Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX3975

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
15/740943-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak in megazaak Vista. Verdachte is veroordeeld ten aanzien van het tezamen en in vereniging uitvoeren van ruim 30.700 XTC-pillen bevattende MDMA naar Litouwen. Niet-ontvankelijkheidsverweren verworpen. Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in Litouwen in voorarrest heeft gezeten, nu de rechtbank van oordeel is dat de rechtens juiste toepassing van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht inhoudt dat die tijd bij de op te leggen straf in Nederland in mindering moet worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740943-10 (Onderzoek Vista)

Uitspraakdatum: 2 augustus 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 februari 2011, 11 mei 2012 en 19 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na ter terechtzitting van 11 mei 2012 toegestane wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

[Zaaksdossier 03: Uitvoer ongeveer 30.000 pillen MDMA naar Litouwen]

hij in of omstreeks de maand januari 2004 te IJmuiden, gemeente Velsen, en/of elders in Nederland en/of te Duitsland en/of te Litouwen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 30.720 pillen/tabletten MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Verzoek om aanhouding

Primair heeft de raadsman van verdachte verzocht de strafzaak aan te houden, teneinde een deskundige te benoemen die meer inzicht zou kunnen verschaffen over het Litouwse strafrecht. Naar de mening van de verdediging bestaat namelijk in de onderhavige zaak onduidelijkheid over de vraag of het besluit van 23 mei 2008 tot heropening van de strafvervolging tegen verdachte in Litouwen rechtens juist is genomen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Door het Openbaar Ministerie zijn de stukken met betrekking tot het strafproces van verdachte in Litouwen, zowel in de Litouwse taal als vertaald in het Nederlands, aan het dossier toegevoegd. Op basis van deze stukken concludeert de rechtbank tot het volgende. Op 27 september 2004 is verdachte in Litouwen aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de invoer in Litouwen van 30.720 XTC-pillen. Op 21 oktober 2004 en 9 december 2004 heeft verdachte als verdachte deels bekennende verklaringen afgelegd. Vervolgens heeft hij op 20 december 2004 als getuige een verklaring afgelegd. Bij besluit van 20 december 2004 van de officier van justitie in Litouwen is - onder meer - besloten verdachte te ontslaan van strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens strafbare feiten volgens artikel 25 lid 3 en artikel 260 van het Wetboek van Strafrecht van de Republiek Litouwen in verband met het helpen door de verdachte de begane strafbare feiten van leden van een georganiseerd verband te onthullen en is besloten het opsporingsonderzoek tegen verdachte stop te zetten. Daarbij is besloten dat verdachte in vrijheid wordt gesteld en dat aan hem wordt uitgelegd dat volgens artikel 217 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Litouwen is vastgesteld dat als de verdachte voor wiens begane strafbare feiten het opsporingsonderzoek is stopgezet volgens artikel 212 juncto 7 van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Litouwen, het afleggen van verklaringen in het verdere proces vermijdt, de officier kan besluiten om het gestaakte opsporingsonderzoek te hervatten.

Nadat verdachte in vrijheid werd gesteld, is hij naar Nederland vertrokken en niet meer teruggekeerd naar Litouwen. Tijdens de behandeling van de strafzaken van de medeverdachten in Litouwen is verdachte gedagvaard om te verschijnen bij de rechtbank, maar deze dagvaarding is te laat aan verdachte betekend. Tijdens het hoger beroep van de strafzaken van de medeverdachten in Litouwen is verdachte gedagvaard te verschijnen te terechtzitting van 20 oktober 2006. Deze dagvaarding is hem op 18 oktober 2006 betekend, maar verdachte is niet op de zitting van 20 oktober 2006 verschenen. Vervolgens is verdachte op verzoek van de autoriteiten van Litouwen op 23 april 2007 door de rechter-commissaris van de rechtbank Haarlem als getuige gehoord. In dat verhoor is verdachte teruggekomen op zijn eerder in Litouwen als getuige afgelegde verklaring van 20 december 2004 en heeft hij zijn vermeende betrokkenheid en de vermeende betrokkenheid van zijn medeverdachten bij de smokkel van XTC-pillen ontkend. Naar aanleiding hiervan heeft het gerechtshof te Litouwen op 7 april 2008 besloten het openbaar ministerie op te dragen te beslissen over het hervatten van het beëindigde opsporingsonderzoek. Vervolgens heeft de officier van justitie in Litouwen bij besluit van 23 mei 2008 besloten op grond van artikel 212 lid 7 en artikel 217 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Litouwen tot hervatting van het opsporingsonderzoek. Vervolgens is de strafrechtelijke vervolging van verdachte overgedragen aan Nederland.

