Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX4502

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
15/740240-10 en 15/710367-10 (ttz. gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in megazaak Vista. Deelnemer van criminele organisatie veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf. Verweren met betrekking tot infiltratietraject onder regie van Amerikaanse DEA in Polen verworpen. Er is niet gebleken van betrokkenheid Openbaar Ministerie bij het infiltratietraject. Evenmin is gebleken van schending van het EVRM. Veroordeling voor voorbereidingshandelingen met betrekking tot handel in cocaïne, voorhanden hebben en handelen in cocaïne, het bezit van vuurwapens (meermalen gepleegd), witwassen van bijna 180.000 euro en deelname aan een criminele organisatie. Vrijspraak met betrekking tot uitkeringsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/740240-10 en 15/710367-10 (ttz. gev.) (Onderzoek Vista)

Uitspraakdatum: 2 augustus 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 31 augustus 2010, 25 november 2010, 8 februari 2011, 11 mei 2012, 16 mei 2012, 23 mei 2012, 19 juni 2012, 17 juli 2012 en 19 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na ter terechtzitting van 19 juni 2012 toegestane wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

[Zaaksdossier 01: voorbereiding van invoer van een hoeveelheid cocaïne vanuit Polen]

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2008 tot en met 19 februari 2009 te IJmuiden en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in Polen en/of in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- (een) ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of te doen plegen en/of mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk

- één of meer telefoongesprekken gevoerd en/of één of meer SMS-berichten verzonden en/of uitgewisseld, waarin bij hem en (één of meer van) zijn mededader(s) bekende ontmoetingsplaatsen (in Amsterdam) al dan niet gecodeerd en/of versluierd ('locatie 1, 2 of 3') werden afgesproken en/of aan elkaar werden doorgegeven en/of

- één of meer ontmoetingen bijgewoond op die al dan niet gecodeerd en/of versluierd aangeduide en/of aan elkaar doorgegeven ontmoetingsplaatsen (in Amsterdam) en/of in het bedrijf [bedrijf 1], gevestigd aan de Vissershavenstraat te IJmuiden en/of

- één of meer telefoontoestellen aangeschaft en/of overgedragen en/of in ontvangst genomen (specifiek en/of uitsluitend) bestemd en/of bedoeld voor de onderlinge communicatie tussen één of meer (van de deelnemende) mededader(s) en/of

- één of meer afspra(a)k(en) gemaakt over de wijze van gebruik van de/een aangeschaft(e) en/of overgedragen en/of in ontvangst genomen telefoontoestel(len) en/of

- één of meer telefoongesprekken gevoerd en/of één of meer SMS-berichten verzonden en/of uitgewisseld en/of één of meer afspra(a)k(en) gemaakt omtrent

* het tijdstip, waarop en/of de termijn, waarbinnen de hoeveelheid cocaïne in Polen zou (moeten) worden overgedragen en/of afgeleverd en/of vervoerd (naar Nederland), en/of

* de (eventuele) bezichtiging en/of inspectie van de af te nemen hoeveelheid cocaïne (in Polen) en/of

* het (met elkaar) in contact brengen van personen in Polen (waaronder de/een chauffeur(s) van het voorgenomen transport) en/of

* het (in persoon en/of fysiek, in elk geval niet telefonisch) overdragen en/of in ontvangst nemen van een telefoonnummer van een (contact)persoon in Polen en/of

* (de noodzaak van) het activeren van een telefoontoestel in gebruik bij die (contact)persoon in Polen en/of

* de naam van één van de chauffeur(s), die de hoeveelheid cocaïne zouden (moeten) gaan vervoeren ("Ziggy"),

en/of heeft hij, verdachte, zich opzettelijk met [medeverdachte 2]

- (per auto) naar Warschau (Polen) begeven teneinde aldaar één of meer persoonlijke ontmoetingen te hebben met één of meer (andere) mededader(s) en/of

- (per auto) van Warschau (Polen) naar Kiel (Duitsland) begeven teneinde aldaar aan [leider criminele organisatie] (persoonlijk) verslag uit te brengen van en/of te berichten omtrent de ontmoeting(en) en/of afspra(a)k(en) gemaakt in Polen;

Feit 2:

[Zaaksdossier 05A, 05B, 05C en 05D: meerdere leveringen van bollen cocaïne]

hij in of omstreeks de maand januari 2010 te IJmuiden en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans (telkens) alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft verstrekt en/of afgeleverd en/of heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad (een)(aanzienlijke) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

(waaronder

- de verstrekking aan en/of aflevering aan en/of het aanwezig hebben voor [medeverdachte 6] van 1 'bol' cocaïne, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid cocaïne (in verband met een vervolglevering van [medeverdachte 6] aan [betrokkene 7]) (ZD 05A) en/of

- de verstrekking aan en/of aflevering aan en/of het aanwezig hebben voor [betrokkene 4] van 1 'bol' cocaïne, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid cocaïne (ZD 05B) en/of

- de verstrekking aan en/of aflevering aan en/of het aanwezig hebben voor [medeverdachte 6] van 1 'bol' cocaïne, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid cocaïne (in verband met een vervolglevering van [medeverdachte 6] aan [betrokkene 7]) (ZD 05C) en/of

- de verstrekking aan en/of aflevering aan en/of het aanwezig hebben voor [medeverdachte 6] van 1 'bol' cocaïne, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid cocaïne (ZD 05D) (in verband met een vervolglevering van [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 7]) (ZD 05D) en/of

- de verstrekking aan en/of aflevering aan en/of het aanwezig hebben voor [medeverdachte 6] van 4 'bollen' (van elk ongeveer 250 gram) cocaïne, althans een (aanzienlijke) hoeveelheid cocaïne (in verband met een vervolglevering van [medeverdachte 6] aan [betrokkene 8]) (ZD 05D));

Feit 3:

[Zaaksdossier 18: meerdere (vuur)wapens in de [woning verdachte]]

hij op of omstreeks 18 mei 2010 te IJmuiden, gemeente Velsen, (in een woning aan de [woning verdachte])

- een wapen van categorie III onder 1°, te weten een vuurwapen in vorm van een pistool (Zastava; kaliber 6.35) en/of bij dit wapen behorende munitie van categorie III en/of

- een wapen van categorie III onder 1°, te weten een vuurwapen in vorm van een revolver (Smith & Wesson; kaliber .22) en/of bij dit wapen behorende munitie van categorie III, en/of

- een wapen van categorie III onder 4°, te weten een alarmpistool (Rhöner)

voorhanden heeft gehad;

Feit 4:

[Zaaksdossier 20: Uitkeringsfraude]

hij in of omstreeks de periode van 24 september 2008 tot en met 18 mei 2010 te IJmuiden, gemeente Velsen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, in strijd met de/een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten: artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opgelegde verplichting(en), opzettelijk heeft nagelaten tijdig het/de benodigde gegeven(s) te verstrekken,

immers heeft hij, verdachte (telkens) opzettelijk nagelaten aan de (Afdeling Sociale Zaken van de) Gemeente Velsen te melden dat hij, verdachte, en/of zijn partner in voornoemde periode

- (al dan niet betaald) werk heeft/hebben aanvaard en/of verricht en/of

- (alternatieve) inkomsten en/of vermogen ((aanzienlijke) geldbedragen en/of goederen (van aanzienlijke waarde)) heeft/hebben verworven en/of ontvangen en/of aangenomen,

zulks terwijl dit/die feit(en) kon(den) strekken en/of heeft/hebben gestrekt tot bevoordeling van hemzelf en/of (een) ander(en), terwijl hij en/of die ander(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden dat dat/die gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking en/of tegemoetkoming krachtens de Wet werk en bijstand, en/of voor de hoogte en/of de duur van die verstrekking en/of tegemoetkoming;

Feit 5:

[Zaaksdossier 11: criminele organisatie]

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 18 mei 2010 te IJmuiden en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in Polen en/of in Duitsland en/of in Litouwen,

heeft deelgenomen aan een organisatie,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en/of

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en/of

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk aanwezig hebben van (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en/of

- het meermalen, althans eenmaal, witwassen van (een) (door een of meer van bovengenoemde misdrijven verkregen) geldbedrag(en);

Ten aanzien van 15/710367-10:

[Zaaksdossier 06: Witwassen in vereniging 183.940 Euro contant]

hij op of omstreeks 30 maart 2010, te Nieuwegein en/of te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een (contant) geldbedrag van ongeveer 183.940 Euro, althans een (contant) geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van voornoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Inzet Mono door DEA en Poolse opsporingsdiensten en de relatie met het Vista-onderzoek

In het dossier met betrekking tot zaaksdossier 01 zijn processen-verbaal opgenomen van de dienst IPOL van januari en februari 2009 inhoudende informatie van de Amerikaanse opsporingsdienst de Drugs Enforcement Agency (hierna: de DEA), dat in januari 2009 ongeveer 1000 kg cocaïne in Warschau, Polen aan zal komen. Als mogelijke betrokkenen worden genoemd [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), [betrokkene 9] en [betrokkene 10], ook bekend als [betrokkene 10] (hierna: [betrokkene 10]).

Gedurende het onderzoek Vista, in het bijzonder na de verhoren van [betrokkene 9] en andere in Polen aangehouden verdachten, is naar voren gekomen dat in de Verenigde Staten en in Polen sprake is geweest van optreden van een 'cooperating source (CS)' van de Amerikaanse DEA met de naam Mono (hierna te noemen: de infiltrant), die een rol zou hebben gespeeld in zaaksdossier 1.

Teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de rol van deze infiltrant en relatie van deze infiltrant met de verdachten in het Vista-onderzoek alsmede over de mogelijke rol van het Nederlandse Openbaar Ministerie in verband met de inzet van de infiltrant heeft de rechtbank op 1 maart 2011 en op 25 juni 2012 op verzoek van de verdediging diverse onderzoekswensen, waaronder een aantal getuigenverzoeken toegewezen.

Zo heeft de rechtbank op 1 maart 2011 beslist dat de rechter-commissaris de infiltrant diende te horen. Het horen van de infiltrant door de rechter-commissaris is echter niet mogelijk gebleken, nu de Amerikaanse autoriteiten een beroep hebben gedaan op een in een verdragsbepaling genoemde grond om het betreffende rechtshulpverzoek te weigeren. Naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank bevinden zich wel brieven van het Amerikaanse Ministerie van Justitie in het dossier, te weten de brieven van 31 mei 2011, 19 september 2011 en 4 januari 2012. In deze brieven wordt ingegaan op de werkzaamheden en de rol van de infiltrant en de relatie met het Vista-onderzoek.

Samengevat houden de brieven in:

- Rond 2008 is de CS in contact gekomen met een gevestigde drugsorganisatie in Colombia. Deze organisatie wilde dat de CS het vervoer zou regelen van een partij cocaïne van Zuid-Amerika naar Europa. Op grond van deze informatie hebben de DEA en de Poolse politie een gecoördineerd onderzoek gestart. Alle activiteiten van de CS in Colombia en Polen werden gecoördineerd door respectievelijk de Colombiaanse en de Poolse autoriteiten (brief 31 mei 2011).

- Ongeveer in december 2008 heeft de drugsorganisatie in Colombia circa 1.200 kg cocaïne geleverd aan de CS en aan undercoveragenten van de Colombiaanse nationale politie. Vervolgens is begin 2009 deze cocaïne naar Warschau vervoerd met volledig medeweten en medewerking van de Colombiaanse en Poolse autoriteiten. Eenmaal in Polen heeft de CS undercoveragenten van de Poolse politie voorgesteld aan personen die uit verschillende landen waren gekomen om een deel van de cocaïne te krijgen (brief 31 mei 2011).

- Na bestudering van alle stukken zijn de Amerikaanse autoriteiten tot de conclusie gekomen dat de Amerikaanse dossiers niets bevatten wat relevant is voor het Nederlands onderzoek. Er heeft in het bijzonder op geen enkel moment een infiltratieoperatie plaatsgevonden in Nederland in opdracht van de DEA. De CS is niet in opdracht van de DEA naar Nederland gereisd en heeft daar ook geen ontmoetingen gehad in opdracht van de DEA. Bovendien heeft de CS geen ontmoetingen of contacten gehad met in Nederland opererende agenten van de DEA (brieven 31 mei 2011 en 4 januari 2012).

- Medeverdachte [medeverdachte 2] is op geen enkel tijdstip aangezet tot of gestrikt voor het deelnemen aan een smokkeloperatie die uiteindelijk heeft geleid tot een gecontroleerde doorlevering van ongeveer 1.000 kg cocaïne naar Warschau. De DEA noch de informant hebben [medeverdachte 2] aangezet of hem op andere wijze ertoe gebracht om deel te nemen aan criminele activiteiten. Mede-samenzweerders van [medeverdachte 2] hebben de informant in Colombia gezegd dat [medeverdachte 2] eigenaar was van 70 kg cocaïne welke deel uitmaakte van de 1.000 kg die naar Europa gezonden zou worden (brief 19 september 2011).

- Van de verdachten van het Vista-onderzoek komt alleen [medeverdachte 2] voor in de Amerikaanse stukken. [medeverdachte 2] komt alleen voor in de stukken naar aanleiding van zijn activiteiten in Polen en Colombia (brief 4 januari 2012).

De verdediging heeft - kort gezegd - aangevoerd dat nog immer onvoldoende duidelijkheid bestaat over het infiltratietraject, de activiteiten van de infiltrant en een eventuele tweede CS en de rol van het Nederlandse Openbaar Ministerie in een en ander. Onder andere is gesteld dat er aanwijzingen zijn dat de infiltrant in Nederland is geweest en contact heeft gehad met een of meer medeverdachten. Voorts acht de verdediging de stelling van het Openbaar Ministerie dat het niet heeft samengewerkt met de DEA en/of de Poolse autoriteiten in het kader van het inzetten van de infiltrant ongeloofwaardig en vermoedt de verdediging dat het Openbaar Ministerie bewust bepaalde informatie buiten het dossier heeft gehouden.

Ter onderbouwing wordt daartoe gewezen op de verklaring van [betrokkene 9] die spreekt over betrokkenheid van Nederlandse autoriteiten en een DEA-rapport, een publicatie in een Poolse krant, printlijsten van twee aan de infiltrant toegeschreven telefoons en de verklaring van [betrokkene 9] dat hij in het voorjaar van 2008 een appartement aan, onder andere, Mono heeft verhuurd in Amsterdam in combinatie met één sms-bericht aangetroffen in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 10] met als inhoud de tekst 'mono' van 20 mei 2008. Voorts wijst de verdediging erop dat uit het verhoor van [getuige 1] (destijds teamleider van het team van de Nationale Recherche waar het onderzoek Monoceros werd belegd), naar voren komt dat sprake is geweest van het bijwonen van een bijeenkomst tussen het Monoceros-team en Vista-team door een functionaris van de DEA te Den Haag. De verdediging acht het in dit verband opmerkelijk dat officier van justitie [getuige 2], destijds zaaksofficier in het Monoceros onderzoek, geen melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van een DEA functionaris bij enige bespreking. Voorts wijst de verdediging erop dat officier van justitie [getuige 2] melding maakt van een rechtshulpverzoek van de Verenigde Staten waarin gesproken wordt over een undercovertraject. Dit rechtshulpverzoek is [getuige 1] onbekend en in het IPOL proces-verbaal dat is opgesteld naar aanleiding van het rechtshulpverzoek wordt niet gesproken over een undercovertraject. Tot slot wijst de verdediging erop dat er onduidelijkheid bestaat over de hoeveelheid cocaïne die naar Polen is getransporteerd.

Een en ander moet, nu verdachte is geschaad in zijn recht op een eerlijk proces, volgens de verdediging leiden tot, primair niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, subsidiair tot uitsluiting van al het bewijs, en meer subsidiair tot aanhouding van de zaak voor het doen van ander onderzoek (in de vorm van het horen van getuigen en het toevoegen van stukken aan het dossier).

Oordeel rechtbank

Toetsing van de van buitenlandse autoriteiten verkregen informatie en wetenschap Nederlandse Openbaar Ministerie

Uit de - mede naar aanleiding van de toegewezen onderzoekswensen - ontvangen informatie van de Amerikaanse autoriteiten komt naar voren dat op Nederlandse bodem geen infiltratietraject heeft plaatsgevonden onder regie van de Amerikaanse autoriteiten of de DEA. Ook heeft volgens de uit de Verenigde Staten van Amerika ontvangen informatie het traject tussen Colombia en Polen plaatsgevonden, zonder medeweten dan wel betrokkenheid van de Nederlandse autoriteiten.

In beginsel dient de rechtbank op de juistheid van deze informatie te vertrouwen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat speelt bij het verlenen van rechtshulp geeft daarbij volgens vaste jurisprudentie de doorslag. Een uitzondering op dit vertrouwensbeginsel wordt gemaakt indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin sprake zou kunnen zijn van het niet respecteren van verdedigingsrechten zoals die voorvloeien uit het EVRM. (vgl. EHRM 27 juni 2000, NJ 2002, 102 en HR 31 januari 2006, NJ 2006, 365)

De rechtbank is van oordeel dat feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier blijken en zoals die door de verdediging naar voren zijn gebracht niet leiden tot het oordeel dat twijfel bestaat omtrent de juistheid van de beantwoording van de rechtshulpverzoeken door de Verenigde Staten. De verklaring van [betrokkene 9] dat 'Nederland erbij betrokken is', wordt door niets onderbouwd en is derhalve niet meer dan een suggestie. Voor eenzelfde stelling opgenomen in een Poolse krant geldt hetzelfde. De Verenigde Staten, maar ook de betrokken functionarissen bij Monoceros, officier van justitie [getuige 2] en teamleider [getuige 1] - via welk onderzoek de IPOL-informatie vanaf de DEA in Vista kwam - en de liaison-officieren in de Verenigde Staten, [getuige 3], en Polen, [getuige 4], stellen dat geen sprake is geweest van samenwerking van de Nederlandse autoriteiten met de DEA en/of de Poolse geheime dienst (ABW) terzake het infiltratietraject. Tenslotte heeft ook de officier van justitie in het Vista-onderzoek telkens aangegeven dat geen sprake is geweest van samenwerking met Amerikaanse en/of Poolse autoriteiten inzake het infiltratietraject. Ook van een vermeende tweede infiltrant is niets gebleken.

