Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX1301

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
12/2736
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening omgevingsvergunning natuurbrug. Geen aanleiding tot schorsing. Gronden betreffende de met de omgevingsvergunning mogelijk gemaakte activiteiten: bouwen, afwijken bestemmingsplan, Natuurbeschermingswet, Flora- en Faunawet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 2736

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2012

in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigden: mr. M.J. Heule te Aerdenhout en mr. O.W. Borgeld te Bentveld,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort,

verweerder,

gemachtigde: mr. J. de Graaf te Amsterdam,

derde partijen,

de provincie Noord-Holland (vergunninghouder).

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2012, verzonden 4 mei 2012, heeft verweerder aan de provincie Noord-Holland (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het aanleggen van een natuurbrug met bijbehorende voorzieningen op de locatie gelegen tussen de Zandvoortselaan en de Blinkertweg te Bentveld.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 14 juni 2012 beroep ingesteld. Bij brief van diezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende de schorsing van het bestreden besluit.

De zaak is behandeld ter zitting van 5 juli 2012, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede door mr. ing. [naam] en ing. [naam]. Namens vergunninghouder en Gedeputeerde Staten van Noord-Holland zijn verschenen drs. E.A.W. Koppert, mr. A.F.P. van Mierlo, T.P. Boerefijn en V.F.P. Vrolijk. Namens de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zijn P. Kooiman en J. van der Sneppen verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Daarbij komt aan de orde de vraag of het waarschijnlijk is dat het bestreden besluit in beroep al dan niet in stand zal blijven. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

De voorzieningenrechter maakt in dit geval geen gebruik van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, nu er nog een tweede beroep tegen het voorliggende besluit is ingesteld en thans niet kan worden overzien of de afhandeling van het onderhavige beroep betekenis kan hebben voor de afdoening van het andere beroep, waarin nog geen gronden zijn aangevoerd.

2.2 De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. De omgevingsvergunning voor het project ‘Natuurbrug Zandpoort’ is verleend voor de volgende activiteiten:

- het bouwen van een natuurbrug bestaande uit twee kunstwerken (ecoducten) met bijbehorende hekwerken en voorzieningen;

- het strijdig gebruik van gronden/bouwwerken met het bestemmingsplan;

- het aanleggen/uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van een ecologische en recreatieve verbindingszone;

- het verrichten van handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten;

- het uitvoeren van handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden;

- het kappen van 117 bomen;

- het slopen van de gebouwen op Blinkertweg 2 en 2a;

- het maken/wijzigen van een uitweg op een provinciale of gemeentelijke weg;

- het verrichten van werkzaamheden in een grondwaterbeschermingsgebied.

De ecoducten komen over de Zandvoortselaan en de Oude Trambaan te liggen. Het ecoduct over de Zandvoortselaan wordt 54 meter lang, het ecoduct over de Oude Trambaan wordt 42 meter lang. Met de aanleg van de ecoducten wordt beoogd een ecologische verbinding te vormen tussen de duinecosystemen van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland (NPZK) in het noorden en de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) in het zuiden. De natuurbrug is primair bedoeld om de ruimtelijke samenhang tussen de duingebieden ten noorden en zuiden van de Zandvoortselaan te herstellen en de uitwisseling van planten en dieren te faciliteren. Het ecoduct over de Zandvoortselaan neemt tevens een recreatieve functie in doordat er ruimte voor passerende voetgangers, fietsers en ruiters zal worden geboden. Verzoeker is woonachtig aan de [adres]. Het project komt op een afstand van ongeveer 68 meter van zijn woning en 44 meter van de erfgrens te liggen.

2.3 Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) treedt een beschikking krachtens deze wet in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, van de Wabo, voor zover hier relevant, treedt een beschikking in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, voor het indienen van:

b. een beroepschrift in gevallen waarin zij is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Ingevolge artikel 6.1, derde lid, treedt indien in gevallen als bedoeld in het tweede lid, gedurende de daar bedoelde termijn bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de beschikking niet in werking voordat op dat verzoek is beslist.

