Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX2995

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
540655 \ CV EXPL 11-17540
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door freelancer verrichte werkzaamheden. Gedaagde wordt veroordeeld alsnog het overeengekomen bedrag te betalen. In reconventie wordt de gevorderde schadevergoeding op grond van 7:661 BW afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0703
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 540655 \ CV EXPL 11-17540

datum uitspraak: 26 juli 2012

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[EISER / VERWEERDER]

te [woonplaats]

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

hierna te noemen [eiser / verweerder]

gemachtigde mr. B.K.M. Fritz

tegen

de besloten vennootschap Inopsy Nederland B.V.

te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

hierna te noemen Inopsy

gemachtigde P.J. Weber

In conventie en in reconventie

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 december 2011, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties,

- het door de kantonrechter tussen partijen gewe¬zen en op 12 januari 2012 uitgesproken tussenvonnis,

- de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 7 maart 2012 gehouden comparitie van partijen en de met het oog op die zitting door de gemachtigde van

[eiser / verweerder] aan de kantonrechter en de wederpartij gezonden conclusie van antwoord in reconventie met producties,

- de conclusie van repliek in conventie tevens akte vermeerdering van eis in conventie,

- de conclusie van dupliek in conventie, met producties,

- de conclusie van repliek in reconventie, tevens akte houdende vermeerdering van eis,

- de conclusie van dupliek in reconventie met één productie.

[eiser / verweerder] heeft bij conclusie van dupliek in reconventie nog één productie in het geding gebracht. Inopsy heeft op die productie niet kunnen reageren. Aangezien die productie voor het beoordelen van deze zaak van belang is, bestaat er noodzaak om Inopsy alsnog in de gelegenheid te stellen om op die productie te reageren.

De feiten

a. Bij brief van 5 augustus 2010 heeft Inopsy aan [eiser / verweerder] afspraken bevestigd. Deze bevestiging bevat het volgende:

“Hierbij bevestig ik voor Inopsy Nederland B.V. (“Inopsy”) de vandaag tussen ons gemaakte afspraken in aanvulling de eerder door jou de gedane investering in Februari:

• Voor het ontwikkelen van videodiensten gedurende 2010/2011 verricht jij (gemiddeld) 2 ½ dag per week werkzaamheden bij ons op kantoor tegen een tarief van EUR 3.000 excl. BTW per maand, te factureren vanuit een BV met fiscale garantie of onder een VAR.

• (…)

• Ter voldoening van aanloopkosten voldoet Inopsy EUR 3.000 euro tegen verstrekking van een factuur.

(…)”

b. De tussen partijen geldende Certificaathoudersovereenkomst van 17 augustus 2010 bepaalt het volgende:

“6.1 De prijs van een certificaat van aandeel bij verplichte aanbieding door de Participant als gevolg van de situatie genoemd in artikel 2.2 in het geval van opzegging door de Participant en artikel 2.3 van de Overeenkomst, (wordt? Kantonrechter) vastgesteld op het bedrag dat oorspronkelijk voor de investering door Participant is betaald, tenzij in de vergadering van certificaathouders anders wordt besloten.”

c. Per e-mail bericht van 19 december 2010 heeft [eiser / verweerder] het volgende aan Inopsy geschreven:

“Naar aanleiding van ons gesprek, wil ik je laten weten dat, hoewel het heel aantrekkelijke oplossing is van mijn problemen, ik geen deel van mijn aandelen op dit moment wil verkopen. Als we ons aan de oude afspraak houden, hoeft er niks veranderen. Wel wil ik graag de facturen van 2010 dit jaar sturen, omdat ik volgend jaar geen freelancer meer ben. (…)”

d. Bij e-mail bericht van 6 januari 2011 heeft [eiser / verweerder] het volgende aan Inopsy geschreven:

“Ik heb met Peter vorige jaar de volgende afspraak gemaakt:

Voor mijn werkzaamheden voor inopsy in 2010 breng ik 1x?3000 ex btw in rekening voor onkosten.

Tevens krijg ik .6 aandeel van de Stichting Administratie Kantoor / Stichting Inopsy Nederland Investments.