Officier van justitie [getuige 2] heeft verklaard dat hij in een relaas bij een rechtshulpverzoek heeft gelezen dat bij het transport van cocaïne naar Europa sprake was van een undercoveroperatie, maar dat met betrekking tot deze undercoveroperatie geen informatie met de DEA is uitgewisseld en dat hij niet wist wie de undercoverpersoon was en dat hij helemaal niet wist van de inzet van Mono. Voorts heeft [getuige 2] verklaard dat hij over het algemeen voorzichtig is met het doorgeven van informatie over een undercovertraject omdat in dergelijke trajecten doden kunnen vallen. Hiermee heeft [getuige 2] zijn beleidsmatige keuze om deze informatie buiten het onderzoek te houden afdoende toegelicht en verantwoord.

Dat bij een bespreking met Nederland functionarissen van het Monoceros-team en het Vista-team in februari 2009 een DEA-verbindingsofficier aanwezig was, duidt naar het oordeel nog niet op een samenwerking tussen het Nederlands Openbaar Ministerie en de DEA. In dit verband acht de rechtbank van belang dat [getuige 1] niet eens wist waarom de DEA-official bij de bespreking aanwezig is geweest. Van een vermeende samenwerking tussen de DEA en/of de ABW en het Nederlands Openbaar Ministerie is dan ook uit deze verklaring niet gebleken. Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan nader onderzoek door het Openbaar Ministerie naar het undercovertraject in de rede lag.

De rechtbank komt op basis van deze bevindingen tot de conclusie dat niet is gebleken en dat er ook geen aanwijzingen zijn dat het Nederlandse Openbaar Ministerie op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de inzet en werkzaamheden van de infiltrant. Voorts is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie in enige fase van het onderzoek kennis droeg van een vorm van criminele burgerinfiltratie in Nederland of daarvan een ernstig vermoeden had moeten hebben.

Zo er al sprake zou zijn geweest van een mogelijke vorm van criminele burgerinfiltratie in Nederland, kunnen eventuele gebreken daarin niet leiden tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, nu immers niet is gebleken dat het Openbaar Ministerie daarvan op de hoogte was.

Toetsing van door buitenlandse autoriteiten verrichte opsporingshandelingen

Rest de vraag of en in hoeverre buitenlandse autoriteiten bij hun opsporingshandelingen mensenrechtelijke bepalingen hebben geschonden die een ongeclausuleerde en absolute bescherming bieden aan verdachte. Hierbij stelt de rechtbank voorop dat het niet zo is dat onregelmatigheden in een buitenlands opsporingsonderzoek nimmer tot één van de in artikel 359a Sv voorziene sancties kunnen leiden. Wel is het zo dat een dergelijke sanctie eerst in beeld komt indien jegens verdachte onrechtmatig is opgetreden, waardoor aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Dat sprake is geweest van een schending van een mensenrechtelijke bepaling in het buitenlands opsporingsproces, waardoor ten aanzien van verdachte zou moeten worden geoordeeld dat het recht op een eerlijk proces niet zou zijn gewaarborgd, is niet gebleken. In dit verband merkt de rechtbank nog ten overvloede op dat een mogelijke uitlokking van [betrokkene 9] door de infiltrant niet een belang van verdachte raakt.

Een eventueel op Nederlands grondgebied uitgevoerd infiltratietraject zonder medeweten van het Nederlands Openbaar Ministerie zou wellicht een schending van de Nederlandse soevereiniteit kunnen opleveren, hetgeen echter geen belang van een van de Nederlandse verdachten in het onderhavige strafproces raakt.

Fair trial / uitlokking

Door de verdediging is voor wat betreft zaaksdossier 01 (Polen) voorts gesteld dat sprake is van uitlokking door inzet van de infiltrant en/of een mogelijk andere infiltrant, dan wel dat in het dossier onvoldoende informatie is opgenomen over de activiteiten van de infiltrant(en) om een uitlokkingsverweer te kunnen voeren.

De rechtbank constateert dat de verdachten bij de politie en de rechter-commissaris zich zonder uitzondering voor wat betreft het Polen-dossier hebben beroepen op hun zwijgrecht en/of alle betrokkenheid bij cocaïnehandel hebben ontkend. Anders dan de verdediging kennelijk van oordeel is, volgt uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) niet dat - ook bij een volledig zwijgen - elk (mogelijk) uitlokkingsverweer zonder meer dient te worden onderzocht. Slechts indien sprake is van een niet geheel onaannemelijke stelling dat is uitgelokt, dient nader onderzoek plaats te vinden.

De rechtbank wijst op het arrest Bannikova van het EHRM van 4 november 2010 (LJN BP1611):

54. As the starting-point, the Court must be satisfied with the domestic courts' capacity to deal with such a complaint in a manner compatible with the right to a fair hearing. It should therefore verify whether an arguable complaint of incitement constitutes a substantive defence under domestic law, or gives grounds for the exclusion of evidence, or leads to similar consequences. In Ramanauskas (cited above) the Court held as follows:

"69. Article 6 of the Convention will be complied with only if the applicant was effectively able to raise the issue of incitement during his trial, whether by means of an objection or otherwise. It is therefore not sufficient for these purposes, contrary to what the Government maintained, that general safeguards should have been observed, such as equality of arms or the rights of the defence.

70. It falls to the prosecution to prove that there was no incitement, provided that the defendant's allegations are not wholly improbable. In the absence of any such proof, it is the task of the judicial authorities to examine the facts of the case and to take the necessary steps to uncover the truth in order to determine whether there was any incitement. Should they find that there was, they must draw inferences in accordance with the Convention ..."

55. The Court will generally leave it to the domestic authorities to decide what procedure must be followed by the judiciary when faced with a plea of incitement.

De rechtbank is van oordeel dat de stelling dat (mogelijk) sprake is van uitlokking, zo deze al niet in strijd is met de ontkenning door verdachte van enige betrokkenheid bij drugshandel - mede gezien de inhoud van het dossier - onvoldoende is onderbouwd. Verdachte heeft niet aangegeven waar, wanneer, op welke wijze en door wie sprake geweest zou zijn van uitlokking. De verdediging heeft gesuggereerd dat de infiltrant(en) in Nederland zijn geweest. Met deze enkele suggestie wordt evenwel nog geen (begin van een) uitlokkingsverweer aangevoerd.

Gezien bovenstaande overwegingen verwerpt de rechtbank de verweren ten aanzien van het thema 'uitlokking' en acht een verder onderzoek hieromtrent niet noodzakelijk.

Een en ander betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor toepassing van een van de in artikel 359a Sv bedoelde sancties, zoals niet ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie of bewijsuitsluiting, noch voor aanhouding van de zaak.

2.2. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ten aanzien van feit parketnummer 15/710367-10 (witwassen in vereniging van € 183.940,--)

De verdediging heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte met betrekking tot het feit ten laste gelegd onder parketnummer 15/710367-10, althans dat sprake dient te zijn van bewijsuitsluiting, nu sprake is van onherstelbare vormverzuimen, omdat de met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte op 10 maart 2010 en 30 maart 2010 subject is geweest van stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv, waarvoor een bevel van de officier van justitie noodzakelijk was, terwijl dit bevel niet was gegeven. De stelselmatige observatie van verdachte is dan ook onrechtmatig. Daarbij is aangevoerd dat de observatie moet worden bekeken vanuit het perspectief van de rest van het dossier. Op het moment dat verdachte onder observatie werd genomen, waarbij gebruik werd gemaakt van technische hulpmiddelen, was hij reeds meermalen subject van observatie geweest als gevolg van stelselmatige observaties die op medeverdachten werden uitgevoerd. Hij kwam in meer OVC-gesprekken voor en ook werd zijn telefoon al vanaf 25 februari 2010 getapt, zodat de observatie niet op zich stond en niet los kan worden gezien van de overige opsporingsmiddelen die op verdachte werden uitgeoefend en waardoor reeds een beeld van bepaalde aspecten van het privéleven van verdachte was verkregen. Door de observatie in combinatie met de informatie die al bij de politie bekend was, is een min of meer volledig beeld verkregen van contacten die verdachte met bepaalde personen had, aldus de verdediging.

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig is geweest, nu geen sprake was van een heterdaad situatie en verdachte derhalve in beginsel uitsluitend op grond van artikel 54 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, dus op bevel van de officier van justitie kon worden aangehouden. De CIE-informatie, op grond waarvan verdachte is aangehouden, hield in dat verdachte vermoedelijk een partij verdovende middelen zou vervoeren. Daarvan was geen sprake. Ook bestond ten tijde van de aanhouding nog niet de verdenking van witwassen, omdat het aangetroffen geldbedrag op het moment van de aanhouding nog niet was aangetroffen. Daarnaast is de inverzekeringstelling volgens de verdediging onrechtmatig geweest, omdat de politie na de aanhouding van verdachte ondanks toezegging niet op verzoek van verdachte de nodige zorg en actie heeft ondernomen ten aanzien van de aan de zorg van verdachte toevertrouwende kleindochter.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daaromtrent als volgt.

Ten aanzien van de observaties overweegt de rechtbank dat beoordeeld dient te worden of door de observaties het recht van verdachte op respect voor diens privéleven een meer dan beperkte inbreuk is gemaakt, waardoor de observaties niet meer zijn gedekt door artikel 2 van de Politiewet 1993 en de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering. Om te beoordelen of sprake is van stelselmatige observatie, moet worden bezien of er een min of meer volledig beeld is verkregen van bepaalde aspecten van iemands leven. Hierbij zijn een aantal elementen van belang: de duur, de plaats, de intensiteit, de frequentie, het doel en het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel dat méér biedt dan alleen versterking van de zintuigen. Ieder voor zich, maar met name in combinatie, zijn deze elementen bepalend voor de vraag of een min of sprake is van een stelselmatige observatie.

Uit het proces-verbaal van observaties (B06 005701-005708 en B06 005698-005700) blijkt dat verdachte op 30 maart 2010 is geobserveerd vanaf 10.30 uur tot 13.10 uur en op 10 maart 2010 vanaf 11.15 uur tot 13.12 uur. Gelet op deze korte tijdsduur van observeren, waarin niet een min of meer volledig beeld is verkregen van bepaalde aspecten van verdachtes leven, is de rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van een stelselmatige observatie, ook niet gelet op de rest van het dossier. Een bevel op grond van artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering was dan ook niet nodig.

Ten aanzien van de vraag of ten tijde van de aanhouding sprake was van een heterdaadsituatie overweegt de rechtbank dat wel sprake van een heterdaadsituatie als bedoeld in artikel 128 van het Wetboek van Strafvordering. Het is immers voor aanhouding op heterdaad niet nodig dat de strafbaarheid van het feit onomstotelijk vaststaat. Een redelijk vermoeden is voldoende. Nu de aanhouding heeft plaatsgevonden op grond van CIE informatie, welke informatie samen met de waarnemingen van de observanten een redelijk vermoeden van een strafbaar feit opleverde, zijn de aanhouding en daaropvolgende inverzekeringstelling rechtmatig geschied.

Ten aanzien van hetgeen door de verdediging is gesteld omtrent de kleindochter van verdachte - wat daar verder ook van zij - is de rechtbank van oordeel dat dit de rechtmatigheid van de aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte niet raakt, nu het door de verdediging gestelde heeft plaatsgevonden na voornoemde aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte.

Geen van de door de verdediging aangevoerde argumenten kan derhalve leiden tot het oordeel dat de aanhouding en daaropvolgende inverzekeringstelling van verdachte op 30 maart 2010 onrechtmatig zijn geweest. Een en ander kan dan ook noch tot niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie noch tot bewijsuitsluiting leiden.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ook voor het overige ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten aanzien van parketnummer 15/740240-10 onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en het ten aanzien van parketnummer 15/710367-10 ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven personenauto, te weten een Citroën Picasso, en het totale geldbedrag van 183.940 euro dienen te worden van verbeurdverklaard.

5. Bewijs

5.1. Bewijs(middel)verweer

Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank onder 2.1 heeft overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding tot het uitsluiten van bewijs.

5.2. Vrijspraak

5.2.1. Partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier ZD 05C)

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 ten aanzien van het onderdeel zaaksdossier ZD 05C ten laste is gelegd en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Weliswaar is verdachte op 19 januari 2010 tot twee keer toe bij de woning van medeverdachte [medeverdachte 6] (hierna te noemen: [medeverdachte 6]) en heeft hij de tweede keer een witte plastic tas bij zich en verlaat hij vervolgens zonder plastic tas de woning van [medeverdachte 6], maar - mede gezien het aantal mensen dat de woning van [medeverdachte 6] bezoekt - is niet vast te stellen dat dit dezelfde witte tas is die [betrokkene 7] twee dagen later, op 21 januari 2010, uit de woning van [medeverdachte 6] meeneemt. In dit zaaksdossier zijn voorts geen (versluierde) telefoongesprekken bekend, op grond waarvan een bewezenverklaring van dit feit op gesteund zou kunnen worden. Derhalve kan niet wettig en overtuigend bewezen worden hetgeen verdachte ten aanzien van zaaksdossier 5C ten laste is verklaard.

5.2.2. Vrijspraak ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier ZD 20)

Anders dan door de officier van justitie is betoogd is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier ZD 20) ten laste is gelegd - kort gezegd het plegen van uitkeringsfraude - en dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat de verschillende activiteiten die verdachte voor [leider criminele organisatie] dan wel voor anderen heeft verricht in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigden. Het gaat hier immers naar het oordeel van de rechtbank niet om activiteiten die meestal beroepsmatig en tegen een geldelijke tegenprestatie worden verrichten, maar om allerlei hand- en spandiensten. Derhalve kan niet worden gesteld dat het voor verdachte redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze werkzaamheden van belang waren voor het vaststellen van zijn recht op bijstand. Voorts is niet gebleken dat verdachte dan wel zijn echtgenote gelden dan wel goederen van enige waarde hebben ontvangen, waarvan gesteld dient te worden dat zij die hadden moeten melden in het kader van de Wet werk en bijstand. Zo is de auto, de Citroen Picasso, op 27 maart 2010 in bezit gekomen van verdachte, doch vervolgens drie dagen later op 30 maart 2010 door justitie in beslag genomen. Voorts is onduidelijk gebleven of en door wie de auto, die op naam stond van de zoon van verdachte, was betaald. Ten aanzien van de goederen voor de tuin is de waarde niet komen vast te staan. Nu verdachte heeft gesteld dat het hier slechts om goederen van geringe waarde ging en het tegendeel niet is komen vast te staan, kan ook hiervan niet worden gesteld dat verdachte deze goederen in het kader van de Wet werk en bijstand had moeten opgeven. De vakanties die de echtgenote van verdachte heeft genoten en die zijn betaald door de familie van [leider criminele organisatie] vallen naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als inkomen dan wel vermogen, dat verdachte dan wel zijn echtgenote in het kader van de rechtmatigheidsonderzoeken van de gemeente hadden moeten opgeven.

5.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder parketnummer 15/740240-10 onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten en het ten aanzien van parketnummer 15/710367-10 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier 18: meerdere vuurwapens in de [woning verdachte])

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/740240-10 onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - op grond van artikel 359 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 juni 2012;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van inbeslagname d.d. 18 mei 2010 (dossierpagina B18 009473);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2010 met de daarbij gevoegde fotobijlagen (dossierpagina B18 009461-009464);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 oktober 2010 met de daarbij gevoegde fotobijlagen (dossierpagina B18 009465-009468) en

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal betreffende het alarmpistool van 1 juni 2010 met de daarbij gevoegde fotobijlagen (B18 009469-009470).

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier 01: voorbereiding van invoer van een hoeveelheid cocaïne vanuit Polen)

Vanaf 24 november 2008 hebben medeverdachten [leider criminele organisatie] (hierna: [leider criminele organisatie]) en [medeverdachte 11] (hierna: [medeverdachte 11]) al dan niet via medeverdachten [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) meer malen contact met een Colombiaan genaamd [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), ook medeverdachte. Dit contact bestaat uit telefoongesprekken dan wel ontmoetingen bij een internetcafé op de De Clercqstraat te Amsterdam, op het Leidseplein te Amsterdam, in het Mariott Hotel te Amsterdam en bij [bedrijf 1] te IJmuiden.2

De inhoud van een aantal van de opgenomen tapgesprekken is als volgt:

- gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 5] op 29 november 2009: "ik ben met [medeverdachte 11]", "ik maak wel een afspraak met hem dat hij er moet wezen want anders moet hij naar zijn troep rotten" en "het is toch een hoop geld ervoor, ja, snap je wat ik bedoel"3;

- gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 5] op 10 december 2008: "twee was het toch"4

- gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 5] op 18 december 2008: "[medeverdachte 5] zegt dat hij zei dat hij in februari moet komen en dan wordt hij geholpen. [leider criminele organisatie] vindt het perfect. [medeverdachte 5] zegt dat hij bij drie is5;

- gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 4] op 22 december 2008: "Ja, want hij, eh, acht uur belangrijk, 1... of eh 3"6;

- gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 5] op 17 januari 2008, waarin [leider criminele organisatie] vraagt of [medeverdachte 5] "die [medeverdachte 2] nog te pakken kan krijgen"7;

- gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 2] op 24 januari 2008: "that is alle arranged. For me, I, I am ready to work"8

- gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 2] op 28 januari 2008: "Number two I go I drive nog to number two"9;

- gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 2] op 31 januari 2008: "When it is for me I know when go and I also arrange my papers then. I am not gone arrange my papers when there already for three weeks. I am not an idiot you understand.(...) we speak now because I can not sleep. Because I am sitting whith al kind of people now and this is too long. I get problems now, believe me! This is no good! They make problem now for me you understand. And I can not say no no maybe next week... or next week. Now already three (3) weeks you tell me next week".10;

- gesprek tussen [medeverdachte 11] en [medeverdachte 2] op 4 februari 2009: "your friends still on the ehh schedule?" en "and eh also I need ehh..for the ....for the courier, you know, the company" en "yeah, that we can do, but anyway, thanneh my friend also back than, we do that Saturday"11;

- gesprek tussen [medeverdachte 11] en [medeverdachte 2] op 5 februari 2009, waarin [medeverdachte 11] met [medeverdachte 2] wil afspreken op de plaats waar hij [medeverdachte 2] de laatste keer heeft gezien, dat [medeverdachte 2] dat niet wil en begint met het noemen van het adres, de Cler .., dat [medeverdachte 11] er tussendoor komt en zegt dat hij weet waar het internet is12.