2.4 Gelet op de hier aangehaalde wetsbepalingen acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang gegeven, nu vergunninghouder in beginsel na afloop de beroepstermijn van de vergunning gebruik mag maken. Daarbij komt dat vergunninghouder heeft aangegeven in verband met de planning, samenhangende met de toegekende subsidie, op 16 juli 2012 een aanvang te willen maken met de werkzaamheden.

Formele gronden

2.5 Verzoeker heeft ten eerste aangevoerd dat de aanvraag om een omgevingsvergunning onvolledig is, nu deze niet is ondertekend en geen contactgegevens van de gemachtigde en van de uitvoerder van het project bevat.

2.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvraag is gedaan door de provincie Noord-Holland in de persoon van E. Koppert. De contactgegevens van Koppert zijn in de aanvraag opgenomen. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk wat verzoeker beoogt te bereiken met het betoog dat een ondertekening en gegevens van de uitvoerder van het project ontbreken. Voor zover hij daarmee heeft beoogd aan te voeren dat de aanvraag buiten behandeling had moeten worden gesteld, volgt de voorzieningenrechter verzoeker hierin niet.

2.7 Daarnaast stelt verzoeker dat niet alle stukken waarop het besluit is gebaseerd bij de publicatie van het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen. Volgens verzoeker ontbraken de bijlagen bij de samenwerkingsovereenkomst en het rapport ‘Passende beoordeling natuurbrug Zandpoort’ van Grontmij van 24 juni 2011.

2.8 In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat de ‘Passende beoordeling natuurbrug Zandpoort’, net als alle andere stukken, ter inzage heeft gelegen. Verzoeker heeft dit verder niet weersproken.

2.9 Verder heeft verzoeker gesteld dat verweerder ten onrechte heeft gereageerd op de zienswijze, voor zover die betrekking heeft op de door de raad afgegeven verklaring van geen bedenkingen (vvgb). Gelet op het bepaalde in artikel 3:11 van de Wabo had de raad de bevoegdheid om op de zienswijze over de vvgb te reageren. Daarnaast is volgens verzoeker in de definitieve vvgb onvoldoende inzichtelijk gemaakt op welke punten de vvgb ten opzichte van het ontwerp is gewijzigd, waardoor niet navolgbaar is welke belangenafweging de raad heeft gemaakt.

2.10 Artikel 3.15, derde lid, van de Wabo luidt:

Zienswijzen die overeenkomstig artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren worden gebracht, en adviezen van de krachtens artikel 2.26 aangewezen adviseurs kunnen mede betrekking hebben op het ontwerp van de verklaring. Voor zover dat het geval is, zendt het bevoegd gezag ze onverwijld aan het bestuursorgaan dat de verklaring geeft. Dit deelt zijn oordeel daarover mee aan het bevoegd gezag.

2.11 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in het collegebesluit van 20 maart 2012 de zienswijzen zijn beantwoord. Uit het raadsvoorstel en het raadsbesluit van 18 april 2012 volgt dat de raad heeft ingestemd met de beantwoording van de zienswijzen. De raad heeft aldus kennis genomen van de zienswijzen en heeft de beantwoording van de zienswijze tot de zijne gemaakt door ermee in te stemmen. De voorzieningenrechter ziet hierin geen formeel gebrek. Voorts blijkt uit de beantwoording van de zienswijzen, gelezen in samenhang met de definitieve verklaring van geen bedenkingen, dat de zienswijzen geen aanleiding hebben gegeven tot afwijking van de ontwerpverklaring.

Bouwen / ruimtelijke onderbouwing / afwijken van het bestemmingsplan

2.12 Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat het project in strijd is met het bestemmingsplan ‘Bentveld’ en dat voor deze activiteit ten onrechte geen vvgb is afgegeven door de gemeenteraad. Op de tekening behorende bij de omgevingsvergunning is een nutstracé ingetekend, die volgens verzoeker in strijd moet worden geacht met de ter plaatse geldende bestemming ‘Natuur’. Daarnaast ligt een gedeelte van de keermuren binnen deze bestemming en moet daarmee in strijd worden geacht, aldus verzoeker. Ook is geen vvgb afgegeven voor het project voor zover dat in strijd is met het bestemmingsplan ‘Zandvoort Zuid’.