Bovengenoemde feiten en omstandigheden alsmede het interstatelijk vertrouwensbeginsel geven de rechtbank geen aanleiding om niet uit te kunnen gaan van de juistheid van de beslissing van 23 mei 2008. Daarbij is verdachte in Litouwen bijgestaan door een advocaat en stond voor verdachte op grond van artikel 217 lid 5 van het Wetboek van Strafvordering van de Republiek Litouwen de mogelijkheid open om tegen het besluit van 23 mei 2008 beroep in te stellen. Van dit rechtsmiddel heeft verdachte kennelijk geen gebruik gemaakt. Ook geven noch de inhoud van de beslissing van 23 mei 2008 noch de processuele waarborgen zoals die in Litouwen gelden, de rechtbank aanleiding te veronderstellen dat verdachte geen eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) zou hebben gehad. De rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding van de zaak teneinde een deskundige in te schakelen dan ook af.

2.2. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden, nu sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 van het EVRM. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat inmiddels acht jaren en vier maanden zijn verstreken sinds het vermeende strafbare feit en bijna acht jaren na de aanhouding van verdachte in Litouwen. Na de heropening van de strafvervolging, in mei 2008, is pas op 1 oktober 2009 verzocht om overname van de strafvervolging, is verdachte pas op 19 oktober 2010 voor het eerst in Nederland verhoord en is hij pas voor de zitting van 7 februari 2011 gedagvaard. Derhalve is ook na het besluit tot overname de redelijke termijn overschreden en dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus nog steeds de raadsman.

Daarnaast stelt de verdediging dat het Openbaar Ministerie in strijd handelt met de beginselen van behoorlijke procesorde door verdachte alsnog in Nederland te vervolgen. In december 2004 was door de autoriteiten in Litouwen besloten verdachte - onder bepaalde voorwaarden - niet langer te vervolgen. Deze voorwaarden waren niet beperkt in de tijd, zoals in Nederland wel het geval is. Bij het besluit tot vervolging in Nederland had deze omstandigheid betrokken moeten worden. Voorts is in dit verband relevant dat de Nederlands autoriteiten meer keren aan verdachte hebben voorgehouden dat door de Nederlandse justitie in de zaak met betrekking tot de overdacht van de 30.000 XTC-pillen geen eigen strafzaak tegen hem zal worden aangespannen en dat verdachte, gelet op zijn gevorderde leeftijd en slechte gezondheid, zich thans niet meer goed kan verweren tegen het ten laste gelegde feit, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt deze verweren.

De rechtbank merkt de datum van 23 mei 2008 aan als het aanvangsmoment van de redelijke termijn. Vanaf dat moment is namelijk besloten de strafvervolging jegens verdachte te hervatten en was verdachte in afwachting van zijn berechting. Tussen deze datum en de datum van het vonnis van heden is meer dan twee jaar verstreken, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting zoals bedoeld in art. 6 EVRM. Volgens staande jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358) leidt overschrijding van de redelijke termijn - ook niet in uitzonderlijke gevallen - niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De rechtbank acht het Openbaar Ministerie dan ook in zoverre ontvankelijk in de vervolging en zal met de overschrijding van de redelijke termijn rekening houden bij de vaststelling van een eventueel op te leggen straf. Bij het bepalen van de mate waarin met de overschrijding van de redelijke termijn rekening wordt gehouden bij de eventuele strafoplegging neemt de rechtbank in ogenschouw dat sprake is van overdacht van de strafvervolging van Litouwen naar Nederland en dat de strafzaak van verdachte in Nederland deel uitmaakt van een groter strafrechtelijk onderzoek.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de beginselen van behoorlijke procesorde zijn geschonden. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt is niet gebleken dat verdachte geen eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM heeft gehad. Dat een en ander lang heeft geduurd, is onder meer gelegen in het feit dat verdachte uit Litouwen naar Nederland is vertrokken, dat hij niet is verschenen bij het Hof in Litouwen in 2006 en dat de procedure van de medeverdachten in Litouwen in hoger beroep moest worden behandeld. Daarbij is het ten laste gelegde feit nog niet verjaard. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, nu de Nederlandse autoriteiten tegen verdachte geen eigen strafzaak zijn begonnen. In het onderhavige geval is de Litouwse strafzaak overgedragen naar Nederland, onder meer vanwege het feit dat verdachte zich thans in Nederland bevindt.

