Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX3999

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
15/740928-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in megazaak Vista. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verweren met betrekking tot het ten onrechte horen van verdachte als getuige en het op een tendentieuze en sturende wijze horen van verdachte door de verbalisanten verworpen. Beroep op rechtsdwaling eveneens verworpen. Veroordeling ter zake van witwassen. Verdachte heeft van de leider van de criminele organisatie in een viertal keren grote contante geldbedragen ontvangen met een totaalbedrag van 850.000 euro ten behoeve van de investering in een Surinaams houtbewerkingbedrijf teneinde 20% van de aandelen in dat bedrijf te verkrijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740928-10 (Onderzoek Vista)

Uitspraakdatum: 2 augustus 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 februari 2011, 22 mei 2012 en 19 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

[Zaaksdossier 12: Witwassen 4 grote hoeveelheden contant geld ten behoeve van investering in de [bedrijf 2]]

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2009 tot en met 18 mei 2010, te IJmuiden en/of te Velsen-Zuid, en/of te Amsterdam, in elk geval (telkens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (een) voorwerp(en), te weten een of meer (aanzienlijke) contante geldbedragen (tot een totaal van ongeveer 850.000,-- Euro), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Bespreking van het niet ontvankelijkheidverweer

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte op 18 mei 2010 bewust door de verbalisanten eerst in de hoedanigheid van getuige is gehoord teneinde hem zo veel als mogelijk te laten verklaren om hem vervolgens pas op 27 juli 2010 als verdachte te horen.

Op basis hiervan wordt thans gesteld dat verdachte tegen de politie heeft gelogen nu hij in eerste instantie geen openheid van zaken heeft gegeven, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman in dit verband aangevoerd dat er tijdens het verhoor van medeverdachte [medeverdachte 8] (hierna: [medeverdachte 8]) onterecht wordt geïnsinueerd dat [bedrijf 2] als dekmantel wordt gebruikt (B12 007882 en B12 007883; zie ook B12 007825). Gelet op het voorgaande is de raadsman van oordeel dat er door de verbalisanten op een ontoelaatbare, sturende en tendentieuze wijze wordt geverbaliseerd, waardoor sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, hetgeen volgens de raadsman tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat er op 18 mei 2010 nog geen verdenking wegens een strafbaar feit jegens verdachte bestond, maar wel jegens medeverdachte [leider criminele organisatie] (hierna: [leider criminele organisatie]), waarbij de mogelijkheid bestond dat er bewijsmateriaal tegen [leider criminele organisatie] bij verdachte zou liggen. Op grond hiervan heeft er op 18 mei 2010 een doorzoeking bij verdachte plaatsgevonden en is verdachte die dag als getuige gehoord. Uit het proces-verbaal van verhoor van die dag (B12 007855-007856) blijkt dat verdachte is medegedeeld dat hij in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek als getuige wordt gehoord over het bedrijf '[bedrijf 2]' gevestigd te Suriname in relatie tot [leider criminele organisatie]. Op dat moment waren de overeenkomsten tussen verdachte en [leider criminele organisatie], waarin de betaling van - in totaal - 850.000 euro was geregeld, nog niet bekend bij de verhorende verbalisanten. Die overeenkomsten zijn namelijk pas aangetroffen tijdens de huiszoeking bij [medeverdachte 8] op eveneens 18 mei 2010. Aangezien verdachte op 18 mei 2010 niet had gesproken over deze overeenkomsten en over de 850.000 euro die hij van [leider criminele organisatie] zou hebben ontvangen, is naderhand een verdenking ter zake van witwassen jegens hem ontstaan en is hij als verdachte aangemerkt. De rechtbank ziet in het bovenstaande geen aanleiding te veronderstellen dat een en ander niet op juiste en rechtmatige wijze is geschied.

Ook de stelling van de verdediging dat door de verbalisanten op een ontoelaatbare, sturende en tendentieuze wijze is geverbaliseerd, is onvoldoende onderbouwd en bovendien geenszins aannemelijk geworden. Anders dan de raadsman ter terechtzitting heeft gesteld hebben de verbalisanten niet aan [medeverdachte 8] voorgehouden dat [betrokkene 28] wordt verdacht van de decembermoorden, dat hij meer jaren in de Verenigde Staten heeft vastgezeten voor drugshandel en dat hij wordt betiteld als de rechterhand van Bouterse. Uit het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 8] blijkt dat hijzelf met deze informatie is gekomen (B12 007825). De verdachten in deze zaak zijn stukken, tapgesprekken, OVC-gesprekken, verklaringen van anderen of eerdere verklaring van henzelf voorgehouden en daaromtrent zijn door de verbalisanten vragen gesteld.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake is geweest van een ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, zodat het verweer wordt verworpen.