2.13 In de beantwoording van de zienswijzen, waarin reeds was aangevoerd dat geen vvgb is verleend voor het afwijken van het bestemmingplan ‘Zandvoort Zuid’, is verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing. Volgens verweerder is de vvgb gebaseerd op het raadsvoorstel, waarin weer wordt verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing, waarin duidelijk wordt gewezen op de strijdigheid met het bestemmingsplan ‘Zandvoort Zuid’. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat zowel in de ontwerp-omgevingsvergunning als de definitieve omgevingsvergunning is opgenomen dat het project voor een klein deel is gelegen in het bestemmingsplan ‘Zandvoort Zuid’ en daarmee in strijd is. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat gelet op de voornoemde stukken, bezien in onderlinge samenhang, de vvgb mede is verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ‘Zandvoort Zuid’.

2.14 De voorzieningenrechter heeft de zitting kort geschorst om een standpuntuitwisseling tussen partijen te laten plaatsvinden ten aanzien van de door verzoeker gestelde strijdigheid met het bestemmingsplan ‘Bentveld’. Gebleken is en partijen zijn het daar over eens, dat de keermuren van het ecoduct over de Zandvoortselaan niet binnen het bestemmingsplan ‘Bentveld’ vallen. Ten aanzien van het nutstracé hebben verweerder en vergunninghouder gesteld dat dit een alternatief nutstracé betreft dat per abuis op de tekening is blijven staan. Het alternatieve nutstracé wordt niet aangelegd, aldus de vergunninghouder. Verzoeker meent echter dat het alternatieve nutstracé wel vergund is, nu het op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening staat aangegeven, en dus in feite kan en mag worden aangelegd.

2.15 De voorzieningenrechter gaat er voorshands vanuit dat het alternatieve nutstracé niet wordt gerealiseerd, nu vergunninghouder en verweerder dit ter zitting hebben toegezegd. De voorzieningenrechter wijst er op dat het alternatieve nutstracé ook niet kan worden gerealiseerd, nu door de gemeenteraad geen vvgb voor het afwijken van het bestemmingsplan ‘Bentveld’ is afgegeven. Een en ander zou in een revisietekening tot uitdrukking kunnen komen.

2.16 Voorts heeft verzoeker de noodzaak van het project betwist. Volgens verzoeker zijn het nut en de noodzaak van de natuurbrug in het rapport van Alterra onvoldoende onderbouwd en is het rapport uit 2005 niet meer actueel. De aanleg van deze natuurbrug moet worden gezien als onderdeel van de totale ontsnippering van Zuid-Kennemerland, waarvoor de aanleg van twee andere faunapassages noodzakelijk is. De aanleg van de overige faunapassages die deel uitmaken van de totale ontsnippering is nog onzeker, temeer nu daarvoor nog geen omgevingsvergunningen zijn aangevraagd, zodat de noodzaak voor de onderhavige natuurbrug op zichzelf onvoldoende vast staat, aldus verzoeker. Verzoeker twijfelt verder aan de uitkomsten van het rapport van Alterra. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verzoeker twee memo’s overgelegd van F. van Vliet en H. Vader, waarin wordt geconcludeerd dat gelet op de onderlinge verschillen tussen beide gebieden niet kan worden volgehouden dat de verbinding tussen het NPZK en de AWD een vergroting van het leefgebied tot gevolg heeft, omdat de vereisten voor een geschikte leefomgeving ontbreken.

2.17 Voorop moet worden gesteld dat, zoals ook blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 30 september 2009 (LJN: BJ8923), verweerder had te beslissen omtrent de omgevingsvergunning, zoals die was aangevraagd. Verweerder is niet gehouden om de noodzaak van het bouwplan aan te tonen.