De stelling dat verdachte zich vanwege zijn leeftijd en gezondheid niet meer goed in de onderhavige procedure zou kunnen verweren, is niet voldoende met stukken onderbouwd en is de rechtbank ook anderszins niet gebleken.

Het Openbaar Ministerie is ook voor het overige ontvankelijk in zijn vervolging. Voorts zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Bewijs(middel)verweer

De raadsman heeft gesteld dat de verklaringen die verdachte heeft afgelegd in Litouwen als getuige, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte slechts is voorgehouden dat hij zich op zijn zwijgrecht kon beroepen als hij zou verklaren over anderen zaken dan de 30.000 XTC-pillen. Voorts is niet voldaan aan de Salduz vereisten; hoewel een advocaat kennelijk bij de verhoren aanwezig is geweest, blijkt uit de stukken niet dat verdachte zijn consultatierecht heeft kunnen effectueren, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt. De verklaringen, die verdachte op 27 september 2004, 21 oktober 2004 en 9 december 2004 in Litouwen heeft afgelegd, heeft hij afgelegd als verdachte. Voorafgaand aan die verhoren heeft verdachte contact gehad met een advocaat, [advocaat van verdachte] (dossierpagina B03 002082). Dat verdachte zijn consultatierecht niet heeft kunnen effecturen is niet gebleken, nu verdachte in zijn eerste verhoor heeft aangegeven om op advies van zijn advocaat af te zien van een verklaring. Voorts is gebleken dat bij de hierboven genoemde verhoren telkens zijn advocaat, te weten [advocaat van verdachte], aanwezig was.

Enkel de verhoren die verdachte als getuige op 12 oktober 2004 en 15 november 2004 heeft afgelegd, zijn gedaan in het kader van een rechtshulpverzoek van Nederland aan Litouwen en voorafgaand aan die verhoren is verdachte gewezen op zijn zwijgrecht voor zover hij verklaart over andere zaken dan de 30.000 XTC-pillen. Nu verdachte tijdens die verhoren in Litouwen nog als verdachte werd aangemerkt en hij voorgaand aan die verhoren niet is gewezen op zijn verschoningsrecht, zal de rechtbank deze verklaringen niet voor het bewijs gebruiken.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

12 januari 2004

Op 12 januari 2004 om 18.51 uur stuurt [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) een sms-bericht aan verdachte, met de volgende inhoud:

"Hallo mijn vriend, ik kan dinsdag komen. Misschien kun je 20 visse-eieren regelen. Misschien kan je rode vriend me ontmoeten".2

Om 18.54 uur stuurt [betrokkene 1] een sms-bericht aan verdachte, met de volgende inhoud:

"Het zal 15 januari zijn, ik kan in je land (?) zijn." 3

Over bovengenoemde berichten heeft verdachte verklaard dat als [betrokkene 1] het over 20 eieren heeft, hij 20.000 xtc-pillen in gedachten heeft en dat hij [betrokkene 1] heeft teruggebeld en gezegd dat de datum 15 januari 2004 goed is.4

14 januari 2004

Op 14 januari 2004 om 16.34 uur belt verdachte (X) naar [betrokkene 1] (T). Dat gesprek houdt onder meer het volgende in:

X: Hoe laat kom je?

T: Weet je, ik kan niet gaan omdat, ik problemen heb aan deze grens, mijn vrienden in aantocht, hij komt per schip, weet je.

X: Morgenavond, laat?

T: Niet laat, 7 uur, weet je, want hij rijdt direct naar je toe, omdat zijn andere auto volgt, weet je.