De rechtbank stelt vast dat het Openbaar Ministerie ook voor het overige ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren, waarvan een gedeelte groot één (1) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

In de periode december 2009 tot en met maart 2010 heeft verdachte ten behoeve van het houtbedrijf [bedrijf 2] gevestigd te Suriname, van welk bedrijf verdachte indirect mede-eigenaar is viermaal een groot contant geldbedrag met een totaal van 850.000 euro van [leider criminele organisatie] ontvangen. In ruil hiervoor zou [leider criminele organisatie] twintig procent van de aandelen in [bedrijf 2] ontvangen.2

Tijdens een doorzoeking op 18 mei 2010 in de woning van [medeverdachte 8], de zoon van [leider criminele organisatie], zijn vier overeenkomsten tussen [leider criminele organisatie] en verdachte aangetroffen.

In de eerste overeenkomst staat vermeld dat [leider criminele organisatie] 200.000 euro aan verdachte heeft gegeven en dat [leider criminele organisatie] een belang van twintig procent zal verkrijgen in het bedrijf [bedrijf 2], gevestigd te Suriname, door het inbrengen van 1.000.000 euro, waarvan deze 200.000 euro als eerste betaling kan gelden. Deze overeenkomst is ondertekend door verdachte en [leider criminele organisatie] en blijkens de aanhef opgemaakt te IJmuiden op 7 december 2009.3

De tweede overeenkomst is een kopie is van de hiervoor aangehaalde en ondertekende overeenkomst, aangevuld met de vermelding: "extra ontvangen op 13 januari 2010 100.000 euro" met daarachter de handtekening van verdachte.4

In de derde overeenkomst staat vermeld dat verdachte bevestigt dat hij en [leider criminele organisatie] het volgende hebben afgesproken:

"Jij koopt voor 1.000.000 euro twintig procent van de aandelen van [holding] die honderd procent van de aandelen houdt van [bedrijf 2]. Inmiddels heb je heden, 26 januari 2010, reeds 700.000 euro betaald. Het restant zal voor de aandelenoverdracht die zo spoedig mogelijk zal plaats vinden op Aruba worden voldaan."

Hieruit kan worden opgemaakt dat verdachte op 26 januari 2010 nog eens 400.000 euro van [leider criminele organisatie] heeft ontvangen. Ook deze overeenkomst is zowel door verdachte als [leider criminele organisatie] ondertekend.5

In de vierde, handgeschreven, overeenkomst schrijft verdachte:

"Beste [leider criminele organisatie], zoals afgesproken verklaar ik bij deze ten behoeve van [bedrijf 2] een bedrag ontvangen te hebben van € 850.000 (achthonderdvijftigduizend). Deze verklaring vervangt elk vorig schrijven aangaande de totaalstand."

Deze overeenkomst is ook ondertekend door verdachte en [leider criminele organisatie] en is gedateerd IJmuiden op 25 maart 2010.6 Uit deze laatste overeenkomst kan worden geconcludeerd dat verdachte op voornoemde datum nog eens 150.000 euro van [leider criminele organisatie] heeft ontvangen.

Verdachte heeft de zich op bovengenoemde overeenkomsten bevindende handtekeningen als de zijne herkend en verklaard dat hij deze overeenkomsten inderdaad met [leider criminele organisatie] heeft gesloten.7 Verdachte heeft de vier geldbedragen, in totaal van 850.000 euro, telkens in een koffer in contante vorm in de woning van [leider criminele organisatie] te IJmuiden ontvangen. Vervolgens heeft hij de geldbedragen naar een woning gelegen op de derde etage van een portiekflat aan de Tjalkstraat te Amsterdam gebracht, alwaar hij de geldbedragen heeft afgegeven aan een hem onbekende man, welke luisterde naar de naam 'Rob'. Deze Rob zou voor de verdere verzending van het geld buiten het reguliere bancaire verkeer om naar Suriname zorgen.8 9 Van de betalingen van genoemde geldbedragen, zowel van [leider criminele organisatie] aan verdachte als van verdachte aan NNRob, zijn - behalve de vier hierboven genoemde overeenkomsten tussen verdachte en [leider criminele organisatie] - geen digitale of papieren administratieve bescheiden gevonden.

