Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX2454

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
193361 / KG ZA 12-297
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is geboren een kind, die thans vijf jaar oud is. Bij beschikking van deze rechtbank van 6 december 2011 is bepaald dat de man en de vrouw gezamenlijk gezag hebben over het kind. Tevens heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld waarbij de man recht heeft op onder meer een week vakantie met het kind tijdens de zomer. De man is van Turkse afkomst en wil met het kind op vakantie naar Turkije. De vrouw weigert de ID kaart van het kind af te geven en voert aan dat zij formeel gezien nog het eenhoofdig gezag heeft over het kind nu zij hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Tevens betoogt zij dat het niet in het belang van het kind is om naar (het oosten van) Turkije te reizen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de man en de vrouw het gezamenlijk gezag hebben over het kind nu de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat de man, gelet op de omgangsregeling, in beginsel zonder tussenkomst van de vrouw mag bepalen hoe hij zijn vakantie met het kind invult. Dit is alleen anders indien deze keus o.g.v. 1:253a BW in strijd is met de belangen van het kind, dan wel op andere gronden onaanvaardbaar moet worden geoordeeld. De voorzieningenrechter oordeelt dat hier in het onderhavige geval geen sprake van is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 193361 / KG ZA 12-297

Vonnis in kort geding van 19 juli 2012 (bij vervroeging)

in de zaak van

[de man],

wonende te [plaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.J.F.A. Mutsaers te Haarlem,

tegen

[de vrouw],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. B.F. Eblé te Haarlem.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van mr. Mutsaers, voornoemd

- de pleitnota van mr. Eblé, voornoemd

- de voorwaardelijke eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.2. Uit deze relatie is op [geboortedatum] te [plaats] geboren de minderjarige […] (hierna: [het kind]).

2.3. De man is geboren in [plaats] in het oosten van Turkije, maar heeft sinds 19 november 2009 de Nederlandse nationaliteit. Voorts heeft hij op 14 april 2010 afstand gedaan van de Turkse nationaliteit.

2.4. De man heeft [het kind] erkend. Bij beschikking van deze rechtbank van 6 december 2011 is bepaald dat het gezag over [het kind] toekomt aan de man en de vrouw gezamenlijk. Tevens heeft de rechtbank een omgangsregeling vastgesteld waarbij [het kind] iedere woensdagmiddag uit school tot donderdag naar school bij de man verblijft, alsmede een week in de voorjaarsvakantie, een week in de zomervakantie, en de helft van de feestdagen. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.5. Partijen hebben naar aanleiding van de bovengenoemde beschikking afgesproken dat de man [het kind] in week 34 van het jaar 2012 mee mag nemen op vakantie.

2.6. Op 5 maart 2012 heeft de vrouw tegen de voornoemde beschikking hoger beroep ingesteld met betrekking tot het gezamenlijk gezag. Deze zaak zal door het gerechtshof Amsterdam worden behandeld op 6 september 2012.

3. Het geschil in conventie

3.1. De man vordert samengevat – dat de voorzieningenrechter hem toestemming verleent om met [het kind] op vakantie te gaan naar Turkije in de periode van maandag 20 augustus 2012 vanaf 9 uur tot en met zondag 26 augustus 2012 tot 18 uur, alsmede dat de vrouw zal worden veroordeeld tot het afgeven van de ID kaart van [het kind], zowel voor het aanvragen van een ticket als voor de reis van en naar Turkije, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dagdeel waarmee de vrouw in gebreke blijft om hieraan te voldoen.

3.2. De vrouw voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1. De vrouw vordert samengevat – dat de voorzieningenrechter aan de toestemming van de man om met [het kind] op vakantie te gaan, de voorwaarde zal verbinden dat de man de vakantie met [het kind] zal houden binnen de Europese Gemeenschap en dat deze toestemming niet zal gelden voor landen buiten de Europese Gemeenschap. Daarnaast vordert de vrouw dat de man binnen 24 uur na de reis aan de vrouw het paspoort van [het kind] zal afgeven, op straffe van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat de man nalaat om hieraan te voldoen.

