Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX5756

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-08-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
12/3467
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af om bij wijze van voorlopige voorziening de aan ProRail verleende omgevingsvergunning voor het project ‘Verbetering inhaling Wormerveer’ van het station te Wormerveer te schorsen.

Verzoekers die in de buurt van het station wonen, hebben bezwaar tegen de verplaatsing van het tankstation en de in- en uitrit van het parkeerterrein, en tegen het opwaarderen van de spoorwegovergang.

Gelet op de afstand van de woningen tot de afleverzuil van het tankstation moet worden aangenomen dat geen omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu is vereist. Voor het tankstation geldt een meldingsplicht op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Er zijn geen aanknopingspunten te veronderstellen dat voor de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, niet zal kunnen worden voldaan aan de geldende milieu- en veiligheidseisen. De voorzieningenrechter is er verder niet van overtuigd dat de Flora- en Faunawet in de weg staat aan de verplaatsing van het tankstation. Ook de overige door verzoekers aangevoerde gronden leveren onvoldoende grond op om de verleende omgevingsvergunning te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 3467

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2012

in de zaak van:

[verzoekers]

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde: mr. G. Kramer,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder,

derde partij;

ProRail B.V.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2012 heeft verweerder aan derde partij omgevingsvergunning verleend voor het project ‘Verbetering inhaling Wormerveer’ van het station te Wormerveer.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 20 juli 2012 beroep ingesteld. Bij brief van 23 juli 2012 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 augustus 2012, alwaar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. W. den Harder, kantoorgenoot van mr. Kramer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Toxopeus, mr. M. Guimares en E.A. Westerhuis, allen werkzaam bij de gemeente Zaandstad. Namens derde partij zijn verschenen mr. J.A.E. Ross, bedrijfsjurist en J.J. Bosman, projectmanager, beiden werkzaam bij ProRail B.V..

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Voor het gebied waar onder meer het tankstation is geprojecteerd heeft verweerder een kapvergunning verleend. Verzoekers hebben gevraagd om herziening van de kapvergunning. Verweerder heeft op dit verzoek nog niet beslist. De voorzieningenrechter ziet de voorlopige voorziening niet als een verzoek hangende het bezwaar tegen de fictieve weigering tot herziening van de kapvergunning. De inhoud van het verzoekschrift geeft daarvoor geen aanleiding.

2.3 Bij besluit van 7 juni 2012 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor een project ‘Verbetering inhaling Wormerveer’ strekkende tot de uitbreiding en verbetering van het NS-station en het stationsplein in Wormerveer. De omgevingsvergunning is verleend voor de volgende activiteiten:

a. het (ver)bouwen van een bouwwerk;

b. het uitvoeren van een werk of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan is bepaald;

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

d. het slopen van een bouwwerk;

e. het maken, hebben of veranderen van een uitweg, of het gebruik daarvan veranderen.

2.4 De omgevingsvergunning ziet op het bouwen van twee zijperrons (bouwen van een keermuur), verlenging van de voetgangerstunnel naar de twee zijperrons, het bouwen van drie (glazen) liften (bij het middenperron en de twee zijperrons) en het bouwen van een lage fietsenstalling met een luifel. Op het voorplein wordt het fietspad verlegd, het tankstation aan de zuidkant wordt gesloopt inclusief het verwijderen van de ondergrondse infrastructuur en aan de noordkant wordt een nieuw tankstation gebouwd inclusief het aanbrengen van ondergrondse infrastructuur met bijbehorende in- en uitrit. De in- en uitrit van het parkeerterrein wordt verlegd. Voorts wordt de bushalte verplaatst aan de stationszijde van de Wandelweg.

