Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX0935

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
15-740788-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promiss vonnis, gemotiveerde (partiele) vrijspraak, bewijsmiddelenverweer, CIE-informatie, bevel stelselmatige observatie, dwangmiddelen, medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Verdachte is door de meervoudige strafkamer te Haarlem veroordeeld voor medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, de medeplichtigheid aan diefstal in vereniging waarbij de dader het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft bereik heeft gebracht door middel van verbreking en het medeplegen van het opzettelijk een elekriciteitsnetwerk genomen veiligheidsmaatregel te verijdelen, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was, allen meermalen gepleegd tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. Verdachte is met zijn mededader gedurende een aanzienlijke periode behulpzaam geweest bij het opzetten van een groot aantal hennepkwekerijen, waaronder enkele zeer grote. Door zijn werk als electricien bij Liander was verdachte bij uitstek de persoon die het elektriciteitsnetwerk ten behoeve van deze hennepkwekerijen kon aansluiten en/of manipuleren.

Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de verstrekte CIE-informatie voldoende concreet en specifiek was en dus voldoende was voor het aannemen van het in artikel 27 Sv bedoelde redelijke vermoeden en daarmee voor de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden, waaronder het plaatsen van een telefoontap.

De rechtbank merkt voorts op dat, anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, het tijdens een observatie gebruik maken van foto- of videoapparatuur niet onrechtmatig is, nu dit slechts op bescheiden schaal heeft plaatsgevonden ter aanvulling op de waarneming van de observant. Voor een dergelijk gebruik van foto- en videoapparatuur (op de openbare weg) tijdens de stelselmatige observatie is geen afzonderlijke toestemming van de officier van justitie vereist. Dit zou anders zijn indien op meer structurele basis structureel gebruik zou worden gemaakt van dergelijke apparatuur, waarbij een (statische) camera langdurig op een bepaald object of persoon wordt gericht. Daarvan is in casu echter niet gebleken.

Nu de ingezette dwangmiddelen en de verlengingen daarvan alle na verkregen machtiging van de rechter-commissaris zijn ingezet en hij de inzet daarvan heeft kunnen toetsen op basis van de beschikbare informatie, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van enige schending van een recht van verdachte.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uit de inzet van dwangmiddelen verkregen bewijsmiddelen niet voor het bewijs behoeven te worden uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740788-10

Uitspraakdatum: 22 februari 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 februari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

Feit 1:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]

en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of

[medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meerdere

onbekend gebleven perso(o)n(en)

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2011 tot en met 17 mei 2011 te Purmerend en/of te Sneek, gemeente Súdwest

Fryslân en/of te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te Lisserbroek, gemeente

Haarlemmermeer en/of te Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk,

gemeente Medemblik en/of te Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of

te Amsterdam en/of elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt en/of vervaardigd

in een of meerdere pand(en), te weten:

de [adres 1] te Purmerend en/ of

de [adres 2] te Sneek en/of

de [adres 3] te Zaandam en/of

de [adres 4] te Purmerend en/of

de [adres 5] te Lisserbroek en/of

de [adres 6] te Ursem en/of

de [adres 7] te Didam en/of

de [adres 8] te Hoorn en/of

de [adres 9] te Abbekerk en/of

de [adres 10] te Amsterdam,

een groot aantal hennepplanten en/of hennepstekken en/of een hoeveelheid

hennep,

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in die/dat

pand(en) een groot aantal hennepstekken en/of hennepplanten en/of delen

daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een

materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst II,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2011

tot en met 17 mei 2011

te Purmerend en/of te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân en/of te Zaandam,

gemeente Zaanstad en/of te Lisserbroek, gemeente Haarlemmermeer en/of te

Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk, gemeente Medemblik en/of te

Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of te Amsterdam en/of elders in

Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft/hebben

verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, door (telkens)

met zijn mededader(s), althans alleen (telkens):