Op 22 januari 2009 is uit onderzoek gebleken dat [leider criminele organisatie] gebruikt maakt van een ander telefoonnummer dan zijn gebruikelijke nummer eindigend op 1333, te weten […2021]. Voorts is uit onderzoek gebleken dat dit nummer nagenoeg alleen wordt gebruik om contact te houden met het mobiele nummer […2028]. Dit nummer blijkt vervolgens in gebruik bij [medeverdachte 2].13

Door het observatieteam wordt gezien dat op dinsdag 10 februari 2009 omstreeks 19.01 [leider criminele organisatie], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] aan een tafel in het Mariott Hotel te Amsterdam zitten. Het observatieteam hoort flarden van het gesprek dat genoemde personen met elkaar voeren, waaronder de volgende zinnen van [leider criminele organisatie], te weten "I can send somebody to pick it/him up", "I need 24 hours", "normally the pay half first", "in Belgium they get 8 years for this".14

Op woensdag 11 februari 2009 om 00.24 uur heeft [medeverdachte 2] een lang telefoongesprek met [betrokkene 10] (alias [betrokkene 10]) (hierna te noemen: [betrokkene 10])15, die in de periode 6 tot 8 februari 2009 blijkens observaties met [medeverdachte 2] in Amsterdam is geweest16 . Dit gesprek, dat in de Spaanse taal wordt gevoerd, bestaat onder meer uit de volgende zinsneden: "Hoe gaan we de vertaling betalen (...) Omdat zo te plaatsen, om de vertalingen vooraf te betalen, is erg gecompliceerd. Begrijp je? (...) ben ik naar de ontmoeting gegaan, heel goed! Ze hebben mij de vertalingen laten zien, alles, op 100, 100 (verm. %), de computers om de vertalingen te verrichten, de programma's om te vertalen, uitstekend, begrijp je? (...) het enige dat ik nodig heb is een voorschot voor de vertalers, zodat ze meer vertrouwen hebben en zien dat het contract serieus is. (...) Het is stom om garanties te vragen als je het merendeel houdt (...) Wat ik niet wil, is dat Mono nu gaat zeggen dat ik het heb verzuurd (...) de enige mensen die vragen dat de vertalingen vooruit betaald worden, zijn die lui van de regering. Dat weet je toch wel? (...)juist, ik moet het uitgeven. Wil jij dat ik je boek uitgeef? klaar, dan geef ik die uit, maar ik zal het niet corrigeren , mijn werk is niet de correctie, maar het uitgeven. U brengt het, ik geef het uit. (...) ik zeg het je uit mijn ervaring, (ntv) als een persoon van dat kaliber is, als de vertaler zo belangrijk is of dat ze zo belangrijk zijn... dan willen zij op geen enkel moment te maken hebben noch met de mensen die de boeken verkopen noch met de boekenwinkel, geen van die zaken want dat vinden zijn afschuwelijk want daar houden zij niet van. Wat zij willen is simpelweg, "breng jij mij de vertaling maar, ik geef het aan je uitgegeven / uitgeprint, en u neemt dan de boeken mee en zorgt voor, de distributie (...) Ik zal zeggen "mijn heren, de enige die 'dat' vooruit betaald vragen, zijn die lui, van je weet wel". (...) dat we hier met Mono aan het praten zijn. (...) niemand weet wat er gebeurd van server 1 tot dat het aankomt bij server 2. Dat is een minimale garantie, man! (...) we hebben het hier over een heleboel vertalingen, (...) Nu mijn vraag is, jij begint eenmaal met de vertalingen in ontvangst te nemen en onmiddellijk met de vertalingen... Wat ik dan nodig heb, is dat je meteen "daarginder" een voorschot stort voor de vertalers. (...) kan het niet zo gaan dat ik de vertalers alvast 1 miljoen betaal? Toen noemde ik jullie, want ik was alleen in vertegenwoordiging van Mono (...) (...) het zou beter zijn als Mono dit allemaal regels (...) Hoe kan je nou zeggen dat je onzeker bent als je 2.000 woorden hebt om te vertalen, simultaan, en ze gaan 100 of 200 woorden weghalen (...) want jij houdt de helft van het boek, geef me dan de helft van het boek. (...) Toen zei hij "meneer, het is simpel, die man doet investering in het bedrijf en wil vertalingen, hij wil zo'n 70 simultane vertalingen (...) Zoals Lalo nu zei, ik moet niet wachten ik moet niets vooraf/vooruit betalen, geef mij gewoon hetgeen van mij is, Mono heeft al een percentage eraf getrokken van de vertalingen die van mij zijn, geeft me gewoon wat van mij is, ik pak hetgeen van mij is (...) dat ze komen met garanties terwijl ze meer dan de helft van de vertalingen houden (...) morgen zal die andere die in de ontmoeting was bellen en zal iets gelijks vertellen, toch? als hij dit hoort, zal ik zeggen dat het beter is als hij onderhandelt en dat hij al is het maar de boeken krijgt die van de kleinste zijn. Laten ze hem alvast die vertalingen geven dan kan hij vooruit, onder zijn eigen verantwoordelijkheid"17

Op 11 februari 2009 om 20.24 uur stuurt [medeverdachte 2] naar [leider criminele organisatie] een sms-bericht met de volgende tekst: Tomorrow in the holiday inn there i give Phone a.m18.

Donderdag 12 februari 2009 om 14.52 uur spreekt [leider criminele organisatie] met [medeverdachte 2] af dat [medeverdachte 2] om zes uur in de ochtend wordt opgehaald en dat hij dan om zes uur in de avond er is. [leider criminele organisatie] geeft aan dat 'My friend coming, you know him yeah. He brings you telefoon yeah. He knows you too. Six 'o clock in the morning'.19

Op 12 februari 2009 reist [betrokkene 9] naar Warschau, Polen20. Na aankomst in Polen belt [betrokkene 9] naar Mono21 en in Polen heeft [betrokkene 9] contact met Mono22. In Warschau verblijft [betrokkene 9] in het Holiday Inn hotel.23

Om 22.51 uur wordt vanaf telefoonnummer […2161] (hierna: nr. 2161), gebruikmakend van een mastlocatie in Nieuwegein, een sms-bericht verstuurd naar de zich in Polen bevindende [betrokkene 9]. Nr 2161 is alleen actief geweest in de periode van 12 februari 2009 tot 20 februari 2009 en wordt toegeschreven aan [medeverdachte 12].24 In het geheugen van de onder [betrokkene 9] in beslaggenomen telefoon staat nr. 2161 onder de naam "Patr".25 [betrokkene 9] heeft verklaard dat hij tijdens dit verblijf in Warschau onder andere contact heeft gehad met 'Patric' om afspraken gemaakt in Warschau door te geven.26 Ook heeft hij verklaard dat Patric een van de personen was voor wie hij de cocaïne zou testen en dat Patric een van de personen was van wie Mono geld verwachtte.27

Vrijdag 13 februari 2009 reizen verdachte en [medeverdachte 2] naar Warschau. verdachte haalt [medeverdachte 2] op in Amsterdam om zes uur in de ochtend - conform de afspraak tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 2] 'six o'clock in the morning' - en ze reizen dan af.28 In Warschau verblijven ze in het Holiday Inn hotel29 en reizen 14 februari 2009 via Kiel - waar [leider criminele organisatie] op dat moment verblijft - naar Nederland terug30. [medeverdachte 2] heeft in het Holiday Inn hotel in Warschau een ontmoeting met [infiltrant] (Mono)31. [betrokkene 10] heeft in Polen en bij de rechter-commissaris verklaard dat hij in februari 2009 in een hotel in Warschau [medeverdachte 2] heeft ontmoet en dat [medeverdachte 2] daar ook met [infiltrant] (Mono) heeft gesproken over zaken van [infiltrant] in Polen. Voorts heeft hij verklaard dat hij op 13 februari 2009 in het Holiday Inn hotel in Warschau verbleef, tezamen met [infiltrant]. [infiltrant] had hem verteld dat hij voor een Poolse generaal werkte, dat het over drugs ging, dat hij met een grote deal in Polen bezig was, dat hij de eigenaar van de cocaïne was en dat de generaal hem assistentie verleende om de partij drugs in Polen te laten aankomen.32

[betrokkene 9] stuurt op 13 februari 2009 om 12.22 uur een SMS-bericht naar [medeverdachte 12]. De telefoonpaal die [betrokkene 9] gebruikt heeft als locatie het adres van het Holiday Inn hotel te Warschau. [medeverdachte 12] maakt op dat moment gebruik van een mastlocatie in Nieuwegein.33

Op 13 februari 2009 om 14.41 uur belt [medeverdachte 12] naar de zich op dat moment nog steeds in Warschau bevindende [betrokkene 9]34. [betrokkene 9] stuurt [medeverdachte 12] een SMS-bericht om 15.19 uur en om 15.47 uur belt [betrokkene 9] naar het Poolse nummer van Mono. [betrokkene 9] is dan onderweg naar het vliegveld van Warschau. Om 19.05 uur belt [betrokkene 9] naar [medeverdachte 12], [betrokkene 9] bevindt zich dan op Schiphol. [medeverdachte 12] maakt op dat moment gebruik van een basisstation Amsteldijk [perceelnummer] Amsterdam. Later om 20.07 uur maakt [betrokkene 9] ook gebruik van het basisstation Amsteldijk [perceelnummer] Amsterdam.

[betrokkene 9] heeft verklaard dat hij vanuit Warschau terug kwam naar Nederland omdat Mono had gezegd dat pas op maandag de controle van de cocaïne kon worden uitgevoerd.35

Zaterdag 14 februari 2009 belt [betrokkene 9] om 10.41 uur met [medeverdachte 12], die zich dan blijkens de mastlocatiegegevens in Nieuwegein bevindt. Ook om 17.43 uur belt [betrokkene 9] met [medeverdachte 12], die zich inmiddels blijkens de mastlocatiegegevens in Amsterdam bevindt. Een dag later, 15 februari 2009, belt [betrokkene 9] om 11.15 uur met [medeverdachte 12]. Om 16.35 uur belt [betrokkene 9] naar Mono.

Maandag 16 februari 2009 maken de telefoons van [medeverdachte 12], [betrokkene 9] en [medeverdachte 10] rond 16.00 uur gebruik van hetzelfde basisstation in Amsterdam.36 Omstreeks 17.36 uur stuurt [leider criminele organisatie] een SMS-bericht naar [medeverdachte 2] met de inhoud dat hij gehoord heeft dat 'de turk' naar zijn vrienden gaat.37 [medeverdachte 2] zendt daarop een SMS-bericht naar [leider criminele organisatie] waarin sprake is van geld naar de grens brengen en de mededeling dat 'more people go see this tomorrow'. Dezelfde avond omstreeks 19.00 uur vertrekt [betrokkene 9] naar Warschau. Dit blijkt uit vluchtgegevens en uit het feit dat [betrokkene 9] om 18.50 uur vanaf Schiphol belt naar Mono.38 Na aankomst in Warschau belt [betrokkene 9] naar Mono en tweemaal naar [medeverdachte 12].39 Ook nu verblijft [betrokkene 9] in het Holiday Inn hotel alwaar hij contact heeft met Mono.40

Op 18 februari 2009 vindt er in Polen een 'kijkdag' plaats ter inspectie van de te verhandelen cocaïne. Om 01.13 uur op 18 februari 2009 belt [betrokkene 9] naar [medeverdachte 12] die zich blijkens de mastlocatiegegevens dan in Nieuwegein bevindt.41 Op 18 februari 2009 omstreeks 11.01 uur is de inspectie van de cocaïne.42 Om 12.31 uur belt [medeverdachte 2] naar [leider criminele organisatie], er wordt gezegd door [medeverdachte 2] 'the man is for displaying', [leider criminele organisatie] zegt 'he cannot call to him but the otherone must call to him' en 'you know about the transport?'.43 Om 12.32 uur en 12:33 uur belt [medeverdachte 12] naar [betrokkene 9] en om 12.33 uur belt [betrokkene 9] naar [medeverdachte 12].44 [medeverdachte 12] bevindt zich dan in Nieuwegein. Ook om 14.06 uur is er contact tussen [medeverdachte 12] en [betrokkene 9].45 Tussen 14.25 en 14. 35 uur is er SMS-contact tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 10]. Vervolgens wordt [betrokkene 9] gebeld door [medeverdachte 12], die zich dan blijkens de mastlocatiegegevens in Amsterdam bevindt, om 14.46 uur.46 Om 14.57 uur is geobserveerd dat [leider criminele organisatie], [medeverdachte 11] contact hebben met [medeverdachte 10] in café Nieuwendijk te Amsterdam.47

Duidelijk is geworden dat de chauffeurs die in Polen waren niet in contact konden komen met Mono. [leider criminele organisatie] heeft om 17.03 uur contact met [medeverdachte 2] en meldt dat de telefoon uit is. [medeverdachte 2] geeft aan dat [leider criminele organisatie] hem 20 minuten moeten geven. Om 17.13 uur belt [medeverdachte 2] naar Mono. Tussen 17.15 en 17.20 uur vindt dan SMS-verkeer plaats tussen [medeverdachte 10] en [leider criminele organisatie]. Vervolgens is er tussen 17.21 uur en 17.32 uur SMS-verkeer tussen [medeverdachte 12], die zich dan blijkens de mastlocatiegegevens in Amsterdam bevindt en [betrokkene 9].48 Om 18.13 uur vraagt [medeverdachte 2] aan [leider criminele organisatie] om een naam. Om 18.19 uur stuurt [leider criminele organisatie] aan [medeverdachte 2] een SMS-bericht met de inhoud 'name Ziggy'49. Om 18.22 uur wordt [medeverdachte 12] gebeld door [betrokkene 9].50 [betrokkene 9] heeft verklaard dat hij zich tussen 19.22 en 22.08 uur bevond in een restaurant in gezelschap van de chauffeurs [betrokkene 11] (Ziggy) en [betrokkene 12] en Mono. In een telefoongesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 2] om 20.34 uur zegt [leider criminele organisatie] als [medeverdachte 2] tegen hem zegt "de vriend van jou is nu samen met mijn vriend": "Ik weet het al, ze hebben elkaar al gezien, ik weet het al. De Turk sprak al met hem.".51

Om 22.20 uur is er telefonisch contact tussen [betrokkene 9] en [medeverdachte 12]. [betrokkene 9] geeft aan 'die vrienden van je lekker eten gegeven, ze hadden honger. (...) ik heb ook de situatie helemaal goed uitgelegd'. Vijf minuten na het contact tussen [medeverdachte 12] en [betrokkene 9] vindt er een reeks SMS-contacten plaats tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 10].52

Op 19 februari 2009 om 00.27 uur vindt er telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 12] (P) en [betrokkene 9] (T)53:

T: (...) Ik heb net een gesprek gehad eh we hebben twee plekjes.

(...)

T: Het is dan de bedoeling om het gelijk aankijken, betalen eh alleen eh, ik weet dan niet of dat ook gelijk betekent, dat wij na één uur gelijk sleutels krijgen en gang kunnen gaan

P: Ja, ja

(...)

P: Ja maar hoor dan. Je moet ook heel strak tegen ze zijn. Je moet zeggen: 'Luister, jullie hebben dingen wat je eigenlijk nooit doet. Weet je dat je eerst papieren eh ondertekent en eh afgeeft. Weet je!

T: Hum, hum.

P: Dan moet je ook gewoon heel strak zeggen: 'Zo gaat het gewoon natuurlijk niet.' Weet je!

(...)

P: Ja maar weet je wat het is, kijk voor hem is heel belangrijk, hij zegt van: 'Luister, daar heb ik voor betaald en waarom krijg ik het nu niet', weet je? Snap je wat ik bedoel en dat is gewoon het hele rare en dat brengt een beetje die hoe heet het? Ik zal je echt zeggen, wij houden hem hier rustig, he!

T: Ja hou maar rustig, geloof maar op mijn woord. Hou maar rustig. Rustig houden.

(...)

P: Doe voorzichtig he!

T: Ja.

P: Voorzichtig.

T: Ja.

P: Oke toe. Doei doe.