Als dit deel op 31 december 2010 minder dan ?30.000 waard is en/of de eerste ‘exitmoment’ niet plaats vindt voor 17 januari 2011 betaald inopsy mij voor elke maand die ik gewerkt heb ?3000 ex btw. (6x ?3000 + eerder genoemde onkosten. (…)”

e. Per e-mail bericht van 9 januari 2011 van 13:56 uur heeft [eiser / verweerder] het volgende aan Inopsy geschreven:

“(…)

Ik vind het goed om de dealine van onze afspraak over de waarde Stak en facturen van 31 dec 2010 naar eind maart. Dus eind maart is .6 procent van de aandelen 30.000 euro (of meer) waard anders factureer ik 6 x 3000 euro en mag ik mijn aandelen houden. (…)”

f. In antwoord op het onder e. genoemde e-mail bericht van 9 januari 2011 heeft Inopsy per e-mail bericht van gelijke datum van 15:40 uur het volgende aan [eiser / verweerder] geschreven:

“Verder kan de interpretatie van “Dus eind maart is .6 procent van de aandelen 30.000 euro (of meer) waard anders factureer ik 6 x 3000 euro en mag ik mijn aandelen houden.” dat zoiets een kansspel is. Als inopsy faalt voor de datum … . Lukt t wel dan factuur ik niet. Het stak deel blijft sowieso v*n mij. Als inopsy in de toekomst wel slaagt dan … . Altijd winst. Ik kan mij niet voorstellen dat Peter het zo bedoeld had. (…)”

g. Vervolgens heeft [eiser / verweerder] in antwoord op het onder f. genoemde e-mail bericht op 9 januari 2011 om 17:39 uur het volgende aan Inopsy geschreven:

“Okey, ik heb geen zin in gezeik, dus laten we alleen afspreken waar we allemaal mee eens zijn. Eerst Papiertje / arbeidscontract gevalletje deze week en andere afspraak uitstellen tot eind maart. Is dat acceptabel?”

h. Per e-mail bericht van 6 maart 2011 heeft Inopsy het volgende aan haar certificaathouders geschreven:

“Voor de bepaling van de waarde van de certifcaten kan worden aangesloten op het geschatte eigen vermogen per 31 december 2010 dat volgens de opgaaf van de administratie EUR 225.000 bedraagt. De waarde kan daarom worden berekend als EUR 225.000 / 500.000, dus EUR 0,45 oer certificaat. Voor een certificaathouder met 3.000 certificaten kan de waarde daarvan per 31 december 2010 dus worden gesteld op 3.000 * EUR 0,45 = EUR 1.350.(…)”

i. Per e-mail bericht van 3 mei 2011 om 09:16 uur heeft Inopsy het volgende aan [eiser / verweerder] geschreven:

“Aangezien er voor de WBSO verantwoord moet worden, wil ik graag een tijdverantwoording per kwartier waaraan gewerkt is/wordt (…)”

j. Per e-mailbericht van 3 mei 2011 heeft [eiser / verweerder] om 09:43 uur hierop geantwoord: “als jij dat wil geen probleem” en vervolgens heeft hij diezelfde dag om 16:46 uur nog geschreven: “zal het meteen in de urenstaat wsbo voor je zetten”.

k. Per e-mail bericht van 2 augustus 2011 heeft [eiser / verweerder] het volgende aan Inopsy geschreven:

“(…)

Over 2010:

Voor mijn werkzaamheden voor inopsy in 2010 breng ik 1x€3000 ex btw in rekening voor onkosten. Tevens krijg ik .6 aandeel van de Stichting Administratie Kantoor / Stichting Inopsy Nederland Investments. Als dit deel op 31 december 2010 minder dan €30.000 waard is en/of de eerste ‘exitmoment’ niet plaats vindt voor 17 januari 2011 betaald inopsy mij voor elke maand die ik gewerkt heb €3000 ex btw. (6x €3000 + eerder genoemde onkosten)

(…)”

In conventie

De vordering

[eiser / verweerder] vordert, na vermeerdering van de eis, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Inopsy zal veroordelen aan [eiser / verweerder] te voldoen € 13.000,00 inclusief omzetbelasting, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2011 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Inopsy in de kosten van de procedure.

[eiser / verweerder] heeft het volgende aan de vordering ten grond¬slag gelegd:

Tussen partijen heeft een arbeidsovereenkomst bestaan van 1 januari 2011 tot 1 augustus 2011 op basis van een brutosalaris van € 8.810,07 per maand vermeerderd met 8% vakantietoeslag.

Voorafgaande aan de indiensttreding per 1 januari 2011 heeft [eiser / verweerder] voor Inopsy in het jaar 2010 werkzaamheden verricht op grond waarvan hem 6 maal € 3.000,00 = € 18.000,00 toekomt, verminderd met een betaald voorschot van € 5.000,00, zodat resteert € 13.000,00.

