Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX2758

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
193843 - KG ZA 12-331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kort geding. Na de Nieuwjaarsbrand in cafe De Hemel in 2001 heeft de toenmalige burgemeester van de gemeente Edam-Volendam de brandpreventieambtenaar van de gemeente publiekelijk aangewezen als schuldig aan de brand. De Stichting Rehabilitatie Brandpreventieambtenaar [G] zet zich in voor de rehabilitatie van deze ambtenaar en publiceert in dat verband geregeld in diverse media. De Gemeente Edam-Volendam vordert onder andere een verbod voor de Stichting tot het voeren van een debat over de kwestie en een verbod om zich beledigend uit te laten over medewerkers van de gemeente. De vorderingen worden voor zover de uitlatingen van de Stichting betrekking hebben op de gebeurtenissen in 2001 afgewezen, aangezien de rehabilitatie een kwestie is van algemeen belang waarover het debat in scherpe - doch niet onrechtmatige - bewoordingen mag worden gevoerd. Er zijn echter onvoldoende aanwijzingen dat het ontslag van de ambtenaar in 2009 verband houdt met de Nieuwjaarsbrand. Omdat het ontslag - als privéaangelegenheid van de ambtenaar - geen kwestie is van algemeen belang, moeten de persoonlijke aanvallen en verdachtmakingen aan het adres van de burgemeester en een tweetal ambtenaren die betrekking hebben op het ontslag stoppen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 193843 / KG ZA 12-331

Vonnis in kort geding van 26 juli 2012

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EDAM-VOLENDAM,

zetelend te Edam-Volendam,

2. [A],

wonende te Edam-Volendam,

3. [B],

wonende te Edam-Volendam,

4. [C],

wonende te Edam-Volendam,

eisers,

advocaat mr. W. van Leuveren,

tegen

1. de stichting

STICHTING REHABILITATIE BRANDPREVENTIEAMBTENAAR [G],

gevestigd te Volendam,

2. [D],

wonende te Volendam,

3. [E],

wonende te Volendam,

4. [F],

wonende te Volendam,

gedaagden,

advocaat mr. J.P. van den Brink,

5. [G],

wonende te Volendam,

gedaagde,

advocaat mr. C. Hellingman.

Eiseres sub 1 zal hierna de gemeente worden genoemd. Eisers zullen hierna gezamenlijk de gemeente c.s. worden genoemd. Gedaagde sub 1 zal hierna de Stichting worden genoemd. Gedaagden sub 1 t/m sub 4 zullen hierna gezamenlijk de Stichting c.s. worden genoemd. Gedaagde sub 5 zal verder worden aangeduid als [G].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de gemeente c.s.

- de pleitnota van de Stichting c.s.

- de pleitnota van [G].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A], [B] en [C] zijn respectievelijk burgemeester, gemeentesecretaris en afdelingshoofd Veiligheid, Handhaving en Brandweerzorg van de gemeente.

2.2. [G] is sinds 1999 eerst als brandpreventieambtenaar en vervolgens als officier preventie werkzaam geweest bij de gemeente. Tevens is [G] tot op heden werkzaam bij de vrijwillige brandweer van de gemeente.

2.3. Het college van burgemeester en wethouders heeft [H] als exploitant van de horecagelegenheden ‘De Wir War Bar’ en ‘De Hemel’ bij brief van 29 mei 2000 bericht dat de brandpreventiemedewerker van de gemeente (de voorzieningenrechter begrijpt: [G]) op 28 april 2000 een brandpreventiecontrole heeft verricht waarbij verschillende gebreken zijn geconstateerd, waardoor bij een incident een levensgevaarlijke situatie kan ontstaan. [H] is te kennen gegeven dat een gebruiksvergunning niet kan worden afgegeven, voordat (onder andere) bruikbare nooduitgangen zijn aangelegd en op alle verdiepingen brandhaspels zijn aangebracht. Op advies van [G] heeft het college van burgemeester en wethouders [H] tot oktober 2000 gegeven om de noodzakelijke voorzieningen aan te brengen, hetgeen niet is gebeurd.

2.4. In een notitie van 8 november 2000 over de brandveiligheidsaspecten in ‘De Hemel’ en ‘De Wir War Bar’ heeft [G] als volgt gerapporteerd:

“Na een brandveiligheidscontrole t.b.v. de gebruiksvergunning, zijn bij “Wir War Bar” te Volendam, door de brandpreventiefunctionaris een aantal gebreken gesignaleerd. Door deze gebreken kan er bij een calamiteit een gevaarlijke situatie ontstaan. Er dient opgemerkt te worden dat onder de huidige situatie de gebruiksvergunning moet worden geweigerd. […] O.a. is Geconstateerd dat alle drie verdiepingen van bouwwerk onvoldoende vluchtwegcapaciteit hebben. Hieropvolgend zijn er diverse bouwkundige mogelijkheden onderzocht om aan deze maatregelen te voldoen. […] Om tot een oplossing te komen de brandpreventie op een goed niveau te krijgen, dient opgemerkt te worden dat de voorgevel gewijzigd wordt. In deze voorgevel wordt de in- en uitgang verbreedt naar 1.80 meter waarbij de deuren in de richting van de vluchtweg draaien. Na deze wijziging is de vluchtmogelijkheid van het bouwwerk alsnog onvoldoende. Feitelijk is de enigste mogelijkheid om een extra vluchtweg te creëren, te vinden in de achtergevel van het bouwwerk. Doormiddel van een vluchttrap en vluchtdeuren te plaatsen aan de achtergevel, kan de “Wir War Bar” en de “Hemel”, voorzien worden van extra vluchtwegcapaciteit. In dit geval komt de vluchttrap uit op de openbare grond. Om de brandveiligheid van het horecagebouw te waarborgen, is het van groot belang dat er ingestemd wordt om deze maatregelen uit te laten voeren.”

De notitie bevat de aantekening “direct laten uitvoeren” van de direct leidinggevende van [G] en is geparafeerd door toenmalig wethouder Bouw- en Woningtoezicht en loco-burgemeester [I].