2.5 Verzoekers wonen aan het [adres], gelegen tegenover de plek waar het nieuwe tankstation is gesitueerd, in de nabijheid van de in- en uitrit van het parkeerterrein en ter hoogte van de op te waarderen spoorwegovergang. Verzoekers kunnen zich niet verenigen met de verleende omgevingsvergunning omdat zij vrezen voor aantasting van hun woongenot en waardedaling van hun woning door het verplaatsen van het tankstation, het wijzigen van de in- en uitrit van het parkeerterrein van het station en het opwaarderen van de spoorwegovergang. Voorts hebben verzoekers inhoudelijke gronden aangevoerd die zich richten op het ontbreken van een goede ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot de toename van geluid-, licht- en geurhinder en de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten slotte zijn volgens verzoekers de externe veiligheidsrisico’s niet in kaart gebracht.

2.6 In de ruimtelijke onderbouwing en de reactie op de zienswijze heeft verweerder gemotiveerd dat onderzoek is gedaan naar de milieu- en veiligheidsaspecten van de verplaatsing van het tankstation, het wijzigen van de in- en uitrit van het parkeerterrein en het opwaarderen van de spoorwegovergang tegenover de woning van verzoekers, en dat uit dat onderzoek naar voren komt dat aan de geldende voorschriften wordt voldaan.

2.7 Ter zitting is vastgesteld dat de afstand tussen de afleverzuil van het tankstation tot aan de gevel van de woning van verzoekers en de andere in de omgeving gelegen woningen meer dan 20 meter bedraagt zodat voor het tankstation geen vergunningsprocedure voor het onderdeel milieu noodzakelijk is. Gelet hierop geldt voor het tankstation een meldingsplicht op grond van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit). Op grond hiervan zijn de regels van het Activiteitenbesluit rechtstreeks als voorschriften op het verplaatsen van het tankstation van toepassing en dient aan deze normen te worden voldaan.

2.8 Bij de huidige stand van het dossier en de door verzoekers aangevoerde gronden bestaan onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat bij de verplaatsing van het tankstation, de opwaardering van de spoorwegovergang en het wijzigen van de inrit van de parkeerplaats niet zal kunnen worden voldaan aan de geldende voorschriften van het Activiteitenbesluit en het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen. De door verzoekers daarbij geplaatste kanttekeningen leveren onvoldoende grondslag op om de omgevingsvergunning te schorsen.

2.9 Verzoekers hebben voorts aangevoerd dat de verplaatsing van het tankstation niet is meegenomen in het verrichte natuuronderzoek en dat daarvoor geen ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw) is verleend.

2.10 In de ruimtelijke onderbouwing wordt aangegeven dat 18 juli 2011 een vergunning (bedoeld zal zijn: ontheffing) krachtens de Ffw is verleend. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat de verplaatsing van het tankstation handelingen meebrengt als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ffw waarvoor een ontheffing is vereist, dan wel indien van zulke handelingen wel sprake zou zijn, de verleende ontheffing daarop geen betrekking heeft. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat waar het gaat om de toetsing aan de Ffw een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27 van de Wabo niet is vereist.

2.11 Ook de overige door verzoekers aangevoerde gronden die zien op de totstandkoming van de omgevingsvergunning en op de welstandsbeoordeling, leveren, ook indien zij juist zouden zijn, onvoldoende grond op om de verleende omgevingsvergunning te schorsen. Dat de bouw van het tankstation de herziening van de verleende kapvergunning en een te zijner tijd op te leggen herplantplicht doorkruist, zoals verzoekers stellen, is dermate speculatief dat daarin eveneens geen grond is gelegen voor schorsing van de omgevingsvergunning. Onder deze omstandigheden weegt het belang van ProRail om de omgevingsvergunning te mogen gebruiken zwaarder dan het belang dat verzoekers hebben bij het staken van de werkzaamheden. Daarbij is van belang dat het daadwerkelijke nadeel zoals verzoekers dat zien, voor hen pas optreedt bij ingebruikname van het tankstation dat is gepland voor januari/februari 2013. Waar het gaat om de zorg van verzoekers dat met de bouw van het tankstation milieu- en veiligheidseisen worden overschreden, geldt voorts dat geen sprake is een onomkeerbare situatie. Ook na ingebruikname van het tankstation zal dit aan de geldende milieu- en veiligheidseisen dienen te voldoen.

2.12 Het verzoek om een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.