Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX6429

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
545155 \ CV EXPL 12-1541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Gevolgencriterium. Omdat werknemer heeft geweigerd vaststellingsovereenkomst te tekenen, is de door werkgever aangeboden vergoeding -die andere werknemers wel hebben ontvangen- komen te vervallen, terwijl de einddatum van de arbeidsovereenkomst in de vaststellingsovereenkomst en de einddatum door de opzegging gelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0806
Prg. 2012/285

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 545155 \ CV EXPL 12-1541

datum uitspraak: 29 augustus 2012

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[X.]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen [X.]

gemachtigde mr. R.C. Branco Martins

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COLPITT B.V.

te Zandvoort

gedaagde

hierna te noemen Colpitt

gemachtigde mr. I.M. van der Vorst

De procedure

[X.] heeft Colpitt gedagvaard op 31 januari 2012. Colpitt heeft schriftelijk geantwoord.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 18 april 2012 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 18 juli 2012. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht.

De feiten

a. [X.], 58 jaar oud, is met ingang van 1 september 1995 in dienst getreden bij Colpitt in de functie van lasser tegen een salaris van (laatstelijk) € 2.914,71, exclusief vakantiegeld.

b. Op 16 maart 2011 heeft Colpitt toestemming gevraagd aan het UWV WERKbedrijf (hierna: het UWV) voor het ontslag van [X.] (en 13 andere werknemers) op bedrijfseconomische gronden. Per voornoemde datum is [X.] ook vrijgesteld van werkzaamheden.

c. Bij brief van 17 maart 2011 heeft het Colpitt, voor zover hier van belang, het volgende aan [X.] geschreven:

“Vandaag hebben we in een persoonlijk gesprek een toelichting gegeven op de huidige situatie bij Colpitt. (…)Zoals in de personeelsbijeenkomst gisteren is aangegeven heeft Colpitt er steeds naar gestreefd gedwongen ontslagen zoveel mogelijk te voorkomen. Gezien de ontwikkelingen zal echter ook een besparing moeten plaatsvinden op de loonkosten, waardoor gedwongen ontslagen niet langer te vermijden zijn. Doen we dit niet, dan komt de continuïteit van de onderneming op zeer korte termijn ernstig in gevaar.

Helaas heeft dit consequenties voor jou. Je arbeidsovereenkomst moet helaas worden beëindigd. We hebben hierbij de wet- en regelgeving van het UWV WERKbedrijf gevolgd.

Op 16 maart 2011 is bij het UWV WERKbedrijf, afdeling Arbeidsjuridische Zaken te Haarlem, een ontslagaanvraag voor jou ingediend op basis van het verval van je arbeidsplaats.

Tijdens de bespreking vandaag hebben we je in dat kader de volgende stukken overhandigd:

(…) • Concept vaststellingsovereenkomst; (…)

Het heeft onze voorkeur om de arbeidsovereenkomst in goed onderling overleg en met wederzijds goedvinden te beëindigen Op die manier is er voor beide partijen spoedig duidelijkheid en kunnen onnodig lange en kostbare procedures worden voorkomen.

Als je wilt mee werken aan een beëindiging van je arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden en een vaststellingsovereenkomst tekent, zijn wij bereid een financiële, compensatie te betalen in de vorm van een aanvulling op de WW-uitkering.

Jouw arbeidsovereenkomst eindigt in dat geval wat ons betreft op 31 juli 2011.

Hierbij is rekening gehouden met de wettelijk geldende opzegtermijn.

De aanvulling is gebaseerd op een percentage van het laatstverdiende vaste bruto maandsalaris, inclusief vakantietoeslag en is gekoppeld aan het (blijvend) verkrijgen van een WW-uitkering en de lengte van jouw dienstverband (afgerond 16 jaar).

De aanvullingsregeling is een maandelijkse aanvulling op een door jou te verkrijgen WW-uitkering, gedurende een periode van maximaal 12 maanden, gebaseerd op het laatstverdiende vaste maandsalaris en is als volgt opgebouwd:

1e maand: 25% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

2e maand: 20% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

3e maand: 15% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

4e maand: 10% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

5e t/m 12e maand 5% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

Uitbetaling van de financiële compensatie vindt in maandelijkse termijnen plaats.