2.5. In de nieuwjaarsnacht van 31 december 2000 op 1 januari 2001 is een grote brand uitgebroken in ‘De Wir War Bar’ en ‘De Hemel’. [G] heeft als plaatsvervangend commandant van de brandweer het commando gehad over het blussen van de brand en het redden van de slachtoffers. Bij de brand zijn 14 personen om het leven gekomen, waaronder twee naaste verwanten van de vrouw van [G]. Honderden personen hebben bij de brand blijvend letsel opgelopen.

2.6. In het NOS-journaal van 1 januari 2001 heeft toenmalig burgemeester [J] van de gemeente verklaard:

“We hebben speciaal een ambtenaar vorig jaar aangesteld die is belast met de brandpreventie[…]we zijn met alle horecabedrijven, dus ook met dit bedrijf, in de weer”

In reactie op de suggestie van de interviewer dat er wel regelgeving is, maar dat de naleving daarvan slecht wordt gecontroleerd antwoordt [J]:

“Ja, maar daarvoor hebben we die ambtenaar aangesteld, om juist wel die naleving af te

dwingen”

2.7. In de televisie-uitzending van actualiteitenprogramma Netwerk van 7 januari 2001 heeft de presentator [J] de vraag gesteld:

“De ambtenaar verantwoordelijk voor brandpreventie had het college van B&W moeten inlichten en dat heeft hij niet gedaan?”

waarop [J] heeft geantwoord:

“Ik vind het vervelend om het nou maar op een ambtenaar te schuiven, dus dat doe ik liever niet. Maar laten we het zo houden: wij wisten het niet. Het is ons niet gerapporteerd.”

2.8. In de abonneekrant Nieuw-Volendam (hierna: NIVO) is op 10 januari 2001 namens het gemeentebestuur en het personeel van de gemeente de volgende verklaring gepubliceerd:

“Aan alle inwoners van Volendam

[…]Het gemeentebestuur en het personeel hebben kennis genomen van de berichtgevingen in diverse media met betrekking tot de verantwoordelijkheid rond de tragische gebeurtenissen in de Nieuwjaarsnacht. Zij betreuren dat er ten onrechte een beeld is ontstaan waaruit afgeleid zou kunnen worden dat de verantwoordelijkheid voor één en ander bij ambtenaren zou liggen. Zij wijzen op de verklaring namens het voltallige college van Burgemeester en Wethouders, afgelegd door de burgemeester in de raadsvergadering van 5 januari jl., waarin het College van Burgemeester en Wethouders de volledige bestuurlijke en politieke verantwoordelijkheid voor de besluitvorming, de controle en de naleving op zich heeft genomen. Via deze weg wordt het onvoorwaardelijke vertrouwen uitgesproken in alle medewerkers van de gemeente, zowel individueel als collectief.”

2.9. In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft de Commissie Alders onderzoek gedaan naar de oorzaken van de ramp. Op vezoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft de commissaris van de koningin van de provincie Noord-Holland mr. J.M. Polak en drs. C.J.N. Versteden opdracht gegeven voor een onderzoek ten behoeve van de verantwoording aan de gemeenteraad. Uit beide onderzoeken blijkt niet dat [G] enig verwijt gemaakt kan worden.

2.10. [G] is na de brand op zeker moment gepromoveerd tot officier preventie. In januari 2008 is een verschil van inzicht ontstaan tussen [C] en [G] over de vergunningverlening ten behoeve van de horecagelegenheid ‘Gat van Nederland’. [G] heeft zich vervolgens ziek gemeld met werkgerelateerde klachten. [G] heeft nadien met succes een re-integratietraject doorlopen bij de gemeente Purmerend. De gemeente en [G] - bijgestaan door een advocaat - hebben op 24 februari 2009 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij zij zijn overeengekomen dat aan [G] eervol ontslag wordt verleend, dat [G] in dienst zal treden bij de gemeente Purmerend en dat de gemeente zijn salaris gedurende een periode van maximaal drie jaar zal aanvullen tot het niveau van het salaris dat hij bij voortzetting van zijn dienstverband bij de gemeente zou verdienen.

2.11. De Stichting is in 2010 opgericht. [D] is voorzitter en [E] is secretaris en penningmeester van de Stichting. In haar naam komt haar doel tot uitdrukking. De Stichting c.s. publiceert geregeld over wat zij beschouwt als het onregelmatige vertrek van [G] als ambtenaar bij de gemeente, onder andere in Dagjournaals op www.rehabilitatie[G].nl, op www.edam.volendam.nl, via advertenties in NIVO en het lokaal verschijnende weekblad Prettig Weekend. Voorts benadert de Stichting c.s. bestuurders van de gemeente en leden van de gemeenteraad hierover via de post en per e-mail. [F] publiceert onder de naam Kladblok in NIVO en op de website van de Stichting over dezelfde kwestie, hierna aan te duiden met: de kwestie [G].

2.12. De Stichting c.s. heeft op 6 januari 2011 een stuk getiteld ‘Afgebrand. Hoe een waardevol preventieambtenaar bij de gemeente Edam-Volendam werd weggewerkt’ (hierna: het rapport ‘Afgebrand’) verzonden aan de raad en aan de ondernemingsraad van de gemeente, aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de commissaris van de koningin in Noord-Holland. Het stuk is tevens gepubliceerd op www.rehabilitatie[G].nl. Het stuk bevat onder meer de volgende passages:

“Voor het comité staat vast dat [C] door zijn aanval op [G] een zondebok creëerde waar hij zich zelf achter kon verbergen om zelf buiten schot te blijven”

“Voor de heer [C] is dat geen reden om te onderzoeken hoe bij kan dragen aan het verminderen van de spanning door samen met de werknemer op een niet bedreigende manier en inventariserend naar oplossingen te zoeken”

“Deze aanpak van [C] veroorzaakt in zijn uitwerking de derde graad van mobbing”

“Zijn bejegening lijkt er op gericht te zijn [G] nog dieper in het moeras te drukken. De houding van deze leidinggevende kan niet anders worden beoordeeld dan volstrekt negatief”

“Het gespreksverslag krijgt nog een veel sterker intimiderend effect”

“Deze situatie behelst onreglementair handelen”

“Het college toont hiermee aan niet vies te zijn van machtsmisbruik”

“Dat het uitgerekend degenen zijn die geacht werden maatregelen te nemen, zich zelf schuldig hebben gemaakt aan het wegpesten (mobbing) van [G]”

“Het is al met al een schoolvoorbeeld van hoe ver leidinggevenden kunnen gaan en hoe laaghartig ze zich kunnen gedragen als het er om te doen is om een werknemer kwijt te raken waar eigenlijk maar weinig op aan te merken is”

“dat de gemeente Edam-Volendam [G] op een schandalige wijze heeft behandeld”

2.13. De Nationale ombudsman heeft naar aanleiding van een klacht van de Stichting c.s. over de kwestie [G] met instemming van [G] onderzoek verricht. Het onderzoek heeft zich gericht op twee aspecten:

- de vraag of [G] na de uitspraak van voormalig burgemeester [J] in de uitzending van Netwerk van 7 januari 2001 voldoende is gerehabiliteerd;

- de afwikkeling van de rechtspositie van [G] bij de gemeente en meer specifiek op de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst.