Verdachte heeft aldus in een tijdsbestek van vier maanden een zeer groot contant geldbedrag, van 850.000 euro ontvangen van [leider criminele organisatie], zonder dat zulks officieel, zoals bij een notaris, is vastgelegd en zonder dat [leider criminele organisatie] hier zekerheid voor verlangde. De geldbedragen zijn in de woning van [leider criminele organisatie] in een koffer aan verdachte gegeven. Het fysiek bewaren van een dergelijk groot geldbedrag in een woning is ongebruikelijk. Daarnaast brengt het voorhanden hebben van zoveel contanten in huis aanzienlijke veiligheidsrisico's, zoals verlies door inbraak, brand of lekkage, met zich mee. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat vele vormen van criminaliteit, en in het bijzonder drugshandel, gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen.

Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en verifieerbaar moet zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

Verdachte heeft een dergelijke verklaring niet gegeven, doch enkel verklaard dat hij op goed vertrouwen het geld van [leider criminele organisatie] heeft ontvangen, dat hij had begrepen dat [leider criminele organisatie] veel geld met de vishandel in Litouwen had verdiend en dat hij dacht dat hij in de autohandel zat, in kozijnen in Duitsland en in beleggingen. Voorts zou een makelaar tegen hem hebben gezegd dat [leider criminele organisatie] 'goud garant' was.

De echtgenote van [leider criminele organisatie], medeverdachte [medeverdachte 13] (hierna: [medeverdachte 13]), heeft bij de politie verklaard naar aanleiding van een bij haar zoon [medeverdachte 8] aangetroffen tas met contant geld ten bedrage van 665.000 euro dat die tas door haar man naar haar zoon was gebracht om aldaar te bewaren en dat haar man haar desgevraagd had geantwoord dat hij het geld had verdiend met drugs.10 Deze verklaring van [medeverdachte 13] wordt ondersteund door de overige inhoud van het gehele dossier Onderzoek Vista. Zo is uit de zaaksdossiers ZD1, ZD 3, ZD4, ZD5, ZD6, ZD11, ZD12, ZD14 en ZD15 in samenhang met de dossierstukken inzake het financieel onderzoek naar [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 13]11 en gelet op het proces-verbaal OVC (Opnemen Vertrouwelijke Communicatie)-geldgesprekken d.d. 20 december 201012 naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat het niet anders kan dan dat het geld, dat [leider criminele organisatie] aan verdachte heeft gegeven, geen legale herkomst heeft en afkomstig is van enig misdrijf, te weten drugshandel.

Noch door verdachte noch anderszins is voldoende aannemelijk gemaakt dat het geld een legale herkomst had. De niet concrete en niet verifieerbare verklaring van [leider criminele organisatie] bij de rechter-commissaris op 17 november 2011 dat hij het geldbedrag dat in het huis van zijn zoon is aangetroffen, heeft gekregen van iemand om te investeren, acht de rechtbank hiertoe volstrekt onvoldoende. Ook aan het pas bij brief van 11 april 2012 door de raadsman van [leider criminele organisatie] aan het dossier toegevoegde stuk, te weten een verkoopakte d.d. 25 maart 2010, op grond waarvan [leider criminele organisatie] vanaf december 2009 een geldbedrag van twee miljoen euro contant zou hebben ontvangen, hecht de rechtbank in dit verband geen waarde. Zo acht de rechtbank het onbegrijpelijk dat [leider criminele organisatie] pas na bijna twee jaar nadat hij is aangehouden deze verkoopakte te berde brengt. Daarbij is uit het dossier, en met name uit de tapgesprekken, de OVC-gesprekken van [leider criminele organisatie] (met onder andere verdachte dan wel [betrokkene 21]) en de observaties in het geheel niet gebleken dat [leider criminele organisatie] in contact zou zijn getreden met de vermeende koper [betrokkene 20], dat zij een verkoopakte zouden zijn overeengekomen en dat [leider criminele organisatie] geld - al dan niet via [betrokkene 21] - van [betrokkene 20] zou hebben ontvangen. Ook de verklaring van [betrokkene 20], zoals opgenomen in het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 april 2012, is naar het oordeel van de rechtbank zo weinig concreet en specifiek dat dat de geloofwaardigheid van de verklaring van [leider criminele organisatie] en de gestelde verkoopakte van 25 maart 2010 niet ten goede komt.

