Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX3791

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-08-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
15/996509-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor oplichting van de voormalige HBU-bank voor een bedrag van bijna 1,4 miljoen euro door deze bank - in strijd met de waarheid - voor te spiegelen dat het bedrijf van verdachte bezig was met een lucratieve aan- en verkoop van een partij textiel, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval bleek te zijn, waardoor de bank een additioneel krediet heeft verstrekt tot het vermelde bedrag. Hierbij heeft verdachte in strijd met (de bedoeling van) de door de bank gestelde voorwaarden, aan de bank doen voorkomen alsof (ook) het eigen vermogen van het bedrijf werd versterkt, vanuit een andere firma, door het door die firma storten van twee maal een bedrag van € 250.000,--, terwijl deze stortingen in werkelijkheid afkomstig waren van een derde die, nadat de bank het krediet had verstrekt, buiten het zicht van de bank direct weer werd terugbetaald, zodat van versterking van het eigen vermogen van verdachtes bedrijf feitelijk geen sprake was.

Tevens heeft verdachte valse stukken opgesteld of laten opstellen. Deze stukken hielden niet alleen verband met de oplichting, maar ook met een (onduidelijk gebleven) overboeking van de rekening van het bedrijf naar de rekening van een firma in Zwitserland van een bedrag ad € 280.000,--. Volgens de namens verdachte opgestelde factuur hield deze betaling verband met, wederom, een textieltransactie, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval bleek te zijn.

Tot slot heeft verdachte in het zicht van het naderende faillissement van het bedrijf goederen aan de boedel van deze rechtspersoon onttrokken tot een totaalbedrag van ruim € 13.000,--. Aldus heeft verdachte zichzelf bevoordeeld ten opzichte van de schuldeisers van zijn bedrijf, onder wie werknemers met een loonvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996509-11

Uitspraakdatum: 7 augustus 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboorte datum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres en woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijzigingen van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:

Feit 1

Primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2005 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] en/of één of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtselen, een bank (HBU), (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, samen ongeveer 1,4 miljoen euro, in elk geval enig geldbedrag, (in het kader van additionele financiering van de aankoop van een partij textiel)

immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan die bank voorgespiegeld

- dat [bedrijf 2] en/of hij, verdachte ook eigen geld in [bedrijf 1] stak (onder meer) door een storting van 250.000 euro in juli 2005 en/of een storting van 250.000 (of 298.000) euro in september 2005, in ieder geval door stortingen van enkele tonnen euro die afkomstig leken van [bedrijf 2] op de rekening van [bedrijf 1] bij die bank, terwijl het geen stortingen waren van [bedrijf 2], maar leningen waren van een derde die (telkens) uit het door de bank ter beschikking gestelde bedrag binnen enkele dagen aan die derde zijn terugbetaald;

- dat door [bedrijf 1] (een) overeenkomst(en) was/waren gesloten voor de verkoop van (die) textiel met een Engelse afnemer ([Engels bedrijf]);

waardoor die bank (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Subsidiair

[bedrijf 1]] en/of [bedrijf 2] op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2005 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtselen, een bank (HBU), (telkens) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, samen ongeveer 1,4 miljoen euro, in elk geval enig geldbedrag, (in het kader van additionele financiering van de aankoop van een partij textiel);

immers heeft/hebben hij en/of zijn/hun mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan die bank voorgespiegeld

- dat [bedrijf 2] en/of hij, verdachte zelf ook eigen geld in [bedrijf 1] stak (onder meer) door een storting van 250.000 euro in juli 2005 en/of een storting van 250.000 (of 298.000) euro in september 2005, in ieder geval door stortingen van enkele tonnen euro die afkomstig leken van [bedrijf 2], op de rekening van [bedrijf 1] bij die bank, terwijl het geen stortingen waren van [bedrijf 2], maar leningen waren van een derde die (telkens) uit het door de bank ter beschikking gestelde bedrag binnen enkele dagen aan die derde zijn terugbetaald;

- dat door [bedrijf 1] (een) overeenkomst(en) was/waren gesloten voor de verkoop van die (die) textiel met een Engelse afnemer ([Engels bedrijf]);

waardoor die bank (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht gegeven tot dat feit/die feiten en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en).

Feit 2

Primair

dat hij als bestuurder van [bedrijf 1], welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Haarlem van 14 november 2006 in staat van faillissement was verklaard, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 juli 2005 tot en met 30 november 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en) of alleen (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [bedrijf 1], een/of meer last(en) heeft verdicht en/of een of meer bate(n) niet heeft verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken

hebbende hij (telkens) tezamen met (een of meer van) die mededader(s), althans alleen:

A) een of meer geldbedragen die toebehoorden, althans toekwamen aan [bedrijf 1] doen en/of laten overboeken op zijn, verdachte's bankrekening (en) te weten:

- € 117.500 (tussen 14 en 18 juli 2005); en/of

- € 7.000 (tussen 14 en 26 september 2005) en/of

- € 8.000 (aangeduid met "inzake [bedrijf 2]" o.i.d. op of omstreeks 7 november 2006) en/of

- € 3.480 (aangeduid met "zoals besproken" o.i.d. op of omstreeks 9 november 2006) en/of

- € 10.000 (contant, op of omstreeks 16 november 2005) en/of

B) een geldbedrag van € 2.000, althans enig geldbedrag, (aangeduid met "inzake [bedrijf 2]" o.i.d. op of omstreeks 8 november 2006) contant uitbetaald en/of doen en/of laten uitbetalen aan hem, verdachte zelf; en/of

