Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX4776

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-08-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
15/800693-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schiphol. Vrijspraak opzettelijke invoer cocaïne. Verdachte wel strafbaar voor overtredingsvariant. Verdachte is onvoorzichtig geweest en deze onvoorzichtigheid kan haar in ernstige mate worden verweten. Verdachte heeft – afgezien van een korte blik in de koffers – geen enkel onderzoek aan de door haar huisgenote ingepakte koffers verricht. Daarbij komt dat verdachte, een advocate, moet weten dat vanuit landen in Midden- en Zuid-Amerika op grote schaal, via luchthavens, verdovende middelen als cocaïne naar landen in West-Europa plegen te worden gesmokkeld. Volgt veroordeling tot vijf maanden hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800693-12

Uitspraakdatum: 14 augustus 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] (Panama),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te Breda.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 29 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2002,1 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het onder verdachte in beslag genomen geld van in totaal US $ 1.100,-- aan verdachte moet worden teruggegeven.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden[1]

Verdachte is op 29 mei 2012 vanuit Panama City aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Tijdens een douanecontrole is door verbalisanten de (hand-) bagage van verdachte gecontroleerd. Daarbij is achter het binnenwerk van de bodem van een koffer - die zwaar aanvoelde en een verdikking in de bodem had - een witte substantie aangetroffen.[2] Bij nader onderzoek aan deze koffer, waarbij de binnenvoering is opengeritst en de achterwand van de koffer is opengesneden, zijn twee pakketten aangetroffen. De wit kleurige stof in deze pakketten had een nettogewicht van in totaal 2002,1 gram. Van deze stof zijn twee representatieve monsters ter analyse verzonden naar het Douane Laboratorium te Amsterdam.[3] Uit onderzoek van dit laboratorium is gebleken dat het ingezonden onderzoeksmateriaal cocaïne bevat.[4] Verdachte heeft verklaard dat zij de bewuste koffer vanuit Panama mee naar Nederland heeft genomen.[5]

4.2. Overwegingen met betrekking tot het ten laste gelegde opzet

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een hoeveelheid van 2002,1 gram cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is, of ook bewezen is dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Met de raadsman van verdachte en anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

De rechtbank heeft aan de inhoud van het strafdossier en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting niet het wettig en overtuigend bewijs kunnen ontlenen dat verdachte wist dat zich in de door haar meegevoerde handbagage cocaïne bevond, althans dat zij de mogelijk aanmerkelijke kans dat dit het geval was, willens en wetens heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen. Hierbij heeft de rechtbank met name betrokken dat verdachte zowel ter terechtzitting als bij de Koninklijke Marechaussee en de rechter-commissaris consistent en niet op voorhand ongeloofwaardig heeft verklaard over het doel van haar reis van Panama naar Nederland en over de wijze waarop zij de beschikking over de koffer heeft gekregen. Bovendien is de rechtbank niet gebleken van een duidelijk motief bij verdachte om tot het opzettelijk invoeren van cocaïne over te gaan.

Verdachte heeft verklaard dat zij naar Nederland is gereisd om haar vriend [betrokkene 1] te bezoeken. De koffers die ze bij zich had, waren van haar huisgenote [betrokkene 2], van wie zij de koffers had geleend. Deze huisgenote had de koffers ook voor verdachte ingepakt omdat verdachte daar zelf in verband met haar drukke werkzaamheden als onder meer advocaat onvoldoende tijd voor had. Verdachte heeft verklaard dat zij een korte blik in de (gepakte) koffers heeft geworpen voordat ze deze meenam, om te controleren of alles erin zat, wat zij in Nederland nodig zou hebben en dat haar daarbij niets vreemds is opgevallen.

De conclusie is derhalve dat verdachte van het opzettelijk, ook in voorwaardelijke zin, binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne - zoals impliciet primair is ten laste gelegd - moet worden vrijgesproken.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 29 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 2002,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte, middels haar bagage, een hoeveelheid cocaïne Nederland heeft binnen gebracht. Ter zake van deze overtreding van de Opiumwet kan alleen dan gezegd worden dat verdachte niet verwijtbaar heeft gehandeld en (daarmee) niet strafbaar is, wanneer er sprake is van "afwezigheid van alle schuld". Daarvan is echter naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu onvoldoende gesteld en gebleken is dat verdachte al het mogelijke heeft gedaan wat in redelijkheid van haar kon worden gevergd, om te voorkomen dat er verdovende middelen in haar koffer zouden zitten en zij deze mee naar Nederland zou nemen.

Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte - afgezien van een korte blik in de koffers - geen enkel onderzoek aan de door haar huisgenote [betrokkene 2] ingepakte koffers heeft verricht. Deze huisgenote kent verdachte weliswaar geruime tijd, maar naar het oordeel van de rechtbank is deze persoon niet op één lijn te stellen met bij voorbeeld een naast familielid die een verdachte in beginsel zonder meer mag vertrouwen, te minder nu verdachte nagenoeg geen gegevens van/over [betrokkene 2] heeft kunnen verstrekken. Daarbij komt dat verdachte, een advocaat, moet weten dat vanuit landen in Midden- en Zuid-Amerika op grote schaal, via luchthavens, verdovende middelen als cocaïne naar landen in West-Europa plegen te worden gesmokkeld.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van twee kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Door haar bagage, die door haar huisgenote was ingepakt, niet goed te controleren is verdachte tekortgeschoten in de op haar rustende onderzoeksplicht. Verdachte is aldus onvoorzichtig geweest en deze onvoorzichtigheid kan haar in ernstige mate worden verweten.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf als passende straf in aanmerking komt. Gelet op de hoeveelheid cocaïne die is ingevoerd en de ernst van het verwijt dat verdachte ter zake daarvan kan worden gemaakt, zal aan verdachte een hechtenis van na te noemen duur worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte impliciet primair is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot VIJF (5) MAANDEN hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde hechtenis in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van een geldbedrag van in totaal US $ 1.100,-- (beslagnummers 4 en 5).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. S. Jongeling en mr. G.A. van der Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. van de Vijver,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 augustus 2012.

Mr. Van der Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

[1] De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

[2] Proces-verbaal van bevinding en overdracht d.d. 29 mei 2012 (dossierparagraaf 2.1).

[3] Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 31 mei 2012 (los opgenomen).

[4] Het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 8 juni 2012, kenmerk 5949 X 12 (los opgenomen).

[5] Verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd.