Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX1628

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
15-740905-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige strafkamer. Promis vonnis. Mensensmokkel; gewoontewitwassen, deelneming criminele organisatie.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren wegens vijf mensensmokkelincidenten over een periode van bijna twee jaren. Voorts is vastgesteld dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had mensen tegen betaling vanuit Iran naar (vooral) Groot-Brittannië te smokkelen waarbij deze personen hun originele reisdocumenten moesten vernietigen. De te smokkelen personen werden vervolgens voorzien van valse/vervalste reisdocumenten, met gebruikmaking van professionele apparatuur. Ook werden tijdelijke verblijfplaatsen en vlieg- en treintickets voor de gesmokkelden geregeld.

Verdachte is tevens veroordeeld wegens gewoontewitwassen en het onder hem in beslag genomen goud is verbeurd verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740905-11

Uitspraakdatum: 16 juli 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 juni 2012, 25 juni 2012, 26 juni 2012, 28 juni 2012 en 2 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats] (Iran),

wonende te (1060 NK) Amsterdam, Akersingel 93,

thans gedetineerd in [detentieplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1- zaaksdossier C1: smokkelincident [V]

hij in of omstreeks de periode van 27 augustus 2011 tot en met 01 september 2011 te Amsterdam, en/of te Purmerend en/of te Schiphol en/of elders in Nederland en/of te Duitsland en/of te Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (Iraanse) man, (vermoedelijk) genaamd [A] [V], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of (een) andere lidsta(a)t(en) van de Europese Unie, te weten: Duitsland en/of Groot-Brittannië en/of die (Iraanse) man, daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door:

- deze (Iraanse) man en/of diens vader na zijn/hun aankomst (vanuit Portugal) in Nederland te instrueren en/of mede te delen, dat hij/zij (voorlopig) in het Ibis Hotel op de luchthaven Schiphol moest(en) blijven en/of

- deze (Iraanse) man te voorzien van een (door verdachte en/of zijn mededader(s) vervaardigd) vals of vervalst (reis)document op naam van [M A] en/of

- (op internet) te zoeken naar een ticket voor een treinreis van Amsterdam CS naar Zürich (Zwitserland) op 31 augustus 2011 en/of een dergelijk ticket voor deze (Iraanse) man te boeken en/of te kopen en/of te betalen en/of

- deze (Iraanse) man op te halen bij het Ibis hotel te Schiphol en/of (weg) te brengen naar Amsterdam CS en/of

- (op internet) te zoeken naar een ticket voor een vlucht van Zürich (Zwitserland) naar Londen Heathrow (Groot-Brittannië) op 01 september 2011 en/of een dergelijk ticket voor deze (Iraanse) man te boeken en/of te kopen en/of te betalen en/of

- deze (Iraanse) man te instrueren en/of mede te delen dat deze zijn (Iraanse) (reis)document(en) op de luchthaven van Zürich diende te verscheuren en/of weg te gooien, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië van die (Iraanse) man, (vermoedelijk) genaamd [A] [V], wederrechtelijk was.

Feit 2 - zaaksdossier C2: smokkelincident [H] en [R]

hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2011 tot en met 20 augustus 2011 te Amsterdam, en/of te Purmerend en/of te Schiphol en/of elders in Nederland en/of te Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een (Iraanse) man, genaamd [E] [H] en/of

- een (Iraanse) vrouw, genaamd [A] [R], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of (een) andere lidsta(a)t(en) van de Europese Unie, te weten: Groot-Brittannië en/of Duitsland, en/of die [H] en/of [R] daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door:

- die [H] en [R] bij zijn/haar/hun aankomst (vanuit Zwitserland) op de luchthaven Schiphol op 14 augustus 2011 op te vangen en/of op te halen en/of

- voor die [H] en/of [R] (enige dagen) onderdak en/of verblijf te zoeken en/of te regelen (in respectievelijk een hotel in Amsterdam en op het adres [adres 1]) en/of

- die [H] en/of [R] te voorzien van (een) (door verdachte en/of zijn mededader(s) vervaardigd(e)) vals(e) of vervalst(e) (reis)document(en) (respectievelijk op naam van [M A] en [J M M M])) en/of

- die [H] en/of [R] op 19 augustus 2011 (weg) te brengen naar Amsterdam CS en/of - die [H] en/of [R] te instrueren en/of mede te delen dat deze zijn/haar/hun (Iraanse) (reis)document(en) na het passeren van de (douane- en/of politie)controle(s ) op de luchthaven van Keulen (Duitsland) diende(n) te verscheuren en/of te vernietigen en/of weg te gooien, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië van die [H] en/of [R] wederrechtelijk was.

Feit 3 - zaaksdossier C3: smokkelincident [A]

hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2011 tot en met 30 juli 2011 te Amsterdam, en/of te Purmerend en/of te Hoofddorp en/of elders in Nederland en/of te Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (Iraanse) man, (vermoedelijk) genaamd [M] [A], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of (een) andere lidsta(a)t(en) van de Europese Unie, te

weten: Duitsland en/of Groot-Brittannië en/of die (Iraanse) man, daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door:

- een of meer telefoongesprekken te voeren over het zoeken en/of het regelen van onderdak en/of een (tijdelijke) verblijfplaats in Nederland voor deze (Iraanse) man en/of

- deze (Iraanse) man onderdak en/of een (tijdelijke) verblijfplaats te verschaffen op het adres [adres 2] en/of

- een of meer telefoongesprekken te voeren over het maken van een of meer foto's van deze (Iraanse) man en/of het maken en/of het printen van een (vals of vervalst) (reis)document ("ding") voor deze (Iraanse) man en/of

- deze (Iraanse) man te voorzien van een vals of vervalst (reis)document ("ding") (op naam van [E E]) en/of

- (op internet) te zoeken naar een ticket voor een treinreis van Amsterdam CS naar de luchthaven Keulen/Bonn (Duitsland) op 30 juli 2011 en/of een dergelijk ticket voor en/of met deze (Iraanse) man te boeken en/of te kopen en/of te betalen en/of

- voor en/of met deze (Iraanse) man een ticket (ten name van [E E]) voor een (Easyjet)vlucht van de luchthaven Keulen/Bonn (Duitsland) naar Londen Gatwick (Groot-Brittannië) te boeken en/of te kopen en/of te betalen terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië van die (Iraanse) man, (vermoedelijk) genaamd [M] [A], wederrechtelijk was.

Feit 4 - zaaksdossier C4: smokkelincident [R]

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2009 tot en met 04 december 2009 te Schiphol en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (Iraanse) man, (vermoedelijk) genaamd [S] [R], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten: Groot-Brittannië, en/of die (Iraanse) man, daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door:

- deze (Iraanse) man (in Iran) te (laten) instrueren en/of mede te (laten) delen dat deze na aankomst op de luchthaven Schiphol het Nederlandse telefoonnummer [telefoonnummer 1], althans een Nederlands telefoonnummer, diende te bellen en/of

- deze (Iraanse) man op ('airside' van) de luchthaven Schiphol te benaderen en/of aan te spreken en/of aldaar in het bezit te stellen van:

* een valse of vervalste Franse identiteitskaart (op naam van [T B H H D]) en/of

* een instapkaart (voor een vlucht naar Liverpool in Groot-Brittannië) en/of

* een telefoontoestel (merk: Samsung) en/of een Nederlandse sim-kaart en/of

- deze (Iraanse) man te instrueren en/of mede te delen dat deze voornoemde valse of vervalste Franse identiteitskaart in het vliegtuig (naar Liverpool) diende te vernietigen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Groot-Brittannië van die (Iraanse) man, (vermoedelijk) genaamd [S] [R], wederrechtelijk was.

Feit 5 - zaaksdossier C4: smokkelincident [P] en [H]

hij in of omstreeks de periode van 23 februari 2010 tot en met 07 maart 2010 te Rotterdam en/of te Amsterdam, en/of te Purmerend en/of te Schiphol en/of elders in Nederland en/of,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- een (Iraanse) man, genaamd [A] [P] en/of

- een (Iraanse) vrouw, genaamd [Z] [H],

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of (een) andere lidsta(a)t(en) van de Europese Unie, te weten: Groot-Brittannië, en/of die [P] en/of [H] daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,

door:

- die [P] en/of [H] bij zijn/haar/hun aankomst in Nederland (op de luchthaven Schiphol, althans op Rotterdam Airport) op te vangen en/of op te halen en/of

- die [P] en/of [H] (enige tijd) onderdak en/of een (tijdelijke) verblijfplaats in Nederland te verschaffen en/of

- die [P] en/of [H] op 07 maart 2010 naar de luchthaven Schiphol te brengen en/of (vóór en/of ten behoeve van de paspoortcontrole) te voorzien van (een ticket(s) naar Istanboel (Turkije)) en/of

- die [P] en/of [H] op ('airside' van) de luchthaven Schiphol te voorzien van:

* een valse of vervalste Luxemburgse identiteitskaart (op naam van [F V] ) en/of

* een Belgische identiteitskaart (op naam van [E D J J]) en/of

* (een) ticket(s)/instapkaarten (voor een vlucht (VG 0235) naar Londen in Groot-Brittannië)

en/of

- die [P] en/of [H] te instrueren en/of mede te delen dat voornoemde identiteitskaart(en) in het vliegtuig (naar Londen) door iemand (weer) zouden worden ingenomen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te

vermoeden dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Groot-Brittannië van die [P] en/of [H] wederrechtelijk was.

Feit 6 - zaaksdossier C9: gewoontewitwassen van de opbrengsten van mensensmokkel

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2008 tot en met 01 november 2011 te Purmerend en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal

(een) gro(o)t(e) geldbedrag(en) en/of een of meer (andere) voorwerp(en) ((een) plak(ken) goud) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van

die/dat geldbedrag(en) en/of dat/die (andere) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig uit enig misdrijf/misdrijven was/waren,

van welk witwassen verdachte en/of zijn mededader(s) (aldus) een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

Feit 7 - zaaksdossier C8: deelneming aan een criminele organisatie

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2008 tot en met 01 november 2011 te Amsterdam en/of te Purmerend en/of te Schiphol en/of elders in Nederland en/of te Duitsland en/of te Zwitserland en/of elders in Europa heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- mensensmokkel (artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- het vervalsen van reisdocumenten, dan wel het bezit van valse reisdocumenten (artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

- valsheid in geschrift, dan wel het afleveren van valse geschriften (artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht).