C) een geldbedrag van € 25.000, althans enig geldbedrag, (aangeduid met "lening overeenkomst" o.i.d. op of omstreeks 12 januari 2006) overgeboekt en/of doen en/of laten overboeken naar een rekening van [betrokkene 1];

Subsidiair

dat [bedrijf 1], als rechtspersoon die bij vonnis van de rechtbank te Haarlem van 14 november 2006 in staat van faillissement was verklaard, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 juli 2005 tot en met 30 november 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, en/of Aalsmeer en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en) of alleen (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [bedrijf 1], een/of meer last(en) heeft verdicht en/of een of meer bate(n) niet heeft verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel heeft onttrokken

hebbende [bedrijf 1] (telkens) tezamen met (een of meer van) haar mededader(s), althans alleen:

A) een of meer geldbedragen die toebehoorden, althans toekwamen aan [bedrijf 1] doen en/of laten overboeken op verdachte's bankrekening (en) te weten:

- € 117.500 (tussen 14 en 18 juli 2005); en/of

- € 7.000 (tussen 14 en 26 september 2005) en/of

- € 8.000 (aangeduid met "inzake [bedrijf 2]" o.i.d. op of omstreeks 7 november 2006) en/of

- € 3.480 (aangeduid met "zoals besproken" o.i.d. op of omstreeks 9 november 2006) en/of

- € 10.000 (contant, op of omstreeks 16 november 2005) en/of

B) een geldbedrag van € 2.000, althans enig geldbedrag, (aangeduid met "inzake [bedrijf 2]" o.i.d. op of omstreeks 8 november 2006) contant uitbetaald en/of doen en/of laten uitbetalen aan verdachte zelf; en/of

C) een geldbedrag van € 25.000, althans enig geldbedrag, (aangeduid met "lening overeenkomst" o.i.d. op of omstreeks 12 januari 2006) overgeboekt en/of doen en/of laten overboeken naar een rekening van [betrokkene 1];

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht gegeven tot dat feit/die feiten en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en).

Feit 3

Primair hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 23 mei 2006 tot en met 31 oktober 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, onder meer:

1. een creditnota d.d. 14 juni 2006 (D-069) en/of

2. een overeenkomst van geldlening gedateerd 14 juli 2005 (D-155) en/of

3. een overeenkomst van geldlening gedateerd 13 september 2005 (D-156) en/of

4. een akte van Dading tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] d.d. 23 mei 2006 (D-128) en/of

5. een factuur d.d. 31 december 2005 (D-321)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst of doen opmaken of vervalsen,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk onder meer

- zakelijk weergegeven –

ad 1. op die nota een terug te betalen bedrag van 900.000 euro aan [Engels bedrijf]. vermeld ("Total Credit = 900.000,00 euro") en/of

ad 2. op deze overeenkomst als datum vermeld 14 juli 2005 en/of als partij 1 vermeld [bedrijf 2] en/of

ad 3. op deze overeenkomst als datum vermeld 13 september 2005 en/of als partij 1 vermeld [bedrijf 2] en/of

ad 4. in die akte opgenomen en/of laten staan dat [Engels bedrijf] op deze levering een bedrag van EUR 450.000,-- heeft betaald en daarnaast nog een bedrag van EUR 550.000,- zal betalen" en/of

ad 5. op deze factuur als datum vermeld 31 december 2005 en/of "verk.2e termijn textiel/afwikkeling"

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Subsidiair [bedrijf 1] op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 23 mei 2006 tot en met 31 oktober 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, onder meer:

1. een creditnota d.d. 14 juni 2006 (D-069) en/of

2. een overeenkomst van geldlening gedateerd 14 juli 2005 (D-155) en/of

3. een overeenkomst van geldlening gedateerd 13 september 2005 (D-156) en/of

4. een akte van Dading tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] d.d. 23 mei 2006 (D-128) en/of

5. een factuur d.d. 31 december 2005 (D-321)

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) valselijk onder meer

- zakelijk weergegeven –

ad 1. op die nota een terug te betalen bedrag van 900.000 euro aan [Engels bedrijf]. vermeld ("Total Credit = 900.000,00 euro") en/of

ad 2. op deze overeenkomst als datum vermeld 14 juli 2005 en/of als partij 1 vermeld [bedrijf f] en/of

ad 3. op deze overeenkomst als datum vermeld 13 september 2005 en/of als partij 1 vermeld [bedrijf 2] en/of

ad 4. in die akte opgenomen en/of laten staan dat [Engels bedrijf] op deze levering een bedrag van EUR 450.000,-- heeft betaald en daarnaast nog een bedrag van EUR 550.000,- zal betalen" en/of

ad 5. op deze factuur als datum vermeld 31 december 2005 en/of "verk.2e termijn textiel/afwikkeling"

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opdracht gegeven tot dat feit en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en).