2.18 De voorzieningenrechter stelt echter vast, in het kader van het verlenen van medewerking aan het afwijken van de bestemmingsplannen, dat in de ruimtelijke onderbouwing voor het nut en de noodzaak is gewezen op het rapport ‘Ontsnippering Zuid-Kennemerland’ van Alterra uit 2005. Voorts is uiteengezet dat het NPZK en de AWD van elkaar gescheiden zijn door de Zandvoortselaan, waardoor uitwisseling van flora en fauna wordt bemoeilijkt of onmogelijk is. Ook binnen het NPZK zijn natuurlijke habitats gefragmenteerd als gevolg van de aanwezigheid van infrastructurele barrières, te weten de Zeeweg en de spoorlijn Haarlem-Zandvoort. Het doel van de natuurbrug is de ecologische samenhang van de twee duingebieden te herstellen. Barrières die het functioneren als een ecologische eenheid belemmeren moeten daarvoor worden weggenomen. De natuurbrug heeft primair als doel om een veilige oversteekplaats te bieden aan een aantal kenmerkende diersoorten die leven in de habitattypen ‘grijze duinen’ en ‘meidoorn/duindoornstruweel’. Het ontwerp en de inrichting van de brug is specifiek gericht op de soorten waarvoor de brug primair bedoeld is. Een tweede doelstelling is een ‘ecosysteemverbinding’ te realiseren. Dit betekent dat de natuurbrug ook als corridor zal moeten gaan functioneren voor planten, evenals voor diersoorten (inclusief bodemfauna) die niet als doelsoorten of medegebruikers zijn aangewezen, maar wel in genoemde habitattypen voorkomen. Behalve voor biodiversiteit bieden de ontsnipperende maatregelen de kans om ook voor routegebonden vormen van recreatie – wandelen, fietsen en paardrijden – de mogelijkheden binnen en rondom de duingebieden te vergroten. Ter zitting is door vergunninghouder nog betoogd dat deze natuurbrug ook zonder de overige faunapassages, waarvan de realisatie reëel moet worden geacht, een positief effect heeft, zij het op kleinere schaal.

2.19 Met hetgeen in de ruimtelijke onderbouwing is verwoord, is voldoende duidelijk dat de natuurbrug een belangrijke functie vervuld in het gebied. De door verzoeker overgelegde summiere memo’s van Vader en Van Vliet ontkrachten het uitvoerig omschreven nut en de noodzaak niet.

2.20 Toen het project op zichzelf voor verweerder aanvaardbaar was, hoefde het bestaan van alternatieven slechts tot het weigeren van medewerking te leiden, indien op voorhand duidelijk was dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat er meerdere geschikte alternatieve locaties voor de natuurbrug bestaan, waarmee een gelijkwaardig resultaat wordt behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Verzoeker wijst op de adviezen van Vista, Arcadis en Royal Haskoning, waarin wordt uitgegaan van locaties op een grotere afstand van zijn woning.

2.21 De voorzieningenrechter stelt vast dat in de reactie van verweerder op de zienswijzen is ingegaan op de voorgestelde alternatieven. De alternatieven zijn echter als minder geschikt aangemerkt, vanwege de rolstoeltoegankelijkheid, de verkeersveiligheid en de eigendomssituatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan met de door verzoeker aangedragen alternatieven dan ook geen gelijkwaardig resultaat worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.

2.22 Verzoeker heeft verder betoogd dat verweerder onvoldoende gewicht aan zijn belangen heeft toegekend. Het project verstoort het uitzicht vanuit de tuin en woning, en doet ernstige afbreuk aan de omgevingskarakteristiek, aldus eiser.

2.23 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het verlenen van medewerking aan het afwijken van bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft. De voorzieningenrechter dient de toepassing van die bevoegdheid dan ook terughoudend te toetsen.