X: Hij weet waar hij naartoe moet komen?

T: Ja, ja, ja.

X: Ja?

T: Ja.

X: Ga je hem geld geven?

T: Ja, ja, alles.

X: Okay. Dan is het goed.

T: Alles mijn vriend, wat denk je.5

Hierover heeft verdachte verklaard dat hij [betrokkene 1] had gebeld om te vragen wanneer hij precies op de 15e januari naar Nederland kwam want verdachte moest de overhandiging van de pillen organiseren.6

15 januari 2004

Op 15 januari 2004 om 11:58 uur stuurt verdachte een sms-bericht aan [betrokkene 1] met de volgende inhoud:

"[betrokkene 1], we hebben 30 zacht gekookte eieren".7

Hierover heeft verdachte verklaard dat hij 30.000 XTC-pillen in gedachten heeft, omdat René hem 10.000 pillen meer heeft gegeven dan hij had besteld en dat [betrokkene 1] hem vervolgens heeft geantwoord dat dat goed is.8

Op 15 januari 2004 wordt de auto van [betrokkene 14] bij het afrijden van de veerboot door de douane in Duitsland gecontroleerd en in deze auto wordt een verborgen ruimte aangetroffen. Uit de passagierslijst blijk dat [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), rijdend in een Alfa Romeo, kenteken [kenteken 1], op dezelfde boot zit.9

Om 21.28 uur belt verdachte (X) naar [betrokkene 1] (T). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in.

X: [betrokkene 1], weet je wanneer mensen is hier?

T: Wat? Wat?

X: Wanneer mensen is hier, dan is deze jongen hier, in de avond?

T: Wacht een paar minuten, ik zend je een bericht.

X: Okay. En van de andere auto.

T: Morgen 7 uur.

X: Is hier.

T: Ja, ja hij is hier.

X: Zeker, omdat nu...

T: Ja, ja, zeker.

X: Okay.

T: Ja, ja, zeker.

X: Morgenavond 7 uur is hij op deze plek.

T: Ja, ja.

X: Waar we eerder zijn?

T: Hij zal naar deze plek komen, omdat mijn vriend, hij zal deze plaats tonen.

X: Okay, goed.10

Hierover heeft verdachte het volgende verklaard:

[betrokkene 1] heeft gezegd dat [betrokkene 2] komt, het geld overhandigt en dat hij terug gaat naar vrienden in Duitsland, want er hoeft niet op de tweede auto gewacht te worden. Later zou, zoals ik begrepen heb, een andere auto komen die de pillen zou ophalen. (...) Nog steeds diezelfde dag om 20.15 uur heef hij mij terug gebeld en gezegd dat hij een auto gestuurd heeft die ook gepland was om de pillen op te halen, daarom komt [betrokkene 2] met een vriend morgen om 7 uur in de avond. 11

16 januari 2004

Op 16 januari 2004 om 01.19 uur (Nederlandse tijd)12 belt verdachte (X) naar [betrokkene 1] (T). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in.

T: Hallo, hallo.

X: Ja, [betrokkene 1], jij....hotel Paradise.

T: Weet je, hij is niet ver van deze "Rado" bank. Weet je bank? Rado, Rado, Radobank.

X: Ja, dan kunnen we naar deze Shell tankstation rijden, ik ken deze Paradise niet erg goed.

T: Ken je niet?

X: Nee.

T: Weet je, weet je, hij rijdt ik vertelde hem waar hij moest rijden, weet je. Maar hij...zoals de laatste keer, weet je, omdat het moeilijk is, weet je, alles te vinden.

X: Ja.

T: Hij belt me elke keer, ik vertelde met hem een half uur geleden, weet je, ik praat met hem en ik probeer het hem uit te leggen, maar hij zegt tegen me, weet je, het is moeilijk te vinden. Begrijp je dat?

X: Ja, maar ik ken geen hotel Paradise.

T: Je kent het niet? Maar Radobank, bank, bank, bank.

X: Ja, dat weet ik.

T: Weet je die?

X: Ja, Radobank.

T: Radobank, hij kan komen. Het is niet ver van hotel Paradise, weet je. Het is niet ver weg, hij belt me te zeggen, jij belt mij, ik was aan het praten op een andere lijn, weet je, met hem, en hij probeert me uit te leggen dat hij 3 of 5 minuten van, weet je, ver weg van deze Radobank. Hij komt naar deze Radobank.

