Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX6347

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-09-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
12/4041
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het gevraagde verbod op het houden van een burgerpeiling kan eerst aan de orde komen, indien sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder, zoals verwoord in diens brieven van 27 en 30 augustus 2012, dat het houden van een burgerpeiling geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de beslissing van verweerder tot het houden van een burgerpeiling hoogstens politieke betekenis, maar ontbreekt ieder rechtsgevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 4041

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 september 2012

in de zaak van:

[verzoekers],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde: mr. W.J.R.M. Welschen, advocaat te Haarlem,

tegen:

de raad van de gemeente Bloemendaal,

verweerder,

gemachtigde: mr. W. Lever advocaat te Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft verweerder beslist ‘het voorgenomen besluit over het definitief ontwerp voor de gemeentelijke huisvesting niet referendabel te verklaren op basis van artikel 3 lid i en k van de Referendumverordening Bloemendaal 2009’ (besluit I).

Bij afzonderlijk besluit van 12 juli 2012 heeft verweerder onder meer ingestemd met het definitieve ontwerp voor renovatie en uitbreiding van het gemeentehuis (besluit II).

Bij beslissing van 12 juli 2012 heeft verweerder een motie aangenomen tot het houden van een burgerpeiling.

Tegen de besluiten I en II hebben verzoekers bij brief van 22 augustus 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 27 augustus 2012 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen vóór 4 september 2012, zijnde de datum waarop de informatiebrochure en de vragenlijst ten behoeve van de burgerpeiling aan de kiesgerechtigde inwoners van Bloemendaal zullen worden toegezonden.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:83, derde en vierde lid, van de Awb uitspraak gedaan zonder voorafgaande zitting. Nu voorafgaand aan deze uitspraak een standpuntuitwisseling tussen partijen heeft plaatsgevonden is de voorzieningenrechter van oordeel dat partijen door het achterwege laten van een mondelinge behandeling van het verzoek niet in hun belangen zijn geschaad.

2.3 De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

In de raadsvergadering van 12 juli 2012 heeft verweerder afzonderlijk besluit I en besluit II genomen.

Uit het verslag van de raadsvergadering van 12 juli 2012 blijkt dat in deze vergadering tevens een motie is aangenomen tot het houden van een burgerpeiling met het doel via een enquête de mening van de burgers te peilen over het voorliggende (geamendeerde) raadsbesluit huisvesting gemeentehuis. Met het indienen van deze motie wijzen de drie fracties het verzoek tot het houden van een referendum af.

Op 23 augustus 2012 heeft verweerder - met inachtneming van de opmerkingen van de raad - ingestemd met de vraagstelling, informatievoorziening en methodiek van de burgerpeiling over de gemeentelijke huisvesting en is daarvoor een bedrag van € 22.000,- gereserveerd.

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen besluit I en besluit II. In bezwaar hebben verzoekers aangevoerd dat verweerder als oneigenlijke afwijzingsgrond voor het niet houden van een referendum heeft gebruikt het voornemen om een burgerpeiling te houden. Verzoekers hebben in bezwaar verzocht om een heroverweging van besluit I en II.

In het verzoek om een voorlopige voorziening hebben verzoekers aangevoerd dat besluit I en de beslissing om een burgerpeiling te houden als één besluit moet worden gezien. Vanwege de geplande toezending van de vragenlijst voor de burgerpeiling op 4 september 2012 hebben zij de voorzieningenrechter verzocht vóór 4 september 2012 uitspraak te doen, temeer omdat het houden van een burgerpeiling een referendum naar hun mening illusoir maakt. Zij verzoeken om schorsing van ‘de bestreden besluiten’ en een verbod op het houden van een burgerpeiling tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

2.4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt.

2.5 Besluit I behelst een afwijzing van het verzoek tot het houden van een referendum. Schorsing van het besluit tot afwijzing van een referendum leidt er niet toe dat over besluit II een referendum dient te worden gehouden en levert verzoekers in die zin niets op. Schorsing van besluit II kan eerst aan de orde zijn, indien de voorzieningenrechter tot de conclusie zou komen dat niet kan worden uitgesloten dat over besluit II een referendum dient te worden gehouden. Onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 23 januari 2012 (LJN: BV1579) concludeert de voorzieningenrechter daartoe niet.

Het gevraagde verbod op het houden van een burgerpeiling kan eerst aan de orde komen, indien sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nog daargelaten de vraag of er sprake is van materiële connexiteit met het bezwaarschrift, waarin is verzocht om heroverweging van besluit I en II. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder, zoals verwoord in diens brieven van 27 en 30 augustus 2012, dat het houden van een burgerpeiling geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de beslissing van verweerder tot het houden van een burgerpeiling hoogstens politieke betekenis, maar ontbreekt ieder rechtsgevolg.

Het standpunt van verzoekers dat besluit I en de beslissing tot het houden van een burgerpeiling als één besluit moet worden gezien, omdat het houden van een burgerpeiling de afwijzingsgrond voor besluit I is, volgt de voorzieningenrechter niet. De voorzieningenrechter leest in besluit I niets anders, dan dat de raad de afwijzing van het verzoek om een referendum heeft gebaseerd op het bepaalde in artikel 3, lid i en lid k, van de Referendumverordening Bloemendaal 2009. Dat in de motie staat dat met het indienen van de motie de drie fracties het verzoek tot het houden van een referendum afwijzen leidt niet tot een ander oordeel. Voorts treft de verwijzing van verzoekers naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 23 januari 2012 (LJN: BV1579) geen doel. In die uitspraak is bepaald dat uit de Referendumverordening Bloemendaal 2009 volgt dat in een voorlopige voorziening tevens om schorsing van het besluit waaromtrent referendum werd verzocht kan worden gevraagd. Dat ligt in dit geval anders, nu immers niet is verzocht om een referendum over de burgerpeiling.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.