2.24 Niet is komen vast te staan dat verzoeker geen enkel zicht op de natuurbrug heeft. Het zicht moet echter wel beperkt worden geacht, vanwege de groene buffer en de wijze van uitvoering van de natuurbrug. Voorts heeft verweerder aangegeven dat met de belangen van verzoeker zoveel mogelijk rekening is gehouden. Zo is naar aanleiding van diverse overleggen met verzoeker besloten om de breedte van de natuurbrug te beperken tot de minimale breedte, het fiets/voetpad te verplaatsen naar de westzijde om eventuele overlast bij verzoeker te voorkomen, het fiets/voetpad op een deel van het terrein van Nieuw Unicum te realiseren om zo de rolstoeltoegankelijkheid te kunnen garanderen, zonder dat de natuurbrug verder naar verzoekers woning opschuift en de natuurbrug op een afstand van 68 meter (de maximale afstand) in plaats van 64 meter van de woning van verzoeker te realiseren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat - het vorenstaande in acht genomen - verweerder het belang dat is gediend met realisatie van de natuurbrug heeft mogen laten prevaleren boven het belang van verzoeker.

2.25 Verzoeker heeft verder de financiële haalbaarheid van het project ter discussie gesteld. Deze is afhankelijk van een EFRO-subsidie (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling), die is verstrekt onder de voorwaarde dat er een vanuit de duinen aansluitend een fietspad wordt gerealiseerd. Tot op heden is onzeker of een dergelijk fietspad wordt gerealiseerd en bovendien is daarvoor nog geen omgevingsvergunning aangevraagd. Nu de totstandkoming van dit fietspad onvoldoende zeker is en daarmee onvoldoende vast staat of wordt voldaan aan de voorwaarden van de EFRO-subsidie, twijfelt verzoeker ernstig aan de financiële haalbaarheid van het project.

2.26 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de financiële dekking voor dit project voldoende onderbouwd. De subsidie voor het project is toegekend. Ter zitting heeft vergunninghouder aangegeven dat reeds voorschotten zijn verstrekt en dat voor de aanleg van het bedoelde fietspad een apart project is opgericht, waaraan thans hard wordt gewerkt. De voorzieningenrechter ziet thans geen aanleiding voor twijfel aan de financiële haalbaarheid van het project.

Natuurbeschermingswet (Nbw) en Flora- en faunawet (Ffw)

2.27 De voorzieningenrechter merkt in zijn algemeenheid op dat uit de uitspraken van de Afdeling van 9 maart 2011 (LJN: BP7155) en 13 april 2011 (LJN: BQ1081) volgt dat, indien een bestreden omgevingsvergunning meer dan één toestemming als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo bevat, per toestemming moet worden bepaald of degene die een rechtsmiddel heeft aangewend belanghebbende is. In dit verband is van belang de jurisprudentie in het kader van de Ffw over het belanghebbende-begrip, die mogelijk ook voor de Nbw heeft te gelden.

2.28 In uitspraken van de Afdeling van onder meer 1 februari 2012 (LJN: BV2425) en 18 mei 2005 (LJN: AT5667) is geoordeeld dat uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te worden aangemerkt. Het opkomen voor beschermde plant- en diersoorten is in de regel een algemeen belang. Om te beoordelen of verzoeker als belanghebbende kan worden aangemerkt, moet worden bezien of de bestreden toestemming een besluit betreft waarvan het redelijkerwijs te verwachten gevolg is dat het invloed zal hebben op de woon/leefomgeving van degene die in de nabijheid woont/leeft van de plaats waarop de toestemming betrekking heeft. Vereist is verder een bijzonder individueel persoonlijk belang, zijnde een mate van betrokkenheid die uitstijgt boven die van anderen die ten opzichte van het besluit een vergelijkbare positie innemen.