(…)”

d. Bij e-mail van 28 maart 2011 heeft [A.], toenmalig directeur van Colpitt, voor zover hier van belang, het volgende aan [X.] meegedeeld:

“Zoals toegezegd ontvang je hierbij een voorstel dat samenhangt met ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zoals overhandigd;

- Colpitt heeft contact met oa Mechatec en hen de vraag gegeven of hij een werkgever voor je wil zoeken, wetende van onderstaand voorstel. Mocht je zelf een baan vinden dan is het aanbod daarop van toepassing.

- Colpitt is bereid 2x lasapparaat en 1x lastafel tegen Euro 500,-- aan je nieuwe werkgever te verkopen onder voorwaarde dat hij je aan neemt.

- Colpitt zal vervolgens werk(onderdelen) iig gedurende het eerste jaar van je nieuwe dienstverband uitbesteden bij die werkgever. Eventueel vervolg hangt dan samen met geleverde kwaliteit.

Samengevat betekend dat voor je nieuwe werkgever dat hij voor jou a) geen investering hoeft te doen in las apparaten want die verstrekt colpitt, b) dat de capaciteit die jij vormt direct vanaf het begin deels gevuld is. Hoe veel capaciteit er gevuld wordt dient nader afgestemd te worden.

Zoals je weet is de situatie van colpitt dusdanig dat we niet in staat zijn ontslag vergoedingen uit te keren. Daarom wil ik mij focussen op het helpen vinden van een nieuwe baan, juist voor die mensen die al wat meer jaren hebben. (…)”

e. [X.] is op dit voorstel niet ingegaan, hij heeft de aangeboden vaststellingsovereenkomst niet getekend en hij heeft bij verweerschrift van 31 maart 2012 verweer gevoerd tegen het ontslagverzoek van Colpitt.

f. Bij beslissing van 14 april 2011 heeft het UWV toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [X.] op te zeggen op grond van - samengevat - een bedrijfseconomische noodzaak.

g. Bij brief van 15 april 2011 heeft Colpitt de arbeidsovereenkomst opgezegd per 31 juli 2011.

De vordering

[X.] vordert (samengevat) primair veroordeling van Colpitt tot herstel van de dienstbetrekking met ingang van 1 augustus 2011. Subsidiair vordert [X.] veroordeling van Colpitt tot betaling van een schadevergoeding ex artikel 7:681 BW van € 80.000,00 bruto en betaling van € 1.500,00 aan buitengerechtelijke kosten, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

[X.] legt aan de vordering ten grondslag dat sprake is van kennelijk onredelijke opzegging door Colpitt op grond van een voorgewende reden. De door Colpitt aangedragen (bedrijfseconomische) reden voor het ontslag van [X.] is niet de werkelijke reden voor ontslag geweest; Colpitt heeft doelbewust informatie achtergehouden en derhalve door misleiding de gewenste toestemming voor het ontslag van het UWV verkregen. Immers, naar later is gebleken heeft het er alle schijn van dat Colpitt zich, ten tijde van het ontslag van de 14 medewerkers, aan het voorbereiden was op een overname door een Duits bedrijf, Plümat. Dit blijkt onder meer uit een publicatie op de website van Colpitt d.d. 25 mei 2011, waarin bekend wordt gemaakt dat Colpitt door Plümat is overgenomen.

Daarnaast zijn de gevolgen van de opzegging voor [X.] te ernstig in vergelijking met het belang van Colpitt bij de opzegging. Colpitt heeft [X.] niet voldoende begeleid naar ander werk; er is geen moeite gedaan hem hierbij te ondersteunen. Omdat Colpitt nog steeds bestaat, thans als onderdeel van Plümat, kan [X.] zijn werkzaamheden voortzetten. Verder heeft Colpitt voor [X.] geen voorziening getroffen. Het betalen van een ontslagvergoeding door Colpitt is thans niet onmogelijk, omdat zij door Plümat is overgenomen en laatstgenoemde wel financiële middelen heeft, aldus [X.].

Het verweer

Colpitt betwist de vordering. Zij betwist dat er sprake is van kennelijk onredelijke opzegging. Colpitt verkeert in zwaar weer. Colpitt is in feite technisch failliet. De organisatie is in 2011 gekrompen van 43 naar 8 medewerkers. In twee ontslagrondes, de eerste in maart 2011 en de tweede in oktober 2011 zijn 35 medewerkers afgevloeid, waaronder [X.]. In de eerste ontslagronde is voor elf medewerkers een ontslagvergunning gevraagd. Zeven van de elf medewerkers hebben de vaststellingsovereenkomst getekend. Toen was de overname van aandelen in Colpitt door Plümat nog niet in zicht. Ook in de tweede ontslagronde van oktober 2011 zijn ontslagvergunningen door het UWV verleend. De aandelenoverdracht is toen uitgebreid aan de orde geweest. Dit was geen reden voor het UWV om de vergunning te weigeren.

