Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX1627

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
15/800420-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Vrijspraak opzettelijke invoer verdovende middelen (cocaïne): mede gelet op de indruk die de rechtbank ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen en zijn stellige ontkenning aldaar te hebben geweten dat er cocaïne in de rolstoel zat, is naar haar oordeel niet buiten redelijke twijfel dat deze verklaring van verdachte niet juist kan zijn. Daarmee is - niettegenstaande de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte tijdens zijn verhoor voor inverzekeringstelling, waarvoor verdachte evenwel een verklaring heeft gegeven - niet overtuigend bewezen dat verdachte wist dat zich in de door zijn moeder meegevoerde rolstoel cocaïne bevond. Evenmin is overtuigend bewezen dat verdachte de mogelijk aanmerkelijke kans daartoe, die gelet op de wijze van verkrijging van de rolstoel en de omstandigheden daaromheen wellicht aanwezig kan worden geacht, willens en wetens heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen. Bij gebrek aan bewijs van opzet dient verdachte dan ook van zowel het primair als van het subsidiair ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring van de meer subsidiair ten laste gelegde voorbereidingshandelingen tot de invoer van een hoeveelheid cocaïne. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen van de opzettelijke invoer van een hoeveelheid van twee kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De in te voeren hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Op grond van de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat - uit een oogpunt van normhandhaving en preventie - alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Bij het bepalen van de duur van deze straf neemt de rechtbank tot uitgangspunt de straf die volgens de landelijke oriëntatiepunten inzake drugskoeriers bij een voltooide invoer van twee kilo cocaïne in de regel pleegt te worden opgelegd, te weten een gevangenisstraf van vieren-twintig maanden. Nu het in deze zaak echter om de voorbereiding van een dergelijke invoer gaat, zal de rechtbank tot uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden nemen. De rechtbank weegt ten nadele van verdachte mee dat hij welbewust zijn 83-jarige moeder bij het voorgenomen drugstransport heeft betrokken, door haar alleen naar Suriname te laten reizen en haar daar in een door de drugsorganisatie geregeld appartement te laten verblijven, teneinde te zijner tijd met haar terug te kunnen reizen, waarbij zijn oude moeder als "dekmantel" moest fungeren. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan en zij ziet hierin aanleiding een hogere straf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800420-12

Uitspraakdatum: 16 juli 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 2 juli 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 14 maart 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 10119,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair

Mevrouw [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] op of omstreeks 14 maart 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 10119,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft doen (mede)plegen,; immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen;

- een vliegticket gekocht voor [medeverdachte], geboren op [geboortedatum];

- geld ontvangen en/of gegeven teneinde een vliegticket aan te schaffen;

- een elektrische rolstoel ontvangen en/of gegeven;

- aan/van elkaar en/of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en hoeveelheid van verdovende middelen;

- informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van de invoer van en/of overdracht van een hoeveelheid verdovende middelen;

Meer subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2012 tot en met 14 maart 2012 te Londen, Groot-Brittannië en/of Paramaribo, Suriname en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van 10119,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen;

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen;

- een vliegticket gekocht voor [medeverdachte], geboren op [geboortedatum];

- geld ontvangen en/of gegeven teneinde een vliegticket aan te schaffen;

- een elektrische rolstoel ontvangen en/of gegeven;

- aan/van elkaar of een ander of anderen informatie verstrekt en/of ontvangen over de prijs en/of hoeveelheid van verdovende middelen;

- informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van invoer van en/of overdracht van een hoeveelheid verdovende middelen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig (48) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. (On)rechtmatigheid van de aanhouding

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de aanhouding van zijn cliënt als onrechtmatig moet worden aangemerkt. In de eerste plaats, omdat er op het moment van aanhouding ten aanzien van zijn cliënt geen redelijk vermoeden van schuld aan (een) overtreding(en) van de Opiumwet bestond. In de tweede plaats is sprake van een onrechtmatige aanhouding nu zijn cliënt buiten heterdaad is aangehouden en dit niet in het proces-verbaal van aanhouding is vermeld. Gevolg van deze onrechtmatige aanhouding moet volgens de raadsman zijn, dat al het nadien verkregen bewijsmateriaal van het bewijs wordt uitgesloten en dat zijn cliënt, bij gebrek aan ander bewijs, van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer het volgende.