De Nationale ombudsman heeft in het kader van het onderzoek dossiers van de gemeente en van de Stichting en informatie van [G] bestudeerd. Voorts is onder andere gesproken met [C], [B], [J] en [G].

2.14. De Nationale ombudsman heeft bij brief van 8 november 2011 gerapporteerd:

“[…]

De rehabilitatie

Op grond van deze omvangrijke informatie concludeer ik dat de heer [G] in zijn rol als brandpreventiemedewerker op geen enkele wijze een verwijt is gemaakt of kan worden gemaakt voor de dramatische gebeurtenissen tijdens de nieuwjaarsnacht in 2001. De uitvoerige onderzoeken die daarnaar zijn uitgevoerd en die in het openbaar zijn behandeld zijn daar duidelijk over. Op basis van de conclusies in die rapporten hebben de burgemeester en betrokken wethouder destijds hun bestuurlijke verantwoordelijkheid genomen en zijn afgetreden. De heer [G] heeft nadien een aanzienlijke promotie gemaakt waaruit eveneens kan worden afgeleid dat hem geen verwijt werd gemaakt en zijn inzet als preventiemedewerker bij de brandweer van Volendam-Edam werd gewaardeerd.

Ik kan mij voorstellen dat het bericht van het toenmalige college in het Nieuw Volendams dagblad van 10 januari 2001, waarin het college naar aanleiding van de uitlatingen van de toenmalige burgemeester in Netwerk uitdrukkelijk verklaarde dat het de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de brand op zich nam door de heer [G] destijds niet als een volwaardige rehabilitatie in het bijzonder in zijn richting werd ervaren. Het college had meer expliciet kunnen zijn over de rol van de heer [G] als preventiemedewerker en over zijn eigen verantwoordelijkheid. Bij de waardering van de gekozen vorm van rehabilitatie speelt echter ook mee dat de cafébrand voor alle betrokkenen - zowel voor de ambtenaren als voor de verantwoordelijke bestuurders - een traumatische ervaring moet zijn geweest en dat de reacties van alle partijen in die periode in het licht daarvan moeten worden gewaardeerd. Met een blik van ruim tien jaar later op de gebeurtenissen van toen, zijn kritische kanttekeningen te plaatsen bij de wijze waarop het college van B&W de heer [G] destijds heeft gerehabiliteerd. Voor mij zijn die kanttekeningen echter onvoldoende reden om van het huidige college ruim tien jaar na de brand, nog een nadere invulling of uitwerking van de destijds geboden rehabilitatie te verlangen.

De vaststellingsovereenkomst

Op 24 februari 2009 hebben de betrokken partijen een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarmee de gemeente Edam-Volendam en de heer [G] de arbeidsrelatie hebben beëindigd. Voor de Nationale ombudsman is een eenmaal getekende vaststellingsovereenkomst op zich een gegeven. Er is voor de Nationale ombudsman dan ook geen aanleiding de inhoud van een ondertekende vaststellingsovereenkomst ter discussie te stellen, tenzij er sprake is van zodanige behoorlijkheidsgebreken, waarbij ook te denken valt aan dwang, dwaling of bedrog, dat de vaststellingsovereenkomst geen effect mag hebben. In mijn onderzoek naar de achtergronden van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heb ik geen aanwijzingen gevonden voor dergelijke behoorlijkheidsgebreken.

Wel is mij gebleken dat voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst veel in de relatie tussen de heer [G] en de gemeente is gebeurd. Uiteindelijk waardeer ik die gebeurtenissen als een escalerend arbeidsconflict, zonder dat de gebeurtenissen in de (nasleep van de) nieuwjaarsbrand van 2001 een overheersende invloed hebben gehad. Ik sta nog in het bijzonder stil bij het incident rond “t Gat van Nederland” in januari 2008, waarbij wederom de vraag aan de orde kwam of voldoende informatie over brandveiligheid was uitgewisseld. Ik heb onvoldoende concrete aanknopingspunten kunnen vinden voor de veronderstelling dat vanwege de herhaling van de gebeurtenissen in 2001 en 2008 een relatie kan worden gelegd tussen het ontslag van de heer [G] en de cafébrand of het incident “t Gat van Nederland”.

Er is een oplopend arbeidsconflict ontstaan dat in de kern voortvloeide uit verschillen van inzicht en stijl van werken tussen de heer [G] en zijn nieuwe chef. Dit soort conflicten doen zich nu eenmaal voor in arbeidsrelaties en de vraag die zich dan aandient is of het conflict op een redelijke wijze opgelost wordt. Dat kan door - zoals in dit geval - beëindiging van het dienstverband, maar dan is wel vereist dat dat op redelijke voorwaarden gebeurt. In de vaststellingsovereenkomst die ondertekend is, zijn die redelijke voorwaarden opgenomen. In die zin wijkt de beëindiging van het dienstverband van de heer [G] in geen enkel opzicht af van wat normaal gebruikelijk is. Het voert naar mijn oordeel te ver om in verband met het gebeurde in 2001 nog extra voorwaarden aan de beëindiging van het dienstverband in 2009 te stellen.[…]”

2.15. De Nationale ombudsman heeft [A] per e-mail van 8 november 2011 als volgt bericht:

“ Graag vraag ik uw bijzondere aandacht voor het punt van de rehabilitatie. Ik heb dat punt voorop gesteld in ons bericht naar buiten en in mijn brieven. Doel is dat de heer [G] een tastbare (her)bevestiging krijgt van het feit dat hij volledig gerehabiliteerd is. Mocht media-aandacht of een bespreking in de raad of anderszins daartoe een mogelijkheid zijn, dan lijkt het mij buitengewoon waardevol wanneer u deze expliciete erkenning van zijn rehabilitatie ook beklemtoont. Wellicht dat die erkenning kan bijdragen tot afronding.”

