve belang bij voortzetting van haar arbeidsovereenkomst met IDC. Verder voert [X.] naar het oordeel van de kantonrechter terecht aan dat de door IDC geïnitieerde verhuizing IDC geenszins ontslaat van haar re-integratieverplichtingen als werkgever.

Al het voorgaande in aanmerking nemende is de kantonrechter van oordeel dat [X.] aannemelijk heeft gemaakt dat het verzoek verband houdt met haar arbeidsongeschiktheid. IDC heeft immers vanaf 23 mei 2011 herhaaldelijk voorgesteld het dienstverband te beëindigen, terwijl de overige door IDC aangevoerde gronden het verzoek niet kunnen dragen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

De proceskosten komen voor rekening van IDC, omdat deze in het ongelijk wordt gesteld. Deze worden aan de zijde van [X.] begroot op 2 punten van elk € 200,00.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt IDC in de kosten van de procedure, aan de zijde van [X.] begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.P. Ruitinga en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.