Inopsy is in gebreke gebleven de betalingen te verrichten.

Uit de mededeling van Inopsy blijkt dat de waarde van de aandelen die aan [eiser / verweerder] behoren niet meer bedraagt dan € 1.350,00. De stelling van Inopsy dat de aandelen op of omstreeks

1 januari 2011 een veel hogere waarde (€ 30.000,00 respectievelijk € 70.000,00) zouden hebben dan de aankoopwaarde blijkt onjuist te zijn.

Als al komt vast te staan dat tussen partijen wel eens gesproken is over waardestijging en de vraag of bij een (enorme) waardestijging niet de verplichting zou komen te vervallen tot betaling van de vergoeding 2010, dan is dit nog geen overeenkomst die partijen bindt. Een dergelijke afspraak heeft nooit bestaan. [eiser / verweerder] was niet bereid medewerking te verlenen aan niet-opgestelde overeenkomsten. Als Inopsy een dergelijke regeling had willen overeenkomen, had dit moeten worden vastgelegd, hetgeen niet is geschied.

Het verweer

Inopsy betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan:

In juli 2012 ontving [eiser / verweerder] 0,6% gecertificeerde aandelen van Inopsy. Hieraan lag de afspraak ten grondslag dat Inopsy de periode van 2010 niet met terugwerkende kracht hoefde te betalen indien de aandelen per 17 januari 2011 ten minste € 30.000,00 waard zouden zijn.

Medio december 2010 wordt door Inopsy aan [eiser / verweerder] een aanbod gedaan om de helft van zijn aandelen over te nemen voor € 40.000,00. Daarmee staat vast dat zijn aandelen meer waard zijn dan de drempel die was afgesproken om niet te hoeven betalen en vervalt dus de verplichting van Inopsy om met terugwerkende kracht 2010 te voldoen.

Voor zover de rechtbank deze stelling van Inopsy niet volgt, beroept Inopsy zich op verrekening: zij heeft een behoorlijke schade, niet minder dan € 22.620,00 die nog vermeerderd moet worden met alle gemaakte kosten, schade die aan de hand van afspraken met [eiser / verweerder] eenvoudig valt te bewijzen.

In reconventie:

De vordering

Inopsy vordert, na wijziging van de eis, dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser / verweerder] zal veroordelen:

a. om binnen 2 werkdagen aan Inopsy over te leggen een getekende arbeidsovereenkomst zoals in gezamenlijkheid is opgesteld in juli 2011 waarbij het salarisartikel wat Inopsy betreft kan worden doorgehaald, onder een boete van € 250,00 per dag dat [eiser / verweerder] weigert dat te doen;

b. om aan Inopsy terug te betalen de aan [eiser / verweerder] in december 2011 verstrekte lening van € 5.000,00;

c. om aan Inopsy te voldoen de WSBO schade ten bedrage van € 22.620,00, subsidiair € 11.310,00;

d. om voor de periode 2010 aan Inopsy een geldige VAR verklaring over te leggen zodat Inopsy haar administratie op orde kan brengen, eveneens onder een boete van € 250,00 per dag dat [eiser / verweerder] weigert te voldoen;

te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van vonnis tot de algehele voldoening en met veroordeling van [eiser / verweerder] in de proceskosten.

Inopsy heeft behalve haar verweer in conventie het volgende aan haar vordering ten grond¬slag gelegd:

Inopsy heeft ter zake van 2011 een deugdelijke administratie te voeren en jaarafrekening op te stellen. Zij kan dat niet doen zonder onderliggende stukken. Bovendien is [eiser / verweerder] verplichtingen aangegaan die voortduren, zoals o.a. geheimhouding. [eiser / verweerder] dient de arbeidsovereenkomst te ondertekenen waarover immers ook per juli 2011 volledige overeenstemming bestond.

Voor zover [eiser / verweerder] het niet eens is met het in de arbeidsovereenkomst opgenomen salaris kan dat wat Inopsy betreft worden geschrapt.

[eiser / verweerder] moest zijn uren bijhouden, maar dat heeft hij niet gedaan. Daardoor heeft Inopsy schade geleden.

Na de comparitie staat in ieder geval vast dat [eiser / verweerder] door het niet overleggen van een urenregistratie voor de periode van 3 mei 2011 tot 31 juli 2011 als werknemer ten minste de helft van zijn tijd niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, terwijl Inopsy daar dus wel degelijk om had gevraagd.