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Op basis van de informatie van de curator in het faillissement van [bedrijf 1], mr. [curator 1], die zijn bevindingen met betrekking tot (kort gezegd) het faillissement van [bedrijf 1] heeft gebaseerd op het rapport van het financieel adviesbureau [naam financieel adviesbureau], had de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) nimmer tot een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte mogen komen. Dit rapport geeft geen getrouw beeld van de gang van zaken binnen [bedrijf 1] Doordat het Openbaar Ministerie zich uitsluitend op de informatie van de curator en voornoemd rapport heeft gebaseerd, en geen nader onderzoek heeft verricht – bijvoorbeeld door het laten uitvoeren van een accountantscontrole of het horen van verdachte (als getuige) – kan geen sprake zijn geweest van een redelijk vermoeden van schuld en is de start van het onderzoek onrechtmatig geweest. Als gevolg hiervan hebben zich onherstelbare vormverzuimen voorgedaan: op basis van voornoemde informatie zijn namelijk diverse “BOB-middelen” – ten onrechte – ingezet. Ook zijn verschillende getuigen en verdachten met deze onjuiste en onvolledige informatie geconfronteerd, hetgeen tot onbetrouwbare verklaringen heeft geleid, aldus steeds de raadsman.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het Openbaar Ministerie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, nu verdachte weliswaar verdacht wordt van het medeplegen van de hem ten laste gelegde feiten en ter zake ook andere (rechts)personen dan verdachte als verdachte in beeld zijn gekomen (bijvoorbeeld [betrokkene 2] en [betrokkene 3]), maar het Openbaar Ministerie uitsluitend verdachte vervolgt. Naar de mening van de raadsman bestaat hiervoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging en wordt verdachte hierdoor ernstig in zijn belangen geschaad, aangezien de medeverdachten “vrijelijk hun eigen straatje kunnen schoonvegen”.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat door de aanhouding van verdachte op 16 maart 2012 het Openbaar Ministerie de verdediging bewust de mogelijkheid heeft ontnomen om de strafzaak voor de zitting van 19 maart 2012 op een gedegen manier voor te bereiden. Dit levert een schending op van artikel 6, derde lid, van het EVRM, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtbank heeft vastgesteld dat curator mr. [curator 1] naar aanleiding van vragen die rezen uit het faillissement van [bedrijf 1] onderzoek heeft gedaan en heeft laten doen naar (kort gezegd) de administratie van dit bedrijf. Daarbij is het adviesbureau [financieel adviesbureau] ingeschakeld, dat in juni 2007 een rapport (D-008) heeft uitgebracht. In dit rapport is melding gemaakt van, volgens [financieel adviesbureau], een groot aantal onduidelijkheden. Voor een aantal betalingen lijkt geen titel aanwezig te zijn. Naar aanleiding van dit rapport heeft op 14 november 2008 een gesprek plaatsgevonden tussen [financieel adviesbureau], in de persoon van [medewerker financieel adviesbureau], curator mr. [curator 1] en medecurator in het faillissement van [bedrijf 1], mr. [curator 2]. In de van dit gesprek opgemaakte notitie (D-150) wordt het vermoeden uitgesproken dat verdachte, als bestuurder van [bedrijf 1], liquide middelen aan (de boedel van) dit bedrijf heeft onttrokken, zonder enig reëel bedrijfseconomisch motief. Deze notitie is besproken met de coördinator van het Fraude Meldpunt van het Openbaar Ministerie, die op 11 juni 2009 de notitie ter beschikking heeft gesteld aan de Belastingdienst/FIOD, afdeling account OI. Medewerkers van deze afdeling hebben vervolgens gesproken met curator mr. [curator 1] en [naam medewerker financieel adviesbureau] van [financieel adviesbureau], en de uitlevering van stukken gevorderd, waaronder het rapport van [financieel adviesbureau]. Op 16 februari 2010 heeft curator mr. [curator 1] aangifte gedaan tegen verdachte wegens bedrieglijke bankbreuk in het faillissement van [bedrijf 1] (G01-01). Vervolgens is de kwestie besproken in het zogeheten ‘Tripartiteoverleg’ van 6 april 2010, waar is besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de informatie van de curatoren, de inhoud van het rapport van [financieel adviesbureau] alsmede de inhoud van de aangifte van de curator mr. [curator 1] van 16 februari 2010, in onderling verband en samenhang beschouwd, een redelijk vermoeden van schuld – zoals bedoeld in artikel 27, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – ten aanzien van verdachte bestond ter zake van (kort gezegd) bedrieglijke bankbreuk. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte kunnen beginnen. De rechtbank acht de start van dit onderzoek, ook gezien de gevolgde procedure, rechtmatig. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat zich tijdens de loop van dit onderzoek vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv hebben voorgedaan. Gelet op het redelijk vermoeden van schuld, bestond voor het Openbaar Ministerie de bevoegdheid bepaalde dwangmiddelen in te zetten en personen te horen. Voorts heeft ten aanzien van de waarde en de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal te gelden, dat dit door de zittingsrechter – bij de eerste vraag van artikel 350 Sv – dient te worden beoordeeld.

Het verweer van de raadsman op dit punt faalt.

Wat betreft de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat het mogelijke aandeel van verdachte in de ten laste gelegde feiten – mede gelet op zijn functie van (voormalig) bestuurder van [bedrijf 1] – niet te vergelijken is met de vermeende dubieuze rollen die anderen daarbij hebben gespeeld. Derhalve is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen sprake. Reeds hierom faalt het verweer.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat met de aanhouding van verdachte op 16 maart 2012 het recht van verdachte op een eerlijk proces niet in het geding is geweest. Daarbij merkt de rechtbank in de eerste plaats op dat de officier van justitie ingevolge artikel 84, eerste lid, Sv de bevoegdheid heeft de aanhouding van een verdachte te bevelen op grond van, onder meer, (vermeende) niet-naleving van de schorsingsvoorwaarden. Voor een beoordeling van een beroep op artikel 6 van het EVRM moet voorts worden gekeken naar de procedure als geheel. Niet is gesteld of gebleken dat de verdediging door de aanhouding van verdachte op 16 maart 2012 op enigerlei wijze in de voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de zaak, die eerst op 24 juli 2012 heeft plaatsgevonden, zou zijn belemmerd. Op 19 maart 2012 heeft de rechtbank de zaak juist aangehouden, met het oog op het belang van de verdediging bij een goede voorbereiding.

Gelet op het bovenstaande verwerpt de rechtbank ook dit verweer van de raadsman.