2.29 Het is de voorzieningenrechter ter zitting niet gebleken in welk persoonlijk belang verzoeker door de toestemmingen op grond van de Nbw en Ffw rechtstreeks wordt getroffen, zodanig dat hij zich onderscheidt van anderen. De voorzieningenrechter acht het dan ook nog maar zeer de vraag of verzoeker in zijn beroepsgronden ten aanzien van bedoelde toestemmingen kan worden ontvangen. Desalniettemin overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.30 Inzake de toestemming op grond van de Nbw heeft verzoeker aangevoerd dat ten onrechte geen passende beoordeling heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet (Nbw). Volgens verzoeker zal als gevolg van de aanleg van de natuurbrug een te groot deel grijs duin worden vernietigd en is niet inzichtelijk binnen welke termijn van herstel kan worden gesproken. Ook zullen groeiplaatsen van beschermde planten worden vernietigd. De effecten op de beschermde natuurwaarden en instandhoudingsdoelstellingen zijn volgens verzoeker onvoldoende onderzocht. Verzoeker wijst op een email van N. Buiten van 2 juli 2012. Volgens verzoeker dient er aanvullend onderzoek naar de effecten plaats te vinden.

2.31 Artikel 19j, eerste lid, van de Nbw luidt:

Een bestuursorgaan houdt bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening

a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en

b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan voor zover dat betrekking heeft op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid.

Artikel 19j, tweede lid, van de Nbw luidt:

Voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, van dat gebied.

2.32 De voorzieningenrechter stelt voorop dat een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j van de Nbw heeft plaatsgevonden en is neergelegd in het rapport ‘Passende beoordeling natuurbrug Zandpoort’ van 12 juli 2011 (de passende beoordeling). Dat in de vvgb een datum van 24 juni 2011 wordt genoemd, zoals verzoeker ter zitting heeft aangegeven, acht de voorzieningenrechter thans niet van wezenlijk belang, nu verweerder en vergunninghouder ter zitting hebben aangegeven dat er slechts één versie bestaat en in ieder geval in de ruimtelijke onderbouwing wordt verwezen naar de passende beoordeling van 12 juli 2011. In de passende beoordeling wordt op bladzijde 22 uitvoerig omschreven welke effecten de ontwikkeling van de natuurbrug heeft op de oppervlakte van de habitattypen grijs duin, duindoornstruweel en duinbos. Ten aanzien van duindoornstruweel is sprake van een verwaarloosbaar effect. Voor wat betreft de oppervlakte aan grijs duin en duinbos die verloren gaat, geldt dat dit boven de grens van een ‘verwaarloosbaar effect’ ligt. De vernietiging van grijs duin is tijdelijk en wordt vervolgens over een groter oppervlak gerealiseerd door gebruik te maken van gebiedseigen materiaal, waardoor de zaadbank in het gebied terugkomt en het grijs duin zich weer natuurlijk zal ontwikkelen. Het percentage duinbos dat verloren gaat betreft 0,02% van het Natura 2000-gebied. Na realisatie van de natuurbrug worden over een groter oppervlak gunstige omstandigheden gerealiseerd voor de ontwikkeling van duinbos, waardoor het oppervlakteverlies zeer wordt beperkt en op de langere termijn herstel kan plaatsvinden.

2.33 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter biedt hetgeen verzoeker heeft aangevoerd en de email van Buiten, met daarin de enkele opmerking dat volgens hem op de langere termijn onomkeerbare significante effecten op de habitattypen grijs duin, duinbos en duindoornstruweel zullen plaatsvinden, onvoldoende grond voor het oordeel dat de passende beoordeling niet als basis kan dienen en dat nader onderzoek noodzakelijk is.

2.34 Tot slot heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat er te beperkt onderzoek is gedaan naar de in het plangebied aanwezige plant- en diersoorten. Uit diverse namens vergunninghouder opgestelde rapporten (Grontmij 29 augustus 2011 en 15 juli 2011, Stichting Anemoon 31 maart 2011 en Alterra 2005) alsmede uit de door verzoeker overgelegde memo’s van H. Vader en F. van der Vliet leidt verzoeker af dat het plangebied de leefomgeving is - en kan worden - van diverse beschermde diersoorten. Verzoeker noemt de rugstreeppad, damhert, zandhagedis, dwergkorfslak en groenknolorchis. Het oriënterende veldbezoek is onvoldoende inventariserend geweest en het feit dat er diverse beschermde diersoorten in het plangebied leven en kunnen leven had aanleiding moet zijn voor aanvullend onderzoek.