- het interieur van de kwekerij(en) op te bouwen en/of

- de voorziening van elektriciteit in genoemde pand(en) voor de teelt/het

kweken van hennepplanten aan te leggen en/of aan te passen (onder meer te

verzwaren) en/of te manipuleren en/of

- goed(eren) ter beschikking te stellen voor de voorziening van elektriciteit

voor de teelt/het kweken van hennepplanten (waaronder onder meer

koolstoffilters en/of schakelborden en/of meterkasten) en/of

- goederen ter beschikking te stellen voor de teelt/het kweken van

hennepplanten (waaronder onder meer koolstoffilters) en/of

- informatie/inlichtingen te geven omtrent de voorziening van elektriciteit

voor de teelt/het kweken van hennepplanten en/of

- informatie/inlichtingen te geven omtrent de teelt/het kweken van

hennepplanten en/of

- hennepstekken te verstrekken;

Feit 2:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]

en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meerdere

onbekend gebleven perso(o)n(en)

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 oktober

2010 tot en met 17 mei 2011 te Purmerend en/of te Sneek, gemeente Súdwest

Fryslân en/of te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te Lisserbroek, gemeente

Haarlemmermeer en/of te Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk,

gemeente Medemblik en/of te Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of

te Amsterdam en/of elders in Nederland,

(te weten in de/het pand(en) gelegen op en/of aan de [adres 1] te

Purmerend en/of de [adres 2] te Sneek en/of de [adres 3] te

Zaandam en/of de [adres 4] te Purmerend en/of de [adres 5] te

Lisserbroek en/of de [adres 6] te Ursem en/of de [adres 7] te

Didam en/of de [adres 8] te Hoorn en/of de [adres 9] te

Abbekerk en/of de [adres 10] te Amsterdam)

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben

weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval (telkens) enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V. en/of NUON en/of een of

meerdere andere energiemaatschappij(en), in elk geval aan een ander of anderen

dan aan die

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9]

en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of

[medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meerdere

onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]

en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8]

en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12]

en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of

meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking,

immers heeft/hebben bovengenoemde perso(o)n(en) en/of verdachte (telkens):

-de (originele) zegel(s) van de elektriciteitsmeter verwijderd en/of verbroken en/of

-(vervolgens) de werking van de meter gemanipuleerd en/of de meterstand

gemanipuleerd en/of (vervolgens) (niet originele) zegels aangebracht en/of

-de aansluiting van de elektriciteit buiten de meter om aangelegd,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meerdere

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 oktober 2010 tot en met 17 mei

2011 te Purmerend en/of te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân en/of te Zaandam,

gemeente Zaanstad en/of te Lisserbroek, gemeente Haarlemmermeer en/of te

Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk, gemeente Medemblik en/of te

Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of te Amsterdam en/of elders in

Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft

en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door (telkens) met een of

meer van zijn mededader(s), althans alleen (telkens):

- de originele zegel(s) van de elektriciteitsmeter te verwijderen en/of te

verbreken en/of

- de voorziening van elektriciteit buiten de meter om aan te leggen en/of aan

te passen en/of

- de elektriciteitsmeter te manipuleren (zoals onder meer terug draaien en/of

verzwaren van die elektriciteitsmeter) en/of

- (vervolgens) de meterkast weer te verzegelen (met niet originele zegels);

Feit 3:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2011 tot en met 17 mei 2011

te Purmerend en/of te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân en/of te Zaandam,

gemeente Zaanstad en/of te Lisserbroek, gemeente Haarlemmermeer en/of te

Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk, gemeente Medemblik en/of te

Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of te Amsterdam en/of elders in

Nederland

(te weten in en/of bij de/het pand(en) gelegen op en/of aan de [adres 1]

te Purmerend en/ of de [adres 2] te Sneek en/of de [adres 3] te

Zaandam en/of de [adres 4] te Purmerend en/of de [adres 5]

te Lisserbroek en/of de [adres 6] te Ursem en/of de [adres 7]

te Didam en/of de [adres 8] te Hoorn en/of de [adres 9] te

Abbekerk en/of de [adres 10] te Amsterdam)

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk een elektriciteitswerk heeft/hebben vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt en/of een stoornis in de gang en/of in de werking van een

zodanig elektriciteitswerk heeft veroorzaakt en/of een ten opzichte van

zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, door toen en aldaar

(telkens) met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen (telkens):

- de zegel(s) van de elektriciteitsmeter te verwijderen en/of te

verbreken en/of

- de hoofd en/of eindbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie te verzwaren

en/of

- (buigzame) leidingen die niet aan de vereiste lengte, verbinding en/of diameters voldoen aan te sluiten en/of