X: Okay, bel hem, laat hem naar de Radobank rijden.

T: Okay,okay, ik ben nu direct aan het bellen, weet je. En hij wacht op jou, weet je dat hij met zwart auto "Alfa Romeo", weet je?

X: Ja,ja, okay.

T: Je gaat alleen en pikt geld op en vertel morgen, weet je.

X: Ja, okay, goed.

T: Okay, okay, omdat hij rijdt met geld.

X: Okay, goed.

T: Ja, rij naar de bank Rado.

X: Okay.

T: Hij wacht op je.

X: Okay. Dag.

T: Okay, dag.13

Om 01.42 uur (Nederlandse tijd) stuurt [betrokkene 1] een sms-bericht aan verdachte, met de volgende inhoud:

Lange "njuvstrat". Voor de bank (ar?) klok.14

Door het observatieteam werd vanaf 15 januari 2004 te 22.15 uur tot 16 januari 2004 te 02.00 uur, een observatie verricht. Daarbij werd het volgende waargenomen:

01.38 uur: De Alfa Romeo, type 164 zwart, met het Litouwse kenteken [kenteken 1], komt weer terug naar de parkeerplaats bij de Rabobank aan de Lange Nieuwstraat te IJmuiden en wordt geparkeerd.

01.40 uur: Een Audi 80, kenteken [kenteken 2], kleur zilvergrijs, rijdt over de Lange Nieuwstraat in IJmuiden.

01.42 uur: De Audi 80 wordt geparkeerd bij de Rabobank in de Lange Nieuwstraat te IJmuiden.

01.43 uur: Een man stapt uit de zilvergrijze Audi 80 met het kenteken [kenteken 2]. Op basis van de aan het tactische team ter beschikking gestelde foto wordt de man herkend als [verdachte], geboren op [geboortedatum].

01.44 uur: [verdachte] loopt in de richting van de Alfa Romeo, type 80, met het kenteken [kenteken 1] en maakt contact met de bestuurder van de Alfa Romeo. De bestuurder van de zwarte Alfa Romeo, kenteken [kenteken 1] geeft iets aan [verdachte]. [verdachte] maakt een beweging alsof hij geld aan het tellen is en gaat terug naar de Audi 80 met het kenteken [kenteken 2].

01.46 uur: De zilvergrijze Audi 80 met het kenteken [kenteken 2] vertrekt en dan vertrekt de zwartkleurige Alfa Romeo, type 164, met het kenteken [kenteken 1], eveneens.

01.50 uur: De zilvergrijze Audi 80, kenteken [kenteken 2] wordt geparkeerd in de Willibrordstraat te IJmuiden, ter hoogte van perceel [perceelnummer].

01.52 uur: [verdachte] zit in de woning Willibrordstraat [perceelnummer] te IJmuiden.15

Om 01.50 uur (Nederlandse tijd) stuurt [betrokkene 2] een sms aan [betrokkene 1] met de volgende inhoud:

Ik heb geld gegeven die plaats heb ik gevonden waar wij de vorige keer hebben gestaan.16

Hieromtrent heeft verdachte verklaard dat hij [betrokkene 2] heeft gevonden in de Lange Nieuwstraat, waar hij 7000 euro van hem heeft gekregen.17

17 januari 2004

Om 14.55 uur belt [medeverdachte 6] (K) naar verdachte (T). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in.

K: Nou ik heb d'r van zevenen tot half twaalf gestaan maar ik heb niemand gezien hoor.

T: Zijn zij niet gekomen?

K: Nee..18

Om 14.57 uur belt verdachte (X) naar [betrokkene 1] (T). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in.

X: Hai [betrokkene 1], waar zijn de mensen?

T: Ik weet het niet. Je vriend is niet gekomen, hij is gekomen en hij heeft gewacht. Hij kwam naar Klaipèda, niet?

X: Ja, hij...mijn vriend stond er van 7 uur tot 12 uur en niemand is gekomen....

T: Misschien komen ze naar de verkeerde plaats, ik weet niet, omdat ze komen....

