Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX4074

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
15/700229-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achttien maanden gevangenisstraf waarvan negen maanden voorwaardelijk voor brandstichting in schuur ex-vriendin, terwijl van deze brandstichting gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700229-12

Uitspraakdatum: 2 augustus 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 08 april 2012 te Uitgeest opzettelijk brand heeft gesticht in of aan een schuur behorende bij perceel [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een met benzine besprenkeld stuk hout, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan deze schuur en de schuur behorende bij perceel [adres 2] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die schuur/schuren staande goederen en/of de dichtbij die schuren staande percelen ([adres 1] en [adres 2]) en/of de de nabij die schuren geparkeerde personenauto('s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de percelen [adres 1] en [adres 2] aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 8 april 2012 kwam bij de Regionale meldkamer Kennemerland de melding binnen dat aan [straatnaam] te Uitgeest een schuur in brand stond. Ter plaatse zagen verbalisanten dat een bij [adres 1] behorende schuur in brand stond. De vlammen sloegen over naar de aangrenzende schuur behorende bij [adres 2]. De vlammen van de schuur kwamen even hoog als de daken van de daarbij gelegen woningen. De schuur stond op slechts 1,60 meter van de voordeuren van de woningen aan [adres 1] en [adres 2]. In de woningen van de [adres 1] en [adres 2] waren op het moment van de brand personen aan het slapen.

Op 8 april 2012 kregen verbalisanten ook een melding om naar de Sluisweg te Akersloot te gaan omdat een verwarde man daar in een sloot lag en er was gezien dat hij verwondingen aan zijn handen zou hebben. Ter plaatse zagen zij een persoon in de sloot, die later verdachte bleek te zijn, die tegen verbalisanten verklaarde: “Ik heb iets stoms gedaan. Ik heb de schuur van mijn vriendin in Uitgeest in de brand gestoken. Op [adres 1] of [adres 3].” Nadat verbalisanten bij de meldkamer navraag hadden gedaan en bevestigd kregen dat inderdaad een schuur op de [adres 1] in Uitgeest in brand stond, hebben zij verdachte aangehouden.

Verdachte verklaarde voorts, nadat hij de cautie had gekregen, in de ambulance tegen de hulpofficier van justitie: “Ik ben stom geweest en schaam mij ervoor. Ik weet niet wat mij ertoe heeft gedreven maar ik heb de schuur van mijn vriendin in brand gestoken. Ik heb een jerrycan gevuld met benzine en heb het in de schuur gedaan.”

Verdachte is op 8 april 2012 naar de woning gegaan van zijn (voormalige) vriendin (hierna: [slachtoffer]), wonende aan [adres 1]. Daar aangekomen, is hij naar haar schuur gegaan. In de schuur stonden verschillende spullen van [slachtoffer] waaronder veel verhuisdozen. Verdachte heeft vervolgens, staande in of net buiten de schuur, benzine uit een jerrycan op een houten latje gegoten, welke benzine ook in de grond voor de schuur terecht is gekomen. Daarna heeft verdachte de jerrycan opzij gezet, maar daarbij is de jerrycan omgevallen en is er benzine uitgelopen. Vervolgens heeft hij met een aansteker het latje aangestoken waardoor een explosie en brand in de schuur is ontstaan.

Ten gevolge van de brand is de schuur behorende bij [adres 1], inclusief alle eigendommen van [slachtoffer] die daarin stonden, volledig verwoest. Ook is de ruit van de voordeur van de woning van [slachtoffer] door de hitte gesprongen. De schuur behorende bij het perceel [adres 2] heeft eveneens brandschade ondervonden. Voorts zijn twee ruiten van de woning aan [adres 2] gesprongen. De bewoner van [adres 2] kon zijn voor de woning geparkeerde auto nog op tijd verzetten, zodat deze geen brandschade ondervond. Ten slotte heeft een personenauto die voor de schuur van [adres 1] geparkeerd stond, toebehorende aan [slachtoffer 2], door de brand schade ondervonden.