Tot slot is de vraag aan de orde of verdachte wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat het geld van enig misdrijf afkomstig was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit wist en overweegt hiertoe als volgt.

Allereerst overweegt de rechtbank dat verdachte in zijn verhoor op 18 mei 2010 - in welk verhoor hij als getuige werd gevraagd te verklaren over het bedrijf [bedrijf 2] in relatie tot [leider criminele organisatie] - ondanks zijn toezegging om volledig aan het onderzoek mee te werken - niet heeft gesproken over de vier overeenkomsten en het bedrag van 850.000 euro. Verdachte heeft evenwel verklaard dat [leider criminele organisatie] 150.000 euro ten behoeve van [bedrijf 2] aan derden heeft betaald, dat [leider criminele organisatie] hier later nog 500.000 euro aan zou toevoegen, dat [leider criminele organisatie] in ruil voor deze 650.000 euro uiteindelijk 25% van de aandelen van hem zou willen hebben en dat hij hierover vandaag (te weten 18 mei 2010) met [leider criminele organisatie] verder zou spreken. Deze verklaring staat haaks op hetgeen verdachte later en ter terechtzitting heeft verklaard, namelijk dat [leider criminele organisatie] reeds op 25 maart 2010 een bedrag van 1 miljoen, waarvan 850.000 euro contant, heeft geïnvesteerd in [bedrijf 2] en dat hij op 18 mei 2010 met [leider criminele organisatie] een afspraak had om deze investering door [leider criminele organisatie] bij de notaris te laten vastleggen. Op de vraag waarom verdachte dit niet in zijn verhoor van 18 mei 2010 heeft verklaard, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende antwoord gegeven. Dat door de verbalisanten daar niet specifiek naar is gevraagd, is niet vreemd, aangezien verdachte op 18 mei 2010 expliciet heeft verklaard dat [leider criminele organisatie] 25 % van de aandelen zou verkrijgen in ruil voor de in totaal te investeren 650.000 euro (waarvan volgens de verklaring van verdachte van 18 mei 2010 een bedrag van 150.000 euro door middel van betalingen aan derden was voldaan), terwijl bovendien het bestaan van de vier overeenkomsten en de betaling van 1 miljoen nog niet bekend was bij verbalisanten. Deze feiten waren echter wel aan verdachte bekend en niet valt te begrijpen waarom verdachte daar niet zelf over heeft verklaard. Het duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte op 18 mei 2010 de contante betalingen van 850.000 euro heeft willen verzwijgen. Dit wordt bevestigd door het feit dat verdachte deze contante betalingen niet heeft geadministreerd.

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte heeft verklaard dat hij enkel op basis van algemene informatie over [leider criminele organisatie], welke informatie hij van derden dan wel op basis van vermoedens had, ervan is uit gegaan dat het contante geld een legale herkomst had. Nader onderzoek naar de herkomst van het geld en de betrouwbaarheid van [leider criminele organisatie] zou verdachte niet hebben gedaan, nu dat volgens hem niet nodig was. Nu het hier om maar liefst een bedrag van 850.000 euro in contanten gaat, welk bedrag ook in het zakelijk verkeer - nu het om contanten gaat - als aanzienlijk en vreemd kan worden aangemerkt, terwijl [leider criminele organisatie], afgezien van de genoemde vier overeenkomsten, geen vorm van zekerheid verlangde voor zijn betalingen, kon verdachte niet op basis van de algemene informatie, die hij niet heeft geverifieerd, ervan uitgaan dat de geldbedragen een legale herkomst hadden. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat verdachte ter zitting heeft verklaard op de hoogte te zijn van de Wet Melding Ongebruikelijke Transacties en dat hij sinds de inwerkingtreding van deze wet niet vaker een dergelijke geldtransactie met contanten heeft gedaan. Ook heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende duidelijk gemaakt waarom voor het betalen van genoemd geldbedrag geen gebruik is gemaakt van het normale bancaire systeem. Verdachte heeft verklaard dat er haast bij was, omdat de Surinaamse Postspaarbank een lening zou executeren. Blijkens de brief van de Surinaamse Postspaarbank d.d. 16 oktober 2009 (dossierpagina C47 001198) moest evenwel reeds op 15 november 2009 het saldo op de rekening teruggebracht zijn. Daarbij komt dat in de tapgesprekken tussen [leider criminele organisatie] en zijn zoon [medeverdachte 8] van 8 en 9 maart 2010 ook wordt gesproken over een lening die nog moet worden afgelost en dat aan [medeverdachte 8] is gevraagd of hij via de bank geld kan overmaken naar Suriname om die lening af te lossen (dossierpagina B12 007809). De overige door verdachte ingebrachte stukken (dossierpagina B12 007897-007909) dateren alle van juli 2009 en ondersteunen niet de verklaring van verdachte dat het overmaken van het geld in december 2009 zo'n haast had en niet via de bank kon. Bovendien is het geld niet een één keer betaald, maar in vier gedeeltes in de periode van 7 december 2009 tot en met 25 maart 2010. Niet is duidelijk geworden dat al deze keren het geld vanwege spoed contant diende te worden betaald.