Ten tijde van de ontslagaanvraag van [X.] bestond er een absolute financiële noodzaak. Plümat heeft de aandelen overgenomen en getracht een faillissement van Colpitt te voorkomen. Van herstel van dienstbetrekking kan geen sprake zijn, omdat de werkzaamheden van [X.] feitelijk zijn komen te vervallen. Er worden geen laswerkzaamheden meer verricht; andere (passende) functies heeft Colpitt niet voorhanden.

Gelet op de zorgwekkende financiële situatie is Colpitt niet in staat een vergoeding aan [X.] te betalen, laat staan het gevorderde bedrag van € 80.000,00. Het betalen van een vergoeding zou het faillissement van Colpitt betekenen. Colpitt betwist voorts dat [X.] schade heeft geleden en is daar bovendien niet aansprakelijk voor. [X.] zijn genoeg kansen en ondersteuning geboden bij het vinden van een nieuwe baan. [X.] heeft diverse aanbiedingen geweigerd of heeft daar helemaal niet op gereageerd, aldus Colpitt.

De beoordeling

De voorgewende reden

[X.] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de door Colpitt aangedragen bedrijfseconomische reden voor het ontslag van [X.] niet de werkelijke reden voor ontslag geweest, maar een voorgewende reden. De kantonrechter verwerpt deze stelling van [X.]. Van een voorgewende reden voor ontslag is sprake indien de aangevoerde ontslagreden niet de werkelijke ontslagreden is.

Colpitt heeft voldoende gemotiveerd en gedocumenteerd onderbouwd, dat voor het ontslag van [X.] een bedrijfseconomische noodzaak bestond. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat Colpitt ten tijde van het ontslag van [X.] in zwaar weer verkeerde. Zij heeft de jaarrekeningen van 2008, 2009 en 2010 overgelegd, waaruit aanzienlijke verliezen blijken. Uit die cijfers heeft Colpitt conclusies moeten trekken. De onderneming is verhuisd, zij heeft haar focus verlegd naar Research en Development en is zij gestopt met het bouwen van machines waardoor de (las)werkzaamheden van [X.] zijn komen te vervallen. Ingrijpen in de personeelskosten is noodzakelijk gebleken, hetgeen heeft geresulteerd in het terugbrengen van het personeelsbestand van 35 werknemers naar 8 werknemers. Gelet op deze feiten en omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat de door Colpitt aangevoerde ontslaggrond: ‘bedrijfseconomische omstandigheden’ de werkelijke ontslagreden is.

Ten aanzien van de stelling van [X.] dat Colpitt de op handen zijnde overname door Plümat bewust heeft achtergehouden overweegt de kantonrechter als volgt. Nog daargelaten de vraag of het voor de beslissing van het UWV had uitgemaakt indien het UWV op de hoogte was geweest van de overname van de aandelen in Colpitt door Plümat - deze wetenschap was in de tweede ontslagronde in oktober 2011 voor het UWV immers geen reden om de ontslagvergunningen te weigeren - heeft [X.], in het licht van de stellingen van Colpitt, onvoldoende onderbouwd dat Colpitt ten tijde van de ontslagaanvraag daadwerkelijk bezig was met de voorbereidingen op een overname door Plümat. Het door [X.] overgelegde bericht van 25 mei 2011 op de website van Colpitt is hiervoor onvoldoende. Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is op grond van een voorgewende reden.

Het gevolgencriterium

[X.] heeft verder aangevoerd dat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Colpitt bij de opzegging. Voor de beantwoording van de vraag of een ontslag kennelijk onredelijk is op grond van het gevolgencriterium, dienen volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking genomen te worden. Daarbij kunnen verschillende aspecten een rol spelen, zoals de duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer en diens vooruitzichten op ander werk. Van belang is tevens of voor de werknemer een voorziening is getroffen.