De bewoonster van [adres], mevrouw [slachtoffer], heeft op 8 april 2012 meteen tegen de verbalisanten verklaard dat zij vermoedde dat haar ex-vriend, zijnde verdachte, de schuur opzettelijk in brand heeft gestoken. De reden hiervoor zou zijn dat verdachte boos was omdat [slachtoffer] op 5 april 2012 vreemd was gegaan met haar overbuurman en verdachte dit zou hebben ontdekt. Op 7 april 2012 heeft verdachte [slachtoffer] ook telefonisch bedreigd met: “Ik maak je kapot”. Ook de moeder van [slachtoffer], (hierna: [moeder slachtoffer]), heeft eind maart 2012 tijdens een telefonisch gesprek met verdachte hem horen dreigen met: “Anders steek ik de schuur in de fik”.

4.2. Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk de schuur in brand heeft gestoken. Hij wilde slechts een fakkel maken zodat hij kon zien welke spullen zich in de schuur bevonden en per ongeluk is daarbij de jerrycan omgevallen zodat de brand is ontstaan. Onder verwijzing naar het “Porsche arrest” van de Hoge Raad (NJ 1997, 199) heeft de raadsman betoogd dat het naar algemene ervaringsregels niet waarschijnlijk is dat verdachte opzettelijk de schuur in brand zou steken terwijl hij zelf in de schuur stond omdat hij daarmee mogelijk ook zichzelf in brand zou steken en hij daarbij op de koop toe neemt dat hij zijn eigen leven op het spel zet. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen niet betrouwbaar en niet consistent zijn, zodat zij niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De verklaring van de moeder van [slachtoffer] is evenmin betrouwbaar en is volgens de raadsman afgestemd met [slachtoffer]. Aan verdachte was op 8 april 2012 nadat hij in de sloot was aangetroffen, door de verbalisanten niet de cautie gegeven, zodat zijn aan de verbalisanten afgelegde verklaring niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van het dossier niet is komen vast te staan dat door de brand gevaar voor personen te duchten was.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De verklaring van verdachte dat hij de schuur niet opzettelijk in brand heeft gestoken, strookt niet met de overige zich in het dossier bevindende stukken. Zo heeft verdachte verklaard dat hij, toen hij het latje met benzine uit de jerrycan overgoot, in de schuur stond. Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt echter dat onder de tegels vóór de schuurdeur benzine is aangetroffen, zodat de rechtbank aannemelijk acht dat verdachte (ook) buiten de schuur met benzine bezig is geweest. Hetgeen de raadsman in dit verband heeft aangevoerd ten aanzien van het zogeheten “Porsche-arrest” volgt de rechtbank derhalve niet.

Voorts strookt de verklaring van verdachte dat het een ongeluk was niet met zijn eigen verklaringen zoals hij deze heeft afgelegd tegen verbalisanten en de hulpofficier van justitie op 8 april 2012. Verdachte was op het moment dat hij in de sloot werd aangetroffen en hij spontaan een verklaring aflegde tegen de verbalisanten bovendien nog geen verdachte ten aanzien van de brand in Uitgeest, zodat voor verbalisanten nog geen verplichting bestond om hem de cautie te geven. Pas nadat hij zijn verklaring had afgelegd en de verbalisanten bij navraag ontdekten dat er daadwerkelijk een brand in een schuur in Uitgeest was, ontstond een redelijk vermoeden van schuld en is hem de cautie gegeven. Daarna herhaalde hij – ongevraagd – zijn verklaring dat hij de schuur van zijn vriendin in brand had gestoken. De rechtbank acht het daarbij opvallend dat verdachte op dat moment verklaart dat hij niet weet “wat me ertoe heeft gedreven”. Deze formulering past niet bij iemand die per ongeluk brand heeft gesticht.