In aanvulling op de bovenstaande verweren heeft de raadsman wat betreft het onder 3 ten laste gelegde feit betoogd, dat het Openbaar Ministerie (partieel) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, voor zover het de overeenkomsten van geldlening, gedateerd 14 juli 2005 (D-155) en 13 september 2005 (D-156) betreft. Naar de stelling van de raadsman zouden die twee overeenkomsten namelijk al zijn meegenomen in de vervolging van verdachte ter zake van valsheid in geschrift in 2005, zodat sprake is van een schending van het ‘ne bis in idem’- beginsel.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer het navolgende.

Blijkens een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie is verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Arnhem van 29 juni 2006 veroordeeld ter zake van (kort gezegd) valsheid in geschrift, gepleegd in de periode van 1 mei 2005 tot en met 13 oktober 2005. De rechtbank constateert dat de pleeg-periode van het thans onder 3 ten laste gelegde feit hierna is gelegen.

Voorts blijkt uit het dossierproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD (0-OPV, pagina 5) dat het onderzoek in verband waarmee verdachte in Arnhem is veroordeeld zich met name richtte op een drietal facturen van “[bedrijf 4]” (2x) en “[bedrijf 5]” (1x). Ter terechtzitting heeft de officier van justitie onweersproken verklaard dat de stukken en de facturen van het huidige onderzoek geen deel hebben uitgemaakt van het toenmalige onderzoek.

Gelet op het bovenstaande is van een schending van artikel 68, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (‘ne bis in idem’) niet gebleken. Ook dit verweer faalt.

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3, telkens primair, ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft zij primair opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis gevorderd, en subsidiair voortduring van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis, tot de dag dat het vonnis onherroepelijk zal zijn geworden.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3, telkens primair, ten laste gelegde feiten op grond van het navolgende.

Inleiding

Verdachte en de firma [bedrijf 2] (hierna te noemen: [bedrijf 2]) zijn vanaf 31 december 2004 in het Handelsregister van de Kamers van Koophandel, ingeschreven als algemeen directeur van [bedrijf 1], een bedrijf dat zijn statutaire zetel in Volendam had en dat zich bezighield met “de handel in textielgrondstoffen en daarmee verwante activiteiten, alles in de meest ruime zin”. De aandelen van [bedrijf 1] zijn vanaf 31 december 2004 volledig in handen van [bedrijf 2].

[bedrijf 2] is op 1 januari 2005 uit functie getreden. Verdachte is op 6 oktober 2006 eveneens uit functie getreden. De heer [betrokkene 4] is op diezelfde datum als algemeen directeur ingeschreven.

Verdachte was – indirect – grootaandeelhouder van [bedrijf 2].

Bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 november 2006 is [bedrijf 1] in staat van faillissement verklaard en is mr. [curator 1] tot curator aangesteld.

Op 16 februari 2010 heeft deze curator, naar aanleiding van hetgeen hiervoor onder 2 is vermeld, aangifte gedaan tegen verdachte wegens bedrieglijke bankbreuk in het faillissement van [bedrijf 1].

Met betrekking tot feit 1 primair:

Verdachte is namens [bedrijf 1] met de bank HBU overeengekomen dat de HBU via het bestaande rekening courant krediet een deel financiert van de aankoop van een partij textiel voor een bedrag van circa € 1.300.000,-.

Bij brief van 13 juli 2005 heeft de HBU de afspraken omtrent deze financiering en de afbouw van de bestaande kredietfaciliteit op de rekening-courant bevestigd. Verdachte heeft deze bevestiging voor akkoord getekend, één keer namens [bedrijf 1], één keer als gevolmachtigde van [bedrijf 2] en één keer in (privé) persoon. De HBU heeft (onder meer) als voorwaarde voor de financiering gesteld dat [bedrijf 2] twee maal € 250.000,- stort op de bankrekening van [bedrijf 1] als toevoeging aan het eigen vermogen.

Op 14 juli 2005 heeft de eerste storting ad € 250.000,-- op de rekening van [bedrijf 1] bij de HBU plaatsgevonden. Dit bedrag was afkomstig van de Stichting derdengelden van [naam advocatenkantoor] , en was op 6 juli 2005 op deze rekening gestort door [bedrijf 6], een bedrijf dat gerelateerd kan worden aan [betrokkene 5].

Hierop heeft de HBU het eerste deel van de financiering ad € 800.000,- verstrekt, welk bedrag op 14 juli 2005, door middel van een telefonische overboeking in opdracht van verdachte, van de rekening van [bedrijf 1] is overgemaakt naar de eerder genoemde derdenrekening van [advocatenkantoor]. Op dezelfde dag is van deze derdenrekening aan [bedrijf 6] een bedrag ad € 325.000,- overgemaakt.

Volgens [betrokkene 5] had verdachte hem verteld dat hij, verdachte, geld nodig had om bij de bank aan te tonen dat hij eigen geld had om een bepaalde transactie te kunnen doen. Zelf had verdachte dit geld niet. [betrokkene 5] moest van verdachte bij de transactie de omschrijving “Lening [naam]” gebruiken. Verdachte had hem voor de kortlopende lening € 75.000,- rente toegezegd.

Op 12 september 2005 heeft [bedrijf 6] nogmaals € 250.000,- overgemaakt naar de derden-rekening van [advocatenkantoor] onder vermelding van “Tbv gaarne investering lening voor 1 week” , waarna de HBU op 13 september 2005 het tweede deel van de financiering ad € 654.500,- heeft gestort op deze derdenrekening. Nadat dit bedrag op de derdenrekening was binnengekomen, is op 14 september 2005 een bedrag van € 275.000,-, in opdracht van verdachte, van de derdenrekening overgemaakt aan [betrokkene 5]/[bedrijf 6] Holding.