[X.] heeft gesteld dat hij niet voldoende is begeleid naar ander werk dan wel dat er geen moeite is gedaan om hem hierbij te ondersteunen. Ook deze stelling verwerpt de kantonrechter. Blijkens de hierboven bij de vaststaande feiten weergegeven e-mail van 28 maart 2011 heeft Colpitt pogingen ondernomen om [X.] elders aan het werk te krijgen. Door [X.] is niet weersproken dat hij terzake niet heeft willen meewerken. Daarnaast heeft Colpitt aan [X.] aangeboden om gebruik te maken van een traject, genaamd Werk voor Werk van ROS Management. [X.] heeft hiervan geen gebruik gemaakt omdat, zo heeft hij ter gelegenheid van de comparitie verklaard, hij liever zijn eigen gang wilde gaan.

De kantonrechter oordeelt evenwel dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen van het ontslag voor [X.] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Colpitt bij de opzegging. Bij deze beoordeling is van belang dat [X.] geen enkel verwijt te maken valt van het einde van de arbeidsovereenkomst met Colpitt, dat [X.] ten tijde van de beëindiging meer dan 15 jaar bij Colpitt in dienst was, 57 jaar oud was en zal terugvallen op een WW-uitkering die aanzienlijk lager is dan zijn voormalige salaris. Mede van belang acht de kantonrechter dat Colpitt onder voorwaarde van ondertekening van een vaststellingsovereenkomst een vergoeding heeft aangeboden, die zij niet heeft willen aanbieden in het geval [X.] verweer zou voeren tegen de ontslagaanvraag. Omdat [X.] heeft geweigerd de vaststellingsovereenkomst te tekenen is dit aanbod komen te vervallen. Vast staat dat andere werknemers van Colpitt, die de vaststellingsovereenkomst wel hebben getekend, een vergoeding hebben ontvangen. Omdat aan [X.] geen enkele vergoeding wordt verstrekt –terwijl de einddatum van de arbeidsovereenkomst in de vaststellingsovereenkomst en de einddatum door de opzegging gelijk is- wordt onvoldoende tegemoet gekomen aan de nadelige gevolgen van de opzegging voor [X.]. Dat [X.] sinds maart 2011 is vrijgesteld van werkzaamheden, zoals Colpitt betoogt, doet hier niet aan af.

Herstel van de dienstbetrekking

Omdat wordt geoordeeld dat het ontslag kennelijk onredelijk is moet worden beoordeeld of de vordering van [X.] tot herstel van de dienstbetrekking en de vergoeding van schade kan worden toegewezen. De vordering tot herstel van de dienstbetrekking zal worden afgewezen; Colpitt heeft voldoende duidelijk gemaakt dat zij geen werkzaamheden (meer) voorhanden heeft voor [X.].

Schadevergoeding

[X.] schat de schade, gelet op de inkomensdaling, de pensioenschade, het langdurige dienstverband en de uitstekende staat van dienst op € 80.000,00. [X.] heeft dit bedrag op geen enkele wijze gespecificeerd en/of nader onderbouwd. Daarnaast heeft Colpitt voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een dergelijk bedrag, gelet op haar financiële toestand, niet kan betalen. Voor zover [X.] betoogt dat Plümat, in hoedanigheid van moedermaatschappij/aandeelhouder, verplicht is deze vergoeding te betalen, vindt deze stelling geen steun in het recht.

Bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding acht de kantonrechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een vergoeding in de zin van een aanvulling op de WW-uitkering zoals die destijds aan [X.] (én de andere voor ontslag voorgedragen werknemers) is aangeboden, passend. De regeling zoals die in de brief van 17 maart 2011 aan [X.] is voorgesteld zal dan ook worden toegewezen.

De buitengerechtelijke kosten

[X.] heeft € 1.500,00 buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Niet is gesteld of gebleken dat de door [X.] verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

De proceskosten worden gecompenseerd omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Colpitt aan [X.] als vergoeding ter zake van kennelijk onredelijk ontslag te betalen een maandelijkse aanvulling op een door [X.] te verkrijgen WW-uitkering, gedurende een periode van maximaal 12 maanden, gebaseerd op het laatstverdiende vaste maandsalaris, welke aanvulling als volgt is opgebouwd:

1e maand: 25% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

2e maand: 20% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

3e maand: 15% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

4e maand: 10% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periodesalaris

5e t/m 12e maand 5% aanvulling gebaseerd op het vaste bruto periode salaris;

- compenseert de proceskosten in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.