2.35 De voorzieningenrechter stelt vast dat de vvgb is verleend voor uitsluitend de hierna genoemde verboden handelingen:

- Artikel 9 voor zover dit betreft het vangen, bemachtigen of met het oog daarop opsporen van de zandhagedis;

- Artikel 11 voor zover dit betreft het beschadigen, vernielen of verstoren van holen of andere voortplanting- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de franjestaart, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis en de zandhagedis.

2.36 Volgens vergunninghouder is een quickscan uitgevoerd waarbij een inventarisatie is gemaakt van plant- en diersoorten die zich in het plangebied bevinden. Daarnaast heeft nog uitvoeriger onderzoek plaatsgevonden naar de eventuele aanwezigheid van de nauwe korfslak, maar die bleek zich niet in het plangebied te bevinden. Op basis van de onderzoeksresultaten is een vvgb aangevraagd.

2.37 Aan de vvgb zijn voorschriften verbonden, welke zijn overgenomen in de omgevingsvergunning. Onder meer geldt het voorschrift dat de initiatiefnemer een ecologisch werkprotocol moet opstellen met daarin alle voorschriften. Ter zitting heeft vergunninghouder verklaard dat in overleg met een ecoloog een ecologisch werkplan is opgesteld, dat ter plaatse van de werkzaamheden een ecologische toezichthouder aanwezig zal zijn en dat de aannemer zich aan diens aanwijzingen dient te conformeren. Voorts zijn paddenschermen geplaatst om te voorkomen dat de rugstreeppad en zandhagedis het werkterrein betreden. Voor zover tijdens de werkzaamheden diersoorten worden aangetroffen waarvoor geen vvgb is verleend en waarvoor dat wel had gemoeten, worden de werkzaamheden per direct stilgelegd en wordt de soort ofwel afgevangen, of wordt er alsnog vvgb voor die soort aangevraagd. De voorzieningenrechter wijst erop dat dit niet geldt voor de diersoorten die verzoeker heeft genoemd die uitsluitend op de Rode lijst staan, waarvan verweerder terecht heeft opgemerkt dat die geen juridische status heeft. Van de soorten die verzoeker heeft genoemd is voor de zandhagedis reeds een vvgb afgegeven. De rugstreeppad is blijkens het rapport ‘Flora- en faunatoets natuurbrug Zandpoort’ van Grontmij van 15 juli 2011 niet in het plangebied aangetroffen. Volgens dit rapport is de groenknolorchis ten noorden van het plangebied in Kennemerland-Zuid aangetroffen, buiten het plangebied. In dit rapport wordt eveneens gesteld dat de nauwe korfslak buiten het plangebied is aangetroffen en dat uit nader onderzoek van de Stichting Anemoon naar de nauwe korfslak naar voren is gekomen dat in het plangebied geen populaties van de soort voorkomen. Voorts kan uit het rapport van Alterra weliswaar worden afgeleid dat enkele diersoorten waarop verzoeker heeft gewezen in de AWD en het NPKZ voorkomen of kunnen voorkomen, maar dat acht de voorzieningenrechter onvoldoende om aan te nemen dat de diersoorten thans in het plangebied voorkomen. Indien deze diersoorten alsnog het plangebied betreden biedt het ecologisch werkprotocol voldoende waarborg dat aan de vereisten van de Ffw wordt voldaan. Gelet op het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat nader onderzoek had moeten plaatsvinden dan wel dat niet kan worden volstaan met de door de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie afgegeven vvgb. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vvgb en het ecologisch werkprotocol voldoende waarborgen biedt dat de werkzaamheden in overeenstemming met de Ffw zullen worden uitgevoerd.

2.38 Uit voorgaande bespreking van de beroepsgronden volgt dat het niet waarschijnlijk is dat het bestreden besluit in beroep geen stand zal houden. Onder deze omstandigheden dient het verzoek om voorlopige voorziening te worden afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.