Volgens [betrokkene 5] betrof het een gelijksoortige lening. Waarschijnlijk was er een fout in de betalingsomschrijving gemaakt: er had “[naam]” moeten staan in plaats van “gaarne”. Van de leningen zijn geen contracten opgemaakt.

De accountmanager van [bedrijf 1] bij de HBU, de heer [naam accountmanager], was in de veronderstelling dat met de door de HBU verstrekte financiering de aankoop van een partij textiel werd betaald. De financiering mag namelijk alleen worden aangewend voor het doel waarvoor het specifiek is verstrekt. Bij de rechter-commissaris verklaarde [accountmanager] hierover: “Als ik geweten had dat met het verstrekte krediet voor de textieldeal, de geldschieters werden afbetaald dan had ik dat (de rechtbank begrijpt: het verstrekken van het krediet) uiteraard niet gedaan. Er waren op het moment van de kredietverstrekking geen aanwijzingen dat het geld op die manier zou worden “rondgepompt” (…)” alsmede: “Het rondje dat zeker niet mag worden gemaakt is, dat [bedrijf 2] geld leent en stort op de rekening van [bedrijf 1] waarna het vervolgens door HBU aan [bedrijf 1] verstrekte krediet direct of indirect wordt aangewend ter aflossing van de lening die [bedrijf 2] is aangegaan.” Dat de betalingen via de derdenrekening van [advocatenkantoor] verliepen, gaf een veilig gevoel.

De HBU was, als zij op de hoogte was geweest van de werkelijke gang van zaken met betrekking tot het kasrondje van de twee keer € 250.000,-, nooit tot verstrekking van de financiering overgegaan.

Verdachte heeft aan de HBU documenten verstrekt waaruit moest blijken dat de partij textiel waarvoor de HBU de financiering verstrekte, na aankoop zou zijn doorverkocht aan het Engelse bedrijf [Engels bedrijf] voor een totaalbedrag van € 1.895.000. Hieronder zal met betrekking tot feit 3 worden weergegeven dat die stukken niet conform de waarheid zijn. [Engels bedrijf] handelde in mobiele communicatie en de inbouw daarvan in voertuigen en heeft nimmer in textiel gehandeld. Medewerkers van [Engels bedrijf] kennen noch verdachte noch de firma [bedrijf 1].

[medewerker HBU], medewerker Bijzonder Beheer bij de HBU, verklaarde hierover: “Doordat [verdachte] de factuur van [bedrijf 1] aan [Engels bedrijf] aan de bank heeft overhandigd, terwijl er (…) geen verkoopcontract was, is de HBU misleid. De bank ging er op dat moment vanuit dat de factuur echt was. Als de bank op dat moment geweten had dat de factuur aan [Engels bedrijf] vals was, was het dossier op dat moment overgedragen naar mijn afdeling.”

De verkoop van de partij textiel door [bedrijf 1] aan [Engels bedrijf] was volgens verdachte een hele grote set up. Verdachte wilde niet dat het krediet bij de bank in elkaar zou donderen. Hij wist dat de partij textiel niet aan [Engels bedrijf] zou worden geleverd. “Ik moest de krediet-faciliteit bij de HBU in stand houden en daarom hebben we dit gedaan”, aldus verdachte.

Met betrekking tot feit 2 primair:

Zoals hiervoor is weergegeven, is [bedrijf 1] op 14 november 2006 in staat van faillissement verklaard en is verdachte op 6 oktober 2006 uit zijn functie van algemeen directeur getreden. Verdachte verklaarde hierover bij de Belastingdienst/FIOD: “Volgens mij was ik toen volledig in paniek en ik dacht: dit gaat helemaal fout. Ik heb toen contact opgenomen met [betrokkene 6] en heb hem gevraagd of hij voor mij zou kunnen kijken hoe ik het moest oplossen. Ik kon (…) het faillissement van [bedrijf 1] niet gebruiken” en later: “Op het moment dat ik door kreeg dat het faillissement van [bedrijf 1] onontkoombaar was, ben ik terug getreden als directeur van [bedrijf 1]. [betrokkene 4] was daarna directeur maar de feitelijke leiding lag nog steeds bij mij.”

[betrokkene 4] heeft op 6 oktober 2006 samen met [betrokkene 6] de directie van [bedrijf 1] van verdachte overgenomen. Verdachte had [betrokkene 4] en [betrokkene 6] aangesteld, omdat hij niet in de publiciteit wilde komen met het faillissement van [bedrijf 1].

Op 7 november 2006 is een bedrag van € 8.000,- met de omschrijving “inzake [bedrijf 2]” van de bankrekening van [bedrijf 1] afgeschreven. Op 9 november 2006 is een afschrijving te zien van € 3.480,- met de omschrijving “zoals besproken”. Deze bedragen zijn overgemaakt naar de bankrekening van verdachte. Onderliggende stukken zijn niet aangetroffen. Verdachte heeft bij de Belastingdienst/FIOD verklaard had hij de heer [betrokkene 4] opdracht had gegeven om de bedragen van € 8.000,- en € 3.480,-, naar zijn rekening over te maken. Het zou gaan om “management fee”. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat dit laatste niet klopt. Waarvoor de bedragen dan wel naar zijn rekening zijn overgemaakt, heeft verdachte in het ongewisse gelaten.

Op 8 november 2006 is aan de kas van de SNS bank ten laste van de rekening van [bedrijf 1] een bedrag van € 2.000,- opgenomen met als omschrijving “iz [bedrijf 2]”. Op het kasopnameformulier is de handtekening van verdachte herkend. Ook in verband met deze opname zijn geen onderliggende stukken aangetroffen. Bij de Belastingdienst/FIOD heeft verdachte verklaard dat hij niet weet waarvoor de € 2.000,- was.