Gelet op het bovenstaande en in samenhang bezien met het enorme contante geldbedrag, is de rechtbank van oordeel dat verdachte minst genomen de aanmerkelijke kans dat het geld een criminele herkomst had willens en wetens heeft aanvaard, zodat het opzet in voorwaardelijke vorm aanwezig is.

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 18 mei 2010, te IJmuiden en te Velsen-Zuid en te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een anderen, meermalen aanzienlijke contante geldbedragen, tot een totaal van 850.000 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

6.1. Bespreking van het beroep op rechtsdwaling

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was, zodat sprake is van een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van het hem verweten gedrag.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor zover het verweer van de raadsman van verdachte al voldoende is onderbouwd, is de rechtbank - gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3. is overwogen - van oordeel dat zij aan de bespreking van dit verweer niet meer toekomt, nu rechtbank bewezen heeft verklaard dat verdachte zich opzettelijk, te weten door willens en wetens de aanmerkelijke kans te aanvaarden dat het geld van misdrijf afkomstig was, schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van het geldbedrag van 850.000 euro.

6.2. Strafbaarheid van verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan het witwassen van een viertal grote contante geldbedragen met een totaal van 850.000 euro door voornoemde geldbedragen contant van zijn medeverdachte te ontvangen en deze vervolgens buiten het gebruikelijke girale en bancaire betalingsverkeer te houden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door aldus te handelen een faciliterende rol heeft gespeeld bij het witwassen van de criminele gelden van medeverdachte [leider criminele organisatie]. Verdachte is aldus een schakel geweest tussen de 'boven- en onderwereld'. Bovendien heeft verdachte, zelf, indirect, voordeel genoten van bedoelde investeringen.

Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en deze vervolgens zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt in omloop te brengen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte en diens mededaders het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte wist dat dit geld een criminele herkomst had en zodoende heeft verdachte indirect bijgedragen aan het plegen van strafbare feiten

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en dat niet is gebleken dat hij in enige mate betrokken is geweest bij de drugshandel of andere criminele activiteiten van [leider criminele organisatie].

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot ZES (6) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. P.M. Wamsteker en mr. M.E. Fortuin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 2 augustus 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen en maken deel uit van het dossier met nummer PL1200/08-537057 (Onderzoek Vista).

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 mei 2012.

3 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van de eerste overeenkomst (dossierpagina B12 007873).

4 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van de tweede overeenkomst (dossierpagina B12 007887).

5 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van de derde overeenkomst (dossierpagina B12 007891).

6 Een schriftelijk stuk, te weten een kopie van de vierde overeenkomst (dossierpagina B12 007896).

7 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 mei 2012.

8 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 mei 2012.

9 Proces-verbaal onderzoek Tjalkstraat [perceelnummer] Amsterdam d.d. 28 oktober 2010 (dossierpagina B12 007911-007915).

10 Proces-verbaal van verhoor d.d. 19 mei 2010 (dossierpagina B13 008097).

11 Proces-verbaal belastinggegevens verdachte [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 13] d.d. 19 oktober 2010 (dossierpagina B13 008489-008556), proces-verbaal overige legale inkomsten [leider criminele organisatie] en [medeverdachte 13] d.d. 19 oktober 2010 (dossierpagina B13 008557-008577), proces-verbaal stortingen eigen rekeningen d.d. 3 november 2010 (dossierpagina B13 008303-008315), proces-verbaal opnamen eigen rekeningen d.d. 4 november 2010 (dossierpagina B13 008403-008418).

12 Proces-verbaal, 101124.0081.FIN, 'OVC geldgesprekken', d.d. 20 december 2010, (dossierpagina D00 009221).