4.2. De man voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5.2. De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij samen met [het kind] zijn familie wil bezoeken in Turkije, maar dat hij op dit punt geen overeenstemming met de vrouw kan bereiken. Volgens de man is het van belang voor [het kind] om zijn familie in het dorp [plaats] in het oosten van Turkije te bezoeken omdat de vader van de man een zwakke gezondheid heeft en niet in staat is om naar Nederland te reizen. Daarbij voert de man aan dat hij sinds augustus 2010 niet meer met [het kind] op vakantie is geweest naar zijn ouders en zij behoefte hebben om hun kleinkind weer te zien.

5.3. De vrouw heeft allereerst ter zitting betoogd dat zij, formeel gezien, nog steeds het alleenhoofdig gezag over [het kind] heeft, nu zij hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank waarbij is bepaald dat de man en de vrouw gezamenlijk gezag over [het kind] uit zullen oefenen. Volgens de vrouw kan de man [het kind] niet zonder haar toestemming meenemen op vakantie naar Turkije.

5.4. Daarnaast heeft de vrouw aangevoerd dat zij [het kind] niet aan de man wil meegeven omdat zij bezorgd is om het welzijn van [het kind] indien hij naar het oosten van Turkije zou reizen. [plaats] is erg afgelegen, waardoor er sprake is van een aanzienlijke reistijd met meerdere vluchten en een lange autoreis. Tevens zijn de voorzieningen in de regio (zoals gezondheidszorg) slecht of niet aanwezig. Dit is verergerd sinds de aardbeving in de regio van de stad Van in 2011, aldus de vrouw. Ook ligt [plaats] in het Koerdisch gebied, vlakbij de grens van Iran. Volgens de vrouw is het daar politiek erg onstuimig, waardoor het geen veilige omgeving is voor een vijfjarig kind.

5.5. Tevens heeft de vrouw weinig vertrouwen meer in de man. Partijen hebben eerder veel communicatieproblemen ondervonden waarbij de man zich volgens de vrouw niet hield aan de door hen gemaakte afspraken. Ook was de man verbaal agressief en heeft hij gedreigd om [het kind] mee te nemen naar Turkije en hem niet meer terug te brengen, aldus de vrouw. Het feit dat de man niet langer de Turkse maar alleen de Nederlandse nationaliteit bezit, doet hier volgens de vrouw niet aan af, omdat het voor de man zeer gemakkelijk is om wederom de Turkse nationaliteit te verkrijgen. Voorts is het ook gemakkelijk voor de man om een Turks paspoort voor [het kind] aan te vragen, aldus de vrouw. Hierdoor is de vrouw bang dat de man met [het kind] in Turkije zal blijven en dat zij haar zoon voor lange tijd niet terug zal zien.

5.6. Indien de voorzieningrechter van oordeel is dat [het kind] met de man naar het buitenland mag reizen, wenst de vrouw om de bovengenoemde redenen de vakantie van de man met [het kind] te beperken tot een land binnen de Europese Unie. Ter zitting heeft de vrouw hieraan toegevoegd dat zij desnoods kan instemmen met een vakantie in het westen van Turkije. Zij heeft daarbij aangeboden om, indien nodig, de vliegreis van [het kind] te betalen.

5.7. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat op grond van artikel 1:253u BW het gezamenlijk gezag begint, indien de beschikking daartoe uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, op de dag nadat deze beschikking aan partijen is verstrekt of verzonden. Ingevolge artikel 288 Rv heeft een uitvoerbaarverklaring bij voorraad tot gevolg dat het instellen van hoger beroep tegen de beschikking geen schorsende werking heeft. Partijen hebben zodoende sinds 7 december 2011 het gezamenlijk gezag over [het kind].

5.8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de beschikking van 6 december 2011 en met name de duur beperkte periode van de vakantieregeling niet is op te maken dat de rechtbank daaraan de beperking heeft willen geven die de vrouw thans voorstaat. Hieruit volgt dat de plaats en de wijze waarop de man deze vakantie met de minderjarige wil invullen in beginsel door hem kan worden bepaald, tenzij deze keus in strijd komt met de belangen van de minderjarige, dan wel op andere gronden onaanvaardbaar moet worden geoordeeld, in welk geval een afweging als bedoeld in artikel 1:253a BW op zijn plaats is.

5.9. Hieromtrent is de voorzieningenrechter van oordeel dat, hoewel de zorgen van de vrouw begrijpelijk zijn, het voornemen van de man om met de minderjarige zijn familie in Turkije te bezoeken niet in strijd komt met het in het belang van [het kind]. Het volgende is daartoe redengevend.

