Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX5750

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-07-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
563005 - VV EXPL 12-162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening wedertewerkstelling.

Ook al zou er op 24 mei 2012 een gegronde reden zijn geweest om tot schorsing van de werkneemster over te gaan, in ieder geval bestond die reden er niet meer nadat de schorsingsperiode van 2 weken voorbij was. De werkgever kon niet eenvoudig in een gesprek op 8 juni 2012 mededelen dat de schorsing werd verlengd, zonder daaraan zwaarwegende omstandigheden ten grondslag te leggen die een dergelijk disciplinair ingrijpen rechtvaardigen. In het mondelinge verweer heeft de werkgever hierover met geen woord gerept, terwijl ook anderszins niet gebleken is dat aan die verlenging van de schorsing genoemde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

De werkgever heeft het helemaal te bont gemaakt door op 28 juni 2012 aan“Alle groothandels en andere belangstellenden” te schrijven dat het dienstverband met de werkneemster per 1 juni is beëindigd. De kantonrechter kan niet anders dan vaststellen dat dit apert onjuist is. Immers, er is geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitgesproken, er heeft geen rechtens geldig ontslag op staande voet plaatsgevonden, terwijl voorts uit de aanvraag voor een ontslagvergunning van 16 juli 2012 blijkt dat de werkgever op die datum ook zelf van mening was dat de arbeidovereenkomst nog bestaat.

Vooral gelet op de onjuiste mededeling bij brief van 28 juni 2012 staat naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter vast dat wel degelijk sprake is van reputatieschade voor de werkneemster.

De kantonrechter beveelt de wedertewerkstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0795
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 563005 \ VV EXPL 12-162

datum uitspraak: 20 juli 2012

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

[X.]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [X.]

gemachtigde mr. K.B. van Bree

tegen

Parmalux BV

te Amsterdam

gedaagde partij

hierna te noemen Parmalux

gemachtigde mr. C.J. de Lange

De procedure

[X.] heeft Parmalux op 11 juli 2012 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 juli 2012, waarbij de gemachtigde van [X.] zich heeft bediend van pleitnotities. Namens Parmalux is ter zitting mondeling verweer gevoerd door haar gemachtigde. Partijen hebben nog stukken in het geding gebracht.

De feiten

a. [X.], geboren op [geboortedatum], is op 1 juni 1998 bij Parmalux in dienst getreden.

b. [X.] vervulde laatstelijk de functie van traffic manager tegen een salaris van € 1.891,20 bruto per maand exclusief vakantiegeld en 13e maand.

c. De dagelijkse leiding bij Parmalux werd gevoerd door de directeur. Na diens vertrek is er nog geen opvolger en is de dagelijkse leiding van het bedrijf in handen van de eigenaar van Parmalux, de heer [Y.] (hierna: [Y.]).

d. Op 24 mei 2012 was [X.] met andere personeelsleden, [Y.] en een derde in de kantine aanwezig voor het vieren van een verjaardag.

e. Parmalux heeft [X.] met ingang van 7 juni 2012 voor de duur van twee weken geschorst.

f. Bij brief van 24 mei 2012 heeft [X.] het volgende aan Parmalux geschreven:

“Vanmorgen (24/5/2012) heeft u mij naar aanleiding van opmerking geschorst en naar huis gestuurd. Waar ik het absoluut niet mee eens ben!

Hierbij laat ik u weten dat ik in ieder geval bereid en beschikbaar ben om te komen werken en zal mij melden zodra u mij oproept.

Bovendien ga ik ervan uit dat mijn salaris gewoon zal worden doorbetaald.”

g. De onder e. genoemde schorsing is aan [X.] bij brief van 31 mei 2012 bevestigd. Deze brief vermeldt onder meer het volgende:

“Op donderdag 24 mei 2012 heeft u zich op de werkvloer in aanwezigheid van een belangrijke relatie van onze onderneming, alsmede ten overstaan van alle collega’s, zeer negatief uitgelaten over uw werkgever.

U heeft zich helaas eerder (…) op dergelijke negatieve wijze uitgelaten over uw werkgever. (…)

U bent naar aanleiding van deze eerdere uitlatingen uitdrukkelijk gewaarschuwd en u is geadviseerd zich in het vervolg niet meer op deze negatieve wijze uit te laten (…) U heeft met regelmaat publiekelijk kritiek op uw werkgever gegeven.

(…)

Mede gelet op deze eerdere incidenten met u en de vaststelling van het feit dat u zich hier niets van aantrekt, hebben wij daarom beslist u per direct op donderdag 24 mei 2012 voor de duur van twee weken te schorsen met behoud van loon.

Wij zullen maatregelen treffen die mogelijk zullen leiden tot een beëindiging van het dienstverband met u. (…)”

h. Bij brief van 1 juni 2012 heeft de gemachtigde van [X.] bezwaar gemaakt tegen de schorsing en heeft zij Parmalux gesommeerd om [X.] te werk te stellen..

i. In een bespreking tussen partijen op 8 juni 2012 is [X.] medegedeeld dat de schorsing wordt verlengd en dat zij een beëindigingovereenkomst zal ontvangen.

j. Bij brief van 28 juni 2012 heeft Parmalux aan “Alle groothandels en andere belangstellenden” het volgende geschreven:

“Hiermede informeren wij u dat het dienstverband met mevrouw [X.] per

1 juni is beëindigd.”

k. Bij brief van 16 juli 2012 heeft Parmalux aan de Raad van Bestuur van UWV een verzoek ingediend om vergunning tot ontslag wegens bedrijfseconomische noodzaak.