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de dagvaarding op het punt van het onder feit 6 ten laste gelegde gewoontewitwassen partieel nietig dient te worden verklaard, omdat het/de witgewassen voorwerp(en) "(een) gro(o)t(e) geldbedrag(e)n" - ook gelezen in samenhang met het zaaksdossier C9 - onvoldoende feitelijk en geconcretiseerd is. Voor de verdachte en de verdediging is het daarom onduidelijk waartegen verweer moet worden gevoerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De officier van justitie verwijst in de tenlastelegging bij elk verwijt naar het betreffende zaaksdossier waarop het feit betrekking heeft. Bij dit feit verwijst de officier van justitie naar zaaksdossier C9. In het loopproces-verbaal van dit zaaksdossier is voldoende duidelijk omschreven wat verdachte op dit punt wordt verweten, zodat verdachte in staat moet zijn geweest zich daartegen te verdedigen. De rechtbank overweegt dat voldoende duidelijk is dat het begrip "grote geldbedragen" moet worden opgevat als een optelling van de contante stortingen en de gelden die zijn aangetroffen bij de doorzoeking, waaronder begrepen het geldbedrag van € 5000,- dat in een la van de woning van de verdachte en medeverdachte [K] was verstopt en niet is gevonden tijdens de doorzoeking.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding ook overigens geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd van de op de beslaglijst onder de nummers 34, 77 en 78 vermelde voorwerpen en de onttrekking aan het verkeer van de overige voorwerpen op genoemde lijst.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden algemeen1

Start onderzoek

Op 25 mei 2011 werd door het Team Migratie Criminaliteit van het district Schiphol een rechercheonderzoek gestart onder de naam 'Lef'. Het onderzoek richtte zich op nn-verdachte(n) die vreemdelingen van de Iraanse nationaliteit, via onder andere de luchthaven Schiphol, naar Engeland smokkelden en hiervoor gebruik maakten van vliegtickets die onder andere waren gekocht bij het reisbureau [D] te Amsterdam. De gesmokkelde personen werden voorzien van valse, vervalste of gestolen reisdocumenten.2

Het onderzoek vond zijn oorsprong in mensensmokkelincidenten die door het Sluisteam van de Brigade Vreemdelingen Zaken van het district Koninklijke Marechaussee Schiphol zijn onderzocht onder de naam "Quebec' in december 2009. Uit dat onderzoek is een aantal Nederlandse mobiele telefoonnummers naar voren gekomen, te weten [telefoonnummer 1], [telefoonnummer 2], [telefoonnummer 3], [telefoonnummer 4], [telefoonnummer 5] en [telefoonnummer 6]. Uit analyse van telecommunicatie is voorts onder meer gebleken dat het nummer [telefoonnummer 1] diverse malen contact heeft gehad met het Iraanse telefoonnummer [Iraans telefoonnummer], welk laatste nummer naar voren is gekomen in een mensensmokkelonderzoek, genaamd Best. Op momenten van die belcontacten tussen deze twee nummers, wordt zendmast 14845 door het nummer [telefoonnummer 1] aangestraald op de locatie [adres 3].3 Uit opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken is tevens gebleken dat [G S], [R S] en [Y S] gebruik maken van het IMEI-nummer 356228042310910 en dat tijdens de gesprekken dit IMEI-nummer in combinatie met het telefoonnummer 06-17934160 wordt gebruikt. Uit deze opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken blijkt dat [G S] gebruik maakt van de [bijnaam F], [R S] van de [bijnaam B] en [Y S] gebruik maakt van de [bijnaam A].4 Uit het dossier is ook gebleken dat verdachten vaak telefonisch contact met elkaar hadden. De rechtbank stelt, naar aanleiding van opgevraagde gegevens, observaties, stemherkenning en de verklaringen van enkele verdachten zelf, vast dat daar waar in het dossier namen van verdachten aan telefoonnummers worden gekoppeld, deze gesprekken ook door deze verdachten zijn gevoerd.

Uit onderzoek is tenslotte de verdenking naar voren gekomen dat de personen, genaamd [G S] (hierna: [verdachte S]), [S K] (hierna: [verdachte K]),5 [F B] (hierna: [verdachte B]),6 [R S] (hierna: [verdachte R]) en [Y S] (hierna: [verdachte Y])7 zich bezig houden met mensensmokkel.

Aangetroffen apparatuur

Bij de doorzoeking aan de [adres 4] zijn onder meer een laserperforator, een lamineerapparaat, een memorystick, een cardprinter en benodigdheden aangetroffen. De stekkers van de apparaten zaten in het stopcontact.8 Ook is een aantal administratieve bescheiden aangetroffen en in beslag genomen, waaronder facturen van apparatuur en daarbij horende artikelen. Opvallend hierbij is dat de facturen van Signseen (laserperforator) en TA&Co (Lamination Unit) op naam staan van Frances(c)ini, wonend op een niet bestaand adres in Amsterdam en in Italië.9 Op de onder [verdachte R] in beslag genomen Hewlett Packard computer en de memorystick zijn afbeeldingen van documenten op veel verschillende namen aangetroffen, waaronder op naam van [A M], [T B H H D F] en [F V].10 Op de onder [verdachte S] in beslag genomen USB-stick zijn eveneens afbeeldingen aangetroffen van identiteitskaarten, waaronder op naam van [T B H H D F].11

Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken ontstaat het beeld dat voornoemde apparatuur in eerste instantie bij [verdachte Y] thuis heeft gestaan en dat deze apparatuur met twee auto's verplaatst moest worden naar de woning van [verdachte R].12

Op 28 augustus 2011 heeft een cameraobservatie plaatsgevonden bij het perceel [adres 1]. Te zien is dat [verdachte Y] in een groenkleurig voertuig, vermoedelijk de Opel Vectra, welke op naam staat van vader [S], aan komt rijden. Op de beelden is vader [S] te zien en [verdachte S] die een voorwerp in de auto legt. Even later worden in een vermoedelijke Nissan Almera, welke op naam staat van [verdachte Y], door [verdachte S] en [verdachte Y] verschillende goederen in de auto geladen. Vader [S] staat erbij te kijken en legt samen met [verdachte Y] goederen in de Nissan Almera.13

Ook bevat het dossier tapgesprekken waarin [verdachte S] bij leveranciers informeert naar het drukken van hologrammen op film en 'laminairen' voor pvc-pasjes.14

Verdachte en zijn medeverdachten hebben verklaard dat de apparatuur met toebehoren van [A] is en dat zij deze spullen voor hem in bewaring hadden en nooit hebben gebruikt. De naam van [M] hebben ze via de mail vanuit Iran ontvangen. Deze lezing schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde, reeds omdat naar het oordeel van de rechtbank deze uitleg niet verklaart hoe de afbeelding van het pasje van deze [A M] op de computer terecht is gekomen. Daarbij komt dat de computer aangesloten stond op de randapparatuur, wat niet logisch is als deze nooit zou zijn gebruikt. Ook zijn de hierboven aangehaalde telefoongesprekken, waarin bij leveranciers wordt geïnformeerd naar 'laminairen' voor pvc-pasjes en naar de mogelijkheid om hologrammen op film te drukken, in de uitleg van verdachte niet te plaatsen. Gezien het voorgaande gaat de rechtbank er dan ook van uit dat alle aangetroffen apparatuur van verdachte en zijn medeverdachten was en dat zij deze hebben gebruikt voor het vervalsen van reisdocumenten.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten

Ten aanzien van feit 1, zaaksdossier C1 - smokkelincident [V]

Uit opgenomen en afgeluisterde telecommunicatie in de periode 27 augustus 2011 tot en met 2 september 2011 is het volgende naar voren gekomen.

[verdachte S], [verdachte R] en [verdachte Y] worden door een persoon genaamd [A] op de hoogte gebracht dat twee personen op 27 of 28 augustus 2011, vermoedelijk vanuit Portugal, naar hen toe zullen komen. Deze personen hebben zelf onderdak geregeld in het Ibishotel te Badhoevedorp.15 Ze krijgen van [verdachte Y] te horen dat ze daar moeten blijven.16 [verdachte S] koopt een vliegticket voor 1 september 2011 en een treinticket voor 31 augustus 2011, blijkbaar voor een persoon genaamd [A] [W] of [V]. Tussen [verdachte S] en [verdachte R] wordt gesproken over het veranderen van de voornaam omdat [M] een meisjesnaam zou zijn, maar dan wordt gezegd 'laat maar, het is al klaar'. 17 Via het mobiele internet worden de sites van de Nederlandse Spoorwegen, NSHispeed en British Airways bezocht en de reisroute Amsterdam - Zürich geraadpleegd.18 Op 30 augustus 2011 brengt [verdachte Y] het treinticket naar de persoon toe en geeft hem instructies.19 [verdachte R] heeft de persoon geïnstrueerd zijn Iraanse paspoort te verscheuren en weg te gooien.20 Uit opeenvolgende gesprekken blijkt dat de persoon die op naam van [M A] reisde bij de verkeerde gate in Zürich heeft gestaan en dat er een ander vliegticket voor hem gekocht moest worden.21 Bij doorzoeking op het adres [adres 4], zijnde de woning van [verdachte R], is een aankoopbon voor een vliegreis voor de vlucht BA715 van Zürich naar London Heathrow op 1 september 2011 om 15.30 uur in beslag genomen. Op de aankoopbon stond de naam vermeld van Mr. [A M].22