(...)

X: ja ik moet mijn vriend bellen want hij moet nieuwe dingen organiseren.19

Om 14.58 uur belt verdachte (T) naar [medeverdachte 6] (K). Dit gesprek houdt onder meer het volgende in.

T: Ja [medeverdachte 6] met mij. Nou zij hebben op de verkeerde plaats gestaan.

K: Ja.

T: Ja jongen, nou jij wil alleen praten, niet over de euhhhh telefoon weet je wel.

K: Ja.

T: Hij zegt....praten wel als we in Klaipèda ben. Maar dat is pas om een uur of zes, half zeven. Weet je wel dat is half acht in Nederland. Hoe laat moet jij weg?

K: Ik ga zo weg.

T: Hé geef die gozer dan mijn telefoonnummer.

K: Dat heeft die al. Dat heb ik al geregeld.20

Hierover heeft verdachte verklaard dat hij tegen [medeverdachte 6] heeft gezegd dat de Litouwers aan de andere kant van de afgesproken plaats hebben gestaan, dat [medeverdachte 6] tegen hem heeft gezegd dat hij de pillen aan een andere persoon heeft overhandigd en dat die zijn telefoonnummer heeft gekregen voor het onderhouden van het verdere contact en dat [medeverdachte 6] hem later heeft gebeld en hem heeft gevraagd of hij [betrokkene 15] had bereikt in verband met de vragen over het overhandigen van de pillen en dat hij heeft gezegd dat hij Dennis gaat bellen als hij alles heeft afgesproken met de Litouwers.21

19 januari 2004

Op 19 januari 2004 om 21.31 belt verdachte (T) met [betrokkene 15] (D)22. Dit gesprek houdt onder meer het volgende in:

T: ze komen morgenavond tussen 6 en 7. Is dat goed?

D: Ja dat is goed

T: Bij de pont weet je wel

D: Ja precies. Wat we afgesproken hebben.23

20 januari 2004

Op 20 januari 2004 vindt tussen 17.58 uur en 23.00 uur een observatie plaats. Daarbij werd onder meer waargenomen dat rond 18.07 uur een Alfa Romeo, met kenteken [kenteken 1] een aan Seat Toledo met Duits kenteken worden geparkeerd op de parkeerplaats bij de pont te IJmuiden, dat de bestuurder van deze auto [betrokkene 2] is, dat rond 18.11 uur een Opel dezelfde parkeerplaats op rijdt, dat een blanke man uit uit de Opel en contact maakt met [betrokkene 2], dat nadat er heel even met elkaar is gesproken de Opel vertrekt met een man als bestuurder en dat rond 18.34 uur [betrokkene 2] naar de Alfa Romeo loopt en instapt en dat een ander man in de Seat Toleda stapt. Beide auto's worden gevolgd tot in Duitsland.24

Om 19.15 uur belt [betrokkene 15] (D) met verdachte (T). Dat gesprek houdt onder meer in:

T: Ja [betrokkene 15], met mij. Ze staan eehh

D: Je het is al geregeld. Het is al geregeld. (..)

T: Oke jongen/ Dat is fantastisch.

D: Alles is rond.25

Om 19.16 uur belt verdachte (X) met [betrokkene 1] en zegt tegen hem dat alles okay is.26

[betrokkene 15] heeft tegenover de politie verklaard dat in januari 2004 [medeverdachte 6] hem heeft gevraagd of hij een tas kon wegbrengen, dat hij daarmee heeft ingestemd, dat hij vervolgens een tas kreeg met daarin een dicht getapet pakket, dat hij niet wist wat daarin zat, maar het uiteraard geen legale goederen waren, dat hij later werd gebeld door verdachte dat hij de tas moest brengen naar de parkeerplaats bij de pont te IJmuiden, dat hij met zijn auto van het merk Opel is gereden naar de genoemde parkeerplaats en daar de tas met inhoud aan een man heeft gegeven. 27