Op 14 maart 2012 is de vlucht KL714 vanuit Paramaribo (Suriname) aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Tijdens een verscherpte controle van de zogenoemde transfer ruimbagage van deze vlucht werd een elektrische rolstoel aangetroffen. Bij een scan van de rolstoel werden op het beeldscherm afwijkende contouren ter hoogte van de zitting waargenomen. Bij nader onderzoek aan de elektrische rolstoel werden in de beide zittingen (het zit- en ruggedeelte) in totaal tien pakketten aangetroffen, inhoudende een witte stof. Het totale nettogewicht van deze stof bleek 10119,7 gram te zijn. Van de pakketten zijn tien representatieve monsters genomen, die ter verdere analyse naar het Douane Laboratorium te Amsterdam zijn verzonden. Onderzoek van dit laboratorium wees uit dat het materiaal in alle monsters cocaïne bevat.

Aan deze elektrische rolstoel was een bagagelabel gevestigd op naam van mevrouw [medeverdachte], die van Paramaribo - via de luchthaven Schiphol - naar Londen (Groot-Brittannië) reisde. [medeverdachte] is, gelet op de bevindingen bij de scan van de rolstoel, vervolgens bij gate E2, vanaf welke gate haar vlucht naar Londen zou vertrekken, onderkend en later ook aangehouden.

[medeverdachte] is de moeder van verdachte. Zij is geboren op [geboortedatum]. Tijdens haar verhoren bij de Koninklijke Marechaussee heeft zij verklaard dat de elektrische rolstoel haar ruimbagage is en dat deze namens haar op de luchthaven van Paramaribo is ingecheckt. Zij heeft voorts verklaard dat zij niks afweet van de cocaïne die in de rolstoel is aangetroffen. Zij had deze rolstoel voor vertrek vanuit Groot-Brittannië van haar zoon, verdachte, gekregen. Haar zoon had ook het vliegticket en het verblijf van haar in een appartement in Suriname geregeld. In dat appartement verbleven ook nog andere personen, die zij niet kende, en de rolstoel had daar steeds in een kamer gestaan waar zij niet verbleef. Oorspronkelijk was het de bedoeling dat haar zoon samen met haar naar Suriname zou gaan, maar op het laatste moment was dat niet doorgegaan, omdat haar zoon haar vertelde dat er familieproblemen waren.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte bestond, ter zake van het (mede-)plegen dan wel doen plegen van overtreding van het verbod van artikel 2, onder A, van de Opiumwet, althans medeplichtigheid daaraan. Aangezien dit feiten betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, was de officier van justitie, ingevolge artikel 54, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, dan ook bevoegd de aanhouding (buiten heterdaad) van verdachte te gelasten.

Verdachte heeft zich op 28 maart 2012 bij het justitiecomplex te Schiphol gemeld vanwege (kort gezegd) het voorarrest van zijn moeder. Uit het proces-verbaal van aanhouding van verdachte (dossierparagraaf 2.1) volgt dat verdachte op die datum om 12.35 uur op bevel van mr. Zwetsma (de rechtbank begrijpt: Zetsma), officier van justitie bij het arrondissementsparket te Haarlem, is aangehouden. De rechtbank acht deze aanhouding, gelet op het voorgaande, rechtmatig. De kennelijke stelling van de raadsman dat bij een aanhouding buiten heterdaad in het proces-verbaal van aanhouding expliciet de woorden "buiten heterdaad" dienen te worden vermeld, vindt geen steun in het recht.

Het betoog van de raadsman faalt in beide onderdelen.

4.2. Vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit

Naar het oordeel van de rechtbank is niet overtuigend bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe in het bijzonder nog het volgende.

Na zijn aanhouding op 28 maart 2012 om 12.35 uur heeft verdachte tijdens zijn verhoor voor inverzekeringstelling om 13.30 uur, dat is afgenomen in de Engelse taal, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal (dossierparagraaf 2.2), onder meer het volgende verklaard:

"(...) Ik ben afgelopen zondag op verzoek van de advocaat van mijn moeder, die in Nederland aangehouden is voor het smokkelen van drugs, naar Nederland gevlogen. Bij haar aanhouding op Schiphol werd in haar elektrische rolstoel cocaïne aangetroffen. Mijn moeder wist niets van deze smokkel af. Ik wist wel van deze smokkel af. Ik heb de voorbereidingen getroffen om deze smokkel te laten plaatsvinden. Ik heb financiële problemen en via een manspersoon die ik in een bar in Londen had ontmoet heb ik besloten om mijn moeder naar Suriname te sturen om cocaïne te smokkelen. Het was de bedoeling dat ik ook naar Suriname zou afreizen maar door omstandigheden is dit niet doorgegaan. Ik heb de ticket voor mijn moeder gekocht. Ik weet dat het verboden is om verdovende middelen te smokkelen. (...)"