Op 28 augustus 2011 zijn twee personen, genaamd [A] [B] [V] en [F] [B] [V], met vlucht TP662 vanuit Lissabon naar Amsterdam gereisd.23 [F] [B] [V] heeft op 29 augustus 2011 ingecheckt bij het Ibishotel te Badhoevedorp.24 Op 31 augustus 2011 wordt door een observatieteam gezien dat [verdachte S] om 16.29 uur bij het Ibishotel een persoon ophaalt. Deze persoon, vermoedelijk zijnde [A] [V] gaat vervolgens om 19.35 uur het Centraal Station te Amsterdam binnen en stapt om 20.20 uur in de trein met als eindbestemming Zürich.25 Deze Iraanse man, genaamd [A] [V], is op 1 september 2011 aangehouden op Zürich Airport te Zwitserland. Hij maakte gebruik van een valse Nederlandse identiteitskaart op naam van [M A] en trachtte aan boord te gaan van vlucht BA715 naar London Heathrow. Deze man was eerder de Zwitserse immigratiedienst gepasseerd waarbij hij een Iraans paspoort had getoond en een instapkaart van Turkish Airlines, vluchtnummer TK8074 naar Istanbul.26 [V] heeft verklaard dat hij de mensensmokkelaar, genaamd [bijnaam F], in Nederland heeft ontmoet en dat hij tot Nederland met zijn eigen Iraanse paspoort heeft gereisd met daarin een Schengenvisum. De mensensmokkelaar heeft hem opgezocht in het hotel waar hij verbleef en heeft hem op 31 augustus 2011 opgehaald. Deze [bijnaam F] is met hem mee gegaan naar het Centraal Station in Amsterdam en daar heeft hij het Nederlandse identiteitsbewijs gekregen. Hij heeft [bijnaam F] 4000 euro betaald.27

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken van het onderdeel 'toegang verschaffen tot Nederland', omdat niet is vastgesteld dat die toegang tot Nederland wederrechtelijk was.

Aangaande dit verweer overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor reeds is uiteengezet is bij doorzoeking op het adres [adres 4], dure en professionele apparatuur en benodigdheden voor UV-printing in beslag genomen. Deze kunnen worden gebruikt voor het vervalsen van identiteitsdocumenten. Op de in beslag genomen computer is een document aangetroffen op naam van [A M]. De rechtbank is van oordeel dat - hetgeen ook ondersteund wordt door de verklaring van [V] - verdachte en zijn broers niet alleen een trein- en vliegticket hebben gekocht voor deze [V], maar ook aan laatstgenoemde een Nederlandse identiteitskaart op naam van [A M] hebben overhandigd, welke kaart met behulp van de apparatuur in de woning van [verdachte R] moet zijn gemaakt. Voorts is duidelijk geworden - zoals hiervoor is uiteen gezet - dat verdachte en zijn broers op de hoogte waren van het feit dat [V], via Zwitserland, door zou reizen naar Groot-Brittannië met gebruikmaking van de valse identiteitskaart. Dit maakt dat verdachte en zijn broers deze [V] behulpzaam zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of de doorreis door Nederland.

Met gelijke overweging wordt het verweer van de raadsman dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen in de tenlastelegging onder het tweede gedachtestreepje staat vermeld, eveneens verworpen.

De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2, zaaksdossier C.2 - smokkelincident [H] en [R]

Op 11 augustus 2011 hoort [verdachte R] van een zekere [E] dat er de volgende dag twee personen uit Teheran komen.28 [E] geeft het telefoonnummer van de man, [telefoonnummer 7], zodat [verdachte R] hem kan bellen en zegt dat zijn naam [Ee] is.29 [verdachte R] stelt [verdachte Y]30 en [verdachte S]31 op de hoogte van de komst van de twee. Op 12 augustus 2011 belt ene [A] met [verdachte R] dat ze in Italië zijn en om 3.50 uur in Zwitserland aankomen.32 Op 13 augustus 2011 belt ene [A], de medereiziger van [A], gebruikmakend van het Iraanse telefoonnummer [telefoonnummer 7], dat zij naar Amsterdam vliegen en om 12,30 of 13.00 uur aankomen.33 Uit onderzoek naar de vluchtlijst van vlucht KL 1928 van luchtvaartmaatschappij KLM, van Genève naar Amsterdam op 14 augustus 2011, blijkt dat twee personen, genaamd [E] [H] en [A] [R] met deze vlucht hebben gevlogen.34 Uit een afgeluisterd telefoongesprek blijkt dat [E] zich [A] noemt.35 [verdachte R] en [verdachte S] rijden naar Schiphol alwaar ze een man en een vrouw ophalen. Met beiden worden hotels bezocht.36 De man wordt ondergebracht in het Washington hotel.37 [A] verblijft, na één nacht in een hotel, bij [verdachte Y], in het huis van hun ouders. [verdachte S] heeft hiervoor toestemming gevraagd en gekregen van hun moeder. Moeder haalt de spullen uit de kamer van dochter [P] zodat [verdachte Y] en [A] in die kamer kunnen slapen.38 Moeder vertelt vervolgens dat zij met [A] zit te praten.39 [A] vertelt haar moeder dat zij in het huis van de ouders van de jongens, de contactpersonen, verblijft.40 Op 15 augustus 2011 vraagt [verdachte S] aan [verdachte Y] of hij het ding vandaag kan klaarkrijgen als hij de foto van die jongen via WhatsApp naar [verdachte Y] toestuurt. [verdachte S] zegt dat die van het meisje heel erg veel lijkt en dat zij zonder probleem via Düsseldorf kan gaan.41 Bij de doorzoeking aan het adres [adres 4] werd een computer aangetroffen waarop meerdere afbeeldingen van identiteits- en reisdocumenten en foto's waren opgeslagen, waaronder een foto die ook werd aangetroffen op het identiteitsdocument dat [H] bij zich had toen hij werd aangehouden.42 Bij de doorzoeking aan de [adres 5] werd een heuptas in beslag genomen, waarin zich onder andere verschillende Belgische identiteitskaarten bevonden die door de Belgische autoriteiten in het Schengen Informatie Systeem staan gesignaleerd in verband met diefstal, valselijk gebruik of als verloren voorwerp.43 Op 19 augustus 2011 worden [verdachte S] en [H] om 13.12 uur gezien op perron vijf van Amsterdam Centraal, alwaar de trein richting Keulen vertrekt om ongeveer 13.38 uur.44 [A] meldt [verdachte S] om 13.28 uur dat de trein nog niet is aangekomen.45 Op 20 augustus 2011 belt [A] met [verdachte R] dat ze op de luchthaven zijn.46 [verdachte R] instrueert [A] alles na de controle te verscheuren en weg te gooien en daarna naar Easyjet te gaan.47[A] [R] en [E] [H] worden op 20 augustus 2011 op het vliegveld van Keulen aangehouden. [H] was in het bezit van een valse of vervalste Nederlandse identiteitskaart op naam van [M A]. [R] was in het bezit van een gestolen Belgische identiteitskaart op naam van [J M M M].48

[A] [R] heeft aan [verdachte R] 4000 euro betaald en [E] [H] 2000 euro.49

Ter zitting heeft [verdachte S] verklaard dat hij samen met [verdachte R] de jongen en het meisje heeft opgehaald van Schiphol. Hij wist dat [H] en [R] niet op de juiste papieren reisden. Hij heeft [H] en [R] op 19 augustus 2011 naar station Amsterdam-Centraal gebracht.

Bewijsoverweging feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat tot een bewezenverklaring van dit feit kan worden gekomen, met uitzondering van hetgeen onder het derde gedachtenstreepje is opgenomen, omdat [verdachte S] [H] en [R] niet heeft voorzien van een vervalst c.q. vals reisdocument op naam van [M A] en [J M M M]. Ter terechtzitting is door [verdachte S] verklaard dat de foto van [H], die op de computer is aangetroffen, vanuit Iran is gestuurd om een ticket te kopen en dat [H] en [R] de reisdocumenten reeds vanuit Iran hadden meegenomen.

De rechtbank volgt dit betoog niet omdat voor het kopen van een vliegticket het hebben van een foto niet noodzakelijk is. Daarenboven blijkt uit de tapgesprekken dat [verdachte S] de foto via WhatsApp naar [verdachte Y] heeft toegestuurd. Uit dit gesprek blijkt tevens dat [verdachte Y] iets aan het maken is, waarbij hij de foto van [H] nodig heeft. De rechtbank ziet in dit gesprek geen aanknopingspunten voor de verklaring dat het om de aankoop van een vliegticket ging. Ten aanzien van het Belgische identiteitsdocument waarop [R] reisde, overweegt de rechtbank dat de verklaring ter zitting van verdachte dat ook zij dit document zelf heeft meegenomen uit Iran niet strookt met de afgeluisterde telefoongesprekken, waarin [verdachte S] zegt dat die van het meisje juist heel erg veel lijkt. Deze verklaring ter zitting lijkt dan ook veeleer te zijn gegeven om de waarheid te bemantelen, namelijk dat verdachte en/of zijn medeverdachten [R] hebben voorzien van een valse Belgische identiteitskaart.

Zoals hiervoor reeds is uiteengezet is bij doorzoeking aan de [adres 4], dure en professionele apparatuur en benodigdheden voor UV-printing in beslag genomen. Deze kunnen worden gebruikt voor het vervalsen van identiteitsdocumenten. Daarnaast is bij de doorzoeking aan de [adres 5] een groot aantal identiteitsdocumenten op verschillende namen in beslag genomen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte en/of zijn medeverdachten niet alleen [R] en [H] hebben opgehaald van Schiphol, onderdak voor hen hebben geregeld, vliegtickets hebben gekocht, naar station Amsterdam-Centraal hebben gebracht en hebben geïnstrueerd over het vernietigen van hun Iraanse reisdocument, maar aan hen ook identiteitskaarten op naam van [J M M M] en [M A] hebben overhandigd, welke laatste kaart met behulp van de apparatuur in de woning van [verdachte R] is gemaakt. Voorts is uit de verklaring van [verdachte S] ter zitting duidelijk geworden dat hij op de hoogte was van het feit dat [H] en [R], via Duitsland, door zouden reizen naar Groot-Brittannië met gebruikmaking van een valse identiteitskaart. Dit maakt dat verdachte en zijn broers deze [H] en [R] behulpzaam zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of de doorreis door Nederland.

