Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX4581

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-07-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
12/1652
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 1652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2012

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat te Lisse,

tegen:

de Korpsbeheerder van de Politieregio Kennemerland,

verweerder.

gemachtigde: mr. J.C.E. te Riele, werkzaam bij de Politieregio Kennemerland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft verweerder [naam bedrijf]. de ten behoeve van eiser verzochte toestemming op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr) voor het verrichten van particuliere beveiligingswerkzaamheden geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 februari 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 juli 2012. Ter zitting is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordiger door zijn gemachtigde voornoemd. De gemachtigde van verweerder is vergezeld van [naam].

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, voor zover hier van belang, stelt een beveiligingsorganisatie geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden dan nadat voor hen toestemming is verkregen.

Ingevolge artikel 7, vijfde lid, eerste volzin, van de Wpbr wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaarheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

2.2 Ter uitvoering van de Wpbr heeft de Minister van Justitie criteria voor het bepalen van de bekwaamheid en betrouwbaarheid als hiervoor bedoeld, neergelegd in de circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de circulaire).

Volgens paragraaf 2.1 van de circulaire wordt de toestemming aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wpbr onthouden, indien

a. de betrokkene binnen vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd, of

b. de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een vrijheidsstraf is opgelegd, of

c. op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat:

deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten of

deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

In de circulaire staat voorts het volgende.

Bij de toetsing van het hiervoor onder c bepaalde gaat het erom dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten kunnen ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat. Indien het veroordelingen betreft wordt aansluiting gezocht bij de hiervoor genoemde criteria onder a en b. De periode die in acht moet worden genomen bij toepassing van het bepaalde onder c is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

De periode kan echter – behoudens zeer uitzonderlijke gevallen – nooit langer zijn dan de 4, respectievelijk 8 jaar die hiervoor onder a en b zijn genoemd.

Paragraaf 2.1.1 van de circulaire bevat de hardheidsclausule, inhoudende dat verweerder van het bovenstaande kan afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit op bezwaar voor de motivering verwezen naar het advies van Interregionale Bezwarenadviescommissie (verder: de commissie) van 8 februari 2012.

2.4 Blijkens dit advies is aan de onthouding van de toestemming ten grondslag gelegd dat eiser ervan wordt verdacht op 27 januari 2011 te Lisse zijn ex-partner en haar nieuwe partner te hebben mishandeld, waarvoor eiser is vervolgd en op 27 oktober 2011

-inmiddels onherroepelijk- is veroordeeld tot een geldboete van € 400,-.

Uitdrukkelijk en anders dan in het verweerschrift wordt gesteld, wordt in het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies overwogen dat het incident van 27 januari 2011 reeds voldoende aanleiding geeft om aan te nemen dat eiser niet voldoet aan de vereisten van betrouwbaarheid. Daarbij is de omstandigheid dat eiser inmiddels ter zake van dit incident is veroordeeld meegewogen. De overige incidenten waarvan in het advies van de commissie melding wordt gemaakt, zijn niet bij de beoordeling betrokken nu de commissie deze niet heeft kunnen vaststellen.

De aan eiser verweten gedragingen zijn volgens verweerder aan te merken als ernstig en als een ernstige aantasting van de rechtsorde. Dat de betreffende gedragingen zich in de privésfeer hebben voorgedaan doet volgens verweerder niet af aan de ernst van de gedragingen. Van een beveiligingsbeambte mag verwacht worden dat hij dergelijke (gewelds)conflicten -ook in de privésfeer- uit de weg gaat. Door eiser zijn onvoldoende feiten naar voren gebracht om aannemelijk te maken dat hij niettemin voldoende betrouwbaar kan worden geacht voor de te verrichten werkzaamheden.

Voor toepassing van de hardheidsclausule is volgens verweerder geen ruimte nu uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) volgt dat de toepassing van de hardheidsclausule er niet toe mag leiden dat iemand die niet aan de eisen van betrouwbaarheid voldoet, toch tewerk wordt gesteld.

2.5 De rechtbank stelt vast dat, hoewel eiser ten tijde van het bestreden besluit op bezwaar was veroordeeld voor mishandeling in verband met het op 27 januari 2011 gepleegde feit en op hem paragraaf 2.1, onder a, van de circulaire van toepassing was, verweerder, in navolging van het advies van de commissie, heeft getoetst aan het bepaalde in paragraaf 2.1, onder c, van de circulaire. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder toegelicht dat in de beslissing op bezwaar de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit als uitgangspunt zijn genomen, toen eiser nog niet was veroordeeld maar slechts was gedagvaard.

2.6 Eiser voert in beroep aan dat het onthouden van toestemming ingevolge paragraaf 2.1, onder c, van de circulaire slechts aan de orde is indien betrokkene ervan blijkt geeft de rechtsregels naast zich neer te leggen. Het betreft derhalve een meervoud aan rechtsregels. Eiser heeft slechts één rechtsregel overtreden, zodat op voorhand duidelijk is dat dit enkele feit onvoldoende is voor het onthouden van toestemming in de zin van artikel 2.1, onder c, van de circulaire.