Ter terechtzitting is verdachte geconfronteerd met de inhoud van deze verklaring. Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat het zou kunnen dat hij dit inderdaad zo tegen de hulpofficier van justitie heeft gezegd, maar dat de verklaring niet juist is; hij heeft deze verklaring (enkel) afgelegd om zijn moeder uit de cel te krijgen, aangezien zijn moeder door zijn toedoen in de problemen is gekomen. Verdachte heeft daarover - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard.

Verdachte heeft in Groot-Brittannië financiële problemen en (drugs)schulden bij een zekere [betrokkene], die hij kent uit een pub in Londen. Omdat hij deze schulden niet kon afbetalen, heeft deze [betrokkene] hem het voorstel gedaan om, deels ter vereffening van de schulden, cocaïne van Suriname naar Groot-Brittannië te smokkelen. Verdachte is op een gegeven moment op dit voorstel ingegaan. De cocaïne zou in een koffer, schoenen of iets anders worden verstopt. [betrokkene] had hem gezegd zijn bejaarde moeder van 83 jaar mee te nemen naar Suriname, omdat hij dan minder zou opvallen en de drugssmokkel daardoor meer kans van slagen zou hebben. Verdachte heeft hiermee ingestemd. Voorts had [betrokkene] hem gevraagd, of zijn moeder niet ook cocaïne wilde smokkelen. Verdachte heeft aangegeven hier niets van te willen weten, waarna [betrokkene] hier niet op is teruggekomen. Verdachte heeft geld van [betrokkene] gekregen voor (een) vliegticket(s) en hij heeft een adres van een appartement in Suriname gekregen, waar hij en zijn moeder zouden verblijven. Van het geld heeft verdachte een vliegticket voor zijn moeder gekocht. Volgens verdachte was het de bedoeling dat zijn moeder vooruit zou vliegen en dat hij, na ongeveer een week, haar achterna zou vliegen. Over zijn moeder heeft verdachte verklaard, dat zij niet altijd even goed ter been is en soms een rolstoel gebruikt. Gezien het landschap in Suriname, zei [betrokkene] tegen hem dat hij nog wel een elektrische rolstoel van een familielid had, die verdachtes moeder in Suriname zou kunnen gebruiken. Verdachte heeft die rolstoel aangenomen en aan zijn moeder (mee)gegeven. Op 28 februari 2012 is zijn moeder, met deze rolstoel, van Groot-Brittannië naar Suriname gevlogen. Verdachte wilde een week later vliegen, maar als gevolg van (kort gezegd) geld- en/of familieproblemen is dat niet doorgegaan. Verdachte heeft dit tegen [betrokkene] gezegd, die boos reageerde, maar uiteindelijk zei dat verdachte een andere keer dan maar "een klusje" moest doen. Verdachte verklaart niets van de drugs in de elektrische rolstoel af te weten. Verdachte denkt dat de organisatie, waarvan [betrokkene] deel uitmaakt, dit in Suriname in de rolstoel heeft gestopt, toen was gebleken dat hij, verdachte, het door hem voorgenomen drugstransport niet zou (kunnen) uitvoeren.

Mede gelet op de indruk die de rechtbank ter terechtzitting van verdachte heeft gekregen en zijn stellige ontkenning aldaar te hebben geweten dat er cocaïne in de rolstoel zat, is naar haar oordeel niet buiten redelijke twijfel dat deze verklaring van verdachte niet juist kan zijn. Daarmee is - niettegenstaande de hiervoor weergegeven verklaring van verdachte tijdens zijn verhoor voor inverzekeringstelling, waarvoor verdachte evenwel een verklaring heeft gegeven - niet overtuigend bewezen dat verdachte wist dat zich in de door zijn moeder meegevoerde rolstoel cocaïne bevond. Evenmin is overtuigend bewezen dat verdachte de mogelijk aanmerkelijke kans daartoe, die gelet op de wijze van verkrijging van de rolstoel en de omstandigheden daaromheen wellicht aanwezig kan worden geacht, willens en wetens heeft aanvaard en op de koop heeft toegenomen. Bij gebrek aan bewijs van opzet dient verdachte dan ook van zowel het primair als van het subsidiair ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

4.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte heeft in de periode van omstreeks 1 februari 2012 tot en met 28 februari 2012 in Londen (Groot-Brittannië) met ene [betrokkene], bij wie hij (drugs)schulden had, persoonlijk contact gehad over een transport van cocaïne vanuit Suriname naar Groot-Brittannië. In opdracht van deze [betrokkene] zou verdachte een hoeveelheid van in totaal twee kilo cocaïne smokkelen. Deze cocaïne zou verstopt zitten in een koffer, in schoenen of in iets anders. Verdachte zou de cocaïne in Suriname van personen ontvangen. Het verblijf in Suriname was door de organisatie, waarvan [betrokkene] deel uitmaakt, geregeld.