De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 3, zaaksdossier C.3 - smokkelincident [A]

Op 25 juli 2011 belt [verdachte Y] [verdachte S] met de vraag wat hij met "hem" moet doen en waar hij hem heen moet brengen. Door [verdachte Y] en [verdachte S] wordt vervolgens besproken of hij naar het Washington of het Janson Hotel gaat of naar de woning aan de [adres 2]. Er wordt contact opgenomen met oom [M] voor de sleutel van de woning aan de [adres 2]. [verdachte S] vraagt nog aan [verdachte Y] of hij hem door de taxichauffeur bij het Rai station moet laten afzetten, waarop [verdachte Y] zegt dat het gemakkelijker is om naar de [adres 2] te gaan. [verdachte S] stemt hier mee in.50 Kort na dit laatste telefoongesprek belt [verdachte S] [verdachte Y] met de vraag of het is opgelost en vraagt aan [verdachte Y] om niet te vergeten een foto mee te nemen.51 Twee dagen later vraagt [verdachte S] verschillende keren aan [verdachte Y] of "die ding" al klaar is en of [verdachte Y] het daarna print en of "die ding" bij [verdachte Y] is en dat het naar die man moet.52 Op 29 juli 2011 wordt via de mobiele telefoon van [verdachte Y] de site onlineboeken.nshispeed.nl bezocht. Op de website wordt informatie getoond van een treinreis van Amsterdam-Centraal naar Keulen Bonn Flughafen met vertrek op 30 juli 2011 om 6.20 uur. 53 Er vinden verschillende telefoongesprekken plaats tussen de broers over het wegsturen van die jongen, omdat deze op zaterdagochtend vroeg weg moet. [verdachte R] zegt dat hij alles van deze zaak heeft gedaan en heeft geregeld en dat [verdachte S] de jongen maar moet bellen op zaterdagochtend.54 Op zaterdag 30 juli 2011 vraagt [verdachte R] 's middags aan [verdachte Y] of het gelukt is en of hij de vlucht heeft gehaald, waarop [verdachte Y] antwoordt dat hij zo gaat bellen. 55

Tijdens de doorzoeking aan de [adres 5] (het woonadres van [verdachte S]) is een factuur van een vliegticket in beslag genomen van een vlucht met vliegmaatschappij Easyjet van Keulen naar Londen Gatwick, gekocht op 26 juli 2011, op naam van [E E].56 Uit informatie van de Britse autoriteiten blijkt dat op 30 juli 2011 op de luchthaven Londen Gatwick een persoon, genaamd [M] [A], is aangehouden welke vanuit Keulen het Verenigd Koninkrijk probeerde binnen te reizen. Het ticket dat deze persoon gebruikte stond op naam van [E E].57

Ter terechtzitting heeft [verdachte S] verklaard dat hij een ticket voor [E] heeft gekocht van Keulen naar Londen Gatwick en dat hij de jongen heeft wakker gebeld.

Bewijsoverweging feit 3

De raadsman heeft aangevoerd dat [verdachte S] niet wist dat de doorreis van [A] wederrechtelijk was. Door [A] is alleen de naam [E] gebruikt en [verdachte S] heeft nooit een identiteitsbewijs in handen gehad. Niet staat vast dat het verschaffen van toegang tot Nederland wederrechtelijk was.

De rechtbank volgt de raadsman in dit betoog niet. Gelet op het gesprek over het meenemen van een foto in samenhang bezien met het gesprek of [verdachte Y] "die ding" al klaar heeft en daarna uitprint, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat dit gaat over het uitprinten van een boardingpass, nu hiervoor immers geen foto nodig is. Veeleer gaat dit over het maken van een reisdocument, waarbij de rechtbank tevens van belang acht dat er in de woningen van [verdachte R] en [verdachte S] professionele apparatuur en benodigdheden zijn gevonden waarmee dergelijke documenten kunnen worden gemaakt, zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte en/of zijn broers [A] hebben voorzien van een vervalst reisdocument, hetgeen tevens inhoudt dat zij wisten dat [A] niet over de juiste reisdocumenten beschikte om via Duitsland naar Groot-Britannië te reizen. Dit maakt dat verdachte en zijn broers deze [A] behulpzaam zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of de doorreis door Nederland.

De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 4, zaaksdossier C4 - smokkelincident [R]

Op donderdag 3 december 2009 wordt een Iraanse man aangetroffen op de luchthaven Liverpool die gebruik maakt van een valse Franse identiteitskaart. Hij was afkomstig van de luchthaven Schiphol. De man wordt de toegang tot Groot-Brittannië geweigerd en hij wordt op 4 december 2009 teruggestuurd naar Schiphol. Deze man heet [S] [R] (hierna: [R]). De Franse identiteitskaart staat op naam van [T B H H D F].58 Zijn ticket was gekocht bij reisbureau [D te A], reserveringsnummer [nummer] [R] verklaart60 dat hij een telefoonnummer had gekregen dat hij in Amsterdam moest bellen. Er kwam toen een Iraanse man in de wachtruimte naar hem toe die hem een identiteitskaart en een boardingcard gaf waarmee hij naar Liverpool moest. De man had gezegd de identiteitskaart in het vliegtuig te verscheuren omdat dit 'verstandig was voor de andere kant zodat hij niets verkeerds had'. [R] kreeg van deze man ook een mobiele telefoon van het merk Samsung en een Nederlandse sim-kaart. Het nummer dat hij moest bellen stond misschien onder de naam "[bijnaam F]" of "[bijnaam B]".61

In de Iraanse telefoon van het merk Nokia zijn twee Nederlandse nummers aangetroffen: [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 3]. Op 3 december 2009 is gebeld naar het nummer [telefoonnummer 1] maar er is geen verbinding geweest.62

De onder [R] in beslag genomen zwarte mobiele telefoon, merk Samsung is handmatig uitgelezen. Vastgesteld werd dat het nummer van deze telefoon [telefoonnummer 8] is, zijnde een prepaidnummer aangeboden door provider Lebara.63 Op 3 december 2009 is met nummer [telefoonnummer 1] gebeld naar het nummer [telefoonnummer 8]. Deze telefoon straalt op 3 december 2009 tussen 16.07 en 16.16 uur zendmasten rond Schiphol aan, waarbij eenmaal de paal op de E-pier, gelegen in het beschermde gebied van Schiphol, wordt aangestraald.64

Op 4 december 2009 heeft [R] contact opgenomen met [telefoonnummer 1]. De telefoon met dit nummer straalt op 4 december 2009 om 17.21 en 17.54 uur de zendmast [adres 3] aan.65

Uit onderzoek blijkt dat het nummer [telefoonnummer 1] veelvuldig gebruik heeft gemaakt van zendmasten die gesitueerd zijn in de nabijheid van het adres [adres 1], destijds het woonadres van [verdachte R], alsmede van zendmasten in de nabijheid van de [adres 6], zijnde het werkadres van [verdachte R] en [verdachte S].66

Tijdens een doorzoeking op 1 november 2011 in de woning gelegen aan de [adres 4], zijnde het woonadres van [verdachte R], is een memorystick aangetroffen waarop digitaal was opgeslagen een afbeelding van een Franse identiteitskaart op naam van [T B H H D F].67 Tijdens een doorzoeking op 1 november 2011 in de woning aan de [adres 5], zijnde het woonadres van [verdachte S], is een USB-stick met daarop een afbeelding van een Franse identiteitskaart op naam van [T B H H D F] aangetroffen.68

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 5, zaaksdossier C4 - smokkelincident [P] en [H]

Op 7 maart 2010 melden [A] [P] (hierna: [P]) en [Z] [H] (hierna: [H]) zich voor hun vlucht van Amsterdam naar London. [P] maakt gebruik van een Luxemburgse identiteitskaart op naam van [F V].69 Deze kaart blijkt vals.70 [H] maakt gebruik van een Belgische identiteitskaart op naam van [E D J J]. De op deze identiteitskaart aangebrachte foto vertoont geen gelijkenis met [H] en door de Belgische autoriteiten is melding gemaakt van diefstal/ verduistering/vermissing van deze identiteitskaart.71

[P] en [H] zijn op 23 februari 2010 in Nederland aangekomen en zijn op de luchthaven opgehaald door [verdachte R] en [verdachte S]. Ze zijn toen door de broers naar hotel Johnson gebracht.72 Tijdens het verblijf aldaar heeft [verdachte R] een foto van [P] gemaakt. Eén dag voor vertrek heeft [verdachte S] een kaart aan [H] laten zien waarbij hij zei "die lijkt op jou". Hij heeft een kaart met een foto voor [P] gemaakt in een plastic hoes met de foto die eerder was gemaakt in het huis. Op 7 maart 2010 heeft [verdachte R] [P] en [H] naar de luchthaven Schiphol gebracht.73 [P] heeft verklaard dat hij daar hun eigen paspoort kreeg samen met de tickets van Turkije. Hij kreeg ook te horen wat hij moest doen op de luchthaven. Hij moest met dit paspoort en de tickets door lopen. Na controle moesten ze naar de transitzaal van Turkije en daar zouden ze [verdachte S] ontmoeten. [P] heeft [verdachte S] in het toilet bij de McDonalds ontmoet. Hij had via de telefoon contact met [verdachte S]. [P] moest naar het toilet van McDonalds gaan en de tickets en zijn paspoort daar achterlaten. Afgesproken was dat ze naar Canada, Engeland of Noorwegen zouden gaan. Nadat [P] weer contact met [verdachte S] had gehad, moest hij weer naar de toiletruimte om daar twee tickets naar Londen en twee identiteitskaarten op te halen.74 De kaarten waren de kaarten die [P] eerder had gezien. Vervolgens heeft [verdachte S] telefonisch doorgegeven dat ze naar de gate van Engeland moesten gaan en dat iemand tijdens de vlucht de documenten zou innemen.75

[verdachte S] heeft op 7 maart 2010 een ticket gekocht voor een vlucht naar Londen Heathrow doch is bij de vlucht niet komen opdagen (no-show).76 Bij een doorzoeking op 1 november 2011 is in de woning van [verdachte R] een memorystick aangetroffen waarop digitaal was opgeslagen een afbeelding van een Belgische en Luxemburgse identiteitskaart op naam van [F V].77

Bewijsoverweging feit 5

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de verklaringen van [P] en [H] onbetrouwbaar zijn omdat zij op meerdere punten (met name het toiletverhaal) niet de waarheid hebben verteld. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [P] en [H] als getuigen wel degelijk als betrouwbaar en geloofwaardig kunnen worden aangemerkt omdat deze - anders dan de verklaringen van verdachte - worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier, zoals de no-show van [verdachte S].