[betrokkene 7], medewerkster van [bedrijf 1], heeft in de laatste maand dat verdachte geen directeur meer was, wel constant contact met hem gehad over de gang van zaken in het bedrijf. Volgens [betrokkene 7] bleef verdachte de baas. Zij heeft [betrokkene 4], die in plaats van verdachte kwam, nooit als haar directeur beschouwd. “[betrokkene 4] en [betrokkene 6] kwamen ineens opduiken. Zij stonden sigaretjes te roken op het dak en zij zaten te internetten. Meer heb ik ze niet zien doen.”

Met betrekking tot feit 3 primair:

De boekhouding van [bedrijf 1] bevat een creditnota aan [Engels bedrijf], gedateerd 14 juni 2006, voor een bedrag van € 900.000,-. Deze nota houdt – zakelijk weergegeven – dat [bedrijf 1] aan [Engels bedrijf] een bedrag van € 900.000,- terug betaald, wegens “Camel Trousers” en “Safari Raincoats & Jackets” en “Safari Shorts”.

[Engels bedrijf] handelde echter in mobiele communicatie en de inbouw daarvan in voertuigen. [Engels bedrijf] heeft nimmer in textiel gehandeld en kent de firma [bedrijf 1] en verdachte niet. De verkoop van de partij textiel door [bedrijf 1] aan [Engels bedrijf] is een hele grote set up geweest. Verdachte wist dat de partij textiel niet aan [Engels bedrijf] zou worden geleverd.

Verdachte heeft documenten opgemaakt of laten maken die als vals bestempeld zouden kunnen worden. De creditnota is opgemaakt in zijn opdracht.

In de administratie van [bedrijf 1] zijn verder twee overeenkomsten van geldlening aangetroffen van [bedrijf 2] (partij 1) aan [bedrijf 1] ad € 250.000,-, gedateerd respectievelijk 14 juli 2005 en 13 september 2005.

Deze overeenkomsten zijn ondertekend door verdachte en geantidateerd op 14 juli 2005 en 13 september 2005. Zij hielden verband met de overboekingen van [bedrijf 6]/[betrokkene 5] op de derdenrekening van [advocatenkantoor]. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor met betrekking tot feit 1 is overwogen. De data op de overeenkomsten waren de data waarop de HBU het geld naar [bedrijf 1] overmaakte. De overeenkomsten zijn – gelet op aangetroffen e-mails en faxberichten – opgesteld in oktober 2006. Namens [bedrijf 2] zijn de stukken ondertekend door [betrokkene bedrijf 2]. [betrokkene bedrijf 2] is als getuige bij de rechter-commissaris gehoord. Het van zijn verhoor opgemaakte proces-verbaal houdt onder andere in: “U legt mij uit dat vanuit de bank als voorwaarde voor de kredietverstrekking aan [bedrijf 1] was gesteld dat [bedrijf 2] twee maal een bedrag van 250.000 euro zou storten op de bankrekening van [bedrijf 1]. U vraagt mij of ik van die voorwaarde op de hoogte ben geweest en of ik weet of [bedrijf 2] daadwerkelijk deze bedragen heeft gestort. Eventuele stortingen ter invulling van die voorwaarde die de bank blijkbaar had gesteld, hebben zich aan mijn waarneming onttrokken”.

In de administratie van [bedrijf 1] is voorts een akte van dading aangetroffen van 23 mei 2006 in het kader van de levering en verkoop van de partij textiel tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1], welke akte door verdachte is mede-ondertekend. In de akte staat in de overwegingen opgenomen dat de firma [Engels bedrijf] op de levering textiel een bedrag van € 450.000,- heeft betaald en daarnaast nog een bedrag van € 550.000,- zal betalen.

Zoals hiervoor is overwogen, is de verkoop van de partij textiel door [bedrijf 1] aan [Engels bedrijf] een hele grote set up geweest. Namens [bedrijf 3] is de akte ondertekend door [betrokkene 8]. [betrokkene 8] is als getuige bij de rechter-commissaris gehoord, waar hij heeft verklaard dat de akte door verdachte is opgesteld. Het van zijn verhoor opgemaakte proces-verbaal houdt voorts in: “U leest mij voor dat in de akte van dading verder onder meer staat dat [bedrijf 3] een partij textiel geleverd heeft aan [bedrijf 1], dat [bedrijf 1] een deel van die partij heeft doorverkocht aan [Engels bedrijf] en dat [bedrijf 3] het restant van die partij zal terugnemen. Daar klopt helemaal niets van. Er is nooit één stuk textiel geleverd”.

Verder is in de administratie van [bedrijf 1] een factuur ad € 280.000,- aangetroffen, gedateerd 31 december 2005, van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] betreffende “[naam] verk.2e termijn textiel/afwikkeling”. Boven aan de factuur staat met pen geschreven “ontvangen 3/10/2006”.

Van de rekening van [bedrijf 1] is op 25 oktober 2005 een bedrag ad € 280.000,- overgeboekt naar de rekening van de firma [bedrijf 7] in Zwitserland met als betalingsomschrijving: “[bedrijf 7] verkoop 2e termijn textiel afwikkeling”.

Ten aanzien van de factuur en de betaling zijn geen onderliggende bescheiden in de administratie te vinden. Dit met uitzondering van een e-mail van [betrokkene 9] aan [betrokkene 7] , beiden werkzaam bij [bedrijf 1], van 19 oktober 2006, inhoudende – voor zover hier van belang: “(…) [naam] EUR 280.000 zijn kosten voor truien project, [voornaam] (de rechtbank begrijpt: verdachte) vertelde dat dit pas wordt gefactureerd in 2006 of 2007 (…)”.