Op 19 februari 2009 wordt [medeverdachte 12] om 13.20 uur gebeld door [betrokkene 9]. Om 13.45 uur is er contact tussen [betrokkene 9] en chauffeur [betrokkene 11].54 Om 16.11 uur stuurt [medeverdachte 12] een SMS-bericht naar [betrokkene 9].55

Op 19 februari 2009 vanaf 19.00 uur tracht [medeverdachte 12] meermalen [betrokkene 9] te bereiken.56 [betrokkene 9] is niet meer bereikbaar omdat in Polen verdachten waaronder [betrokkene 9] zijn aangehouden door de Poolse autoriteiten. Op 19 februari 2009 is [betrokkene 9] aangehouden in het gezelschap van de chauffeurs [betrokkene 11] en [betrokkene 12].57 Tevens wordt ongeveer 1.000 kg cocaïne in beslaggenomen.58

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de aankoop van cocaïne in Polen, en derhalve aan het medeplegen van voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien genoegzaam worden afgeleid dat zowel [leider criminele organisatie] als [medeverdachte 2] in de periode vanaf eind november 2008 tot 19 februari 2009 intensief hebben samengewerkt ter voorbereiding van een cocaïnedeal. De gesprekken die zij hebben gevoerd kunnen niet anders dan in het licht van de later in Polen aangetroffen cocaïne worden geduid. Daarbij betrekt de rechtbank dat de gesprekken geen duidelijke gespreksonderwerpen hadden behalve voor het maken van afspraken, dat afspraken werden gemaakt op locaties, die op een versluierde manier aan elkaar werden doorgegeven, dat [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 2] van verschillende telefoons gebruik maakten, dat voor relatief kortdurende afspraken naar Amsterdam werd gereden, dat gebleken is dat [medeverdachte 2] contact heeft gehad, zowel in Amsterdam als in Warschau, met de later in Polen aangehouden [betrokkene 10] en met Mono, dat [medeverdachte 2] op 11 februari 2009 om 00.24 uur een lang telefoongesprek had met deze [betrokkene 10] in versluierd taalgebruik, dat [medeverdachte 2] en verdachte op 13 februari naar Warschau zijn gegaan, alwaar [medeverdachte 2] contact had met [betrokkene 10] en Mono, dat [leider criminele organisatie] de naam van de chauffeur in Polen (Ziggy) per sms op 18 februari 2009 aan [medeverdachte 2] heeft doorgeven, dat er intensief telefoon- en sms-verkeer plaatsvond op 18 februari 2009, de kijkdag, tussen verschillende medeverdachten en - via [medeverdachte 12] - met [betrokkene 9], die in Polen de cocaïne inspecteerde en - tot slot - dat er op 19 februari 2009 een partij cocaïne in beslag werd genomen in Polen.

Voorts is gebleken dat verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachten [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 2] een aantal concrete handelingen heeft verricht ten behoeve van de voorbereiding van genoemde beoogde cocaïnedeal. Zo is verdachte op 12 februari 2009 met [medeverdachte 2], een Colombiaanse man die hij slechts vaag kent en met wie hij slechts gebrekkig kan communiceren, naar Warschau, de plaats waar een week later ook daadwerkelijk een grote hoeveelheid cocaïne is aangetroffen, gereden en heeft aldaar met [medeverdachte 2] in het Holiday Inn hotel verbleven, in welk hotel [medeverdachte 2] contact had met Mono. Voorts maakt de rechtbank uit het gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 2] van 12 februari 2009 om 14:52 uur op dat verdachte aan [medeverdachte 2] een telefoon heeft overhandigd. Vervolgens is verdachte met [medeverdachte 2] op verzoek van [leider criminele organisatie] vanuit Warschau naar Kiel gereden, teneinde [leider criminele organisatie] te ontmoeten. Dat dit bezoek in het teken stond van een vriendschappelijk bezoek aan de familie [betrokkenen 3 en 4], zoals door de verdediging aangevoerd, acht de rechtbank ongeloofwaardig in het licht van de inhoud van de telefoongesprekken van 14 februari 2009 tussen [leider criminele organisatie] en verdachte. Kennelijk reed verdachte dus naar Kiel teneinde verslag te doen van de gebeurtenissen in Warschau. Dat verdachte niet zou hebben geweten waarvoor hij dit alles heeft gedaan, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Bovendien blijkt dit ook wel uit het gesprek van 14 februari 2009, waarin [leider criminele organisatie] tegen verdachte over [medeverdachte 2] zegt 'hij werkt voor die mensen' en verdachte kennelijk weet wat en wie [leider criminele organisatie] daarmee bedoelt. Voorts wordt dit bevestigd door het gesprek van 20 februari 2009 waarin [leider criminele organisatie] bij verdachte informeert of hij de papieren heeft weggegooid. Dat verdachte niet actief betrokken zou zijn geweest bij besprekingen, doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat hij wist dat zijn handelingen waren gericht op het voorbereiden van een cocaïnedeal.

Daarbij komt dat verdachte gedurende het onderzoek niet heeft willen verklaren. Hij heeft zich ten aanzien van zaaksdossier 1 steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Volgens vaste jurisprudentie kan de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet bijdragen tot het bewijs (HR 10 november 1998, NJ 1999/139), maar een rechter mag wel - indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven - zulks in zijn overwegingen omtrent het bezigde bewijsmateriaal betrekken (HR 15 juni 2004, NJ 2004/464; EHRM 8 februari 1996, NJ 1996/725 Murray tegen het Verenigd Koninkrijk). Onlangs heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 juni 2012 (LJN BW7372, NJ 2012/369) overwogen dat de stelling dat zulks alleen mag indien sprake is van een 'formidable case' geen steun vindt in het recht.

In dit verband merkt de rechtbank nog op dat verdachte - zoals de rechtbank hieronder ten aanzien van het feit met betrekking tot zaaksdossier 6 zal opmerken - ook niet de gerechtvaardigde indruk kon hebben dat een en ander een legaal karakter had. Verdachte, die al jaren goed en vrijwel dagelijks contact heeft met [leider criminele organisatie], kon weten dat [leider criminele organisatie] niet op legale wijze zijn geld verdiende. Verdachte heeft omtrent de werkzaamheden van [leider criminele organisatie] en zijn verdiensten ook ter terechtzitting geen aannemelijk verklaring gegeven. Dat hij niet wist waar [leider criminele organisatie] mee bezig was, acht de rechtbank ook niet geloofwaardig, gelet op de vele en intensieve contacten tussen hen en nu niet is gebleken dat [leider criminele organisatie] werkzaamheden uit dienstbetrekking verrichtte of anderszins legaal werkend in zijn inkomsten voorzag. De rechtbank wijst verder nog op een OVC-gesprek van 23 december 2009 waarin verdachte aangeeft, als het over bollen (de rechtbank begrijpt: cocaïne) gaat, zegt: 'het is me een paar jaar geleden gebeurd, maar dat gebeurt me nu niet meer. Ik schrijf alles op. Meteen.'59

In het licht van hetgeen hiervoor onder redengevende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is opgenomen en in aanmerking genomen dat verdachte geen redengevendheid voor het bewijs ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor met name zijn bezoek met [medeverdachte 2] aan Warschau, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandeling als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.

Tot slot merkt de rechtbank op dat, hoewel het er alle schijn van heeft dat de voorbereidingshandelingen gericht waren op de invoer van cocaïne in Nederland, hiervoor geen wettig bewijs is. Weliswaar was de beoogde afnemer gevestigd in Nederland, doch dit brengt niet noodzakelijkerwijs met zich dat de cocaïne ook bestemd was voor Nederland. Niet valt uit te sluiten dat de Nederlandse afnemer de intentie had de cocaïne elders dan in Nederland verder te verhandelen. Voor een bewezenverklaring voor voorbereidingshandeling, zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet maakt zulks echter niet uit, aangezien ook voorbereidingshandelingen voor vervoeren van cocaïne in het buitenland valt onder artikel 10a van de Opiumwet (zie onder meer HR 19 juni 2007, NJ 2007, 364).

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier 05A):

In een gesprek, opgenomen met apparatuur tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie (OVC) in de BMW X6 met kenteken [kenteken 4] van [leider criminele organisatie] (hierna: de BMW van [leider criminele organisatie]) van 22 december 2009 vraagt verdachte aan [leider criminele organisatie]: "kan ik die Pol één of twee bolletjes geven?".60 Een OVC-gesprek van 23 december 2009 in de BMW van [leider criminele organisatie] tussen [leider criminele organisatie] ([leider criminele organisatie]), [medeverdachte 11] ([medeverdachte 11]) en verdachte ([verdachte]) houdt onder meer in:

[medeverdachte 11]: He nog effe, wat loop je nu weer allemaal op te schrijven wat ik heb, ik heb hier helemaal niks meer mee genomen.

[verdachte]: wat?

[medeverdachte 11]: bij hem allemaal op te schrijven dat, ik heb bij jou alleen dat doosje meegenomen.

[verdachte]: ja tuurlijk, ja

[medeverdachte 11]; wat

[verdachte]: ik schrijf alles op

([leider criminele organisatie] lacht)

[medeverdachte 11]: wat, hoe bedoel je? Ik schrijf alles op

[verdachte]: ik schrijf alles op

[leider criminele organisatie]: twee bollen, twee bollen,

[verdachte]: twee plus twee plus ehh zestig

[medeverdachte 11]: jaaa

[verdachte]: I never eh... het is me een paar jaar geleden gebeurd, maar dat gebeurt me nu niet meer. Ik schrijf alles op. Meteen.

[medeverdachte 11]: Ja, dan zul je wel een verkeerde naam erachter geschreven hebben......

[verdachte]: Ja, tuurlijk

[medeverdachte 11]: ......Met je twee plus twee. Een keer twee ken ik herinneren. Niet twee keer twee

[verdachte]: en die andere twee ook. Die heb ik gebracht namelijk. Die heb je aangepakt.

[medeverdachte 11]: Aangepakt...Oh dan zijn ik ze vergeten. Oh, je bent bij hem ge... jaja, nou snap ik het, nou weet ik het weer ja. Ja dat klopt, ik heb ze een keer gehaald en een keer heb ze gebracht.

[verdachte]: Ja

[medeverdachte 11]: dan snap ik het. Dan heb je het goed opgeschreven61.

14 januari 2010

Op 14 januari 2010 om 13.46 vindt in dan wel bij de auto van de [leider criminele organisatie] een gesprek plaats tussen [leider criminele organisatie] (F) en [medeverdachte 6] (K). Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

F: Maar ik bepaal de prijs, en niemand anders.

K: drie- en dertig heb jij ehh?

F: half

K: drie en dertig half

F: dus hun lopen ze hem aan te bieden voor vier en dertig, vier en dertig half, snap je

K: kun je er eentje regelen?

F: wat, een bol?

K: een bol, ja

F: is geen probleem

(..)

F: Ja maar wil je effe mijn naam nergens in noemen..

K: nee

F: .. want ik wil helemaal niks met dit te maken hebben, met dat eh met die bollen ook niet, ik zeg het tegen jou dat je wat kan doen, maar voor de rest ehh.

K: Ken ie dat met mijn regelen dan?

F: Ja, dat is allemaal geen punt

K: Oh nou

F: Zie je hem morgen?

K: Nou, omdat die bollen van [betrokkene 8] zijn. Ik heb met hem afgesproken, voor morgen om te laten zien. Maar kijk als ik hem hier goedkoper heb, ik moet bij hem vijfendertig betalen.

F: Ja, ok maar dan moet je dat zeggen he, nou je hebt dat toch gezegd dus eh..

K: Kijk dat scheelt effetjes ehhh

F: Ja

K: want ik heb hem voor zesendertig aan hem aangeboden.

F: ok, maar je zegt, je moet zeggen, kijk je moet gewoon zeggen, dat is alleen als je er een paar koopt...

K: Ja

F: .. als je er twintig of dertig koopt, dan ken ik gewoon wat aan de prijs doen. Nou en dan verdien je dat toch gelijk, geld. Ja, ok.62

Ten tijde van dit gesprek bevindt zich de BMW van [leider criminele organisatie] op de Waalstraat te IJmuiden.63 [medeverdachte 6] woont op de Waalstraat te IJmuiden.64

Tot ongeveer 16.21 uur is de BMW van [leider criminele organisatie] nabij zijn woning op de Slingerduinlaan te IJmuiden.65 Even later, rond 16.25 uur, stappen vervolgens eerst [leider criminele organisatie] en daarna [medeverdachte 11] in de auto.66 Om 16.32 uur vindt er een telefoongesprek plaats tussen [leider criminele organisatie], en het telefoonnummer […6445], welke nummer behoort aan [medeverdachte 14]67. In dit gesprek geeft [leider criminele organisatie] aan de ze naar [verdachte] gaan.68 De auto van [leider criminele organisatie] is vervolgens rond 16.42 uur in de [woning verdachte] te IJmuiden. In deze straat woont verdachte.69 Vervolgens stappen [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 11] uit de auto en om 16.52 uur stappen zij weer in.70

Om 16.53 uur vindt in dan wel bij de auto van [leider criminele organisatie] een gesprek plaats tussen [leider criminele organisatie] (F), [medeverdachte 11] (P) en [medeverdachte 6] (K). Dat gesprek houdt ondermeer het volgende in:

Die rooie? Vraagt [medeverdachte 11]

Die rooie die achter je staat, zegt [leider criminele organisatie].

(...)

P: (ntv) je hem, niet de hele wereld aanbieden? Gewoon beperkt houden. Hoe is het? Alles goed?

[medeverdachte 6] (sh) stapt in c.q. staat bij het voertuig

P: goed zo vriend

K; weet jij wel wat?

F: niet zo weggeven he! ...

K: nee

F: Oke, dat je dat weet

(...)

F: (ntv) met hem...... Morgen eh hoor ik het he.

K; ja.71

Met de bijnaam 'rooie' wordt [medeverdachte 6] bedoeld.72

15 januari 2010

Op 15 januari 2010 om 11.06 uur komt [betrokkene 7] aanlopen bij de woning van [medeverdachte 6] en gaat vervolgens de woning binnen. Om 11.22 uur komt hij samen met [medeverdachte 6] de woning weer uit.73 Enkele minuten later, om 11.26 uur, vindt een telefoongesprek plaats tussen het nummer […0404], welk nummer behoort aan [medeverdachte 6] (K)74 en het nummer […1980], welk nummer toebehoort aan [betrokkene 17] (H)75. Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

K: Hee die fiets is goed hoor!

H: Is t wat?

K: Mooie fiets! Mooie fiets

H: nou das mooi, hoeveel wil ie der?

K: nou ik ga er nu nog eentje bijhalen

H: ok

K: dusse...dan heb ie er eh...dan hebben hun er 2 om mee te starten, weet je wel voor in de showroom..

H: ja

K: nou en dan eh.. hoor ik het wel..maar het is goeie kwaliteit, zegt ie.76

Om 11.48 uur belt [medeverdachte 6] (K) met het nummer […9366], welk nummer toebehoort aan [betrokkene 8] (J) (hierna: [betrokkene 8])77. Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

K: Maar, goeie fiets hoor, goeie kleur.

J: ja?

K: ja perfect.

J: ok, nou das mooi

K: eh..dus ik eh..ze willen eh..voor die showroom willen ze nog meer fietsen hebben.

J: nou dat is heel mooi.

K:ik zeg dan moet je wel snel derbij zijn..

J: ja

K: want eh...weg is weg.78

Om 13.39 uur belt [medeverdachte 6] (K) met het nummer […9359], welke nummer toebehoort aan [betrokkene 18].79 Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

K: ehhh, ik heb, hoe heet het, ehhh, hoe noem je dat nou, ik heb vis voor hem.

J: ja, he??

K: ik heb vis voor em...

J: (stilte)..ok, ok,.....ok.

K: 3, euro 60 de kilo

J: hoeveel???

K: 3 euro 60

Jan lacht...

J: vis wordt duur betaald! ([betrokkene 18] lacht weer)

K: Ja

J: nou, nou, ok...maar wel hele goeie verse???

K: ja,

J: ok

K: tuurlijk! zijn vanmorgen binnengekomen.

J: ok, ok, nou ik geef het wel effe door en dan eh...eh, dan hoor je van me

K: ja

J: ik neem wel ff contact met je op, vanavond.

K: is goed.

K: kijk moe je luisteren, mehhh als ik ehhh, veel .. (ovs)wijze afneem in de vis..(ovs)..dan eehhhh, ken er altijd wat gerommeld worden, denk ik.

J: ja, weet ik, weet ik, weet ik...ja, ik kijk wel effe

K: het komt bij de groothandel vandaan.

J: goed, ok, afgesproken

K: ..(ovs)... groothandel, dussehh kijk maar eh...

J:ok

K: omdat hij voor die viswinkel vis moest hebben...

J:ja, nee ok....ik spreek je.. (verbinding is slecht)

K: ok.80

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier 05B):

14 januari 2010

Op 14 januari 2010 om 19:56 uur begeeft de BMW van [leider criminele organisatie] zich blijkens de daarin geplaatste GPS baken op de locatie Zeeweg te IJmuiden, gemeente Velsen.81 In dan wel bij de auto van de [leider criminele organisatie] vindt een gesprek tussen [leider criminele organisatie] en [betrokkene 4] (J). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in:

J: Kann gehen (fon)

F: Ja

J: ntv

F: Klein bisschel ja. Kann nur ein bol nehmen. (navigatiestem is te horen)

Weisst du wo eh.. Bist du allein, oder

J: ich bin allein, Mein Vater ist im Hotel

F: Ok dan eh.... wir fahren nach [verdachte]

F: Ich muss gerade nach Amsterdam. Ich fahre Navigation. Weil Ich weiss wo die Strasse ist wo ich hin muss.