2.16. Het college van burgemeester en wethouders heeft in reactie op het rapport van de Nationale ombudsman op 8 november 2011 op de gemeentelijke website www.edam-volendam.nl de volgende verklaring gepubliceerd:

“Statement college van B&W n.a.v. uitkomst onderzoek Ombudsman

Het college van B&W heeft kennis genomen van de uitkomst van het onderzoek dat de

Nationale Ombudsman heeft ingesteld n.a.v. klachten van de heer [G] en de Stichting […] m.b.t. zijn rehabilitatie door het toenmalig gemeentebestuur en de beëindiging van zijn dienstverband in 2009.

Het college kan zich vinden in deze uitkomst.

De rehabilitatie

De Ombudsman concludeert dat aan dhr. [G] in zijn rol van brandpreventiemedewerker op

geen enkele wijze een verwijt gemaakt is of kan worden. Ook de constatering van de

Ombudsman dat het te ver voert om van het huidige college - nog ruim tien jaar na dato - een nadere invulling of uitwerking te verlangen van de rehabilitatie, is voor het college van B&W een bevestiging dat haar op dit punt geen verwijt te maken is.

Dat de heer [G] de publicatie in de Nivo van 10 januari 2001 niet als volwaardige

rehabilitatie voor zichzelf heeft ervaren, betreurt het college. Temeer omdat het toenmalig

college daarin zelf alle verantwoordelijkheid op zich genomen heeft en het onvoorwaardelijk vertrouwen in alle medewerkers, zowel individueel als collectief, heeft uitgesproken. De Nationale Ombudsman tekent hierbij aan dat de gekozen vorm van rehabilitatie mede moet worden gewaardeerd in het licht van de voor alle betrokkenen traumatische ervaring van dat moment.

Beëindiging dienstverband

De Ombudsman heeft vastgesteld dat de beëindiging van het dienstverband in een door dhr.

[G] ondertekende vaststellingsovereenkomst tegen redelijke voorwaarden en op een

behoorlijke wijze tot stand gekomen is. De Ombudsman concludeert voorts dat in die zin de

beëindiging van het dienstverband van dhr. [G] in geen enkel opzicht afwijkt van wat

normaal gebruikelijk is. Voor het college van B&W heeft het handelen van de heer [G]

tijdens de cafébrand geen rol gespeeld om te komen tot een beëindiging van zijn

dienstverband.”

2.17. In het Dagjournaal van 19 april 2011 wordt verwezen naar een juridisch advies getiteld Verkorte Analyse, op verzoek van de gemeente opgesteld door mr. [K] van Kleef & Partners. Het Dagjournaal bevat de volgende tekst:

“Dat een burgemeester als [A] zo’n document durft te gebruiken, is tekenend voor de wijze waarop hij, in ieder geval in deze kwestie, opereert. Brutaal, leugenachtig, misleidend.”

2.18. Het Dagjournaal van 20 april 2011 bevat de volgende tekst:

“ Van verschillende kanten horen we dat de burgemeester in onredelijke woede kan uitbarsten. In dat verband horen we wel eens de vraag of de man wel helemaal normaal is.[...] In dat verband verwijzen we vragenstellers naar de typologie van sociopathie zoals die op internet te vinden zijn.”

2.19. Op 23 november 2011 is in de NIVO onder de kop ‘De Zondebok’ een brief van 18 november 2011 aan de raad van de gemeente gepubliceerd. De brief bevat de volgende passage:

“ Wij constateren slechts dat de burgemeester zich in nogal wat bochten heeft gewrongen in zijn pogingen om volledige controle over de gang van zaken te houden en daarvoor geen middel, ook niet de laakbare, onbeproefd heeft gelaten. Het kopen van een bruikbaar advies van een niet-geregistreerde psycholoog, beschouwen we als één van die laakbare middelen.”

2.20. In het lokaal verschijnende weekblad Prettig Weekend is op 9 februari 2012 onder de kop ‘De bedenkelijke bestuurscultuur op het stadskantoor in Volendam’ een publicatie verschenen waarin de volgende tekstpassage is opgenomen:

“Het is eigenlijk niet de gemeente zelf, maar vooral burgemeester [A], gemeentesecretaris [B], Afdelingshoofd [C] en voorlichter [L] die, in de behoefte aan controle, grenzen overschrijden die in een gezonde democratie ontoelaatbaar zijn. Zo [...] wordt onderzoek gemanipuleerd, [...] worden er tegenstanders belasterd en verdacht gemaakt, worden er ondeugdelijke verklaringen geproduceerd, [...]”

2.21. Het Kladblok van 9 maart 2012 bevat de volgende tekst:

“Nou ken ik inmiddels aardig wat mensen die regelmatig met de burgemeester hebben te maken en zich afvragen of hij wel goed bij zijn hoofd is.”

2.22. In Prettig Weekend is op 15 maart 2012 onder de kop ‘Natuurlijk krijgt de boodschapper weer de schuld’ een publicatie verschenen waarin de volgende tekstpassage is opgenomen:

“Dat zijn wat ons betreft burgemeester [A], zijn gemeentesecretaris [B], het hoofd van de afdeling Brandweer, Veiligheid en Juridische Zaken [C] en voorlichter [L]. Ze zijn aantoonbaar in de fout gegaan. Hen kan verweten worden dat ze met behulp van juridisch adviseurs, door een samenweefsel van verdichtsels, aan het oog onttrekken waar het om gaat: hun wandaden.”

2.23. In Prettig Weekend is op 22 april 2012 onder de kop ‘Een bres in de verdediging van de gemeente’ een publicatie verschenen waarin de volgende tekstpassage is opgenomen:

“Burgemeester [A] wordt alom gevreesd. De man die naar buiten zo charmant en joviaal kan optreden, wordt volgens onze informatie intern gevreesd vanwege zijn onberekenbaarheid, woedebuien, rancune, achterdocht, sluwheid en controledwang. [...] De te onhandig geachte maar als geslepen bureaucraat bekend staande gemeentesecretaris [B], het als slinks geziene afdelingshoofd [C] en de als machtsgetrouw beschreven voorlichter [L], genieten nauwelijks nog respect [...]”