Als "dekmantel" zou verdachte samen met zijn bejaarde moeder van 83 jaar terug reizen van Suriname naar Groot-Brittannië om zo "minder op te vallen". Verdachte heeft van [betrokkene] geld gekregen om daarmee het vliegticket van zijn moeder te kopen, wat verdachte vervolgens ook heeft gedaan.2

De moeder van verdachte, [medeverdachte], geboren op [geboortedatum],3 is op 28 februari 2012 vanuit Groot-Brittannië naar Suriname vertrokken. Op 13 maart 2012, 20.20 uur (lokale tijd) is zij vanuit Suriname terug naar Groot-Brittannië vertrokken. Zowel de heenreis als de terugreis, waarbij dus verdachte mee zou reizen, vond plaats via de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer.4

Over haar verblijf in Suriname verklaarde de moeder van verdachte dat zij ter plaatse kreeg te horen dat alles al was betaald.5 Verder verklaarde zij dat haar zoon alles had geregeld.6

Wanneer verdachte met de cocaïne zou zijn teruggekomen in Londen, zou hij worden gebeld en zou hij de cocaïne vervolgens moeten overdragen.7 Verdachte zou voor het drugstransport ongeveer 5.000 Engelse ponden krijgen en zijn schuld van 3.000 Engelse ponden zou zijn kwijtgescholden.8

4.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:

Meer subsidiair

hij omstreeks de periode van 1 februari 2012 tot en met 14 maart 2012 te Londen, Groot-Brittannië, en Suriname en Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden,

- zich daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen heeft verschaft,

hebbende verdachte en/of verdachtes mededaders:

- een vliegticket gekocht voor [medeverdachte], geboren op [geboortedatum];

- geld ontvangen of gegeven teneinde een vliegticket aan te schaffen;

- aan/van elkaar informatie verstrekt of ontvangen over de prijs en hoeveelheid van verdovende middelen;

- informatie verstrekt en/of instructies gegeven of informatie en/of instructies ontvangen ten behoeve van de invoer en overdracht van een hoeveelheid verdovende middelen.

Hetgeen aan verdachte meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, zich gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen van de opzettelijke invoer van een hoeveelheid van twee kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De in te voeren hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat - uit een oogpunt van normhandhaving en preventie - alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf neemt de rechtbank tot uitgangspunt de straf die volgens de landelijke oriëntatiepunten inzake drugskoeriers bij een voltooide invoer van twee kilo cocaïne in de regel pleegt te worden opgelegd, te weten een gevangenisstraf van vieren-twintig maanden. Nu het in deze zaak echter om de voorbereiding van een dergelijke invoer gaat, zal de rechtbank tot uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden nemen.

De rechtbank weegt ten nadele van verdachte mee dat hij welbewust zijn 83-jarige moeder bij het voorgenomen drugstransport heeft betrokken, door haar alleen naar Suriname te laten reizen en haar daar in een door de drugsorganisatie geregeld appartement te laten verblijven, teneinde te zijner tijd met haar terug te kunnen reizen, waarbij zijn oude moeder als "dekmantel" moest fungeren. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan en zij ziet hierin aanleiding een hogere straf op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 47;

Opiumwet: 10a.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het meer subsidiair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN (15) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. Th.M. van Wassenaer-Westgeest en mr. M. Hoendervoogt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juli 2012.

Mr. Th.M. van Wassenaer-Westgeest is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Een schriftelijk stuk, te weten een elektronisch vliegticket op naam van mevrouw [medeverdachte], gedateerd 20 februari 2012, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van onderzoek paspoort en reisbescheiden d.d. 23 april 2012 (dossierparagraaf 1.1.2).

3 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 15 maart 2012 (dossierparagraaf 1.4), pagina 2, en een kopie van de personaliabladzijde van het paspoort van [medeverdachte], als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van onderzoek paspoort en reisbescheiden d.d. 23 april 2012 (dossierparagraaf 1.1.2).

4 Het proces-verbaal van onderzoek paspoort en reisbescheiden d.d. 23 april 2012 met bijlagen (dossierparagraaf 1.1.2) en het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 14 maart 2012 (dossierparagraaf 1.1).

5 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 14 maart 2012 (dossierparagraaf 1.3), pagina 5.

6 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 14 maart 2012 (dossierparagraaf 1.3), pagina 3.

7 De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 29 maart 2012 (dossierparagraaf 2.4), pagina 5.