F: Aber das ist nicht ein klein bisschel. Zwei hundert funfzig

J: oh

F: Gramme

J: Na Zoviel?82

Om 20:02 uur is te horen dat het portier van de BMW van [leider criminele organisatie] open en dicht gaat. Voorts blijkt uit de bakengegevens van de BMW van [leider criminele organisatie] dat de auto zich om 20:03 uur in de …straat te IJmuiden bevindt. Vanaf deze straat loopt een voetpad naar de woning van verdachte, namelijk de [woning verdachte] te IJmuiden.83 Twee minuten later, om 20:04 uur, gaat de portier van de BMW van [leider criminele organisatie] weer open en dicht, waarna het volgende gesprek tussen [leider criminele organisatie] (F) en [betrokkene 4] (J) plaatsvindt:

F: vingerafdrucke he...

J: Ja

F: ist Zwei Hundert Funfzig. ([leider criminele organisatie] zucht hoorbaar, een ritssluiting is te horen.)

F: Und haben die Geld die Leute?

F: Vorsicht he

J: Ja

F: Tschuss

J: Tschuss

Vervolgens gaat het portier van de auto open en stapt [betrokkene 4] uit.84

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier 05D):

27 januari 2010

Op 27 januari 2010 om 16.19 uur vindt een telefoongesprek plaats tussen [medeverdachte 6] (K) en [betrokkene 8] (J). [betrokkene 8] woont in Utrecht.85 Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

J: Ja, ja.... oh.. hee, hee, hee....neem je eh...weet je nog die kado die je mij laatst eh..thuis eh..liet zien bij jou?

K: Ja

J: Die bij jou thuis, weet je nog

K: Ja

J: Ik eh had er ook een...

K: Ja

J: Ken jij ff eh.., dat ik ff kan kijken?

K: Nee, die is al weg

J: Nee, nee gewoon een eh.....

K: Ja, ik heb m al afgegeven

J: Begrijp je? Oh je hebt helemaal niets? Helemaal niets?

K: Nee, nee maar ik ken wel regelen, daar gaat het niet om

J: Ja...als je kan regelen, gewoon..je weet toch...heel....

K: Maar niet nu

J: Ok, oke, ja is goed, ja doe maar

K: Ja?

J: Ja ok is goed, ja doe maar..ik heb nu iemand ff eh...

K: Oke oke is goed, is goed, regel ik morgen voor je.86

28 januari 2010

Op 28 januari 2010 m 14.09 uur wordt [medeverdachte 6] (K) gebeld door [betrokkene 8] (J). Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

[betrokkene 8] zegt dat hij [medeverdachte 6] zijn kant op rijdt om te kijken of [betrokkene 8] die 'tekeningen' kan inzien, '1 tekening' kan inzien, wat [medeverdachte 6] gister tegen [betrokkene 8] zei, dan rijdt [betrokkene 8] ff op en neer, daarna. [betrokkene 8] wacht op een belletje van [medeverdachte 6] wanneer hij een tijdstip weet. [betrokkene 8] hoopt dat [medeverdachte 6] het vandaag gaat redden. [medeverdachte 6] hoopt het ook. [medeverdachte 6] zegt dat hij [betrokkene 8] belt zo gauw hij bij 'hem' is, dan ken hij gelijk de tijd zeggen.87

Om 16.50 uur en 16.56 uur belt [medeverdachte 6] naar het nummer […1333], welk nummer behoort aan [leider criminele organisatie].88 In het eerste gesprek vraagt verdachte aan [leider criminele organisatie] of hij even naar buiten komt.89

Diezelfde dag, om 16.57 uur, vindt opnieuw een telefoongesprek tussen [medeverdachte 6] (K) en [betrokkene 8] (J) plaats. Dit gesprek houdt onder meer het volgende in:

K: Het wordt na achten als die uhh autotrailer terug is.

J: Ja

K: Zie je trailer, dan kennen we uh dan ken ik hem meenemen, dan kunnen ze hem zien die auto.

J: Oke.

K: En anders is die uhh morgenochtend.

J: Oke, nou als het kan vandaag in ieder geval.

K: Nou ja goed, die jongen die uh die hebt nog twee adressen waar hij uh uh auto's op moet halen.

J: Ja

K: En het ene model als je dat specifiek dat is ie nu aan het halen.

J: Ja nee geen probleem, na achten (8) dat is ook geen enkel probleem

K: Ja maar goed hij zegt onder voorbehoud, hij zegt het kan ook dat onderweg in de file terecht kom.

J: ja

K: Hij zegt uh ik kan niet hard rijden met die trailers met die auto's erop uh.

J: Ja

K: Dus eh.

J: Nee, geen probleem, geen enkel probleem uh wat ik dan doe, in ieder geval als jij zo ver bent dan kom ik wel effe langs.

K: Ja goed

J: Ik denk wel dat het geen enkel probleem is als ik hem effe mee kan nemen.

K: Nee, die auto kan je zo meenemen. De papieren zitten er bij dus geen enkel probleem.

J: Nou perfect perfect.

K: Maar.. het gaat er alleen om, ja, of die jongen uh, want hij moet hem ook nog loskoppelen natuurlijk of ie hem nou hier bij mij neerzet of dat nou vanavond is of anders is dat morgenochtend vroeg.

J: Oke is goed.

K: 1 van de 2. Maar goed ik hou je effe op de hoogte.

J: Nou perfect.

K: En hij is van 2004

J: Oke, nou perfect

K: Die andere. andere, die andere die Renault Espace die is van 2006 maarja dat is te duur denk ik voor hun

J: Ja dat is net de duurdere klasse, nee dat komt goed joh.

K: Is goed. Nou je hoort nog.90

Die avond hebben [medeverdachte 6] (K) en [betrokkene 8] (J) om 22.21 uur opnieuw telefonisch contact, in welk gesprek onder meer het volgende wordt gezegd:

J: Hai kerel, nog geen nieuws he?

K: Nee, anders had ik je wel gebeld he.

(...)

J; O ja oke maar ik denk ik bel je effe voor de zekerheid omdat ik zelf al een paar keer ben gebeld.

(...)

K: Ik denk ik denk dat het morgenochtend is.

J: Ja dat is zo goed als zeker?

K: Ja.

J: Oke. Anders moet ik, anders moet ik ook een aantal mensen namelijk teleurstellen.

K: Nee nee maar dan moet je wel richting mij komen hoor.

J: Ja.

K: Ik moet ik moet morgen werken.

J: Ja oke, in het ergste geval, effe kijken, stuur ik heel misschien m'n maat omdat ik om 12 uur zelf een afspraak heb met een klant.

K: Ja.

J: Dat is in het ergste geval. Effe kijken hoe ik dat dan ga doen. Maar uh ja effe kijken. Laten we het morgenochtend. Hoe laat heb jij zelf ongeveer in gedachten. Wat denk jij zelf?

K: Ja ik denk vroeg.

J: Heb je een indicatie?

K: Ik denk vroeg.

J: Oke. Is goed. Oke is goed.

K: Ja. Maar ik laat het je het gelijk weten morgenochtend.

J: Is goed gap.91

29 januari 2010

Op 29 januari 2010 om 9.38 uur belt [medeverdachte 6] naar [leider criminele organisatie].92 Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

F: Meneer [medeverdachte 6]

K: Goeiemorgen, ben jij straks nog thuis.

F: Ja, ik ben straks nog thuis.

K: Nou ik zit op Anton te wachten en die is er nog niet.

F: Waar is ie dan?

K: Weet ik niet. Ik krijg hem niet te pakken. we zouden de auto omruilen want ik heb zijn auto. Hij zou hier om negen uur zijn. Hij is er nog niet. Dus eh. Dus ik bel nou Natash effe op. Misschien is z'n telefoon weer stuk.

F: Oke

K: Dus als ik de auto heb omgeruild dan kom ik gelijk naar jou toe.

F: Ja. Nou ik zie je wel.

K: Is goed man.

F: Geen haast. Afscheid.93

Om 10.34 belt [leider criminele organisatie] naar het nummer […2730], welk nummer toebehoort aan verdachte94. Dit gesprek houdt onder meer het volgende in:

[leider criminele organisatie]: [verdachte] ben je thuis?

[verdachte]: Nee, nee, nee nee bijna

[leider criminele organisatie]: Bijna? (...)

[leider criminele organisatie]: Hoe lang nog [verdachte] denk je?

[verdachte]: Nou een kwartiertje, twintig minuten95

Om 10.46 uur wordt [medeverdachte 6] gebeld door [betrokkene 8]. Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

[medeverdachte 6] vraagt of [betrokkene 8] al wakker is. [betrokkene 8] is al wakker. [medeverdachte 6] zegt dat hij [betrokkene 8] wel 5 keer heeft gebeld. [betrokkene 8] beweert van niet en zegt dat er dan iets mis is met zijn telefoon. [medeverdachte 6] vraagt of [betrokkene 8] met een uurtje anderhalf bij [medeverdachte 6] kan zijn en zegt later rond 12 uur. [betrokkene 8] gaat zijn afspraak met een klant van 12 uur verzetten nu. [medeverdachte 6] zegt dat het ook daarna kan [betrokkene 8] moet naar [medeverdachte 6] komen. [betrokkene 8] vindt dit oké en gaat na 12 uur naar [medeverdachte 6] toe komen. Als blijkt dat het [betrokkene 8] niet lukt om zelf te komen, stuurt hij een vriend.96

Om 14.02 uur wordt [medeverdachte 6] wederom gebeld door [betrokkene 8]. Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

K: Ja

J: Uurtje ..... bij je

K: Tjonge jonge

J: Ja. Waarom? is het te laat? het kan ook later

K: Nee, nee, dan wordt het nog allemaal later en later en later en later

J: Ja, ja, ik kan eh..

K: De afspraak gister eh mijn

J: Ja klopt

K: Kan ik die auto vroeg krijgen, ik zeg .....

J: Ja klopt

K: Ja van mij wel

J: Ja, ik was van plan om zelf te komen maar ik zei ook daarbij tegen jou, van luister, ik ga effe proberen mijn afspraken te verzetten want dan kom ik zelf. Het liefst was ik zelf gekomen.

K: Ja

J: Want ik eh, omdat die andere vriend van ons, waar we laatst mee gegeten hadden, weet je nog?

K: Ja maar jij zegt tegen mij vanavond ben je m'n laatste klant

J: Ja klopt, dat klopt. Maar ik heb er nou 2 kunnen verzetten met een excuus. Omdat hun de papieren nog niet in orde hebben. Ik ben nu net klaar met 1 klant en dus ik zou nu naar Utrecht kunnen rijden en van Utrecht eh met hem meerijden naar jou toe. Maar dan ben je twee uur verder

K: Ja

J: En hij wil nu van Utrecht vertrekken naar jou toe

K: Ja.. maar... en dan kom jij straks?

J: ja... ja

K: Is goed.97

Om 15.22 uur wordt [medeverdachte 6] (K) gebeld door een NN-man (NNman/NNHan), die gebruikt maakt van het telefoonnummer […4979]. Het volgende gesprek vindt plaats:

K: Hallo

NNman: Goedemiddag, spreekt hier met Han (fon). Ik heb volgens mij afspraak met je

K: Ja

NNHan: Ja, volgens mij ben ik bij jou voor

K: He?

NNHan: Volgens mij ben ik bij jou voor

K: Hoe laat?

NNHan: Hee ik zeg: "Volgens mij ben ik al bij jou voor denk ik hoor".

K: Oke

NNHan: Ik weet niet of ik goed zit of niet

K: Ja dat weet ik ook niet

NNHan: ...onverstaanbaar... Ik heb alleen begrepen, de derde maar voor de rest weet ik het niet.

K: Oke, ehh

NNHan: Effe kijken. Ken je naar buiten kijken toevallig?

K: Ja, ik ben aan het naar buiten kijken. Ik loop wel effe naar buiten toe

NNHan: Is goed

K: Hoi hoi98

Om 15.20 uur wordt gezien door een dan wel twee observanten dat er een grijze personenauto, merk Volkswagen, type Golf, met kenteken [kenteken 5] voor het perceel Waalstraat [perceelnummer] te IJmuiden stopt, dat de bestuurder (NN1) de woning aan de Waalstraat [perceelnummer] binnen gaat en dat de bestuurder een koffertje in zijn handen draagt. Vervolgens wordt gezien door een observant dat omstreeks 15.29 uur NN1 uit de woning Waalstraat [perceelnummer] komen, dat hij nog steeds een koffertje in zijn handen had en dat hij in de eerdergenoemde auto stapt en wegrijdt.99

De auto met kenteken [kenteken 5] staat op naam van Auto Lease Zwolle.100 De auto is vanaf 17 september 2009 voor een jaar verhuurd aan CuraGroep Utrecht I, een eenmansbedrijf waarvan medeverdachte [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7]) eigenaar is. Voorts is van [medeverdachte 7] een rijbewijsfoto opgevraagd. Aan de hand van deze foto en foto's afkomstig van het observatieteam van de waarneming in IJmuiden op 29 januari 2010 gecombineerd met het gegeven dat [medeverdachte 7] in genoemde periode gebruik maakt van de auto met kenteken [kenteken 5], heeft verbalisant [verbalisant] vastgesteld dat [medeverdachte 7] op 29 januari 2010 gebruik heeft gemaakt van telefoonnummer […4979] en dat hij degene was die op die dag in de woning van [medeverdachte 6] was.101

's Avonds, om 19.28 uur, belt [medeverdachte 6] naar [betrokkene 8]. Dit gesprek houdt onder meer het volgende in:

[medeverdachte 6] wil wat weten van [betrokkene 8]. [betrokkene 8] weet het binnen nu en twee uurtjes. [medeverdachte 6] dacht dat [betrokkene 8] het al vanmiddag wist. [betrokkene 8] zegt: er zijn meerdere gegadigden. Het huiswerk wordt gelijk goed gedaan. [medeverdachte 6] hoort het straks wel. (...) [medeverdachte 6] kan op voorhand niets regelen. [medeverdachte 6] kan pas iets zeggen als ie wat weet. Je gaat niet met een auto onderhandelen als nog je helemaal niks weet, want dan zegt ie wat ben je voor een flapdrol. [betrokkene 8] zegt: als de koper er nog niet is. Ik begrijp het. (...) [betrokkene 8] wacht nog steeds even op zijn gap. Dat is makkelijker. [medeverdachte 6] zegt dat [betrokkene 8] moet komen zodra hij wat weet.102

Diezelfde avond, om 23.44 uur, hebben [medeverdachte 6] (K) en [betrokkene 8] (J) weer even contact. Dit gesprek houdt onder meer in:

K: Hoe laat hoor ik wat van jou?

J: Ik weet niet. Ik zei, Ik weet over een kwartiertje. Over een kwartiertje ongeveer. Heb wat langer geduurd.

K: He?

J: Het heeft wat langer geduurd. Ik spreek je over een uh, wat zal het zijn een kwartiertje ongeveer is ie bij me.

K: Ja, ik ga naar m'n nest.

J: Wat? Ga je naar je nest? Geef mij een belletje. Nee nee jij bent al heel vroeg wakker. Jij bent om zeven uur wakker he?

K: Nee niet zo vroeg hoor.

J: Oke, als je rond een uurtje of negen wakker bent geef mij dan gewoon een belletje.

K: Ja.

J: Kom ik dan jouw kant op. Opstaan douchen, kom ik effe jouw kant op.

K; Oke.

J: Yes.

K: Je wilt uh.

J: Maar je kan gerust. Je kan gerust gaan slapen.

K: Je hebt nog niks gehoord?

J: Ach je weet het toch. Komt wel als ik je zie.

K: Ja, is goed.

J: Maar je kan gerust slapen.

J: Yes.

K: Oke, zie je morgen..103

30 januari 2010

In de ochtend van 30 januari 2010 brengt verdachte een bezoek aan [betrokkene 19].104 Om 11.51 uur wordt [medeverdachte 6] gebeld door [betrokkene 8] (J). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in:

K: Ja, ik dacht dat je vroeg zei?

(..)

J: Ik stap nu snel onder de douche om bij te komen, gelijk jou kant op rijden.

(...)

K: (...) Hee maar zeg moet je luisteren.

J: Ja uh

K: Alleen 1 ding van je weten

J: Ja?

K: Uh.....eh die auto staat bij jou?

J: Ja ja ja, nee dat zeker

K: Nee dan is het goed. Dat is het enige dat ik wil weten. Die auto staat bij jou?

J: ja ja

K: Oke..105

Om 13.50 wordt [medeverdachte 6] (K) weer gebeld door [betrokkene 8] (J). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in:

J: Hee, ik kom nu naar jou toe planken.

K: Ja.

J: Hee, die uhmmm, van gister, ehh...ik heb er nog een paar nodig, gaat dat lukken voor zessen (6en)?

K: Ja eh...hoelang duurt het want ik moet boodschappen doen.

J: ja eh..ik kom nu naar je toe planken. Ik geef nu gas. Ik eh..ben met eh, hopelijk eh..ik moet alleen effe tanken, 35 minuten ben ik bij jou. Ik geef echt gas. Ja? Nou het wordt een leuke daggie.106

Om 13.57 uur wordt [medeverdachte 6] (K) gebeld door [betrokkene 17] (H). Dit gesprek houdt onder meer in het volgende in:

K: Nee, is goed is geen enkel probleem. Nee want hoe heet ie is onderweg hier naar toe.

H: Wie?

K: Uit Utrecht.

H: Oh

K: Dus dat moet ik ook weer gaan regelen, dus eh.. die autopapieren.

H: Ja, maar hoe laat ben je terug dan?

K: He?

H: Hoe laat ben je thuis dan?

K: Nou ja het is nu 2 uur en hij is rond tussen uhh (drie) 3 uur half vier (4) is ie hier.

H: Dus dan ben je thuis oke, dan zorg ik dat ik er ook ben.

K: Ja, is goed man doei.107

Observanten houden de woning van [medeverdachte 6] in de gaten en het volgende wordt waargenomen. Omstreeks 14.35 uur komt [betrokkene 8] met zijn auto aan op de Waalstraat te IJmuiden en loopt naar de woning Waalstraat [perceelnummer]. Omstreeks 14.55 uur komt [medeverdachte 6] aan bij zijn woning aan de Waalstraat [perceelnummer] en loopt zijn woning binnen en omstreeks 14.57 uur loopt [betrokkene 8] ook de woning binnen.