26 januari 2004

Op 26 januari 2004 werd de personenauto Alfa Romeo, met kenteken [kenteken 1] aan getroffen in het district Kaunas in Litouwen. De chauffeur, [betrokkene 2], en de passagier, [betrokkene 1], werden aangehouden. In de auto werden pillen gevonden.28 Uit het proces-verbaal conclusie van deskundigen van het crimineel onderzoekscentrum in Litouwen van 27 januari 2004 is gebleken dat de op 26 januari 2004 in de Alfa Romeo, met kenteken [kenteken 1] aangetroffen pillen MDMA bevatten. Het totaal aantal pillen bedroeg 30.720.29

Gelet op bovengenoemde tapgesprekken en observaties in samenhang met de door verdachte in Litouwen afgelegde verklaringen en de verklaringen van [betrokkene 15] is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in januari 2004 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer uit Nederland van 30.000 XTC-pillen.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij in de maand januari 2004 te IJmuiden, gemeente Velsen, en elders in Nederland en te Duitsland en te Litouwen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 30.720 pillen/tabletten MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de uitvoer van een grote hoeveelheid pillen, bevattende MDMA. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De uitgevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het betreft hier een gezondheidsondermijnend, verslavend en bewustzijnsbeïnvloedend middel waar de wetgever (onder meer) de productie van en de handel in heeft verboden. Met de productie van en de handel in MDMA kunnen enorme winsten worden behaald.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als straf in aanmerking.

De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat sprake is van een oud feit en dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Voorts houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met het feit dat hij drie maanden onder slechtere detentieomstandigheden dan in Nederland, in Litouwen, in voorarrest heeft gezeten en dat hij inmiddels 70 jaar is en zijn gezondheidstoestand te wensen overlaat.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Gelet op de ratio van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht brengt een redelijke wetstoepassing voorts mee dat, nu strafvervolging in Nederland het gevolg is van een overname van de strafvervolging van de Litouwse autoriteiten, ook de tijd die verdachte in voorarrest aldaar heeft doorgebracht bij de uitvoering van de straf in mindering wordt gebracht. De rechtbank zal daarom bepalen dat de tijd, die verdachte in Litouwen in voorarrest heeft doorgebracht, op de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 47 van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN (9) MAANDEN met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte in Litouwen in voorarrest is doorgebracht, op de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. P.M. Wamsteker en mr. M.E. Fortuin, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 augustus 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen en maken deel uit van het dossier PL1200/08-537057 (Onderzoek Vista).

2 Tapgesprek 100, dossierpagina B03 001763.

3 Tapgesprek 101, dossierpagina B03 001763-001764.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 december 2004, dossierpagina B03 002111.

5 Tapgesprek 100, dossierpagina B03 001763.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 december 2004, dossierpagina B03 002111.

7 Proces-verbaal aanvulling met betrekking tot ZD-03 d.d. 15 september 2011, dossierpagina B03 002662.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 december 2004, dossierpagina B03 002112.

9 Proces-verbaal van bevindingen 8 november 2010, dossierpagina B03 001768 in combinatie met dossierpagina B03 002509-002510.

10 Tapgesprek 162, dossierpagina B03 001773.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 december 2004, dossierpagina B03 002112.

12 Proces-verbaal van bevindingen 8 november 2010, dossierpagina B03 001753.

13 Tapgesprek 195, dossierpagina B03 001779.

14 Tapgesprek 200, dossierpagina B03 001780.

15 Observatiejournaal, dossierpagina B03 002514-002516.

16 Tapgesprek 201, dossierpagina B03 001780.

17 Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 9 december 2004, dossierparagraaf B03 002113.

18 Tapgesprek 17, dossierpagina B03 001787.

19 Tapgesprek 240, dossierpagina B03 001787-88.

20 Tapgesprek 18, dossierpagina B03 001788.

21 Proces-verbaal verhoor van verdachte d.d. 9 december 2004, dossierparagraaf B03 002113 - 002114.

22 Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 15] d.d. 21 december 2004, dossierpagina B03-002136.

23 Tapgesprek 25, dossierpagina B03 001795.

24 Observatiejournaal dossierpagina B03 002523-00256.

25 Tapgesprek 29, dossierpagina B03 001799.

26 Tapgesprek 280, dossierpagina B03 001800.

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte, dossierpagina B03 002136-002137.

28 Het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 juli 2004, B03 002548-002550.

29 Proces-verbaal conclusie van deskundigen d.d. 27 januari 2004 (B03 002556-002558).