5.10. De vrouw heeft samen met de man een affectieve relatie gehad en een kind gekregen, wetende dat de man afkomstig is uit Turkije. Hieruit volgt dat partijen rekening moeten houden met het feit dat [het kind] twee culturele achtergronden heeft. Gezien het feit dat [het kind] woonachtig is in Nederland en het grootste gedeelte van zijn tijd doorbrengt met zijn Nederlandse moeder, is het van belang dat hij ook kennis kan maken met de cultuur en de familie van zijn vader. Nog daargelaten of het financieel mogelijk is voor de man om in een ander land binnen de Europese Unie of in het westen van Turkije samen met zijn familie vakantie te vieren, moet [het kind] ook de gelegenheid worden geboden om de geboorteplaats van de man en de woonomgeving van zijn familie te bezoeken.

5.11. Hoewel duidelijk is dat de omstandigheden in het oosten van Turkije naar Nederlandse maatstaven minder ontwikkeld zijn, ziet de voorzieningenrechter geen reden om te twijfelen aan de veiligheid van [het kind] indien hij met de man op vakantie zou vertrekken naar [plaats]. Dit geldt temeer nu de vrouw deze plaats meerdere malen heeft bezocht samen met de man en [het kind], terwijl partijen hebben verklaard dat de omstandigheden in [plaats] weinig zijn veranderd sinds hun laatste gezamenlijke reis in 2010. De man is nog enkele maanden geleden ter plaatse geweest in verband met de hartoperatie die zijn vader heeft moeten ondergaan.

5.12. Voor wat betreft de zorg van de vrouw dat de man samen met [het kind] in Turkije zal blijven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voldoende waarborgen zijn om aan te nemen dat de man samen met [het kind] naar Nederland zal terugkeren op 26 augustus 2012. De man heeft immers een vaste baan in Nederland en een verklaring van zijn werkgever dat hij op 27 augustus 2012 weer op zijn werk wordt verwacht. Hij heeft voorts laten zien dat hij vluchten heeft geboekt met als retourdatum 26 augustus 2012. Daarnaast is de man in afwachting van de procedure in hoger beroep inzake het gezamenlijk gezag over [het kind], waarvan de mondelinge behandeling op 6 september 2012 plaatsvindt. Ten slotte is de man niet langer in het bezit van de Turkse nationaliteit, zodat hij alleen met een visum en slechts voor een gelimiteerde tijd in Turkije mag verblijven. Dat de man weer gemakkelijk en op zo’n korte termijn de Turkse nationaliteit zou kunnen aannemen en ook de intentie daartoe heeft, is onvoldoende aannemelijk geworden.

5.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van de man zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal echter worden beperkt tot een bedrag van

€ 100,-- per dag tot een maximum van € 1.000,--.

5.14. Nu aan de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is voldaan komt de rechtbank thans toe aan de beoordeling daarvan.

5.15. Uit het eerder overwogene volgt dat de eerste voorwaardelijke vordering in reconventie van de vrouw dient te worden afgewezen. Voor wat betreft de afgifte van de ID kaart van [het kind] na ommekomst van de vakantie heeft de man zich gerefereerd. Dit onderdeel is derhalve toewijsbaar. Ook hier zal de gevorderde dwangsom worden beperkt tot een bedrag van € 100,-- per dag tot een maximum van € 1.000,--.

5.15. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in voorwaardelijke reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. verleent aan de man toestemming om met [het kind] op vakantie naar Turkije te gaan in de periode van maandag 20 augustus 2012 vanaf 9 uur tot zondag 26 augustus 2012 18 uur,

6.2. veroordeelt de vrouw tot afgifte van de ID kaart van [het kind] aan de man, zowel voor het aanvragen van een vliegticket als voor de reis van en naar Turkije,

6.3. veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,-- voor iedere dag dat zij niet aan de in 6.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 1.000,-- is bereikt,

6.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.7. veroordeelt de man tot teruggave van de ID kaart van [het kind] aan de vrouw binnen 24 uur na terugkomst van de reis naar Turkije,

6.8. veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 100,-- voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.7 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 1.000,-- is bereikt,

6.9. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.10. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.11. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Udo de Haes en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.T.C. de Vries op 19 juli 2012.