Om 15.33 uur belt [medeverdachte 6] naar verdachte. [medeverdachte 6] vraag verdachte wanneer hij thuis is en verdachte zegt dat hij net van plan was om weg te gaan.108

Om 16.38 uur rijdt verdachte naar de woning van [medeverdachte 6], praat vervolgens even met [medeverdachte 6] op straat en rijdt weer naar zijn huis. Om 17.38 uur is verdachte wederom bij de woning van [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] loopt op dat moment met lege handen zijn woning aan de Waalstraat uit en spreekt met verdachte. Om 17.39 uur loopt [medeverdachte 6] weer naar zijn woning en heeft in zijn rechterhand een wit voorwerp van ongeveer 20x10x10 centimeter vast. [medeverdachte 6] gaat zijn woning binnen.109

Omstreeks 17.46 uur loopt [betrokkene 8] de woning uit en opent de kofferbak van zijn auto. Hij pakt een doos uit de kofferbak en houdt deze doos in zijn linkerhand vast. De observant schat de afmeting van de doos op 50x30x20 centimeter en ziet dat de bovenzijde van de doos is geopend. Hij ziet dat [betrokkene 8] de doos langs zijn lichaam ter hoogte van zijn heupen aan een zijkant verticaal vasthoudt, waarbij de gesloten onderkant van de doos richting zijn lichaam wijst. De observant kan een groot gedeelte van de bodem van de doos zien, doordat de bovenzijde van de doos korte tijd in zijn richting wijst. De observant ziet dat dat gedeelte van de doos leeg is. Vervolgens sluit [betrokkene 8] de kofferbak en loopt met de doos de woning weer in. Hierbij zwaait de doos tijdens het lopen van voren naar achteren. Omstreeks 17.47 lopen [betrokkene 8] en [medeverdachte 6] de woning weer uit en [betrokkene 8] tilt een doos met dezelfde vorm en afmetingen als de eerder genoemde doos met twee handen voor zich. De observant ziet dat de bovenzijde en de onderzijde van de doos gesloten zijn. [betrokkene 8] legt de doos vervolgens in de kofferbak van zijn auto en sluit de kofferbak. Omstreeks 18.35 uur wordt [betrokkene 8] door de Ondersteuningsgroep van de regiopolitie Kennemerland aangehouden te Utrecht. [betrokkene 8] is vanaf het moment van wegrijden omstreeks 17.47 uur tot zijn aanhouding in Utrecht constant onder observatie geweest.110

In de auto van [betrokkene 8] wordt een doos van ongeveer 40 cm lang en 20 cm breed met vier bollen met - in totaal 1010,87 gram cocaïne aangetroffen. De bollen hadden het volgende nettogewicht aan cocaïne: bol 1 netto: 254,75 gram, bol 2 netto: 250,19 gram, bol 3 netto: 251,36 gram, bol 4 netto: 254,57 gram. Ook werd in de doos onder meer een krant met het opschrift "Nieuwsblad IJmuiden" gedateerd 27 januari 2010 aangetroffen.111

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van de hierboven opgenomen tapgesprekken, contacten, observaties en het aantreffen van meer dan 1 kilo cocaïne bij [betrokkene 8] op 30 januari 2010 in onderling verband en samenhang bezien niet anders geconcludeerd kan worden dan dat hiervoor vermelde gevoerde gesprekken en contacten gaan over de handel in cocaïne. Zowel uit de opgesomde bewijsmiddelen van zaaksdossier 05A als van zaaksdossier 05B blijkt dat vlak nadat medeverdachte [leider criminele organisatie] bij verdachte is geweest er direct iets wordt afgegeven door [leider criminele organisatie] aan [medeverdachte 6] respectievelijk [betrokkene 4]. Dat 'iets' kan naar het oordeel van de rechtbank niet iets anders zijn dan cocaïne. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van zaaksdossier 05A wijst de rechtbank op het gesprek van 14 januari 2010, waarin [medeverdachte 6] met [leider criminele organisatie] spreekt over het regelen van een bol en over prijzen van tussen de drieëndertig en zesendertig, en waarvan [leider criminele organisatie] zegt dat hij de prijs bepaalt en dat hij bij twintig of dertig wel wat aan de prijs kan doen. Later die dag gaat [leider criminele organisatie] naar de woning van verdachte, waar hij slechts tien minuten is, en gaat direct daarna weer naar [medeverdachte 6], waarbij wordt gezegd 'niet de hele wereld aanbieden, niet zo weggeven'. Nadat de volgende morgen [betrokkene 7], die antecedenten heeft op het gebied van verdovende middelen112, bij [medeverdachte 6] is geweest, belt [medeverdachte 6] met [betrokkene 17] en [betrokkene 8] en spreekt hij over een mooie, goede fiets, die goeie kleur heeft en van goeie kwaliteit is en spreekt hij met [betrokkene 18] over hele verse vis voor 3 euro 60 de kilo en dat als hij veel afneemt er altijd wat gerommeld kan worden.

Algemeen bekend is dat bij de handel in cocaïne in versluierd taalgebruik wordt gesproken. In genoemde tapgesprekken wordt gesproken over een fiets met de goede kleur en van goede kwaliteit dan wel over verse vis. Niet is gebleken dat [medeverdachte 6], wiens huis werd geobserveerd, omstreeks januari 2010 heeft gehandeld in fietsen dan wel in vis.

In zaaksdossier 05B zitten [leider criminele organisatie] en [betrokkene 4] samen in de auto van [leider criminele organisatie] en zegt [leider criminele organisatie] tegen [betrokkene 4] 'kan nur ein bol nemen, aber dat ist nicht ein klein bisschel. Zwei hundert funfzig'. Vervolgens rijden ze naar de woning van verdachte, waar in ieder geval één van hen uitstapt en vervolgens twee minuten later weer instapt. Daarna zegt [leider criminele organisatie] tegen [betrokkene 4] 'vingerafdrucke, is zwei hundert funfzig en vorsicht'.

In zaaksdossier 5D is verdachte een uur voordat er vier bollen met cocaïne van ongeveer 250 gram per stuk bij [betrokkene 8] zijn aangetroffen, bij de woning van [medeverdachte 6] geweest, waarbij kennelijk door hem aan [medeverdachte 6] iets is afgegeven. Gelet op de observaties van 30 januari 2010, komen de bollen cocaïne die bij [betrokkene 8] zijn aangetroffen naar het oordeel van de rechtbank uit de woning van [medeverdachte 6].

Zoals in zaaksdossiers 05A en 05B, wordt ook in zaaksdossier 05D - welke feiten zich binnen twee weken afspelen - kennelijk iets door verdachte aan [medeverdachte 6] dan wel aan [leider criminele organisatie] afgegeven. Verdachte heeft zich ter zake van dit zaaksdossier steeds beroepen op zijn zwijgrecht. [betrokkene 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het gesprek van 14 januari 2010 wellicht over een bol chocolade zou gaan. Deze verklaring acht de rechtbank - mede gelet op het gehele dossier - ongeloofwaardig.

Nu is gebleken dat [betrokkene 8] in zaaksdossier 05D een uur nadat verdachte bij de woning van [medeverdachte 6] is geweest, wordt aangehouden met in zijn bezit bijna één kilo cocaïne en gelet op de belastende tapgesprekken in zaaksdossier 05A en 05B en de vergelijkbare modus operandi, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich zowel op 14 januari 2010 als op 30 januari 2010 schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben en het verstrekken van cocaïne. In het geval van zaaksdossier 05D weegt de rechtbank mee dat [medeverdachte 6], wanneer [betrokkene 8] bij hem is, bij verdachte informeert wanneer hij thuis is en dat [betrokkene 8] vlak nadat verdachte om 17:38 bij de woning van [medeverdachte 6] is geweest en kennelijk iets aan [medeverdachte 6] heeft gegeven, de doos waarin later de cocaïne is aangetroffen uit de auto pakt.

Ten aanzien van zaaksdossier 05D - voor zover betrekking hebbend op de vermeende levering van cocaïne door [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 7] - is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs aanwezig is dat verdachte bij deze levering betrokken is geweest. Zo valt uit het dossier niet af te leiden dat verdachte vlak voordat [medeverdachte 7] bij [medeverdachte 6] met een hoeveelheid cocaïne zou hebben opgehaald bij [medeverdachte 6] is geweest om aldaar een hoeveelheid cocaïne af te leveren.

Ten aanzien van feit 5 (zaaksdossier 11: criminele organisatie):

Verdachte wordt, kort gezegd, deelneming aan een criminele organisatie verweten, die als oogmerk had (internationale) handel in verdovende middelen van Lijst I van de Opiumwet, alsmede het witwassen van de hieruit verkregen gelden.

Voor het aannemen van het bestaan van een criminele organisatie moet sprake zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één ander persoon.113 Voorts moet worden vooropgesteld dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de art. 140 Wetboek van Strafrecht slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk van het plegen van strafbare feiten.114

In deze zaak gaat het om een aantal verdachten rondom verdachte [leider criminele organisatie] die door het Openbaar Ministerie tezamen worden aangeduid als 'de organisatie [leider criminele organisatie]'.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat een groep mensen rondom [leider criminele organisatie] zich gedurende de periode van - ten minste - eind oktober 2008 tot en met 18 mei 2010 heeft beziggehouden met handel in harddrugs. De rechtbank verwijst in dit verband naar de zaaksdossiers ZD01, ZD04, ZD05 en ZD06. Voorts wijst de rechtbank op de volgende uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden.

[leider criminele organisatie] is de leider van de organisatie. De woning van [leider criminele organisatie] werd veelvuldig bezocht door criminele contacten van [leider criminele organisatie], zoals [medeverdachte 11], [medeverdachte 10] en de familie [betrokkenen 3 en 4].115 [leider criminele organisatie] was degene die andere ontbood bij hem.116 Niet is gebleken dat [leider criminele organisatie], die vanaf 2004 op de loonlijst stond van [bedrijf 4] voor een salaris van € 1200,00 per maand,117 en die op 17 november 2009 verklaarde "ik rentenier",118 daadwerkelijk legale werkzaamheden verrichtte, terwijl hij toch over zeer grote hoeveelheden 'cash' geld beschikte en in vergelijking met een 'modaal gezin' in zeer grote welstand leefde.119 [medeverdachte 13] heeft verklaard dat het geld van haar echtgenoot, [leider criminele organisatie], verdiend werd met handel in drugs.120 [medeverdachte 13] heeft ook verklaard dat [leider criminele organisatie] regelmatig met geld thuis kwam, bedragen van 20.000 of 40.000 euro per keer en dat dit best wel wekelijks gebeurde.121

De organisatie van [leider criminele organisatie] kende een grote mate van (criminele) professionaliteit; zoals uit zaaksdossier ZD01 volgt werd er gebruik gemaakt van 1-op-1 telefoons, werden afspreeklocaties gecodeerd doorgegeven,122 en werd er vaak gewisseld van telefoon. Verder werden inhoudelijke gesprekken zowel per telefoon als in de auto vrijwel niet gevoerd. Als een gesprekspartner iets wilde vertellen over de 'handel' werd vrijwel onmiddellijk door [leider criminele organisatie] aangegeven daarmee te wachten en dat buiten de auto te doen.123 Bij [leider criminele organisatie] is ook een gsm-jammer aangetroffen.124 Voorts is gebleken dat gepoogd is door [leider criminele organisatie] om zijn auto te sweepen (te controleren of er afluisterapparatuur was geplaatst).125 Verder hebben [medeverdachte 11] en [leider criminele organisatie] op 4 april 2009 sms-berichten gewisseld over de aanschaf van een crypto telefoon waarbij [leider criminele organisatie] aangaf dat dit voor de toekomst handig zou kunnen zijn.126 Dat de organisatie van [leider criminele organisatie] professioneel werkte wordt door [leider criminele organisatie] bevestigd; hij noemde zich zelf en [medeverdachte 11] immers 'prof'.127

[leider criminele organisatie] had enkele rechterhanden c.q. vertrouwelingen, van wie [medeverdachte 11] en verdachte de voornaamste zijn. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen zoals deze hiervoor bij de verschillende feiten zijn opgenomen dat bij het vervoer en levering van cocaïne, MDMA, 2C-B en amfetamine veel verschillende personen waren betrokken. Van [medeverdachte 11] en verdachte is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat zij deel uitmaakten van de gestructureerde organisatie van [leider criminele organisatie].

[medeverdachte 11] was voor verdachte de rechterhand, met wie hij veel transacties overlegde. [medeverdachte 11] was vaak aanwezig in Amsterdam bij ontmoetingen in het kader van de 'Polen-zaak',128 maar [medeverdachte 11] voerde ook gesprekken met [leider criminele organisatie] over 'wit' en 'zwart geld',129 investeringen in bijvoorbeeld een vakantiehuisje,130 sprak lopende trajecten door met [leider criminele organisatie] en onderhield contacten met medeverdachten als [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10].131 [medeverdachte 11] was van veel op de hoogte. Kenmerkend is het waarnemen van de telefoon als [leider criminele organisatie] op vakantie is.132

Verdachte werd door [leider criminele organisatie] ingezet voor allerhande klusjes. Verdachte is naar Warschau gereisd met [medeverdachte 2] (ZD01), is betrokken bij de levering van bollen cocaïne (ZD05) en heeft geld opgehaald bij [medeverdachte 10] voor [leider criminele organisatie] (ZD06).133 Verdachte maakt ook geld over als een connectie van [leider criminele organisatie] in de gevangenis zit.134 Verdachte verleent bij alle bewezen verklaarde feiten hand- en spandiensten aan [leider criminele organisatie] en dit beperkt zich niet tot enkele momenten, maar vindt plaats gedurende de gehele bewezenverklaarde periode.

Naast (internationale) handel in verdovende middelen van Lijst I van de Opiumwet was ook het witwassen van geld een oogmerk van de organisatie. [leider criminele organisatie] sprak met [medeverdachte 11] maar ook met anderen veelvuldig over geld investeren, 'wit'/ zwart geld, indekken en heeft ook daadwerkelijk geld witgewassen. Onder andere door cash geld te investeren in Suriname, cash geld in een sporttas onder te brengen bij [medeverdachte 8] en geld te laten vervoeren door verdachte.135

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie, die als oogmerk had (internationale) handel in verdovende middelen van Lijst I van de Opiumwet en witwassen.

Ten aanzien van 15/710367-10 (zaaksdossier 06: witwassen in vereniging 183.940 euro contant)

Op 30 maart 2010 wordt door verbalisanten van het observatieteam gezien dat verdachte zijn personenauto, te weten een grijze Citroën Picasso voorzien van het kenteken [kenteken 6], in een parkeervak voor het perceel Ernest Claeshove [perceelnummer] te Nieuwegein parkeert.136 Voor de deur van perceel Ernest Claeshove [perceelnummer] te Nieuwegein, de woning van [medeverdachte 10], staat een Lexus met het kenteken [kenteken 7] in gebruik bij [medeverdachte 10] geparkeerd.137 Verdachte gaat de woning van [medeverdachte 10] binnen en twee minuten later komt hij de woning weer uit en draagt hij een meerkleurig voorwerp van ongeveer 30 cm x 20 cm x 50 cm in zijn linkerhand. Verdachte loopt terug naar zijn auto, plaatst hij het voorwerp linksachter in de auto en rijdt weg.138

Vervolgens wordt verdachte constant onder observatie gehouden en op de Rijksweg A2 in de richting van Amsterdam wordt hij staande gehouden. Bij een vluchtig onderzoek in de auto wordt op de bodem van zijn auto direct achter de bestuurderstoel een plastic tas aangetroffen. De inhoud van de tas is afgedekt met verfrommelde tassen. Na het verwijderen van die tassen wordt een grote hoeveelheid euro bankbiljetten zichtbaar, gebundeld met elastieken in een groot aantal stapels. De tas is tot aan de rand gevuld met bankbiljetten in coupures van twintig, vijftig en honderd euro.139 De inhoud van de tas blijkt na onderzoek te bestaan uit een bedrag van € 183.940,00.140 Hierop werd de auto en de daarin bevindende tas met bankbiljetten in beslag genomen en werd verdachte aangehouden.141

Tijdens nader onderzoek in de auto werden drie mobiele telefoons, waaronder twee Nokia's, in de auto aangetroffen.142 Met een van deze Nokia's is op 28 maart 2010, de dag dat verdachte [leider criminele organisatie] naar Schiphol heeft gebracht, een sms verstuurd naar telefoonnummer […7089] (hierna nr. 7089), dat in het telefoonboekje onder de naam "Lex" staat, met de tekst "bol heeft de tel". Op 29 maart 2010 is met deze telefoon sms-contact geweest met nr 7089. In deze sms-berichten wordt een afspraak gemaakt voor morgen (30 maart 2010) om 13:00 uur bij de buurtsuper. Het telefoonnummer 7089 was, gelet op de aangestraalde paallocaties, zeer waarschijnlijk in gebruik bij [medeverdachte 10].143

Verdachte heeft zich in eerste instantie beroepen op zijn zwijgrecht en pas ter terechtzitting heeft hij een verklaring afgelegd. Aldaar heeft hij verklaard dat hij op verzoek van [leider criminele organisatie] op 30 maart 2010 met zijn auto naar de woning van [medeverdachte 10] is gegaan en daar van hem een tas heeft gekregen, om die tas vervolgens mee te nemen. Hij heeft verklaard dat hij pas later van [leider criminele organisatie] heeft gehoord dat het om van [leider criminele organisatie] aan [medeverdachte 10] geleend geld ging.