2.24. Het Dagjournaal van 20 mei 2012 bevat de volgende tekst:

“De managementmethode van de als angstbijter en rasintrigant bekend staande [C] kan worden aangeduid als ‘management bij koppensnellen’.”

2.25. De gemeente c.s. heeft tegen de Stichting c.s. en [G] aangifte gedaan van onder meer smaad, laster en belediging. Het Openbaar Ministerie heeft besloten een onderzoek in te stellen.

3. Het geschil

3.1. De gemeente c.s. vordert na wijziging van eis samengevat -

Primair:

I. De Stichting c.s. en [G] hoofdelijk te verbieden publiekelijk enig debat te voeren over de kwestie [G];

II. De Stichting c.s. en [G] hoofdelijk te verbieden zich nog op enige wijze publiekelijk (negatief) uit te laten over één of meer eisers en/of organen van de gemeente en/of medewerkers van de gemeente, althans zich onheus en/of onredelijk en/of grievend en/of onjuist en/of beledigend en/of smadelijk danwel anderszins onrechtmatig over eisers en/of organen van de gemeente of medewerkers van de gemeente uit te laten, en/of dergelijke uitlatingen te stimuleren en/of te faciliteren en/of uit te lokken, ongeacht de wijze waarop deze uitingen zullen worden gedaan, althans uitlatingen te doen die suggereren dat eisers en/of organen van de gemeente en/of medewerkers van de gemeente zich schuldig maken of hebben gemaakt aan onrechtmatige praktijken en/of negatieve kwalificaties over voornoemde personen en organen te openbaren;

III. De Stichting c.s. en [G] hoofdelijk te veroordelen tot verwijdering van alle (negatieve) uitingen met enige verwijzing en/of relatie naar de gemeente c.s. en/of een orgaan van de gemeente en/of medewerkers van de gemeente en/of de kwestie [G] op enige website te (laten) verwijderen en verwijderd te houden;

IV. De Stichting c.s. en [G] hoofdelijk te veroordelen tot het zoveel als redelijkerwijs mogelijk is verwijderen van alle verwijzingen naar de (negatieve) uitingen over de gemeente c.s. en/of organen en/of medewerkers van de gemeente en/of de kwestie [G] op enige website via (het cachegeheugen van) de zoekmachines Google, Safari, Lycos, Google Chrome, Bing Yahoo, Ilse, MSN en Firefox;

V. De Stichting c.s. en [G] hoofdelijk te veroordelen tot een (gezamenlijke) rectificatie die publiekelijk moet worden geplaatst in een zwart omlijst kader met in kapitalen en vet de kop: RECTIFICATIE van tenminste één kwart pagina op de voorpagina van de weekbladen Prettig Weekend en NIVO, in het voor die krant gebruikelijke lettertype

voor redactionele bijdragen, zulks in een editie die uiterlijk binnen 10 dagen na

vonniswijzing zal verschijnen alsmede deze rectificatie te plaatsen op de website

www.edam.volendam.nl en op de website www.rehabilitatie[G].nl en wel binnen

2 dagen na vonniswijzing en op voornoemde websites deze rectificatie te laten staan

voor een periode tot 12 maanden na vonniswijzing, met als verdere tekstuele inhoud

de volgende cursief gedrukte tekst:

De stichting Rehabilitatie [G], haar bestuurders, de heren [D] te

Volendam, en de heer [E] te Volendam alsmede de publicist de heer [F] te Volendam alsmede de heer [G] te Volendam, berichten u als volgt.

Sinds het jaar 2010 hebben wij de nodige publicaties het licht doen zien via de

websites www.rehabilitatie[G].nl, www. edam.volendam.nl en de weekbladen

NIVO en Prettig Weekend. De Voorzieningenrechter in de rechtbank Haarlem heeft bij

vonnis d.d. … (datum vonnis invullen) ons veroordeeld tot deze rectificatie. De

diverse uitlatingen in onze publicaties zijn ten aanzien van de gemeente en/of haar

organen zoals het college van B&W en/of De Burgemeester alsmede personen die

werkzaam zijn bij de gemeente als onrechtmatig te betitelen.

Wij betreuren dat wij op onrechtmatige en onheuse c.q. kwetsende en (nodeloos)

grievende wijze diverse organen en/of personen van De Gemeente Edam-Volendam

hebben bejegend. Wij bieden uitdrukkelijk onze excuses aan voor de wijze waarop

wij hebben gemeend de belangen van brandweerman [G] te hebben moeten

behartigen. Wij zullen ons vanaf heden onthouden van dergelijke onrechtmatige

en/of onheuse en/of onjuiste en/of kwetsende en grievende uitlatingen.

Wij zien in dat er geen sprake kan zijn van een rehabilitatie daar waar het bestuur

van de gemeente Edam-Volendam eerder heeft aangegeven dat er geen verwijten

ten aanzien van de Nieuwjaarsbrand worden gemaakt aan het adres van [G]

en andere ambtenaren. Met betrekking tot de ambtenarenrechtelijke positie van

[G] zien wij in dat tussen partijen, ingevolge het onderzoeksoordeel van de

Nationale Ombudsman, op een niet ongebruikelijke wijze een overeenkomst is

gesloten waarbij partijen over en weer elkaar finale kwijting hebben verleend zodat

deze zaak niet langer een publiek discussiepunt kan zijn.