Elke professionele ICT-er houdt al vanuit zichzelf een urenverantwoording bij. Inopsy heeft

[eiser / verweerder] er wel degelijk om gevraagd. [eiser / verweerder] heeft er bij de administratie over geklaagd dat hij niet meer aan werken toekwam met deze urenregistratie. Het is miraculeus dat [eiser / verweerder] het eerst niet eens zou zijn om een urenstaat bij te houden, terwijl hij zelf een duidelijke instructie overlegt.

In het kader van de WBSO heeft Inopsy ruim 10.000 uren toegekend gekregen. Het gaat om een tarief van € 29,00 per gewerkt uur. De schade die Inopsy over een periode van zes maanden lijdt, bedraagt € 22.620,00.

Indien de kantonrechter uitgaat van de datum van 3 mei 2011 dan lijdt Inopsy over een periode van drie maanden schade tot een bedrag van € 11.310,00.

Inopsy dient voor het in 2010 betaalde bedrag van € 3.750,00 een geldige VAR te verkrijgen.

Het verweer

[eiser / verweerder] heeft de vordering gemotiveerd betwist. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling

In conventie

1. Ter comparitie heeft [eiser / verweerder] verklaard dat Inopsy € 40.000,00 heeft geboden voor zijn aandelen. Dit is ter zitting bevestigd door Inopsy daarbij wijzend op het e-mail bericht van [eiser / verweerder] van 19 december 2010. Mede gelet op de onder de vaststaande feiten vermelde e-mail berichten tussen partijen, staat daarom vast dat de door Inopsy gestelde afspraak is gemaakt en dat Inopsy € 40.000,00 voor de aandelen van [eiser / verweerder] heeft geboden.

2. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of daarmee aan het vereiste van de afspraak is voldaan, te weten: dat de waarde van de aandelen € 30.000,00 of meer moet zijn. Uit de eigen verklaring van Inopsy (onder de vaststaande feiten onder h. opgenomen ) blijkt dat de waarde per 31 december 2010 volgens haar eigen stelling € 1.350,00 was. Voorts heeft Inopsy zich voor de waardebepaling van de aandelen beroepen op artikel 6.1 van de Certificaathoudersovereenkomst van 17 augustus 2010. Dat beroep kan hier niet slagen, omdat in genoemd artikel 6.1 sprake is van verplichte aanbieding door de Participant (in dit geval [eiser / verweerder]). Gesteld noch gebleken is dat hier sprake is van een verplichte aanbieding in de zin van genoemd artikel. Daarbij komt dat bij een dergelijke verplichte aanbieding de waarde wordt vastgesteld op het oorspronkelijk door [eiser / verweerder] betaalde bedrag, hier: € 108,00. Daarom een waarde beduidend lager dan de gestelde € 40.000,00.

3. Gelet op het gemotiveerde verweer van [eiser / verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat het aanbod van € 40.000,00 van Inopsy niet gezien kan worden als een maatstaf voor de waarde van de aandelen op het moment van de aanbieding. Immers, Inopsy heeft op geen enkele wijze aangetoond op welke manier die waarde is vastgesteld. De eisen van redelijkheid en billijkheid verzetten zich ertegen dat Inopsy die waarde éénzijdig kan vaststellen, om aldus onder haar betalingsverplichting jegens [eiser / verweerder] uit te komen.

4. Het vorenstaande leidt de kantonrechter tot de conclusie dat Inopsy verplicht is [eiser / verweerder] alsnog het overeengekomen bedrag van € 3.000,0 per maand uit te betalen.

5. Beoordeeld moet daarom nu worden hoeveel Inopsy nog aan [eiser / verweerder] verschuldigd is.

6. [eiser / verweerder] heeft gesteld dat hij recht heeft op 6 maanden ad € 3.000,00 = € 18.000,00, te verminderen met het reeds betaalde bedrag van € 5.000,00.

7. Inopsy heeft aangevoerd dat er geen afspraak is gemaakt dat € 3.000,00 als aanloopkosten zou worden betaald. De afspraak was dat Inopsy in ieder geval de eerste van de zes maanden zou betalen. Daarvoor is € 3.000,00 betaald.