De raadsman heeft voorts betoogd dat de fotoconfrontatie in strijd is met de regels en geen enkele bewijswaarde zou moeten hebben. De rechtbank overweegt als volgt. De enkele omstandigheid dat een herkenning heeft plaatsgevonden op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie behoeft niet zonder meer ertoe te leiden dat die herkenning om die reden voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten. Een dergelijke herkenning kan als ondersteuning van het reeds aanwezige bewijs dienen. Op grond van eerder vermelde vastgestelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank de herkenning van verdachte bij een enkelvoudige fotoconfrontatie voldoende betrouwbaar om bij te dragen aan het bewijs tegen de verdachte, mede gelet op het feit dat de resultaten hiervan steun vinden in voormelde andere bewijsmiddelen.

Tot slot is als verweer gevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel "verschaffen van toegang tot Nederland" omdat niet is vastgesteld dat die toegang tot Nederland wederrechtelijk was. De rechtbank is van oordeel dat uit de redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat de bedoeling was dat [P] en [H] niet in Nederland zouden blijven maar door zouden reizen naar Groot-Brittannië met gebruikmaking van valse reisdocumenten. Daarmee staat tevens de wederrechtelijke toegang tot/en of doorreis door Nederland vast.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit onder 5 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 6, zaaksdossier C9 - gewoontewitwassen van de opbrengsten van mensensmokkel

Bij een doorzoeking van de woning van [verdachte S] en zijn partner [K] (hierna: [verdachte K]) aan de [adres 5] is onder meer aangetroffen een goudbaar van 250 gram met een geschatte waarde van € 10.000,-, een goudbaar van 100 gram met een geschatte waarde van € 4.000,-, een goudbaar van 1 ounce met een geschatte waarde van

€ 1.200,- en gouden muntjes met een geschatte waarde van € 30,- à € 60,-.78 Uit een tapgesprek na de doorzoeking bleek dat in de woning ook een bedrag van € 5.000,- verborgen is geweest, welk door het onderzoeksteam niet is aangetroffen.79

Uit onderzoek80 is naar voren gekomen dat [verdachte S] beschikt over de volgende rekeningen.

- ING betaalrekening [rekeningnummer] Deze rekening is gedurende de gehele onderzoeksperiode van 1 januari 2009 tot en met 31 oktober 2011 actief geweest en werd gebruikt als primaire rekening. Hierop werden de maandelijkse salarissen van [bedrijfsnaam] en teruggaven uit inkomstenbelasting gestort, gemiddeld € 1.834,31 per maand. In totaal is in deze periode € 38.507,18 contant opgenomen en € 26.850,- gestort.

- ING profijtrekening[rekeningnummer] Deze rentedragende rekening is geopend op 26 maart 2010 en op 30 augustus 2011 heeft de laatste overboeking plaatsgevonden. De overboekingen naar deze rekening waren afkomstig van voorafgaande contante stortingen of van voorafgaande bancaire overboekingen van zijn partner [verdachte K] of broer [verdachte R]. Uit de gevorderde bankafschriften van de twee laatstgenoemden bleek dat de bancaire overboekingen naar deze rekening afkomstig zijn van contante stortingen.

Uit de onderzochte bankafschriften en het hypotheekdossier blijkt dat door middel van de contante stortingen een doorlopend krediet is afbetaald, waarna een hypotheek kon worden verstrekt. Voorts is gebleken dat na de contante stortingen regelmatig overboekingen plaatsvonden naar de rekeningen van vader [S] en broer [verdachte R]. In totaal werd

€ 41.158,03 overgeboekt naar rekeningen van diverse familieleden en € 41.954,- ontvangen van diverse rekeningen van familieleden.81 82

Uit tapgesprekken en een inkomend e-mailbericht blijkt dat de partner van [verdachte S] op 8 september 2011 met goedvinden van [verdachte S] een goudbaar van 31,1 gram en een goudbaar van 250 gram heeft besteld voor € 12.071,46 bij [naam firma]. Twee dagen later wordt [verdachte S] door [verdachte R] benaderd over het aankopen van goud, maar [verdachte S] deelt hem mee dat hij net goud heeft gekocht en verwijst hem naar [verdachte Y].83

Uit een overzicht van casinobezoeken en korte mutaties van gesprekken tussen Holland Casino en de broers bleek dat [verdachte S] en zijn broers in relatief korte periodes zeer regelmatig Holland Casino bezochten. Zij werden door Holland Casino opgemerkt door hun bezoekfrequentie en uitgavenpatroon. Op 26 juli 2009 heeft er een gesprek plaatsgevonden in het kader van preventiebeleid kansspelen tussen [verdachte S] en een medewerker van Holland Casino. [verdachte S] gaf aan dat hij toentertijd veel te veel kwam en teveel is verloren. Hij is hierdoor niet in financiële problemen gekomen.84

Uit opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en verklaringen van de gesmokkelde personen kan worden afgeleid dat zij hebben betaald voor de diensten van de smokkelaars.

Zo verklaarde de gesmokkelde [V] dat hij voor de prestaties van de mensensmokkelaar in Nederland € 4.000,- heeft betaald.85 In een tapgesprek tussen [verdachte S] en [verdachte Y] op 2 september 2011 wordt gesproken over de prijs van negen.86 Tegen [verdachte R] wordt gezegd dat het meisje vier zal geven en de jongen twee.87 In een gesprek88 op 19 augustus 2011 zegt [verdachte R] tegen [verdachte Y] dat zij hem 6000 hebben gegeven. Tot slot heeft de gesmokkelde S. [R] verklaard dat de reis € 10.000,- zou kosten.89

Dat ook de partner van [verdachte S] wetenschap had van de mensensmokkel en het feit dat daarmee grote geldbedragen werden verdiend blijkt uit opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken die zijn gevoerd. Zo spreekt [verdachte K] over het vergokken van de vooruitbetaling van twee arme mensen90 en dat ze moeten leren om op te houden met dat soort stomme werk.91

Uit een Nibud berekening huishouden92 volgt dat het maandelijks legale inkomen van [verdachte S] en zijn partner (€ 1.834, 31 en € 1.360,01 = € 3.194,32) minimaal tot onvoldoende is om te kunnen voldoen aan hun primaire basisbehoeften (minimaal € 3.123,- en gemiddeld € 3.308,- per maand). Door het niet opnemen van diverse kostenposten is het maandelijks tekort feitelijk hoger.

Vorenstaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. Derhalve mag van [verdachte S] worden verwacht dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijke verklaring omtrent de herkomst van het goud, het geld en de contante stortingen geeft.

Ter zitting heeft [verdachte S] verklaard dat hij het goud dat in zijn woning is aangetroffen heeft gekocht van zijn spaargeld. Toen hij nog bij zijn ouders woonde, kon hij sparen. Gedurende vier jaren heeft hij € 700,- per maand gespaard. Zijn partner heeft ook € 1.000,- meebetaald door rood te staan. Verder hadden hij en zijn partner € 1.200,- cadeau gekregen in verband met de geboorte van hun zoon [S] en is € 3.000,- geleend van de broer van [zijn partner] om er goud van te kopen. Op verdere vragen beriep [verdachte S] zich op zijn zwijgrecht.

De verklaring van [verdachte S] dat hij beschikte over contant spaargeld is onvoldoende concreet en niet verifieerbaar. Bezien tegen de achtergrond van de redengevende feiten en omstandigheden - zijn inkomen en uitgavenpatroon, het mede onderhouden van zijn vrouw en zoontje, het rood staan op de rekening van de partner en geld moeten lenen van de broer van zijn partner om goud te kunnen kopen, terwijl er nog € 5.000,- aan contant geld in/onder een la in de woning van [verdachte S] en zijn partner is verborgen - moet de beweerdelijke legale herkomst van de grote geldbedragen en het goud terzijde worden geschoven.

De raadsman heeft nog betoogd dat er geen sprake is van witwastypologieën. Dit verweer stuit echter af op hetgeen in de Memorie van Toelichting bij artikel 420 bis, eerste lid sub b Sr is vermeld (Wet van 6 december 2001, Stb. 606) namelijk: "Een typische vorm van witwassen is het rondpompen van geld door veelvuldige overschrijvingen tussen verschillende rekeningen. Credit- en debetverrichtingen volgen elkaar, om onverklaarbare redenen, in hoog tempo op." Uit de redengevende feiten blijkt dat op en/of middels de bankrekeningen van [verdachte S] diverse contante gelden werden gestort en middels doorboekingen en transacties zijn verplaatst naar rekeningen van de partner en familieleden.

Op grond van het bovenstaande, in samenhang met de omstandigheid dat [verdachte S] geen concrete verifieerbare verklaring heeft kunnen dan wel willen geven, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat het aangetroffen goud, het verborgen en door het onderzoeksteam niet gevonden geld en de contante stortingen op zijn bankrekeningen afkomstig zijn van mensensmokkel en het vervalsen van documenten. Uit het voorgaande blijkt ook dat [verdachte S] en zijn medeverdachten hiervan wetenschap hadden. Nu er sprake is van een langere periode waarin diverse malen gelden zijn witgewassen, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [verdachte S] en zijn medeverdachten van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt. De rechtbank gaat voor wat betreft de periode, anders dan de officier van justitie, uitsluitend uit van de bewezenverklaarde feiten en komt daarmee tot bewezenverklaring van een kortere periode, namelijk 1 december 2009 tot en met 1 november 2011.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit onder 6 wettig en overtuigend bewezen.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat bij alle voornoemde bewezenverklaarde feiten sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten zodat steeds het medeplegen wettig en overtuigend bewezen wordt geacht.