Was getekend,

Stichting Rehabilitatie Brandpreventieambtenaar [G], [D], [E], [F] en [G].”,

VI. De Stichting c.s. en [G] hoofdelijk te veroordelen alle stukken en/of documenten en/of informatie die in hun bezit is en waarvan zij het vertrouwelijk karakter kennen danwel behoren te kennen en welke stukken c.q. informatie is c.q. zijn verkregen te vernietigen en zich te onthouden van het (verder) (doen) verspreiden van de in deze stukken staande informatie;

VII. De Stichting c.s. en [G] hoofdelijk te veroordelen om zich te onthouden van het (doen) verspreiden en/of vermenigvuldigen van de in deze procedure overgelegde stukken in welke vorm dan ook;

VIII. [G] te veroordelen om zich strikt te houden aan de in de vaststellingsovereenkomst met de gemeente opgenomen geheimhoudingsverplichting alsmede de terzake over en weer verleende finale kwijting, behoudens een eventuele rechtsvordering van [G] bij de bevoegde rechter;

IX. De Stichting c.s. en [G] te veroordelen tot het schriftelijk overleggen van alle stukken die zij van derden die werkzaam althans betrokken zijn bij de gemeente en/of (één van) haar organen te overleggen aan de advocaat van de gemeente c.s. onder vermelding op ieder document van de persoon van wie het betreffende document is ontvangen;

voormelde vorderingen telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 10.000,00 per dag;

Subsidiair:

X. Eén of meer voorziening(en) te treffen zoals de voorzieningenrechter in goede justitie meent te behoren;

XI. Eén en ander met hoofdelijke veroordeling van de Stichting c.s. en [G] in de proceskosten waaronder begrepen de nakosten.

3.2. De gemeente c.s. legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De kwestie [G] is geen zaak van algemeen belang. De kwestie [G] komt in wezen voort uit een arbeidsconflict. De door door de Stichting c.s. en [G] gestelde relatie tussen het ontslag van [G] en de nasleep van de brand in ‘De Hemel’ en ‘De Wir War Bar’ is niet aanwezig. [G] is in verband daarmee reeds afdoende gerehabiliteerd. De uitlatingen van de Stichting c.s. en [G] zijn onrechtmatig jegens de gemeente c.s. De wijze waarop de Stichting c.s. en [G] naar buiten treden, te weten door besluiten aan de burgemeester persoonlijk toe te schrijven en verschillende medewerkers van de gemeente en leden van de gemeenteraad intensief rechtstreeks via brieven en e-mailberichten te benaderen is aan te merken als stalking en als zodanig onrechtmatig. De Stichting c.s. en [G] hebben strafbaar en daarmee onrechtmatig gehandeld doordat zij geweten hebben of behoren hebben te weten dat zij informatie op onrechtmatige wijze in bezit hebben gekregen en hebben verspreid. [G] handelt in strijd met de vaststellingsovereenkomst door de daarin opgenomen geheimhoudingsverklaring te schenden.

3.3. De Stichting c.s. en [G] voeren afzonderlijk verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Stellingen van partijen

4.1. De Stichting c.s. voert als volgt verweer. Zij legt zich toe op rehabilitatie van [G], en deze heeft nooit plaatsgevonden. Het artikel dat op 10 januari 2001 in de NIVO is verschenen kan wat zijn strekking en bereik betreft niet als rehabilitatie worden beschouwd. De gewraakte uitlatingen van voormalig burgemeester [J] zijn op de nationale televisie gedaan, terwijl de NIVO slechts lokaal verschijnt en het bericht onder de onduidelijke kop ‘Aan alle inwoners van Volendam’ onderaan een pagina was weggemoffeld. In het bericht zelf wordt het vertrouwen in de ambtenarij uitgesproken, maar worden de beschuldigingen aan het adres van [G] niet teruggenomen. Het statement dat de gemeente naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman op 8 november 2011 op haar website heeft geplaatst is verder nergens gepubliceerd en bevat in feite alleen een weergave van de conclusies van de Nationale ombudsman en geen rehabilitatie van [G]. De Stichting c.s. komt het in artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verankerde recht op uitingsvrijheid toe. De publicaties van de Stichting c.s. zijn gedaan in het kader van een debat dat in de publieke belangstelling staat, zodat de strengste eisen gelden voor beperking van deze uitingsvrijheid. Bovendien dient de gemeente c.s. uit hoofde van haar functie in een democratische samenleving meer te dulden dan een gewone burger. De uitlatingen moeten worden gekwalificeerd als waardeoordelen die voldoende basis vinden in de feiten om niet aan beperkingen onderhevig te zijn. Zo heeft arbeidsconsulente [M] bevestigd dat de gemeente c.s., en met name [C], [G] schandalig heeft behandeld. In 2008 heeft oud-preventiemedewerker [N] ontslag genomen omdat hij een gezonde werksfeer wenst en heeft een andere ambtenaar verklaard dat hij ontslag heeft genomen vanwege [C]. De aard van de kwestie rechtvaardigt dan ook een fel debat. De gemeente c.s. citeert de uitlatingen van de Stichting c.s. op misleidende wijze door deze uit hun verband te lichten. Voorts is veelal onduidelijk over welke uitlating wordt geklaagd. De aard van de uitlatingen is niet als onrechtmatig te kenschetsen. De kwestie [G] is inmiddels opgepakt door de gemeenteraad, wat voor de Stichting c.s. aanleiding is om in het debat wat betreft felheid en frequentie een stapje terug te doen. Gezien de omvang van de dagvaarding, het aantal producties, en de termijn waarbinnen de mondelinge behandeling is bepaald kunnen de vorderingen alleen worden toegewezen indien de zaak zeer spoedeisend zou zijn en daarvan is geen sprake. De vorderingen zijn in het licht van de uitingsvrijheid van artikel 10 EVRM en het censuurverbod van artikel 7 Grondwet disproportioneel en hebben een ‘chilling effect’ op het publieke debat. Ze zijn te laat ingesteld ingesteld, aangezien de gemeente c.s. al bij het verschijnen van het rapport ‘Afgebrand’ in het geweer had kunnen komen. De vorderingen ontberen overigens de vereiste grondslag en hebben een te algemene strekking om toegewezen te kunnen worden.