De vordering

[X.] vordert dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Parmalux zal veroordelen tot tewerkstelling van [X.] in de bedongen arbeid, onder last van een dwangsom van € 250,00 per dag, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat Parmalux na betekening van het vonnis in gebreke blijft om [X.] te werk te stellen;

2. Parmalux zal veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten conform het rapport Voorwerk II van 1 april 2005;

3. Parmalux zal veroordelen in de kosten van het geding.

[X.] stelt daartoe het volgende:

[X.] vordert op grond van artikel 7:668 BW (naar de kantonrechter begrijpt:) nakoming van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst en op grond van artikel 7:611 BW tewerkstelling in de bedongen arbeid.

In het verwijt dat [X.] zich vaker negatief uitlaat over [Y.] herkent zij zich niet. Zij heeft nimmer waarschuwingen ontvangen.

Gezien de persoonlijke situatie van [X.] is een schorsing per direct en de aankondiging dat naar beëindiging wordt gestreefd, buitenproportioneel.

De buitengerechtelijke kosten zijn redelijk. De werkzaamheden hielden in het houden van besprekingen met [X.], het bestuderen van stukken, het voeren van correspondentie met Parmalux en het bijwonen van een gesprek bij Parmalux. Aldus zijn redelijke pogingen ondernomen om zonder gerechtelijke procedure tewerkstelling te realiseren.

Het verweer

Parmalux betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan:

- er ontbreekt spoedeisend belang aan de zijde van [X.],

- het ontgaat Parmalux waarom sprake zou zijn van reputatieschade,

- er vinden reorganisatorische veranderingen plaats, waardoor de functie van [X.] is komen te vervallen.

De beoordeling van het geschil

1. Vooropgesteld wordt dat een voorlopige voorziening zoals gevraagd alleen kan worden toegewezen als in dit geding aan de hand van de thans bekende feiten en omstandigheden de verwachting gewettigd is dat in een eventueel tussen partijen nog te voeren bodemprocedure een soortgelijke vordering van [X.] tot een toewijzing daarvan zal leiden. De kantonrechter is voorshands, op grond van de thans voorliggende gegevens, van oordeel dat dit wel het geval is.

2. De kantonrechter is van oordeel dat Parmalux de stellingen van [X.] volstrekt onvoldoende heeft weerproken en overweegt daartoe het volgende.

3. Het spoedeisende belang van [X.] is gegeven door het feit dat [X.] thans niet tot haar werkzaamheden wordt toegelaten hetgeen voor haar nadelig kan zijn bij het vinden van een nieuwe werkkring. Het feit dat [X.] wel haar salaris ontvangt, maakt dat niet anders.

4. Ook al zou er op 24 mei 2012 een gegronde reden zijn geweest om tot schorsing van [X.] over te gaan, in ieder geval bestond die reden er niet meer nadat de schorsingsperiode van 2 weken voorbij was. Parmalux kon niet eenvoudig in een gesprek op 8 juni 2012 mededelen dat de schorsing werd verlengd, zonder daaraan zwaarwegende omstandigheden ten grondslag te leggen die een dergelijk disciplinair ingrijpen rechtvaardigen. In haar mondelinge verweer heeft Parmalux hierover met geen woord gerept, terwijl ook anderszins niet gebleken is dat aan die verlenging van de schorsing genoemde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

5. Parmalux heeft het helemaal te bont gemaakt door op 28 juni 2012 aan“Alle groothandels en andere belangstellenden” te schrijven dat het dienstverband met [X.] per 1 juni is beëindigd. De kantonrechter kan niet anders dan vaststellen dat dit apert onjuist is. Immers, er is geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitgesproken, er heeft geen rechtens geldig ontslag op staande voet plaatsgevonden, terwijl voorts uit de aanvraag voor een ontslagvergunning van 16 juli 2012 blijkt dat Parmalux op die datum ook zelf van mening was dat de arbeidovereenkomst nog bestaat.

6. Vooral gelet op de onjuiste mededeling bij brief van 28 juni 2012 staat naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter vast dat wel degelijk sprake is van reputatieschade voor [X.].

7. Parmalux heeft per fax een groot aantal financiële stukken in het geding gebracht, alsmede haar aanvraag voor een ontslagvergunning wegens bedrijfseconomische redenen, die zij op 16 juli 2012 heeft ingediend.

8. De door Parmalux gestelde organisatorische veranderingen brengen onder de gegeven omstandigheden, in het bijzonder de onjuiste handelwijze van Parmalux, evenmin met zich dat de thans gevraagde wedertewerkstelling moet worden afgewezen. Daarbij komt nog dat geenszins aannemelijk is gemaakt dat de functie van [X.] is komen te vervallen.

9. Op grond van het vorenstaande moet Parmalux [X.] weer tot de bedongen werkzaamheden toelaten.

10. Hoewel doorgaans aan de gevraagde dwangsom een maximum wordt verbonden, ziet de kantonrechter, gelet op de onjuiste handelwijze van Parmalux, daar thans van af.

11. Tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Voldoende gebleken is dat [X.] deze kosten heeft gemaakt. De kantonrechter zal daarvoor aan de hand van Rapport Voorwerk II € 357,00 toewijzen.

12. Parmalux zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

1. veroordeelt bij wijze van voorlopige voorziening Parmalux om [X.] met ingang van de dag na betekening van dit vonnis toe te laten tot de bedongen arbeid;

2. veroordeelt Parmalux om aan [X.] € 357,00 te betalen wegens buitengerechtelijke incassokosten;

3. bepaalt dat Parmalux een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor iedere dag, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat Parmalux de onder 1. gegeven beslissing niet nakomt.

Veroordeelt Parmalux in de proceskosten, aan de zijde van [X.] tot op heden vastgesteld op de volgende bedragen:

dagvaarding € 90,64

griffierecht € 73,00

salaris gemachtigde € 600,00.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde uitspraakdatum.

Coll.