Ten aanzien van feit 7, zaaksdossier C8 - criminele organisatie

De rechtbank bezigt de hiervoor ten aanzien van de overige feiten weergegeven redengevende feiten en omstandigheden ook ten aanzien van de ten laste gelegde criminele organisatie.

Uit die feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte zich samen met zijn broers schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel, het vervalsen van reisdocumenten en valsheid in geschrifte.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of verdachte en zijn broers deze strafbare feiten in een georganiseerd verband hebben gepleegd.

De te smokkelen personen uit Iran werden in Nederland voorzien van tickets en valse reisdocumenten. Er werd onderdak geregeld en zij werden door verdachte en/of (een van) zijn broers van en naar het vliegveld en/of treinstation vervoerd. Verder kregen de gesmokkelden instructies van de broers onder andere met betrekking tot vernietiging van hun originele reisdocumenten. Vanuit Nederland reisden de gesmokkelden via andere Schengenlanden, zoals Duitsland en Zwitserland, naar Groot-Brittannië.

Verdachte en zijn broers gebruikten bij de smokkelincidenten meerdere mobiele telefoons en wisselden regelmatig van telefoonnummer en -toestel. Tijdens de doorzoekingen op de diverse woonadressen van verdachte en zijn broers zijn een groot aantal van deze telefoontoestellen aangetroffen. In de telefoongesprekken die verdachten onderling, met gesmokkelden en met contactpersonen in Iran of elders voerden werd veelvuldig gebruik gemaakt van de namen [bijnaam B], [bijnaam F] en [bijnaam A], kennelijk met als doel niet getraceerd te kunnen worden door de opsporingsautoriteiten.

Daarnaast zijn, tijdens doorzoekingen op de adressen van de broers verschillende digitale gegevensdragers in beslag genomen. Uit onderzoek aan deze gegevensdragers is gebleken dat hierop een grote hoeveelheid digitale afbeeldingen van vermoedelijk valse en/of vervalste identiteitsdocumenten staan. Een aantal van deze afbeeldingen is rechtstreeks terug te voeren op mensensmokkelincidenten. Voorts is een groot aantal goederen aangetroffen, zoals stempelinkt, twee card printers bestemd voor het printen van pvc identiteitskaarten van formaat ID, een inktjetprinter, een lamineerapparaat, een laserperforator, een card lamineermachine en een groot aantal ongebruikte pvc kaarten van formaat ID, waarvan is vastgesteld dat dit goederen betreffen die een documentvervalser gebruikt of kan gebruiken.

Verder is in de woning van [verdachte S] een zwarte heuptas aangetroffen met meerdere identiteitskaarten die als gestolen of vermist stonden geregistreerd.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit het vorenstaande genoegzaam naar voren dat tussen verdachte en zijn broers sprake is geweest van een georganiseerd en gestructureerd samenwerkingsverband gericht op mensensmokkel, het vervalsen van reisdocumenten en valsheid in geschrifte. Van een hiërarchie is niet gebleken maar naar het oordeel van de rechtbank was er wel een duidelijke taakverdeling tussen de broers. Uit de tapgesprekken kan worden afgeleid dat de financiële kant werd beheerd door [verdachte R], dat [verdachte S] zich bezig hield met het vervoer van gesmokkelden van en naar tijdelijke verblijfplaatsen en hen van reisbescheiden voorzag en dat [verdachte Y] zich bezig hield met het vervalsen van documenten.

Het deelnemen aan de organisatie heeft tot behoorlijke opbrengsten geleid. Bij verdachte en zijn broers zijn tijdens de doorzoekingen in de woningen geld en/of goud aangetroffen, die niet verklaard kunnen worden uit hun legale inkomsten. Voorts hebben vele malen contante stortingen van grote geldbedragen op hun bankrekeningen plaatsgevonden die evenmin verklaard konden worden door legaal inkomen. Voor zover verdachte en zijn broers daarover een verklaring hebben afgelegd, acht de rechtbank die niet aannemelijk dan wel ongeloofwaardig.

Dat er van een zekere bestendigheid sprake is geweest, blijkt uit de periode gedurende welke de mensensmokkelincidenten zich hebben voorgedaan, de investeringen in de aanschaf van professionele apparatuur en uit de ongewijzigde samenstelling van de groep.

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte (kort gezegd) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die het oogmerk had op mensensmokkel, het vervalsen van documenten en valsheid in geschrifte. De rechtbank gaat voor wat betreft de periode, anders dan de officier van justitie, uitsluitend uit van de bewezenverklaarde feiten en komt daarmee tot bewezenverklaring van een kortere periode, namelijk 1 december 2009 tot en met 1 november 2011.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

Feit 1- zaaksdossier C1: smokkelincident [V]

hij in de periode van 27 augustus 2011 tot en met 1 september 2011 te Amsterdam, en/of te Purmerend en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een Iraanse man, genaamd [A] [V], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of de doorreis door Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, te weten: Duitsland en Groot-Brittannië, door:

- deze Iraanse man en diens vader na hun aankomst vanuit Portugal in Nederland te instrueren en mede te delen, dat zij voorlopig in het Ibis Hotel moesten blijven en

- deze Iraanse man te voorzien van een door verdachte en/of zijn mededaders vervaardigd vals of vervalst reisdocument op naam van [M A] en

- op internet te zoeken naar een ticket voor een treinreis van Amsterdam CS naar Zürich (Zwitserland) op 31 augustus 2011 en een dergelijk ticket voor deze Iraanse man te boeken en te kopen en te betalen en

- deze Iraanse man op te halen bij het Ibis hotel en weg te brengen naar Amsterdam CS en

- op internet te zoeken naar een ticket voor een vlucht van Zürich (Zwitserland) naar Londen Heathrow (Groot-Brittannië) op 1 september 2011 en een dergelijk ticket voor deze Iraanse man te boeken en te kopen en te betalen en

- deze Iraanse man te instrueren en mede te delen dat deze zijn Iraanse reisdocumenten op de luchthaven van Zürich diende te verscheuren en weg te gooien, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en Duitsland en Groot-Brittannië van die Iraanse man, genaamd [A] [V], wederrechtelijk was.

Feit 2 - zaaksdossier C2: smokkelincident [H] en [R]

hij in de periode van 11 augustus 2011 tot en met 20 augustus 2011 te Amsterdam en/of te Purmerend en/of te Schiphol, tezamen en in vereniging met anderen,

- een Iraanse man, genaamd [E] [H] en

- een Iraanse vrouw, genaamd [A] [R], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie, te weten: Groot-Brittannië en/of Duitsland, door:

- die [H] en [R] bij hun aankomst (vanuit Zwitserland) op de luchthaven Schiphol op 14 augustus 2011 op te vangen en op te halen en

- voor die [H] en [R] (enige dagen) onderdak en/of verblijf te zoeken en/of te regelen (in respectievelijk een hotel in Amsterdam en op het adres [adres 1]) en

- die [H] en [R] te voorzien van door verdachte en/of zijn mededaders vervaardigde valse of vervalste reisdocumenten (respectievelijk op naam van [M A] en [J M M M]) en

- die [H] en [R] op 19 augustus 2011 weg te brengen naar Amsterdam CS en

- die [H] en [R] te instrueren en mede te delen dat deze hun Iraanse reisdocumenten na het passeren van de (douane- en/of politiecontroles ) op de luchthaven van Keulen (Duitsland) dienden te verscheuren en weg te gooien,

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië van die [H] en [R] wederrechtelijk was.

Feit 3 - zaaksdossier C3: smokkelincident [A]

hij in de periode van 25 juli 2011 tot en met 30 juli 2011 te Amsterdam en/of te Purmerend en/of te Hoofddorp en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een Iraanse man, genaamd [M] [A], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of andere lidstaten van de Europese Unie, te weten: Duitsland en/of Groot-Brittannië, door:

- telefoongesprekken te voeren over het zoeken en/of het regelen van een (tijdelijke) verblijfplaats in Nederland voor deze Iraanse man en

- telefoongesprekken te voeren over het maken van een foto van deze Iraanse man en/of het maken en/of het printen van een vals of vervalst reisdocument ("ding") voor deze Iraanse man en

- deze Iraanse man te voorzien van een vals of vervalst reisdocument ("ding") (op naam van [E E]) en

- op internet te zoeken naar een ticket voor een treinreis van Amsterdam CS naar de luchthaven Keulen/Bonn (Duitsland) op 30 juli 2011 en een dergelijk ticket voor en/of met deze Iraanse man te boeken en te kopen en

- voor deze Iraanse man een ticket (ten name van [E E]) voor een (Easyjet)vlucht van de luchthaven Keulen/Bonn (Duitsland) naar Londen Gatwick (Groot-Brittannië) te boeken en te kopen en te betalen terwijl hij en zijn mededaders wisten dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Duitsland en/of Groot-Brittannië van die Iraanse man, genaamd [M] [A], wederrechtelijk was.

Feit 4 - zaaksdossier C4: smokkelincident [R]

hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 4 december 2009 te Schiphol en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, een Iraanse man, genaamd [S] [R], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten: Groot-Brittannië, door:

- deze Iraanse man (in Iran) te laten instrueren dat deze na aankomst op de luchthaven Schiphol het Nederlandse telefoonnummer [telefoonnummer 1], diende te bellen en

- deze Iraanse man op 'airside' van de luchthaven Schiphol te benaderen en aan te spreken en aldaar in het bezit te stellen van:

* een valse of vervalste Franse identiteitskaart op naam van [T B H H D F] en

* een instapkaart voor een vlucht naar Liverpool in Groot-Brittannië en

* een telefoontoestel (merk: Samsung) en een Nederlandse sim-kaart en

- deze Iraanse man te instrueren dat deze voornoemde valse of vervalste Franse identiteitskaart in het vliegtuig naar Liverpool diende te vernietigen, terwijl hij en zijn mededader wisten dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Groot-Brittannië van die Iraanse man, genaamd [S] [R], wederrechtelijk was.