2.7 De rechtbank volgt eiser niet in deze te letterlijke lezing van de circulaire. De zinsnede in de circulaire “Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde” geeft, zoals uit de zinsnede ook blijkt, een algemene duiding van een situatie waarin de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak kan worden geschaad. Deze in het algemeen opgestelde zinsnede rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake moet zijn van overtreding van meerdere rechtsregels, nog daargelaten of de aan eiser verweten mishandeling niet gepaard is gegaan met overtreding van meerdere rechtsregels.

2.8 Eiser heeft voor wat betreft de toepasselijkheid van paragraaf 2.1, onder c, van de circulaire aangevoerd dat hij wel degelijk voldoende feiten naar voren heeft gebracht om aannemelijk te maken dat hij niettemin voldoende betrouwbaar kan worden geacht voor de te verrichten werkzaamheden. Eiser voert daartoe aan dat hij slechts voor één feit is veroordeeld, hij al vijftien jaar zonder problemen werkzaam is in het beveiligingsambt, dat op zijn werk nimmer iets aan te merken is geweest, dat het feit in de privésfeer heeft plaatsgevonden, dat geen herhaling van het feit heeft plaatsgevonden, dat het feit is gepleegd onder extreme emotionele stress en dat eiser in zijn werk geen specifieke persoonlijke band heeft met de bij de beveiliging betrokken personen. Verweerder is op deze omstandigheden niet ingegaan zodat het besluit onvoldoende is gemotiveerd.

2.9 Vooropgesteld zij dat verweerder in het kader van toepassing van paragraaf 2.1, onder c, van de Wpbr voor wat betreft de vraag of toestemming al dan niet kan worden verleend, beschikt over beoordelingsvrijheid.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met de hiervoor in rechtsoverweging 2.4 weergegeven motivering in het bestreden besluit voldoende ingegaan op de in bezwaar aangevoerde omstandigheden, met name op de stelling van eiser dat het feit in de privésfeer heeft plaatsgevonden. De overige in bezwaar aangevoerde omstandigheden zien op het herhalingsgevaar. Deze omstandigheden heeft verweerder onvoldoende kunnen achten om eiser betrouwbaar te achten. De rechtbank begrijpt dat eiser met de in dit verband, ook in beroep, aangevoerde omstandigheden betoogt dat de stressvolle situatie waarin eiser ten tijde van het gepleegde feit van 27 januari 2011 verkeerde zich niet snel opnieuw zal voordoen en dat daarom de kans op herhaling gering is. Van belang is echter het gedrag van eiser wanneer hij opnieuw in een stressvolle situatie terecht komt. Er is geen grond voor het oordeel dat het besluit op dit punt lijdt aan een motiveringsgebrek.

2.10 Eiser heeft in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule aangevoerd dat in de bezwaarfase expliciet een beroep is gedaan op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen. Eiser verwijst naar hetgeen is aangevoerd in het kader van de toepasselijkheid van paragraaf 2.1, onder c, van de circulaire. Voor wat betreft de recente persoonlijke ontwikkelingen wijst eiser er op dat hij sinds lange tijd geen contact meer heeft met de benadeelde en hij het gebeurde persoonlijk heeft kunnen afsluiten. Eiser heeft een nieuwe relatie met wie hij zeer gelukkig is.

Eiser is door het onthouden van toestemming onevenredig benadeeld, nu hij geen werk meer heeft kunnen krijgen in de beveiligingsbranche en noodgedwongen met een werkloosheidsuitkering thuis zit. Door verweerder is aan deze omstandigheden ten onrechte geen enkele overweging gewijd. Het verwijzen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling is onvoldoende.

2.11 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval kunnen volstaan met verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling. Volgens deze jurisprudentie (zie bijv. LJN: AV3843 en LJN: BR4017) mag, gegeven het imperatieve karkater van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, toepassing van de hardheidsclausule er niet toe leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld wordt. Nu de omstandigheden die zijn aangevoerd in het kader van de toepasselijkheid van paragraaf 2.1, onder c, van de circulaire, niet hebben geleid tot de conclusie dat eiser ondanks de verweten gedragingen voldoende betrouwbaar kan worden geacht, kunnen diezelfde omstandigheden, aangevoerd in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule, niet tot de conclusie leiden dat eiser toch betrouwbaar moet worden geacht. Dat eiser geen werk meer heeft kunnen krijgen in de beveiligingsbranche is inherent aan het onthouden van de toestemming. Niet valt in te zien dat eiser niet anderszins in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien.

2.12 Tot slot meent eiser dat het een uiterst merkwaardige gang van zaken is om niet op papier te zetten voor hoelang de toestemming zal worden onthouden. Deze handelswijze geeft aan dat verweerder zich ook van de onredelijkheid van zijn beslissing bewust is.

2.13 In het bestreden besluit is geen termijn opgenomen gedurende welke de onthouding van toestemming geldt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser een nieuw verzoek kan doen en dat vervolgens zal worden beoordeeld, op basis van de feiten en omstandigheden zoals die zich op het moment van toetsing voordoen, of al dan niet toestemming zal worden verleend of onthouden. Hierop kan niet worden vooruitgelopen.

2.14 Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor het oordeel dat het ontbreken van een termijn gedurende welke het onthouden van toestemming geldt het bestreden besluit reeds hierom onredelijk doet zijn.

2.15 Gelet op het voorgaande treffen de aangevoerde beroepsgronden geen doel. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

2.16 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in tegenwoordigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.