8. In het licht van het door Inopsy gevoerde verweer heeft [eiser / verweerder] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hem als aanloopkosten € 3.000,00 zou worden voldaan naast het bedrag van € 3.000,00 per maand voor zes maanden. De stelling van [eiser / verweerder] wordt ook niet onderbouwd met de door hem overgelegde factuur. Daarin wordt immers niet als beschrijving “aanloopkosten” vermeld, maar als beschrijving “diverse projecten”. Deze laatste beschrijving stemt overeen met wat partijen als werkzaamheden waren overeenkomen. Het had daarom op de weg van [eiser / verweerder] gelegen zijn stelling concreter te onderbouwen en te bewijzen aan te bieden. Nu hij dat onvoldoende heeft gedaan, zal de kantonrechter hem niet tot bewijslevering (kunnen) toelaten en gaat hij ervan uit dat de ook betaalde € 3.000,00 als betaling van de eerste maand heeft te gelden.

9. Per saldo dient Inopsy daarom alsnog € 10.000,00 aan [eiser / verweerder] te voldoen.

10. De gevorderde rente is als steunend op de wet eveneens toewijsbaar.

11. Wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis in conventie is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

12. Inopsy zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in conventie worden veroordeeld.

13. Omdat de beslissing in reconventie moet worden aangehouden totdat Inopsy nog op de door [eiser / verweerder] bij conclusie van dupliek in reconventie overgelegde productie zal hebben gereageerd, zal uit praktische overwegingen ook in conventie de beslissing verder worden aangehouden om alle beslissingen in één eindvonnis te kunnen opnemen.

In reconventie

14. Inopsy heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat er een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen, waarmee beide partijen het eens waren. Dit geldt temeer nu zij ermee zou kunnen instemmen een arbeidsovereenkomst te laten ondertekenen zonder dat daarin een salaris wordt genoemd. Gelet op de tussen partijen gevoerde correspondentie over de definitieve tekst van de arbeidsovereenkomst kan niet de conclusie worden getrokken dat partijen het reeds over alles eens waren. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

15. Bij toewijzing van het bedrag van € 5.000,00 als terugbetaling van de door Inopsy gestelde lening, welke lening door [eiser / verweerder] wordt bestreden, heeft Inopsy geen belang. Immers, als dit bedrag in reconventie zou worden toegewezen omdat het in december 2010 als lening zou zijn verstrekt, brengt dat uiteraard met zich dat in conventie voor datzelfde bedrag van € 5.000,00 te weinig loon is uitgekeerd. De vordering in conventie zou dan voor een hoger bedrag, namelijk € 15.000,00, moeten worden toegewezen. Daar schiet Inopsy dus niets mee op.

16. Met betrekking tot de door Inopsy gestelde urenverantwoording is de kantonrechter het volgende van oordeel.

17. [eiser / verweerder] heeft gemotiveerd bestreden dat tussen partijen een afspraak heeft bestaan dat urenverantwoording zou moeten plaatsvinden.

18. De beantwoording van de vraag of de afspraak inderdaad is gemaakt en/of er voor

[eiser / verweerder] een verplichting bestond tot het afgeven van een urenverantwoording kan in het midden blijven.

19. De beoordeling van de eventuele schadeplichtigheid van [eiser / verweerder] moet immers gebeuren op basis van het bepaalde bij artikel 7:661 BW. Op grond van dat artikel is

[eiser / verweerder] slechts gehouden tot vergoeding van schade indien de schade het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

20. In het licht van het door [eiser / verweerder] gevoerde verweer tegen dit deel van de vordering had het op de weg van Inopsy gelegen de vereiste opzet of bewuste roekeloosheid te stellen, concreet te onderbouwen en zo nodig te bewijzen aan te bieden. Dat heeft zij niet gedaan. Reeds daarom zal dit deel van de vordering als onvoldoende gemotiveerd moeten worden afgewezen.

21. Met betrekking tot de door Inopsy verlangde VAR verklaring voor 2010 heeft [eiser / verweerder] bij conclusie van dupliek de op 2010 van toepassing zijnde VAR verklaring overgelegd.

22. Inopsy heeft op die productie nog niet kunnen reageren. De zaak zal daarom naar de rol moeten worden verwezen om Inopsy in de gelegenheid te stellen een reactie op de overlegde VAR verklaring te geven. Het is haar niet toegestaan nog verder op de inhoud van de zaak en de hierboven opgenomen beoordeling in te gaan. Het is haar evenmin toegestaan nieuwe producties in het geding te brengen.

23. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

In reconventie

Verwijst de zaak naar de rolzitting van:

DONDERDAG 23 AUGUSTUS 2012

voor uitlating aan de zijde van Inopsy over de door [eiser / verweerder] overgelegde VAR verklaring 2010.

In conventie en in reconventie:

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde uitspraakdatum.

Coll.