Feit 5 - zaaksdossier C4: smokkelincident [P] en [H]

hij in de periode van 23 februari 2010 tot en met 7 maart 2010 te Amsterdam en/of te Schiphol en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

- een Iraanse man, genaamd [A] [P] en

- een Iraanse vrouw, genaamd [Z] [H],

behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot en/of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten: Groot-Brittannië, door:

- die [P] en [H] bij hun aankomst in Nederland op te vangen en op te halen en

- die [P] en [H] een tijdelijke verblijfplaats in Nederland te verschaffen en

- die [P] en [H] op 7 maart 2010 naar de luchthaven Schiphol te brengen en (vóór en/of ten behoeve van de paspoortcontrole) te voorzien van tickets naar Istanbul (Turkije) en

- die [P] en [H] op 'airside' van de luchthaven Schiphol te voorzien van:

* een valse of vervalste Luxemburgse identiteitskaart (op naam van [F V]) en

* een Belgische identiteitskaart (op naam van [E D J J]) en

* tickets/instapkaarten (voor een vlucht (VG 0235) naar Londen in Groot-Brittannië) en

- die [P] en [H] te instrueren dat voornoemde identiteitskaarten in het vliegtuig naar Londen door iemand weer zouden worden ingenomen, terwijl hij en zijn mededader wisten dat de toegang tot en/of de doorreis door Nederland en/of Groot-Brittannië van die [P] en [H] wederrechtelijk was.

Feit 6 - zaaksdossier C9: gewoontewitwassen van de opbrengsten van mensensmokkel

hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 1 november 2011 te Purmerend en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen,

grote geldbedragen en goud heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet,

terwijl hij en zijn mededaders telkens wisten dat bovenomschreven geldbedragen en voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig uit misdrijven waren, van welk witwassen verdachte en zijn mededaders aldus een gewoonte hebben gemaakt.

Feit 7 - zaaksdossier C8: deelneming aan een criminele organisatie

hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 1 november 2011 te Amsterdam en/of te Purmerend en/of te Schiphol en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- mensensmokkel en

- het vervalsen van reisdocumenten, dan wel het bezit van valse reisdocumenten en

- valsheid in geschrift, dan wel het afleveren van valse geschriften.

De in de bewezen verklaarde tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1. mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen;

2. mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd;

3. mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen;

4. mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen;

5. mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd;

6. van het plegen van witwassen een gewoonte maken, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen;

7. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sancties

7.1. Hoofdstraffen

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen op de bewezen verklaarde wijze binnen georganiseerd verband meermalen schuldig gemaakt aan - kort gezegd - mensensmokkel. Hij heeft voor de te smokkelen personen valse identiteitsdocumenten, vlieg- en treintickets geregeld. Voor het maken van die identiteitsdocumenten werd gebruik gemaakt van professionele apparatuur. Niet is gebleken dat verdachte slechts vanuit humanitaire redenen heeft gehandeld nu uit de bewezen verklaarde mensensmokkelincidenten is gebleken dat de gesmokkelden voor deze diensten hebben betaald. Door mensensmokkel wordt niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegale toegang tot en illegaal verblijf in Nederland en andere Schengenlanden doorkruist, maar wordt ook bijgedragen aan het in stand houden van een illegaal circuit waardoor het maatschappelijk verkeer kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd, terwijl het draagvlak om politieke vluchtelingen in de zin van de Conventie van Genève, ruimhartig op te vangen, daardoor in ernstig mate wordt ondermijnd. De rechtbank acht mensensmokkel dan ook een strafbaar feit dat ernstig inbreuk maakt op de rechtsorde en in de samenleving gevoelens van grote onrust veroorzaakt.

Voorts heeft verdachte zich samen met anderen over een langere periode schuldig gemaakt aan witwassen. De rechtbank acht het kwalijk dat verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Verdachte heeft zich aldus ook hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf.

In de door en namens de verdachte aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de straf die ten aanzien van soortgelijke feiten in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd. Omdat de rechtbank de feiten iets anders weegt dan het Openbaar Ministerie zal de op te leggen straf lager zijn dan door de officier van justitie is geëist.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 250 gram goud, 100 gram goud en 1 ounce goud, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat die voorwerpen geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen.

7.3. Maatregel

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten ongebruikte pvc-kaarten, stempelkussens, inkt, stempel, verschillende gereedschappen, geheugenkaart, bank- en creditcard en een laptop, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde feiten met behulp van die voorwerpen zijn begaan of voorbereid en het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 140, 197a en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 250 gram goud (nummer 34);

- 100 gram goud (nummer 77);

- 1 ounce goud (nummer 78).

Onttrekt aan het verkeer:

- een witte ongebruikte pvc-kaart (nummer 1);

- een schoenendoos met als inhoud: een stempel en ultraviolet inkt (nummer 2);

- een schoenendoos met als inhoud: lijm, stempelkussens en rollen folie voor lamineermachine (nummer 3);

- cardprinter, merk Evolis, bestemd voor het printen van pvc identiteitskaarten (nummer 4);

- elektrische boor, slijp- en freesgereedschap, merk Dremel (nummer 7);

- plastic tas met als inhoud, waardepapieren, laminaten en fotopapier (nummer 11);

- documentencontrolelamp voorzien van UV-verlichting (nummer 12);

- vier witte ongebruikte pvc-kaarten (nummer 13);

- geheugenkaart, merk T-Mobile met afbeeldingen van identiteitsdocumenten, veiligheidskenmerken en pasfoto's (nummer 28);

- bankpas van Bank Austria op naam van [naam] (nummer 37);

- creditcard van Bank Austria op naam van [naam] (nummer 38);

- laptop, merk Acer, type Aspire met in het geheugen afbeeldingen van verschillende identiteitskaarten, hologrammen en veiligheidskenmerken voor identiteitsdocumenten (nummer 43).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter,

mr. A.M. Ayal en mr. G.D. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juli 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De telkens hierna in de voetnoten aangehaalde tapgesprekken maken onderdeel uit van het betreffende proces-verbaal waaraan zij als bijlage zijn gehecht.

2 Het proces-verbaal relaas van onderzoek d.d. 26 januari 2012 (map A, algemeen dossier, pagina 21).

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2011 (map A, algemeen dossier, pagina's 83-90).

4 Het proces-verbaal van vaststelling identiteit d.d. 11 oktober 2011 (map A, algemeen dossier, pagina's 139-145).

5 Het proces-verbaal persoonsdossier d.d. 19 januari 2012 (persoonsdossier B7, pagina 7).

6 Het proces-verbaal van verdenking d.d. 18 juli 2011 (map A, algemeen dossier, pagina's 114-119).

7 Het proces-verbaal van verdenking d.d. 26 juli 2011 (map A, algemeen dossier, pagina's 122-127).

8 De door de officier van justitie ter terechtzitting van 25 juni 2012 overgelegde stukken, te weten het proces-verbaal d.d. 22 juni 2012 met bijlagen.

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2012 (inbeslagnamedossier E2, pagina's 127- 128) met bijlagen (pagina's 129 en 130) en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 januari 2012 (inbeslagnamedossier E3, pagina's 246-249) met bijlagen.

10 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2012 (afbeeldingen gegevensdragers, dossier F, pagina's 369-374) met bijlagen; het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 december 2011 (afbeeldingen gegevensdragers, dossier F, pagina's 227-231) en het proces-verbaal d.d. 17 november 2011 (afbeeldingen gegevensdragers, dossier F, pagina 232) met bijlagen.

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2012 (afbeeldingen gegevensdragers, dossier F, pagina's 12-15).

12 De tapgesprekken van 22 augustus 2011 om 19.54 uur (zaaksdossier C8, pagina 143) en 28 augustus 2011 om 13.26 uur (zaaksdossier C1, pagina 41).

13 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 september 2011 (zaaksdossier C8, pagina's 49-51).

14 Het tapgesprek d.d. 24 augustus 2011 om 14.22 uur (zaaksdossier C8, pagina 129) en het tapgesprek d.d. 5 augustus 2011 om 13.17 uur (map A, algemeen dossier, pagina 152).

15 De tapgesprekken d.d. 27 augustus 2011 om 17.57 uur, 28 augustus 2011 om 13.25 uur, 29 augustus 2011 om 16.35 uur (zaaksdossier C1, pagina's 38, 41 en 47).

16 Het tapgesprek van 29 augustus 2011 om 16.35 uur (zaaksdossier C1, pagina 47).

17 De tapgesprekken d.d. 29 augustus 2011 om 20.07 en 20.37 uur, 30 augustus 2011 om 09.38 uur en 30 augustus 2011 om 14.48 uur (zaaksdossier C1, pagina's 48, 50 en 53).

18 De tapgesprekken d.d. 30 augustus 2011 om 11.02 uur, 31 augustus 2011 om 00.00 uur en 1 september 2011 om 00.00 uur (zaaksdossier C1, pagina 51, 60 en 64).

19 De tapgesprekken d.d. 30 augustus 2011 om 18.21 uur en 19.50 uur (zaaksdossier C1, pagina's 56 en 58-59).

20 De tapgesprekken d.d. 1 september 2011 om 13.33 uur en 15.39 uur (zaaksdossier C1, pagina's 77 en 84).

21 De tapgesprekken d.d. 1 september 2011 om 13.21 uur (zaaksdossier C1, pagina 74), om 13.28 uur (pagina 75), om 13.33 uur (pagina 77), om 14.07 uur (pagina 78), om 14.39 uur (pagina 80), om 14.47 uur (pagina 82, om 15.39 uur (pagina 84), om 17.00 uur (pagina 89), om 17.33 uur (pagina 90), om 17.58 uur (pagina 91), om 18.08 uur (pagina 92 en om 18.21 uur (pagina's 93 en 94).