Het vervoeren en vervolgens bewaren van een dergelijk groot geldbedrag is ongebruikelijk. Daarnaast brengt het voorhanden hebben van zoveel contanten in een auto en in een woning aanzienlijke veiligheidsrisico's, zoals verlies of beschadiging door inbraak, brand of lekkage, met zich mee. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat vele vormen van criminaliteit, en in het bijzonder drugshandel, gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen.

Omtrent de herkomst van het geld overweegt de rechtbank het volgende.

De echtgenote van [leider criminele organisatie], medeverdachte [medeverdachte 13] (hierna: [medeverdachte 13]), heeft naar aanleiding van een bij haar zoon [medeverdachte 8] aangetroffen tas met contant geld ten bedrage van 665.000 euro bij de politie verklaard dat haar man haar desgevraagd had geantwoord dat hij het geld had verdiend met drugs.144 Deze verklaring wordt ondersteund door de overige inhoud van het gehele dossier Onderzoek Vista. Zo is uit de zaaksdossiers ZD01, ZD03, ZD04, ZD05, ZD11, ZD12, ZD14 en ZD15 in samenhang met de dossierstukken inzake het financieel onderzoek naar [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 13]145 en gelet op het proces-verbaal OVC (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie)-geldgesprekken d.d. 20 december 2010146 naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat het niet anders kan dan dat het geld, dat bij verdachte is aangetroffen en van [leider criminele organisatie] is, geen legale herkomst heeft en afkomstig is van enig misdrijf, te weten drugshandel.

Geenszins is aannemelijk gemaakt dat het geld een legale herkomst had. Door de verdediging is gesteld dat [leider criminele organisatie] over de ruim 183.000 euro kon beschikken, nu hij van [betrokkene 20] twee miljoen euro heeft ontvangen teneinde dit ter verkrijging van 20% van de aandelen in [bedrijf 2] te Suriname te investeren. De rechtbank acht dit verhaal ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Aan het pas bij brief van 11 april 2012 door de raadsman van [leider criminele organisatie] aan het dossier toegevoegde stuk, te weten een verkoopakte d.d. 25 maart 2010, op grond waarvan [leider criminele organisatie] vanaf december 2009 een geldbedrag van twee miljoen euro contant zou hebben ontvangen, hecht de rechtbank geen waarde. Zo acht de rechtbank het onbegrijpelijk dat [leider criminele organisatie] pas na bijna twee jaar nadat hij is aangehouden deze verkoopakte te berde brengt. Daarbij is uit het dossier, en met name uit de tapgesprekken, de OVC-gesprekken van [leider criminele organisatie] (met onder andere verdachte dan wel [betrokkene 21]) en de observaties in het geheel niet gebleken dat [leider criminele organisatie] in contact zou zijn getreden met de vermeende koper [betrokkene 20], dat zij een verkoopakte zouden zijn overeengekomen en dat [leider criminele organisatie] geld - al dan niet via [betrokkene 21] - van [betrokkene 20] zou hebben ontvangen. Ook de verklaring van [betrokkene 20], zoals opgenomen in het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 april 2012, is naar het oordeel van de rechtbank zo weinig concreet en specifiek dat zulks nog meer afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [leider criminele organisatie] en de gestelde verkoopakte van 25 maart 2010. De rechtbank ziet geen noodzaak [leider criminele organisatie] te horen als getuige omtrent het in de auto van verdachte aangetroffen geldbedrag. De voorwaarde waaronder het verzoek tot het horen van [leider criminele organisatie] is gedaan, dat de rechtbank de verklaring van [leider criminele organisatie] onvoldoende concreet zou achten, is immers niet vervuld. De rechtbank acht het verhaal weliswaar concreet, maar ongeloofwaardig.

Vervolgens is de vraag aan de orde of verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het geld van enig misdrijf afkomstig was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit wist en overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet precies op de hoogte is hoe en op welke wijze [leider criminele organisatie] aan zijn geld komt. Verdachte weet slechts dat [leider criminele organisatie] veel bedrijven en zaken heeft gehad en dat hij enkele investeringen, waaronder in Suriname, heeft gedaan. Verdachte heeft zulks echter niet verder kunnen onderbouwen dan wel concretiseren. Dit is hoogst opmerkelijk, nu uit het dossier is gebleken dat verdachte en [leider criminele organisatie] reeds vele jaren een nauw en intensief contact hebben. Voorts heeft verdachte, zoals hiervoor onder feit 2 is overwogen, samen met [leider criminele organisatie] gehandeld in cocaïne. Met deze cocaïnehandel was verdachte, zo maakt de rechtbank op uit het OVC-gesprek van 23 december 2009, waarin verdachte zegt dat hij alles opschrijft en dat hetgeen hem een paar jaar geleden is overkomen niet meer zal gebeuren, al een paar jaar bezig. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte geweten moet hebben dat [leider criminele organisatie] zijn geld door middel van criminele activiteiten, te weten drugshandel, verdiende.

Voorts is uit diverse feiten en omstandigheden, te weten tapgesprekken147, sms-berichten148 en observaties149, gebleken dat verdachte in opdracht van [leider criminele organisatie] regelmatig in zijn personenauto naar Nieuwegein reed om daar voor [leider criminele organisatie] zogenaamde 'boodschappen' te doen. Uit de opgegeven paallocaties en observaties bleek dat verdachte zich dan in Nieuwegein bevond of zich op de route tussen IJmuiden - de woonplaats van verdachte - en Nieuwegein bevond. De verklaring van verdachte dat hij in Nieuwegein - bijna 70 kilometer verwijderd van IJmuiden - boodschappen ging doen, acht de rechtbank ongeloofwaardig, te meer nu verdachte ter terechtzitting de naam van de slagerij, waarvoor hij speciaal naar Nieuwegein zou gaan, niet wist te noemen. Gelet op de sms-berichten en het feit dat [medeverdachte 10] in de buurt van het winkelcentrum te Nieuwegein woont, lijkt het er eerder op dat verdachte naar medeverdachte [medeverdachte 10] ging.

Voorts is gebleken dat de twee in de auto van verdachte aangetroffen mobiele telefoons van het merk Nokia zeer vermoedelijk in gebruik waren bij [leider criminele organisatie] en dat deze telefoons zeer waarschijnlijk alleen werden gebruikt voor contact met [medeverdachte 10]. Een sms-bericht uit een van deze telefoons van 28 maart 2010, de dag waarop [leider criminele organisatie] van Schiphol naar Litouwen vertrekt, luidt "bol heeft de tel' en de dag daarna wordt met deze telefoon een afspraak gemaakt voor morgen (30 maart 2010) bij de buurtsuper om 13.00 uur. De verklaring van verdachte dat hij niets van deze telefoons dan wel sms-berichten afweet, is - gelet op al het bovenstaande - ongeloofwaardig.

Tot slot acht de rechtbank de verklaring omtrent een lening van [leider criminele organisatie] aan [medeverdachte 10], die contant zou zijn verricht en vervolgens vrijwel ongebruikt retour moest aan [leider criminele organisatie], ongeloofwaardig. Niet valt in te zien waarom dit geld contant geleend moest worden en waarom [verdachte] dit geld - terwijl [leider criminele organisatie] met vakantie was - moest ophalen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en in samenhang bezien. is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat het geld een criminele herkomst had, zodat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van 183.940 euro.

5.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 15/740240-10 onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten en het ten aanzien van parketnummer 15/710367-10 ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1:

hij in de periode van 01 november 2008 tot en met 19 februari 2009 te IJmuiden en te Amsterdam en elders in Nederland en in Polen en in Duitsland tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en/of verstrekken en/of afleveren van een hoeveelheid, cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en/of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en- voorwerpen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders opzettelijk

- telefoongesprekken gevoerd en SMS-berichten verzonden en/of uitgewisseld, waarin bij hem en zijn mededaders bekende ontmoetingsplaatsen al dan niet gecodeerd en/of versluierd ('locatie 1, 2 of 3') werden afgesproken en/of aan elkaar werden doorgegeven en

- ontmoetingen bijgewoond op die al dan niet gecodeerd en/of versluierd

aangeduide en/of aan elkaar doorgegeven ontmoetingsplaatsen en in het bedrijf [bedrijf 1], gevestigd aan de Vissershavenstraat te IJmuiden en

- telefoontoestellen overgedragen en/of in ontvangst genomen specifiek bestemd en bedoeld voor de onderlinge communicatie tussen één of meer mededaders en

- telefoongesprekken gevoerd en SMS-berichten verzonden en afspraken gemaakt omtrent

* het tijdstip, waarop en/of de termijn, waarbinnen de hoeveelheid cocaïne in Polen zou worden overgedragen en/of afgeleverd en/of vervoerd, en

* de bezichtiging en inspectie van de af te nemen hoeveelheid cocaïne in Polen en

* het met elkaar in contact brengen van personen in Polen waaronder de chauffeurs van het voorgenomen transport en

* de noodzaak van het activeren van een telefoontoestel in gebruik bij die contactpersoon in Polen en

* de naam van één van de chauffeurs, die de hoeveelheid cocaïne zouden gaan vervoeren ("Ziggy"),

en heeft hij, verdachte, zich met [medeverdachte 2]

- per auto naar Warschau (Polen) hebben begeven teneinde aldaar persoonlijke ontmoetingen te hebben met andere mededaders en

- van Warschau (Polen) naar Kiel (Duitsland) hebben begeven teneinde aldaar aan

[leider criminele organisatie] de verslag uit te brengen van en/of te berichten omtrent de ontmoetingen en afspraken gemaakt in Polen;

Feit 2:

hij in de maand januari 2010 te IJmuiden, telkens tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verstrekt en afgeleverd en heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad aanzienlijke hoeveelheden cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, waaronder

- de verstrekking aan en het aanwezig hebben voor [medeverdachte 6] van cocaïne (ZD 05A) en

- de verstrekking aan en het aanwezig hebben voor [betrokkene 4] van 1 'bol' cocaïne (ZD 05B) en

- de verstrekking aan of aflevering aan en het aanwezig hebben voor [medeverdachte 6] van 4 'bollen' van elk ongeveer 250 gram cocaïne in verband met een vervolglevering van [medeverdachte 6] aan [betrokkene 8] (ZD 05D);

Feit 3:

hij op 18 mei 2010 te IJmuiden, gemeente Velsen, in een woning aan de [woning verdachte]

- een wapen van categorie III onder 1°, te weten een vuurwapen in vorm van een pistool Zastava; kaliber 6.35 en bij dit wapen behorende munitie van categorie III en

- een wapen van categorie III onder 1°, te weten een vuurwapen in vorm van een revolver Smith & Wesson; kaliber .22 en bij dit wapen behorende munitie van categorie III, en

- een wapen van categorie III onder 4°, te weten een alarmpistool Rhöner,

voorhanden heeft gehad.

Feit 5:

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 18 mei 2010 te IJmuiden en te Amsterdam en/of elders in Nederland en in Polen en in Duitsland en in Litouwen, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en

- het meermalen opzettelijk verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en

- het meermalen opzettelijk aanwezig hebben van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en

- het meermalen witwassen van door bovengenoemde misdrijven verkregen geldbedragen.

Ten aanzien van 15/710367-10:

hij op 30 maart 2010 te Nieuwegein en te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, een voorwerp, te weten een contant geldbedrag van 183.940 euro, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enige misdrijven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder parketnummer 15/740240-10 feit 1, 2, 3 en 5 en ten aanzien van parketnummer 15/710367-10 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Medeplegen van voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,

- voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Feit 2:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Feit 5:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van 15/710367-10:

Medeplegen van witwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

7. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

8. Motivering van de straffen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

8.1. Hoofdstraf

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van januari 2008 tot en met maart 2010 schuldig gemaakt aan een groot aantal ernstige strafbare feiten. Allereerst heeft verdachte zich in de periode van november 2008 tot en met februari 2009 samen met anderen schuldig gemaakt aan het verrichten van voorbereidings-handelingen welke gericht waren op het verstrekken, verkopen en afleveren van een grote hoeveelheid cocaïne afkomstig uit Polen. De rol van verdachte bestond hierin dat hij in opdracht van de leider binnen de organisatie tezamen met één van zijn Colombiaanse medeverdachten per auto diende af te reizen zodat zijn mededader aldaar persoonlijke ontmoetingen kon hebben met andere mededaders en vervolgens moest hij zich per auto vanuit Polen naar het Duitse Kiel begeven teneinde aldaar aan voornoemde leider van de organisatie persoonlijk verslag uit te brengen van de ontmoetingen en afspraken welke zouden zijn gemaakt in Polen.

Daarnaast heeft verdachte zich in de periode van januari 2010 samen met anderen schuldig gemaakt aan een drietal leveringen van 'bollen' cocaïne. Verdachte fungeerde kennelijk als beheerder van de bollen voorraad en bij verdachte werden de bollen dus door zijn medeverdachten opgehaald, waarna de leveringen van die 'bollen' cocaïne aan derden plaatsvonden. Bij voornoemde functie van verdachte behoorde tevens de taak dat hij een 'boekhouding' omtrent de voorraad en de geleverde bollen diende bij te houden voor de leider van de organisatie. Verdachte heeft door zijn handelswijze een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het drugscircuit. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De intentie van verdachte was gericht op het verstekken, verkopen en afleveren van hoeveelheden van dien aard dat deze bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en (internationale) handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een revolver van het merk Smith en Wesson, een pistool van het merk Zastava en een alarmpistool van het merk Rhöner, allen met de daarbij bijbehorende munitie. Het voorhanden hebben van dergelijk vuurwapens en munitie is maatschappelijk onverantwoord, omdat degene die daarmee wordt geconfronteerd zich bedreigd zal voelen, en kan tevens een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.

Voorts heeft verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid van misdrijf afkomstig geld. Door dit handelen heeft verdachte getracht directe of indirecte opbrengsten van misdrijven te onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus, hetgeen een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel betekent. Het regulier handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten minder lucratief zou zijn.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verdachte een rol vervulde in een samenwerkingsverband dat door de duurzaamheid en gestructureerde vorm daarvan, maar mede ook door het feit dat verdachte en diens medeverdachten zich zoals hiervoor is overwogen schuldig hebben gemaakt langdurige en grootschalige drugshandel en het witwassen van grote geldbedragen, door de rechtbank als een criminele organisatie dient te worden gekwalificeerd, waaraan verdachte actief heeft deelgenomen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen rekent de rechtbank verdachte zijn handelen ernstig aan, te meer nu niet is gebleken dat hij, die van zichzelf zegt: "ik ben niet een loopjongen, maar wel een makkelijke jongen.", de ernst en de laakbaarheid van dit handelen heeft ingezien.

Mede in aanmerking nemend de bewezen verklaarde feiten en de rol die verdachte heeft gespeeld, alsmede de straffen die ten aanzien van dit soort misdrijven in soortgelijke gevallen worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 februari 2012 niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld, waarbij de rechtbank voorts opmerkt dat de officier van justitie bij een eis van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren - kennelijk - de ernst van de zaak anders waardeert dan de rechtbank mede gelet op het feit dat de rechtbank niet alle aan verdachte ten laste gelegde feiten bewezen heeft verklaard. Daarbij overweegt de rechtbank dat geen sprake is geweest van geweldsfeiten. De rechtbank komt dan ook mede daarom tot een lagere strafoplegging dan de officier van justitie heeft gevorderd.

8.2. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een grijze personenauto van het merk Citroën voorzien van het kenteken [kenteken 6] en een geldbedrag van 183.940 euro, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde gedurende het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 5.5. ten aanzien van parketnummer 15/710367-10 bewezen verklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid, immers heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij voornoemd geldbedrag in opdracht van [leider criminele organisatie] bij [medeverdachte 10] diende op te halen en is dit geldbedrag in voornoemde personenauto onder verdachte in beslag genomen, zodat de rechtbank - zoals hiervoor is weergegeven - bewezen heeft verklaard dat verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het geldbedrag van 183.940 euro.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 33, 33a, 47, 57, 140 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht,

artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en

artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte ten aanzien van feit 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder parketnummer 15/740240-10 onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten en het ten aanzien van parketnummer 15/710367-10 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder parketnummer 15/740240-10 feit 1, 2, 3 en 5 en het ten aanzien van parketnummer 15/710367-10 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 5.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 6. vermelde feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER (4) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een grijze personenauto van het merk Citroën voorzien van het [kenteken 6] en

- een geldbedrag van 183.940 euro.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. P.M. Wamsteker en mr. M.E. Fortuin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 2 augustus 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen en maken deel uit van het dossier met nummer PL1200/08-537057 (Onderzoek Vista).

2 Proces-verbaal ZD-01 van 25 juli 2011 in combinatie met proces-verbaal identiteit gebruiker […1333] (dossierpagina D00 03702).

3 Tapgesprek TA1333 record 2955 (dossierpagina B01 001446) en tapgesprek TA1333 record 2959 (dossierpagina B01 001447).

4 Tapgesprek TA1333 record 3453 (dossierpagina B01 001451).

5 Tapgesprek TA1333 record 3959 (dossierpagina B01 001453).

6 Tapgesprek TA1333 record 4195 (dossierpagina B01 001454).

7 Tapgesprek TA1333 record 5049 (dossierpagina B01 001459).

8 Tapgesprek IM0070 record 12 (dossierpagina B01 001462).

9 Tapgesprek IM0070 record 29 (dossierpagina B01 001467).

10 Tapgesprek IM0070 record 40 (dossierpagina B01 001470).

11 Tapgesprek IM0070 record 44 (dossierpagina B01 001472).

12 Tapgesprek IM0070 record 51 (dossierpagina B01 001474).

13 Proces-verbaal identificatie […2028] d.d. 14 oktober 2010 (dossierpagina D00 03854-03871).

14 Proces-verbaal van observatie d.d. 10 februari 2009 (dossierpagina D00 05460-05463).

15 Proces-verbaal identiteit gebruiker […1888] d.d. 23 oktober 2009 (dossierpagina D00 04005-04007).

16 Proces-verbaal bevindingen camera observatie locatie Keizersgracht [perceelnummer] Amsterdam [6, 7 en 8 februari 2009] d.d. 22 maart 2010 (dossierpagina B01 0001104-0001115), verklaring [betrokkene 10] in Polen d.d. 21 oktober 2009 (dossierpagina B01 000369-000378) en verklaring [betrokkene 10] d.d. 5 april 2012 (dossierpagina G090001212-G090001219).