[naam] heeft nooit € 280.000,- geleend of ontvangen. Hij heeft nooit zaken gedaan in textiel of in truienhandel: de enige textiel die hij heeft, hangt in zijn kast.

4.2. Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3, telkens primair:

De rechtbank acht de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, voor zover tot het bewijs gebezigd, consistent, geloofwaardig en, over en weer, voldoende ondersteunend. De rechtbank heeft die bewijsmiddelen daarom tot het bewijs gebezigd. Dat geldt ook voor bepaalde verklaringen van verdachte. Weliswaar heeft verdachte ten aanzien van een aantal van die verklaringen te kennen gegeven deze te hebben ingetrokken, maar aan die intrekking - die geen enkele (juridische) status heeft - gaat de rechtbank voorbij. De rechtbank ziet namelijk geen reden te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen van verdachte. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte voorafgaand aan de verhoren waarin hij zijn verklaringen heeft afgelegd, is gewezen op zijn zwijg- en consultatierecht. Voorafgaande aan de verhoren heeft bovendien daadwerkelijke rechtsbijstand plaatsgevonden. Niet aannemelijk is geworden dat verdachte tijdens zijn verhoren onder een zodanige druk of stress stond, dat hij “maar wat zou hebben verklaard”.

Voorts overweegt de rechtbank dat ofschoon in het dossier namen van diverse (rechts)personen naar voren komen die ook, in meer of mindere mate, lijken te zijn betrokken bij de ten laste gelegde feiten, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden is om die betrokkenheid van die anderen als “medeplegen” in de zin van artikel 47 Sr te kunnen aanmerken. Van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van de hierna bewezen te verklaren feiten is de rechtbank onvoldoende gebleken.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2 primair zal de rechtbank uitgaan van een periode vanaf 6 oktober 2006. Op die datum is verdachte als directeur teruggetreden en heeft hij - althans formeel - [betrokkene 4] en [betrokkene 6] aangesteld, omdat hij door kreeg dat het faillissement van [bedrijf 1] onontkoombaar was. Feitelijk bleef verdachte echter de baas, de leidinggevende. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte bij die stand nog steeds als bestuurder in de zin van artikel 343 Sr worden aangemerkt.

Anders dan de officier van justitie in haar requisitoir heeft betoogd, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs voor de stelling dat verdachte [bedrijf 1] van meet af aan, dat wil zeggen vanaf zijn overname van dit bedrijf op 31 december 2004, stelselmatig en structureel heeft leeg getrokken. Met betrekking tot de afschrijvingen en opnamen van de rekeningen van [bedrijf 1] voor zover deze hebben plaatsgevonden vóór 6 oktober 2006, kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen verklaard dat verdachte wist dat hiermee de rechten van de schuldeisers van [bedrijf 1] tekort zouden worden gedaan. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat verdachte in die periode wist dan wel ernstig reden had te vermoeden dat het faillissement van [bedrijf 1] onafwendbaar was. Verdachte dient dan ook in zoverre van het onder 2 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, en 3, telkens primair, ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

Primair

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2005 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, een bank, HBU, telkens heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, samen ongeveer 1,4 miljoen euro, in het kader van additionele financiering van de aankoop van een partij textiel,

immers heeft hij toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid aan die bank voorgespiegeld

- dat [bedrijf 2] en/of hij, verdachte, ook eigen geld in [bedrijf 1] stak door een storting van 250.000 euro in juli 2005 en een storting van 250.000 euro in september 2005, die afkomstig leken van [bedrijf 2] op de rekening van [bedrijf 1] bij die bank, terwijl het geen stortingen waren van [bedrijf 2] maar leningen waren van een derde die telkens uit het door de bank ter beschikking gestelde bedrag binnen enkele dagen aan die derde zijn terugbetaald;

- dat door [bedrijf 1] een overeenkomst was gesloten voor de verkoop van die textiel met een Engelse afnemer, [Engels bedrijf];

waardoor die bank telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Feit 2

Primair

hij als bestuurder van [bedrijf 1], welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Haarlem van 14 november 2006 in staat van faillissement was verklaard, in de periode van 6 oktober 2006 tot en met 30 november 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, of elders in Nederland, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [bedrijf 1], goederen aan de boedel heeft onttrokken, hebbende hij:

A) geldbedragen die toebehoorden aan [bedrijf 1] laten overboeken op zijn, verdachtes bankrekening, te weten:

- € 8.000 aangeduid met "inzake [bedrijf 2]", op 7 november 2006, en

- € 3.480 aangeduid met "zoals besproken", op 9 november 2006,

en

B) een geldbedrag van € 2.000, aangeduid met "iz [bedrijf 2]", op 8 november 2006 contant laten uitbetalen aan hem, verdachte zelf.