22 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2011 (zaaksdossier C1, pagina's 180-181).

23 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2011 (zaaksdossier C1 pagina's 104-105).

24 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 oktober 2011 (zaaksdossier C1, pagina's 108-109).

25 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 september 2011 (zaaksdossier C1, pagina's 163-168).

26 Het proces-verbaal d.d. 7 oktober 2011 met nummer 29 - 826823 (zaaksdossier C1, pagina's 170-171).

27 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2012 met bijlagen en vertaling aangaande antwoord op het rechtshulpverzoek vanuit Zwitserland (map 1, eerste aanvulling, pagina's 23-39).

28 Het tapgesprek d.d. 11 augustus 2011 om 23.09 uur (zaaksdossier C2, pagina 55).

29 Het tapgesprek d.d. 11 augustus 2011 om 23.11 uur (zaaksdossier C2, pagina 56).

30 Het tapgesprek d.d. 11 augustus 2011 om 23.15 uur (zaaksdossier C2, pagina 57).

31 Het tapgesprek d.d. 12 augustus 2011 om 7.37 uur (zaaksdossier C2, pagina 58).

32 Het tapgesprek d.d. 12 augustus 2011 om 11.56 uur (zaaksdossier C2, pagina 59).

33 De tapgesprekken d.d. 13 augustus 2011 om 12.06 uur (zaaksdossier C2, pagina 67) en 14 augustus 2011 om 11.08 uur (zaaksdossier C2, pagina 72).

34 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 september 2011 (zaaksdossier C2, pagina's 168-172).

35 Het tapgesprek d.d. 17 augustus 2011 om 15.26 uur (zaaksdossier C2, pagina 105).

36 Proces-verbaal van stelselmatige observatie d.d. 22 augustus 2011 (zaaksdossier C2, pagina 161-167).

37 Het tapgesprek d.d.14 augustus 2011 om 16.57 uur (zaaksdossier C2, pagina 80).

38 Het tapgesprek d.d. 15 augustus 2011 om 12.30 uur (persoonsdossier B5, pagina 46).

39 De tapgesprekken d.d. 15 augustus 2011 om 8.56 uur (zaaksdossier C2, pagina 92), om 12:20 uur (zaaksdossier C2, pagina 95) en om 14.17 uur (zaaksdossier C2, pagina 99).

40 Het tapgesprek d.d. 18 augustus 2011 om 21.28 uur (zaaksdossier C2, pagina 106).

41 Het tapgesprek d.d. 15 augustus 2011 om 12.56 uur (zaaksdossier C2, pagina 97).

42 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 januari 2012 (zaaksdossier C2, pagina's 177-189).

43 De processen-verbaal van bevindingen d.d. 8 november 2011 en 12 januari 2012 (inbeslagnamedossier E1, pagina's 220-240).

44 Het proces-verbaal van onderzoek d.d. 26 september 2011 (zaaksdossier C2, pagina's 173-176).

45 Het tapgesprek d.d. 19 augustus 2011 om 13.28 uur (zaaksdossier C2, pagina 110).

46 Het tapgesprek d.d. 20 augustus om 10.35 uur (zaaksdossier C2, pagina 116).

47 Het tapgesprek d.d. 20 augustus 2011 om14.16 uur (zaaksdossier C2, pagina 117).

48 Het proces-verbaal van Dienst IPOL d.d. 7 oktober 2011 (zaaksdossier C2, pagina's 188-189).

49 Het tapgesprek d.d. 14 augustus 2011 om 16.28 uur (zaaksdossier C2, pagina 78).

50 De tapgesprekken d.d. 25 juli 2011 om 17.24, 17.30, 17.53 en 18.11 uur (zaaksdossier C3, pagina's 26-30 en 34-35).

51 Het tapgesprek d.d. 25 juli 2011 om 18.29 uur (zaaksdossier C3, pagina 36).

52 De tapgesprekken d.d. 27 juli 2011 om 15.08, 20.21 en 20.23 uur en 28 juli 2011 om 13.04 uur (zaaksdossier C3, pagina's 37-38, 41-45).

53 Het tapgesprek d.d. 29 juli 2011 om 19.58 uur (zaaksdossier C3, pagina 59).

54 De tapgesprekken d.d. 28 juli 2011 om 17.37 uur, 29 juli 2011 om 10.29 en 15.20 uur en op 30 juli 2011 om 3.28, 9.45 en 9.47 uur (zaaksdossier C3, pagina's 46-47, 50, 53-54 en 60-64).

55 Het tapgesprek d.d. 30 juli 2011 om 15.20 uur (zaaksdossier C3, pagina's 69-70).

56 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 januari 2012 (zaaksdossier C3, pagina's 78-80).

57 Het proces-verbaal van de Dienst IPOL d.d. 26 september 2011 (zaaksdossier C3, pagina's 73-74).

58 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2010 (zaaksdossier C4, pagina 30) alsmede een ongedateerd schriftelijk stuk van de Home Office UK Border Agency (zaaksdossier C4, pagina 33).

59 Een schriftelijk stuk getiteld "Confirmation Letter" (zaaksdossier C4, pagina 64).

60 Het proces-verbaal van verhoor van getuige S. [R] d.d. 12 december 2009 (zaaksdossier C4, pagina 37).

61 Het proces-verbaal van verhoor van getuige S. [R] d.d. 15 december 2009 (zaaksdossier C4, pagina 47).

62 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 januari 2010 (zaaksdossier C4, pagina's 57-59).

63 Het proces-verbaal van bevindingen d.d.26 januari 2010 (zaaksdossier C4, pagina 60).

64 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2009 (zaaksdossier C4, pagina 147).

65 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2009 (zaaksdossier C4, pagina 148).

66 Het proces-verbaal van onderzoek telefoonnummer [telefoonnummer 1] d.d. 23 november 2011 (zaaksdossier C4, pagina's 354-355).

67 Het proces-verbaal van bevindingen (afbeeldingen gegevensdragers, dossier F, pagina's 230 en 293).

68 Het proces-verbaal van bevindingen (afbeeldingen gegevensdragers, dossier F, pagina's 14 en 28).

69 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2010 (zaaksdossier C4, pagina's 228-230).

70 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 maart 2010 (zaaksdossier C4, pagina 231).

71 Het proces-verbaal van aanleiding en onderzoek aangeboden documenten (zaaksdossier C4, pagina's 270-272).

72 Het proces-verbaal van verhoor als verdachte van A. [P] d.d. 8 maart 2010 (zaaksdossier C4, pagina's 243-244) en de verklaring van verdachte [G S] ter terechtzitting van 21 juni 2012.

73 Het proces-verbaal van verhoor van getuige A. [P] bij de rechter-commissaris d.d. 22 mei 2012 en de processen-verbaal van verrichtingen en bevindingen van de rechter-commissaris d.d. 22 mei 2012 en 12 juni 2012 (fotoconfrontatie).

74 Het proces-verbaal van verhoor van getuige A. [P] bij de rechter-commissaris d.d. 22 mei 2012; het proces-verbaal van verhoor van getuige Z. [H] bij de rechter-commissaris d.d. 22 mei 2012.

75 Het proces-verbaal van verhoor als verdachte van A. [P] d.d. 8 maart 2010 (zaaksdossier C4, pagina 247).

76 Het proces-verbaal IPOL d.d. 16 maart 2010 (map A, algemeen dossier, pagina 120-121) en de verklaring van verdachte [G S] ter terechtzitting van 21 juni 2012).

77 Het proces-verbaal van bevindingen (afbeeldingen gegevensdragers, dossier F, pagina 227).

78 Het proces-verbaal zaaksdossier C9 (map 1, tweede aanvulling, pagina 14).

79 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 april 2012 met als bijlage het tapgesprek d.d. 1 november 2011 om 18.20 uur (map 1, tweede aanvulling, pagina's 393-397).

80 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2012 (map 3, eerste aanvulling, pagina's 1294-1296).

81 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2012 (map 2, eerste aanvulling, pagina's 534-543).

82 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 november 2011 (map 2, eerste aanvulling, pagina's 850, 851, 985-987).

83 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2012 (map 3, eerste aanvulling, pagina's 1426-1433), het tapgesprek d.d. 8 september 2011 om 12.38 uur (map 3, eerste aanvulling, pagina 1435), het tapgesprek d.d. 8 september 2011 om 12.54 uur (map 3, eerste aanvulling, pagina 1437), het tapgesprek d.d. 8 september 2011 om 13.17 uur (map 3, eerste aanvulling, pagina 1438) en het tapgesprek d.d. 10 september 2011 om 13.46 uur (map 3, eerste aanvulling, pagina 1440).

84 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 december 2011 (map 2, eerste aanvulling, pagina's 701-714).

85 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 februari 2012 met bijlagen en vertaling aangaande antwoord op het rechtshulpverzoek vanuit Zwitserland (map 1, eerste aanvulling, pagina's 23-39).

86 Het tapgesprek d.d. 2 september 2011 om 17.02 uur (map 4, eerste aanvulling, pagina 1522).

87 Het tapgesprek d.d. 14 augustus 2011 om 16.28 uur (zaaksdossier C2, pagina 78).

88 Het tapgesprek d.d. 19 augustus 2011 om 11.49 uur (map 3, eerste aanvulling, pagina 1397).

89 Het proces-verbaal van verhoor van getuige S. [R] d.d. 12 december 2009 (zaaksdossier C4, pagina's 37-43).

90 Het tapgesprek d.d. 23 augustus 2011 om 11.30 uur (map 4, eerste aanvulling, pagina 1481-1482).

91 Het tapgesprek d.d. 1 november om 18.40 uur (persoonsdossier B7, pagina 50).

92 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2012 (map 3, eerste aanvulling, pagina's 1294-1296).

??

??

??

??

Parketnummer: 15/740905-11

Inzake: [S] blad 17

vonnis