4.2. [G] voert als volgt verweer. Uit de sommatiebrief van de gemeente c.s. van 31 mei 2012 valt niet af te leiden waartegen hij zich heeft te verweren. Hier komt bij de omvang van de dagvaarding en de producties en het feit dat op verkorte termijn is gedagvaard, waardoor het fundamentele recht op wederhoor onder druk is komen te staan. Spoedeisend belang bij de vorderingen is gesteld noch gebleken. De gemeente c.s. heeft onvoldoende onderbouwd dat [G] onrechtmatige uitingen over haar heeft gedaan. Er is geen rechtstreekse band tussen [G] en de Stichting c.s. [G] heeft er overigens juist op aangedrongen dat de Stichting c.s. zich tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman gedeisd hield. Ook heeft hij aangegeven dat de woordkeus zeker niet altijd de zijne zou zijn. De gemeente c.s. heeft onvoldoende onderbouwd dat [G] enige geheimhoudingsplicht die op hem rust heeft geschonden. [G] heeft de Stichting c.s. niet van vertrouwelijke informatie voorzien. Nadat toenmalig burgemeester [J] [G] publiekelijk als schuldige van de brand in ‘De Hemel’ en ‘De Wir War Bar’ heeft aangewezen, heeft de gemeente c.s. [G] nooit gerehabiliteerd. Het op 10 januari 2001 in de NIVO geplaatste bericht is slechts een bevestiging van de bestaande verhoudingen: het bestuur is immers altijd politiek-bestuurlijk verantwoordelijk. Dit neemt echter niet het gecreëerde beeld weg dat [G] persoonlijk een fout heeft gemaakt. Het arbeidsconflict is ontstaan doordat [G] verantwoordelijk werd gehouden voor een beweerdelijk gebrekkig advies inzake de vergunningverlening aan horecagelegenheid ‘Gat van Nederland’, dat niet door hem was opgesteld, wat een herhaling is van de gang van zaken in 2001. [G] heeft de vaststellingsovereenkomst tegen zijn wil getekend. De primaire vorderingen dienen te worden afgewezen, als in strijd met het recht (I en II), als ongegrond (III, IV, V en VIII), als te onbepaald (IX) en als te onbepaald en ongegrond (VI en VII). Tegen de subsidiair gevorderde voorziening in goede justitie kan [G] zich niet verweren en deze dient daarom te worden afgewezen.

Beoordeling

4.3. De impact die de brand in ‘De Wir War Bar’ en ‘De Hemel’ in de gemeenschap van Volendam heeft gehad kan nauwelijks worden overschat. Het is daarom goed voorstelbaar dat de brand de gemoederen in Volendam tot op de dag van vandaag bezighoudt. Iedere betrokkene - familielid, vriend, inwoner of bestuurder - moet een manier vinden om met de gevolgen van de brand om te gaan. Die gevolgen verschillen van persoon tot persoon, en worden van persoon tot persoon anders ervaren. Het vraagt van iedere betrokkene veel begrip voor de gevoeligheden van anderen. Dit betekent enerzijds dat men van tijd tot tijd zal moeten accepteren dat er uitlatingen worden gedaan die als krenkend worden ervaren. Het vergt anderzijds ook een zekere terughoudendheid bij het doen van uitlatingen. Niemand kan voor een ander bepalen wanneer het debat over de brand afgelopen moet zijn. Alle betrokkenen zullen echter de behoefte hebben om dit debat op zeker moment af te sluiten. Een laten voortduren van een ruzieachtige sfeer is daarvoor niet bevorderlijk. Om het debat in zakelijke termen te kunnen voortzetten en uiteindelijk te kunnen beëindigen, is het van belang onderscheid te maken tussen hetgeen in de directe nasleep van de brand is voorgevallen, en de omstandigheden die hebben geleid tot het ontslag van [G] als officier preventie bij de gemeente. Dit onderscheid zal ook worden gemaakt bij de beoordeling van het onderhavige geschil aan de hand van het hierna geschetste wettelijke kader.

4.4. Artikel 10 EVRM garandeert de Stichting c.s. en [G] het recht zich in het openbaar te uiten zonder inmenging van enig openbaar gezag. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn, onder andere in het belang van de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Of zodanige beperking noodzakelijk is, hangt blijkens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 26 april 1979, NJ 1980, 146 af van het antwoord op de vraag of er sprake is van een ‘pressing social need’.

4.5. Onder omstandigheden kunnen uitlatingen die de goede naam van een ander aantasten als onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek jegens die ander worden gekenschetst. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad staan bij de vraag of daarvan sprake is in beginsel twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken kunnen blijven voortbestaan dankzij het onvermogen van de verantwoordelijke overheidsorganen om in een gecompliceerde maatschappij als die waarin wij leven gelijkelijk aandacht te geven aan alle zaken die die aandacht verdienen, nog daargelaten de mogelijkheid van andere factoren die belemmerend kunnen werken op het doen beëindigen van een bepaalde misstand. Welk van deze belangen in een gegeven geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. In het standaardarrest HR 24 juni 1983, NJ 1984, 801 worden de volgende omstandigheden benoemd:

a. de aard van de gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die verdenkingen betrekking hebben;

b. de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand welke de publikatie aan de kaak beoogt te stellen;

c. de mate waarin ten tijde van de publikatie de verdenkingen steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal;

d. de inkleding van de verdenkingen, gezien in verhouding tot de onder a. t/m c. bedoelde factoren;

e. de mate van waarschijnlijkheid dat, ook zonder de verweten publikatie via de pers, in het algemeen belang het nagestreefde doel langs andere, voor de wederpartij minder schadelijke wegen met een redelijke kans op spoedig succes bereikt had kunnen worden;

f. een mogelijke beperking van het door de perspublikatie te veroorzaken nadeel voor degene die erdoor wordt getroffen, in verband met de kans dat het betreffende stuk, ook zonder de verweten terbeschikkingstelling aan de pers, in de publiciteit zou zijn gekomen.

In latere jurisprudentie, waaronder die van het EHRM, zijn uiteenlopende andere omstandigheden meegewogen.

Ten aanzien van de Stichting c.s.

4.6. Vast staat dat [G] met betrekking tot de brand in ‘De Hemel’ en ‘De Wir War Bar’ geen verwijt treft, terwijl toenmalig burgemeester [J] hem in de directe nasleep na de brand op de nationale televisie met zoveel woorden de schuld van de brand heeft gegeven. In de in 2.8 en 2.16 weergegeven publicaties van de gemeente c.s. wordt van deze beschuldiging niet expliciet afstand genomen. De voorzieningenrechter acht het daarom goed voorstelbaar dat de Stichting c.s. van mening is dat [G] nooit is gerehabiliteerd. Dat is zonder twijfel een kwestie van algemeen belang.