17 Tapgesprek TA2028 record 98 (dossierpagina B01 001501-001505).

18 Proces-verbaal ten behoeve van de 4e nazending, d.d. 20 maart 2012, dossierpagina A000000157.

19 Tapgesprek IM0070 record 108 (dossierpagina B01 001515-001516).

20 Vluchtlijst gegevens KLM Amsterdam-Warschau [betrokkene 9] (dossierpagina B01 001400) en verklaring [betrokkene 9] in Polen d.d. 13 mei 2009 (B01 000387).

21 Poolse printlijst gegevens […8008] (dossierpagina B01 001522).

22 Verklaring [betrokkene 9] in Polen d.d. 13 mei 2009 (B01 000388)

23 Verklaring [betrokkene 9] in Polen d.d. 2 september 2009 (B01 000402).

24 Proces-verbaal identiteit gebruiker […2161] [medeverdachte 12] d.d. 12 oktober 2010 (dossierpagina D00 04012).

25 Een schriftelijk stuk, antwoord d.d. 5 juni 2009 op rechtshulpverzoek d.d. 3 april 2009 aan Poolse autoriteiten (dossierpagina (B01 001347).

26 Verklaring [betrokkene 9] in Polen d.d. 13 mei 2009 (dossierpagina B01 000388).

27 Verklaring [betrokkene 9] in Polen d.d. 13 mei 2009 (dossierpagina B01 000389).

28 Het proces-verbaal van observatie d.d. 13 februari 2009 (dossierpagina B01 001194-96).

29 Een schriftelijk stuk, Poolse factuur Holiday Inn Warsaw (dossierpagina B01 001612-001621).

30 Tapgesprek TA1333 record 6052 (dossierpagina B01 001527-001528).

31 Verklaring [betrokkene 10] in Polen d.d. 21 oktober 2009 (dossierpagina B01 000369-000378).

32 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 10] d.d. 5 april 2012 (dossierpagina G09 0001212-1219).

33 Poolse printlijst gegevens […8008] (dossierpagina B01 001523).

34 Nederlandse printlijst gegevens […2161] (dossierpagina B01 001525).

35 Verklaring [betrokkene 9] in Polen d.d. 13 mei 2009 (dossierpagina B01 000385-000390).

36 De Nederlandse printlijst gegevens van [medeverdachte 12], [betrokkene 9] en [medeverdachte 10] (dossierpagina B01 001537).

37 Tapgesprek TA 2512 record 9 (dossierpagina B01 001538).

38 Nederlandse printlijst gegevens […8008] (dossierpagina B01 001539).

39 Poolse printlijst gegevens […8008] en Nederlandse printlijst gegevens […2161] (dossierpagina B01 001542).

40 Verklaring [betrokkene 9] in Polen d.d. 2 september 2009, (dossierpagina B01 000403) en verklaring [betrokkene 9] in Polen d.d. 13 mei 2009 (dossierpagina B01 000388).

41 Nederlandse printlijst gegevens […2161] (dossierpagina B01 001551).

42 Het proces-verbaal van verhoor [betrokkene 9] van 19 juni 2009 (dossierpagina B01 000398) en een schriftelijk stuk, stenogram van 18 februari 2009 [weergave videobeelden kijkdag Polen] (dossierpagina B01 001632).

43 Tapgesprek record 52 (dossierpagina B01 001557).

44 Nederlandse printlijst gegevens […2161] (dossierpagina B01 001557).

45 Nederlandse printlijst gegevens […2161] (dossierpagina B01 001560).

46 Poolse printlijst gegevens […1619] (dossierpagina B01 001561).

47 Proces-verbaal observatie 18 februari 2009 (dossierpagina D00 05505-05510).

48 Nederlandse printlijst gegevens […2161] (dossierpagina B01 001565-001566).

49 Tapgesprek TA2512 record 80 (dossierpagina B01 001567).

50 Nederlandse printlijst gegevens […2161] (dossierpagina B01 001568).

51 Tapgesprek TA2512 record 86 (dossierpagina B01 001570).

52 Sms-berichten [leider criminele organisatie] – [medeverdachte 10] (dossierpagina B01 001571-001572).

53 Proces-verbaal uitvoeringsstukken RHV Polen d.d. 21 juli 2011 (dossierpagina D00 009736-009737).

54 Tapgesprek TT-12 record 22 (dossierpagina B01 001573).

55 Proces-verbaal ZD-01, versie 2011 inclusief RHV Polen d.d. 21 juli 2011(dossierpagina B01 001576).

56 Nederlandse printlijstgegevens […2161] (dossierpagina B01 001577-001578).

57 Antwoord van de Poolse autoriteiten d.d. 5 juni 2009 op rechtshulpverzoek d.d. 3 juni 2009 van de Nederlandse autoriteiten (dossierpagina B01 001344).

58 Antwoord d.d. 5 juni 2009 van de Poolse autoriteiten op rechtshulpverzoek van de Nederlandse autoriteiten van 3 april 2009 (dossierpagina B01 001341-001344).

59 OVC-gesprek, 23 december 2009, record 12193, dossierpagina B05 004993.

61 Proces-verbaal OVC-journaal 23 december 2009 (dossierpagina's D00 08199-082000 en B11 007736-007737).

62 Proces-verbaal OVC-journaal 14 januari 2010 d.d. 9 februari 2010 (dossierpagina B05 005569, 005574-005575).

63 Proces-verbaal OVC-journaal 14 januari 2010 d.d. 9 februari 2010 (dossierpagina B05 005569, 005574-005575) en proces-verbaal leveringen cocaïne d.d. 20 mei 2010 (dossierpagina B05 004995).

64 ID-staat [verdachte] (dossierpagina C02 000037).

65 Proces-verbaal leveringen cocaïne d.d. 20 mei 2010 (dossierpagina B05 004997).

66 Proces-verbaal OVC-journaal 14 januari 2010 d.d. 9 februari 2010 (dossierpagina B05 005575) en proces-verbaal leveringen cocaïne d.d. 20 mei 2010 (dossierpagina B05 004997).

67 Proces-verbaal identiteit [medeverdachte 14] d.d. 13 januari 2009 (dossierpagina D00 03801-0384).

68 Proces-verbaal leveringen cocaïne d.d. 20 mei 2010 (dossierpagina B05 004997).

69 ID-staat [verdachte] (dossierpagina C11 000333).

70 Proces-verbaal OVC-journaal 14 januari 2010 d.d. 9 februari 2010 (dossierpagina B05 005576).

71 Proces-verbaal OVC-journaal 14 januari 2010 d.d. 9 februari 2010 (dossierpagina B05 005577).

72 Proces-verbaal [medeverdachte 6] heeft bijnaam 'Rooie' d.d. 4 oktober 2010 (dossierpagina B05 005520-005526).

73 Proces-verbaal van bevindingen camera observatie locatie Waalstraat [perceelnummer] te IJmuiden van 15 januari 2010 d.d. 25 januari 2010 (dossierpagina B05 005320-005338) en proces-verbaal identiteit [betrokkene 7] d.d. 25 januari 2010 (dossierpagina B05 005527-005528).

74 Proces-verbaal identiteit gebruiker […0404] [medeverdachte 6] d.d. 23 september 2008 (dossierpagina D00 03699).

75 Proces-verbaal identiteit gebruiker […1980] [betrokkene 17] d.d. 27 juli 2009 (dossierpagina D00 03960-64).

76 Tapgesprek TA0404C record 19 (dossierpagina B05 004999-5000).

77 Proces-verbaal identiteit gebruiker van o.a. […9366] [betrokkene 8] d.d. 5 november 2010 (dossierpagina D00 04155-04155).

78 Tapgesprek TA0404C record 21 (dossierpagina B05 005000).

79 Proces-verbaal identiteit gebruiker […6957] en […9356] [betrokkene 18] d.d. 3 november 2008 (dossierpagina D00 03737-03740).

80 Tapgesprek TA0404C record 29 (dossierpagina B05 005001)

81 Proces-verbaal bakengegevens BMW X6 [kenteken 4] [leider criminele organisatie] d.d. 2 november 2010 (dossierpagina D00 01546).

82 Proces-verbaal OVC-journaal 14 januari 2010 d.d. 9 februari 2010 (dossierpagina B05 005579).

83 Proces-verbaal bakengegevens BMW X6 [kenteken 4] [leider criminele organisatie] d.d. 2 november 2010 (dossierpagina D00 01546) en het proces-verbaal leveringen cocaïne d.d. 20 mei 2010 (dossierpagina B05 005003).

84 Proces-verbaal OVC-journaal 14 januari 2010 d.d. 9 februari 2010 (dossierpagina B05 005580).

85 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 30 januari 2010 (B05 005178)

86 Tapgesprek TA0404C record 282 (dossierpagina B05 005013)

87 Tapgesprek TA0404C record 296 (dossierpagina B05 005015)

88 Proces-verbaal identiteit gebruiker […1333] [leider criminele organisatie] d.d. 26 september 2008 (dossierpagina D00 03701-02)

89 Tapgesprek TA0404C record 298 en 299 (dossierpagina B05 005015)

90 Tapgesprek TA0404C record 300 (dossierpagina B05 005015-005016)

91 Tapgesprek TA0404C record 303 (dossierpagina B05 005016)

92 Proces-verbaal identiteit gebruiker […1333] [leider criminele organisatie] d.d. 26 september 2008 (dossierpagina D00 03701-02)

93 Tapgesprek TA1333 record 17163 (dossierpagina B05 005018)

94 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 31 maart 2010 (dossierpagina B06 005984)

95 Tapgesprek TA1333 record 17169 (dossierpagina B05 005018)

96 Tapgesprek TA0404C record 315 (dossierpagina B05 005018)

97 Tapgesprek TA0404C record 361 (dossierpagina B05 005020)

98 Tapgesprek TA0404C record 362 (dossierpagina B05 005021)

99 Proces-verbaal van observatie vrijdag 29 januari 2010 d.d. 2 februari 2010 (dossierpagina D00 06325-06326)

100 Proces-verbaal ZD5 d.d. 4 november 2010, pagina 33 (dossierpagina B05 005021).

101 Proces-verbaal identiteit gebruiker […4979] zijnde [medeverdachte 7] d.d. 10 maart 2010 (dossierpagina B05 005529-005532)

102 Tapgesprek TA0404C record 368 (dossierpagina B05 005022-005023).

103 Tapgesprek TA0404C record 369 (dossierpagina B05 005023)

104 Proces-verbaal levering cocaïne d.d. 4 november 2010 (dossierpagina's 05 005022 en 05 005024) en verhoor van [betrokkene 19] bij de rechter-commissaris op 8 november 2011 (dossierpagina G090001019).

105 Tapgesprek TA0404C record 381 (dossierpagina B05 005025)

106 Tapgesprek TA0404C record 389 (dossierpagina B05 005026)

107 Tapgesprek TA0404C record 390 (dossierpagina B05 005026)

108 Tapgesprek TA0404C record 394 (dossierpagina B05 005028)

109 Proces-verbaal van observatie zaterdag 30 januari 2010 d.d. 1 februari 2010 (dossierpagina B05 005453-005454)

110 Proces-verbaal van observatie zaterdag 30 januari 2010 d.d. 1 februari 2010 (dossierpagina B05 005450-005456) en het proces-verbaal van aanhouding d.d. 30 januari 2010 (dossierpagina B05 005178).

111 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 5 februari 2010 (dossierpagina B05 005197-005227), het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2010 (dossierpagina B05 005228-005230) en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 6 mei 2010 (dossierpagina B05 005599-005600).

112 Proces-verbaal [betrokkene 7] in Heemskerk en IJmuiden d.d. 21 januari 2010.

113 Zie o.a. HR 2 februari 2010, LJN BK5172.

114 HR 21 december 2010, LJN BM4415, en HR 3 juli 2012, LJN BW5178.

115 Verklaring [medeverdachte 13] d.d. 19 mei 2010 (dossierpagina B111 006503).

116 Zie bv Tapgesprek d.d. 23 oktober 2008 1434 (dossierpagina B11 006374).

117 Proces-verbaal belastinggegevens [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 13] d.d. 19 oktober 2010 (dossierpagina B11 007450).

118 Proces-verbaal OVC-journaal 17 november 2009 (dossierpagina B11 007651).

119 Zie de OVC-gesprekken waarin [medeverdachte 13] met [leider criminele organisatie] over jacuzzi's praat en dat het van het witte geld moet en dat dat zonde is (OVC 31 oktober 2009 dossierpagina D00 07925-07926) en een gesprek over een huis in welk gesprek [medeverdachte 13] aan [leider criminele organisatie] vraagt hoe ze aan het witte geld komt (OVC 5 november 2009 dossierpagina D00 07961-07962) en proces-verbaal, PL1200/08-86312, OVC geldgesprekken (dossierpagina D00 009221-009282).

120 Proces-verbaal, verhoor [medeverdachte 13], d.d. 19 mei 2010, dossierpagina C10 000305 en proces-verbaal, verhoor [medeverdachte 13], d.d. 20 mei 2010 (dossierpagina C10 000321).

121 Proces-verbaal, verhoor [medeverdachte 13], d.d. 19 mei 2010 (dossierpagina C10 000306).

122 Het proces-verbaal afspreeklocaties d.d. 19 april 2010 (dossierpagina D00 00495-00510).

123 Bij voorbeeld proces-verbaal OVC-journaal d.d. 1 december 2009 (dossierpagina B11 007681).

124 Proces-verbaal van vermoedelijke overtreding van artikel 140 wetboek van strafrecht, d.d. 25 oktober 2010, dossierpagina B11 006453.

125 Zie OVC-23, d.d. 11 november 2009 (dossierpagina B11 006393-006394).

126 Zie reeks sms-berichten op 4 april 2009; tap IM-1940, 4 april 2009, dossierpagina B11 006440.

127 Het proces-verbaal van 10 maart 2010 (dossierpagina D00 08045).

128 Zie proces-verbaal, PL1200/08-086312, ZD-01, dossierpagina B01 001437-001438.

129 Het OVC-journaal van 1 december 2009 (dossierpagina D00 08089-08090).

130 Het OVC-journaal van 1 december 2009 (dossierpagina D00 08089-08090).

131 Zie de bewijsmiddelen ten aanzien van zaaksdossier 01 zoals opgenomen in het vonnis.

132 Tapgesprekken record 43 tot en met 49 (dossierpagina B11 006393-006394).

133 Zie de bewijsmiddelen ten aanzien van de verschillende zaaksdossiers zoals opgenomen in het vonnis.

134 Het tapgesprek record 14660 (dossierpagina B11 006408).

135 Zie de bewijsmiddelen ten aanzien van de verschillende zaaksdossiers zoals opgenomen in het vonnis.

136 Proces-verbaal van observeren dinsdag 30 maart 2010 d.d. 30 maart 2010 (dossierpagina B06 005701-005705).

137 Proces-verbaal identiteit vaststelling gebruikers van diverse telefoonnummers d.d. 20 september 2010 (dossierpagina B06 005679).

138 Proces-verbaal van observeren dinsdag 30 maart 2010 d.d. 30 maart 2010 (dossierpagina B06 005701-005705).

139 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2010 (dossierpagina B06 005949-005950) en proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 augustus 2010 (dossierpagina B06 006199-006200).

140 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2010 (dossierpagina B06 005954).

141 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 april 2010 (dossierpagina B06 005918-005919) en proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] d.d. 30 maart 2010 (dossierpagina B06 005932-005933).

142 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 april 2010 (dossierpagina B06 005711-005712).

143 Proces-verbaal Identiteit vaststelling gebruikers van diverse telefoonnummers (dossierpagina B06 005679).

144 Proces-verbaal van verhoor d.d. 19 mei 2010 (dossierpagina B13 8097).

145 Proces-verbaal belastinggegevens verdachte [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 13] d.d. 19 oktober 2010 (dossierpagina B06 005880-005885), proces-verbaal overige legale inkomsten [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 13] d.d. 19 oktober 2010 (dossierpagina B06 005886-005889), proces-verbaal stortingen eigen rekeningen d.d. 3 november 2010 (dossierpagina B06 005736-005835), proces-verbaal opnamen eigen rekeningen d.d. 4 november 2010 (dossierpagina B06 005836-005851).

146 Proces-verbaal, 101124.0081.FIN, 'OVC geldgesprekken', d.d. 20 december 2010, (dossierpagina D00 009221).

147 Tapgesprek TA1333 record 1310 (dossierpagina B06 005606), tapgesprek TA1333 record 1327 (dossierpagina B06 005607), tapgesprek TA1333 record 1635 (dossierpagina B06 005607), tapgesprek TA2730 record 115 (dossierpagina B06 005609) en tapgesprek TA2730A record 830 (dossierpagina B06 005613-005614).

148 Tapgesprek TA2730A record 205 sms (dossierpagina B06 005611).

149 Proces-verbaal van observatie d.d. 18 maart 2010 (dossierpagina B06 005697-005700) en proces-verbaal van observeren dinsdag 30 maart 2010 d.d. 30 maart 2010 (dossierpagina B06 005701-005705).