Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX4837

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
16-08-2012
Zaaknummer
15/800505-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; partiële vrijspraak ten aanzien van het bestanddeel medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800505-12

Uitspraakdatum: 3 augustus 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 april 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het bestanddeel medeplegen en tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Partiële vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een ander, te weten [medeverdachte], heeft begaan, zodat verdachte van dat bestanddeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op grond van de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft gereisd en dat zij beiden hebben getracht verdovende middelen naar Nederland te vervoeren. Zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] hebben echter telkens verklaard dat zij verdovende middelen hebben gesmokkeld zonder dat de ander daarvan op de hoogte is geweest. Zij hadden niet het plan om tezamen de drugs naar Nederland te smokkelen. Zij hebben tevens beiden verklaard op een ander moment en in een andere ruimte de verdovende middelen tot zich te hebben genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze omstandigheden geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] worden afgeleid, gericht op het gezamenlijk invoeren van een hoeveelheid cocaïne in Nederland, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde bestanddeel medeplegen.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 juli 2012;

- het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 13 april 2012 (dossierparagraaf 2.1);

- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 21 april 2012 (dossierparagraaf 2.1.4);

- een schriftelijk bescheid, te weten het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 25 april 2012, kenmerk 4440 X 12 (los opgenomen).

De door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 13 april 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van circa 820 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de door verdachte ten overstaan van de Koninklijke Marechaussee en ter terechtzitting afgelegde verklaringen is vast te stellen dat het nettogewicht van de cocaïne 504 gram dient te betreffen. Verdachte heeft immers meerdere keren over maar 80 bollen verklaard. Daarnaast bestaat een bol uit 6,3 gram pure cocaïne en is de overige 3,7 gram synthetisch materiaal. Deze 80 bollen van elk 6,3 gram pure cocaïne levert derhalve 504 gram cocaïne op.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw van verdachte, van oordeel dat op grond van het proces-verbaal van onderzoek van verdovende middelen d.d. 21 april 2012 is vast te stellen dat verdachte 82 bollen heeft geproduceerd. Daarnaast spreekt het ten laste gelegde feit over 'een hoeveelheid materiaal bevattende cocaïne', waardoor in casu van 10 gram van een materiaal bevattende cocaïne per bol kan worden uitgegaan. Ook in deskundigenrapporten is altijd sprake van materiaal dat cocaïne bevat, het gehalte aan cocaïne wordt niet apart berekend. Dit algemeen aanvaarde uitgangspunt maakt overigens geen verschil voor het bepalen van de stafmaat voor zover daarbij (mede) wordt uitgegaan van het gewicht van de ingevoerde drugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat zuivere cocaïne vóór of ná invoer in Nederland met andere stoffen wordt versneden alvorens deze aan gebruikers wordt verkocht. In dit licht bezien is het niet relevant welk percentage van de ingevoerde hoeveelheid materiaal uit cocaïne bestaat, de (negatieve) gevolgen van de invoer van de cocaïne voor de Nederlandse samenleving zijn in alle gevallen hetzelfde.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ter terechtzitting voorts op het standpunt gesteld dat de hoogte van de eis van de officier van justitie buitenproportioneel is, gezien het gewicht van de aangetroffen cocaïne. Zij heeft verzocht om aan verdachte een straf op te leggen welke in overeenstemming is met het door verdachte ingevoerde gewicht.

Met de raadsvrouw van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde (duur van de) gevangenisstraf niet in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd, zodat de rechtbank ten voordele van verdachte van voornoemde eis zal afwijken en in beginsel aansluiting zal zoeken bij de staf die ten aanzien van vergelijkbare hoeveelheden pleegt te worden opgelegd.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank echter wel in aanmerking dat verdachte, blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 april 2012, in het verleden meermalen is veroordeeld ter zake van bij de Opiumwet strafbaar gestelde feiten. Zo is verdachte laatstelijk nog op 8 juni 2007 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentien (19) maanden, waarvan zeven (7) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren wegens een soortgelijk feit als het onderhavige. Verdachte is voorts in Spanje bij uitspraak van 14 juli 2008 veroordeeld wegens handel in verdovende middelen. Kennelijk hebben deze veroordelingen onvoldoende effect gesorteerd, nu verdachte zich andermaal schuldig heeft gemaakt aan een bij de Opiumwet strafbaar gesteld delict, hetgeen de rechtbank verdachte eveneens zwaar aanrekent.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN (10) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.E. Patijn, voorzitter,

mrs. E.J. van Keken en G.K. Schoep, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.R. Mol, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 augustus 2012.

mr. Schoep is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.