4.7. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat het ontslag van [G] in 2009 verband houdt met de brand in 2001. Uit de overgelegde stukken komt het beeld naar voren van een arbeidsconflict dat uiteindelijk is geëscaleerd. De voorzieningenrechter acht het goed voorstelbaar dat de gang van zaken bij [G] herinneringen heeft opgeroepen aan de nasleep van de brand, zeker waar hij het idee heeft gekregen dat zijn professionaliteit als officier preventie in twijfel werd getrokken. Echter, ook als zou komen vast te staan dat de gemeente c.s. verantwoordelijk moet worden gehouden voor het voortbestaan van een ongezonde werksfeer waarin [G] niet heeft kunnen functioneren, kan daaruit niet worden afgeleid dat het ontslag verband houdt met de brand. Overigens zijn er onvoldoende aanwijzingen die voorshands tot het oordeel moeten leiden dat het ontslag meer is dan een privéaangelegenheid van [G]. De omstandigheid dat het ontslag door de publicaties van de Stichting c.s. in de publieke belangstelling is komen te staan, maakt het nog geen kwestie van algemeen belang.

4.8. De gemeente c.s. doet een beroep op de onrechtmatigheid van een groot aantal uitlatingen - waarvan de meeste niet in dit vonnis maar wel in de dagvaarding en de overgelegde producties zijn weergegeven - en vordert in verband daarmee een verbod tot het voeren van een debat over de kwestie [G] en een verbod tot het publiekelijk doen van negatieve uitlatingen over haar of haar medewerkers. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbeert een groot aantal uitlatingen het vereiste onrechtmatige karakter, waarbij de Stichting c.s. terecht aanvoert dat de uitlatingen in de dagvaarding nogal eens buiten hun context worden aangehaald. Het staat de Stichting c.s. naar het oordeel van de voorzieningenrechter vrij in scherpe (doch niet onrechtmatige) bewoordingen aandacht te vragen voor de in 4.6 bedoelde rehabilitatie van [G], zodat de vorderingen sub I en sub II voor zover deze daarop betrekking hebben moeten worden afgewezen.

4.9. De persoonlijke aanvallen en verdachtmakingen zoals weergegeven in 2.17 tot en met 2.24 aan het adres van [A], [B] en [C] worden nauwelijks ingebed in concrete verwijten. Voor zover wel concrete verwijten worden gemaakt hebben zij betrekking op het ontslag van [G] in 2009, dat geen zaak is van algemeen belang. Mocht [G] van mening zijn dat aan (de totstandkoming van) de vaststellingsovereenkomst gebreken kleven, dan ligt het voor de hand dat hij dat in rechte aan de orde te stelt. De voorzieningenrechter acht de persoonlijke aanvallen en verdachtmakingen onder deze omstandigheden onnodig grievend, beledigend en smadelijk en daarom voorshands onrechtmatig. Het verweer van de Stichting c.s. dat de vorderingen alleen kunnen worden toegewezen indien zij zeer spoedeisend zijn wordt verworpen. Niet valt in te zien waarom de omvang van de dagvaarding, het aantal producties en de termijn waarbinnen de mondelinge behandeling is bepaald tot aanscherping van de uit artikel 254 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering voortvloeiende regel zouden moeten leiden dat voor toewijzing van een voorlopige voorziening (slechts) spoedeisend belang is vereist. Gezien de aard van, en de frequentie waarmee, de uitlatingen zijn gedaan is het vereiste spoedeisend belang aanwezig. Het verweer van de Stichting c.s. dat de vorderingen te laat zijn ingesteld wordt eveneens verworpen, aangezien daarvoor niet beslissend is het moment waarop de uitlatingen zijn begonnen, maar het feit dat zij nog recentelijk zijn gedaan. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het gevorderde sub II in zoverre zal worden toegewezen, dat het de Stichting c.s. wordt verboden zich in het vervolg publiekelijk op onnodig grievende, beledigende, smadelijke of anderszins onrechtmatige wijze uit te laten over [A], [B] en [C] en hun handelwijzen in relatie tot het ontslag van [G] in 2009. De voorzieningenrechter ziet aanleiding hieraan een dwangsom te verbinden van € 500,- per overtreding en met een maximum van € 10.000, zodat de gevorderde dwangsom in zoverre wordt gematigd. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen de gemeente c.s. aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd geen aanleiding tot een verdergaande toewijzing van het gevorderde sub II.

4.10. De overige vorderingen zullen worden afgewezen. De vorderingen sub III, sub IV en sub IX zijn veel te algemeen geformuleerd om te kunnen worden toegewezen. Gezien de beperkte toewijzing van de vordering sub II, is er geen aanleiding tot het plaatsen van een rectificatie met de strekking als opgenomen in de vordering sub V. De vorderingen sub VI en sub VII zullen wegens het ontbreken van een afdoende grondslag worden afgewezen.

4.11. Aangezien zowel de gemeente c.s. als de Stichting c.s. als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

Ten aanzien van [G]

4.12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gemeente c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat [G] op zodanige wijze betrokken is bij de activiteiten van de Stichting c.s., dat de uitlatingen die hiervoor als onrechtmatig zijn beoordeeld mede aan [G] toegerekend moeten worden. Hierop stranden de vorderingen sub I tot en met sub V. De vorderingen sub VI, sub VII en sub IX stranden op de in 4.10 genoemde gronden. De vraag of [G] enige uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst op hem rustende geheimhoudingsverplichting heeft geschonden vergt nader onderzoek naar de feiten - waaronder de tot stand koming van de vaststellingsovereenkomst - waarvoor in kort geding geen plaats is, zodat ook de vordering sub VIII moet worden afgewezen.

4.13. De gemeente c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [G] worden veroordeeld,tot op heden begroot op:

griffierecht € 267,00

salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.083,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt de Stichting c.s. hoofdelijk zich in het vervolg publiekelijk op onnodig grievende, beledigende, smadelijke of anderszins onrechtmatige wijze uit te laten over [A], [B] en [C] en hun handelwijzen in relatie tot het ontslag van [G] in 2009,

5.2. veroordeelt de Stichting c.s. om aan de gemeente c.s. een dwangsom te betalen van € 500,00 per overtreding van het in 5.1 uitgesproken verbod, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

5.3. veroordeelt de gemeente c.s. in de proceskosten van [G], tot op heden begroot op € 1.083,00,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen de gemeente c.s. en de Stichting c.s., in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.W. Koenis op 26 juli 2012.

Bij ontstentenis van mr. A.J. van der Meer is dit vonnis ondertekend door mr. J.I. de Vreese-Rood, voorzieningenrechter van deze rechtbank.