Feit 3

Primair hij in de periode van 23 mei 2006 tot en met 31 oktober 2006 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, of elders in Nederland:

1. een creditnota d.d. 14 juni 2006 en

2. een overeenkomst van geldlening gedateerd 14 juli 2005 en

3. een overeenkomst van geldlening gedateerd 13 september 2005 en

4. een akte van Dading tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 1] d.d. 23 mei 2006 en

5. een factuur d.d. 31 december 2005,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken,

immers heeft verdachte telkens valselijk

ad 1. op die nota een terug te betalen bedrag van 900.000 euro aan [Engels bedrijf]. vermeld en

ad 2. op deze overeenkomst als datum vermeld 14 juli 2005 en als partij 1 vermeld [bedrijf 2] en

ad 3. op deze overeenkomst als datum vermeld 13 september 2005 en als partij 1 vermeld [bedrijf 2] en

ad 4. in die akte opgenomen dat [Engels bedrijf] op deze levering een bedrag van EUR 450.000,-- heeft betaald en daarnaast nog een bedrag van EUR 550.000,- zal betalen en

ad 5. op deze factuur als datum vermeld 31 december 2005 en "verk.2e termijn textiel/afwikkeling",

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 3, telkens primair, meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair: oplichting, meermalen gepleegd;

Feit 2 primair: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd;

Feit 3 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van de voormalige HBU-bank voor een bedrag van bijna 1,4 miljoen euro door deze bank - in strijd met de waarheid - voor te spiegelen dat (kort gezegd) [bedrijf 1] bezig was met een lucratieve aan- en verkoop van een partij textiel, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval bleek te zijn, waardoor de bank een additioneel krediet heeft verstrekt tot het vermelde bedrag. Hierbij heeft verdachte in strijd met (de bedoeling van) de door de bank gestelde voorwaarden, aan de bank doen voorkomen alsof (ook) het eigen vermogen van [bedrijf 1] werd versterkt, vanuit de firma [bedrijf 2], door het door die firma storten van twee maal een bedrag van € 250.000,--, terwijl deze stortingen in werkelijkheid afkomstig waren van een derde die, nadat de bank het krediet had verstrekt, buiten het zicht van de bank direct weer werd terugbetaald, zodat van versterking van het eigen vermogen van [bedrijf 1] feitelijk geen sprake was.

De rechtbank acht dit een bijzonder ernstig feit. Verdachte heeft doelbewust misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de bank, en dan met name de accountmanager van [bedrijf 1], de heer [naam accountmanager], in verdachte had gesteld. Door het handelen van verdachte heeft de bank voor een aanzienlijk bedrag schade geleden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Tevens heeft verdachte valse stukken opgesteld of laten opstellen. Deze stukken hielden niet alleen verband met de oplichting, maar ook met een (onduidelijk gebleven) overboeking van de rekening van [bedrijf 1] naar de rekening van de firma [bedrijf 7] in Zwitserland van een bedrag ad € 280.000,--. Volgens de namens verdachte opgestelde factuur hield deze betaling verband met, wederom, een textieltransactie, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval bleek te zijn.

Verdachte heeft met dit handelen ernstig inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat in het maatschappelijk, maar vooral ook zakelijke verkeer, in de echtheid van documenten moet kunnen worden gesteld. De integriteit van het financiële en economische verkeer valt of staat met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in financiële stukken, voorwaarden en transacties en dit vertrouwen is door verdachte in ernstige mate aangetast.

Tot slot heeft verdachte in het zicht van het naderende faillissement van [bedrijf 1] goederen aan de boedel van deze rechtspersoon onttrokken tot een totaalbedrag van ruim € 13.000,--. Aldus heeft verdachte zichzelf bevoordeeld ten opzichte van de schuldeisers van [bedrijf 1], onder wie werknemers met een loonvordering. Ook dit is een bijzonder kwalijk feit, waaruit blijkt dat verdachte kennelijk uit puur eigen financieel gewin heeft gehandeld.

Op grond van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, komt naar het oordeel van de rechtbank – uit een oogpunt van normhandhaving en vergelding – in beginsel slechts een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking, waarvan het onvoorwaardelijk deel ook langer behoort te zijn dan de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht.

Anderzijds heeft te gelden dat de feiten inmiddels zes à zeven jaren geleden zijn begaan. Voorts kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat indien door of namens de HBU bank meer (eigen) onderzoek was verricht naar de vermeende textieltransactie en de daarbij betrokken partijen, het additionele krediet nimmer zou zijn verstrekt en het bij een poging tot oplichting zou zijn gebleven.

De rechtbank ziet in het voorgaande reden af te wijken van de eis van de officier van justitie, welke eis de rechtbank ook overigens te hoog voorkomt. Zoals hiervoor is overwogen, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte [bedrijf 1] van meet af aan stelselmatig en structureel heeft leeg getrokken, en wordt verdachte om die reden ook van bepaalde onderdelen van de tenlastelegging van feit 2 primair vrijgesproken. Voorts kent de officier van justitie gewicht toe aan de door haar gestelde intimidatie en agressie van verdachte, welke omstandigheden echter niet in de tenlastelegging zijn opgenomen, door verdachte worden betwist en op basis van de stukken niet genoegzaam zijn aangetoond. De rechtbank zal daarmee dan ook geen rekening houden. Tot slot blijkt uit een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie dat verdachte weliswaar eerder is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrift – op 29 juni 2006, door de rechtbank Arnhem – maar de oplichting van de HBU bank, de pijler van deze strafzaak, heeft daarvoor plaatsgevonden.

Gelet op het bovenstaande en ook gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank de gevorderde gevangenisstraf aanzienlijk matigen en daarvan een groot deel voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te begaan. Het onvoorwaardelijk gedeelte van deze gevangenisstraf is gelijk aan de tijd welke verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zodat het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde, gezien de relatief beperkte vrijheidsstraf, mede tot uitdrukking dient te worden gebracht in een aan verdachte op te leggen werkstraf van maximale duur en een forse geldboete.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 57, 63, 225, 326 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3, telkens primair, ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3, telkens primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren;

verklaart deze feiten strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIEHONDERDZESTIG (360) DAGEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot tweehonderdveertien (214) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van TWEEHONDERDVEERTIG (240) UREN taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis;

veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van VIJFTIGDUIZEND EURO

(€ 50.000,-), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 dagen hechtenis;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mr. S. Jongeling en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2012.