Ten slotte strookt de verklaring van verdachte dat hij geen opzet had, niet met de verklaringen van [slachtoffer] en [moeder slachtoffer] waaruit blijkt dat verdachte [slachtoffer] bedreigde en eerder tegenover [moeder slachtoffer] ook gedreigd heeft de schuur van [slachtoffer] in brand te steken. Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar zou zijn, overweegt de rechtbank dat verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij de woorden “ik maak je kapot” inderdaad jegens [slachtoffer] heeft geuit. Voorts ziet de rechtbank evenmin aanleiding om de verklaring van [moeder slachtoffer] onbetrouwbaar te achten of aan te nemen dat [slachtoffer] en [moeder slachtoffer] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [moeder slachtoffer] en verdachte juist altijd een goede band met elkaar hebben gehad en [slachtoffer] in haar eigen verklaring niet aangeeft dat verdachte jegens haar moeder zou hebben gedreigd om de schuur in brand te steken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk de schuur in brand heeft gestoken.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat door de brand in de schuur ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de woning aanwezige personen te duchten was. De rechtbank wijst op de samenvatting van bevindingen van het Bureau forensische opsporing waarin is vermeld dat op die plaats het brandversnellend middel opzettelijk is ontstoken met gemeen gevaar voor personen en goederen. Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. In de woningen, waarvan de voordeuren zich op een afstand van slechts 1.60 meter van de schuur bevonden, lagen op het moment van de brand personen te slapen. De vlammen van de brand waren, mede door de door verdachte gebruikte benzine waarmee hij bovendien flink gemorst had, heftig en sloegen uit ter hoogte van de daken van de woningen. Indien de vlammen van de schuur waren overgesprongen op de woningen, hadden de gevolgen voor de daarin aanwezige personen zeer ernstig kunnen zijn. Ook indien [slachtoffer] getracht had haar woning via de voordeur te verlaten, had zij zwaar lichamelijk letsel kunnen ondervinden. Voorts zijn bij beide woningen ruiten van de woningen gesprongen, waarbij eveneens een persoon gewond had kunnen raken. Blijkens zijn verklaring hield verdachte er overigens ook rekening mee dat [slachtoffer] thuis zou kunnen zijn.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 08 april 2012 te Uitgeest opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur behorende bij perceel [adres 1], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker in aanraking gebracht met een met benzine besprenkeld stuk hout, ten gevolge waarvan deze schuur en de schuur behorende bij perceel [adres 2] geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die schuren staande goederen, de dichtbij die schuren staande percelen ([adres 1] en [adres 2]) en de nabij die schuren geparkeerde personenauto's, en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de percelen [adres 1] en [adres 2] aanwezige personen, te duchten was.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en uit de bespreking aldaar van het door de Reclassering Nederland op 17 juli 2012 uitgebrachte advies en de door psycholoog drs. [psycholoog] op 30 juni 2012 uitgebrachte psychologische rapportage omtrent verdachte. De conclusie van laatstgenoemde is dat verdachte voor het verweten gedrag volledig toerekeningsvatbaar is.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in de nacht van 7 op 8 april 2012 opzettelijk de schuur van zijn ex-vriendin, [slachtoffer], wonende aan [adres 1] te Uitgeest in brand gestoken door een latje te overgieten met benzine en deze vervolgens aan te steken, waardoor brand is ontstaan. Door de brand is schade ontstaan aan de schuur en de zich daarin bevinden goederen van [slachtoffer]. Ook is door de brand schade ontstaan aan de daarnaast gelegen schuur behorende bij de [adres 2] en aan een vlakbij de brand geparkeerde personenauto. Voorts is door de brand levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in de woningen bevindende personen veroorzaakt. De rechtbank rekent verdachte deze brandstichting zwaar aan, temeer daar de omwonenden op dat moment niets vermoedend lagen te slapen. Delicten als de onderhavige behoren tot de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde en die hevige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken. De ervaring leert dat mensen die een dergelijke brand van dichtbij hebben meegemaakt, hiervan nog lange tijd de nadelige en traumatische gevolgen kunnen ondervinden.

De rechtbank is van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden van verdachte grond is gelegen enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank weegt daarbij mee dat blijkens de justitiële documentatie omtrent verdachte, verdachte niet eerder voor een dergelijk ernstig feit met justitie in aanraking is gekomen. Voorts heeft verdachte aangeboden om alle schade die door de brand is ontstaan te vergoeden en heeft de rechtbank de overtuiging dat verdachte dit ook oprecht meent. Verdachte lijkt ook doordrongen van de ernst van het feit en gelet op hetgeen de psycholoog en de reclassering daarover zeggen, acht de rechtbank de kans dat verdachte opnieuw brand zal stichten, niet erg groot.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank, gelet op het feit dat een en ander samenhangt met problemen die verdachte op het relationele vlak ervaart, verplicht contact met Reclassering Nederland noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot negen (9) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht;

- verdachte in het kader van de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.M. Jansen, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. E.J. Bellaart, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.M.W. Martens,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 augustus 2012.