- een illegale elektriciteitsaansluiting voor de hoofdbeveiliging en/of na de hoofdbeveiliging en/of aan de aansluitkabel in de straat te maken,

waardoor (telkens) verhindering of bemoeilijking van de stroomlevering ten

algemenen nutte is ontstaan en/of gemeen gevaar voor goederen te duchten was

en/of levensgevaar voor een ander te duchten was;

Feit 4 primair:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2011 tot en met 17 mei 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een of meerdere goed(eren), te weten al dan niet - onder meer - een of meerdere mof(fen) (van het merk Cellpack) en/of een hoeveelheid zegels en/of een zegeltang (GEB) en/of een meterkast (merk HOLTEC) een of meerdere andere goed(eren) van zijn, verdachtes en/of zijn medeverdachtes, gading, in elk geval (telkens) enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Liander N.V., in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), en welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking van/als monteur A, in elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

Subsidiair:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2011 tot en met 17 mei 2011 te Amsterdam en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een of meerdere goed(eren), te weten al dan niet - onder meer - een of meerdere mof(fen) (van het merk Cellpack) en/of een hoeveelheid zegels en/of een zegeltang (GEB) en/of een meterkast (merk HOLTEC) een of meerdere andere goed(eren) van zijn, verdachtes en/of zijn medeverdachtes, gading, in elk geval (telkens) enig goed,

dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Liander N.V., in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n);

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 met uitzondering van de panden [adres 4] te Purmerend en [adres 5] te Lisserbroek, 3 met uitzondering van het pand [adres 5] te Lisserbroek en 4 primair ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd de ter terechtzitting aangepaste vordering hoofdelijk toe te wijzen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie er op gewezen dat slechts nog een beslissing wordt gevraagd ten aanzien van de nummers 9, 10 en 11 zoals vermeld op de beslaglijst. De officier van justitie heeft gevorderd deze terug te geven aan de rechthebbende, zijnde Liander.

4. Bewijs

4.1 Vrijspraak

Adres [adres 1] te Purmerend

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3 voor zover deze feiten betrekking hebben op voornoemd adres. Hoewel vaststaat dat op de elektriciteitsmeter een vervalst zegel is aangebracht, staat niet vast dat het verdachte is geweest die dit zegel heeft aangebracht en zodoende de elektriciteitsmeter heeft gemanipuleerd. In het dossier zijn wel bewijsmiddelen te vinden die verdachte in verband brengen met deze kwekerij, met name tapgesprekken. Deze tapgesprekken hebben gelet op de inhoud daarvan echter geen betrekking op de aanleg van elektriciteit ten behoeve van de kwekerij. Bovendien heeft de bewoner van dit pand verklaard dat verdachte de elektra heeft nagekeken maar dat hij niet met de meter heeft geknoeid, terwijl hij voorts aangeeft dat verdachte wel tips heeft gegeven voor de kwekerij en bij hem kloontjes heeft afgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt dan ook het wettig bewijs van betrokkenheid van verdachte bij de diefstal van elektriciteit en volgt uit het voorgaande tevens dat verdachte niet in verband kan worden gebracht met de onder feit 3 ten laste gelegde beschadiging van een elektriciteitswerk.

Adres [adres 4] te Purmerend

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 2 voor zover dit ziet op voornoemd adres. Door de fraudespecialist van Liander is immers gerapporteerd dat geen diefstal van elektriciteit is waargenomen, zodat het wettig bewijs voor dit feit ontbreekt.

Adres [adres 5] te Lisserbroek

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3 voor zover deze zien op voornoemd adres. Voor deze kwekerij in Lisserbroek was weliswaar een extra groepenkast aangelegd maar nog niet aangesloten. Die omstandigheid maakt dat voor dit adres niet gezegd kan worden dat de stroomlevering ten algemene nutte bemoeilijkt of verhinderd is dan wel dat er enig gevaar te duchten is geweest. Bovendien wordt bij onderzoek op dit adres geen fraude aan de meterkast geconstateerd, zodat ook van diefstal van elektriciteit geen sprake kan zijn.

Feit 4

Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 4 primair en subsidiair ten laste is gelegd en moet hij ook daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte wordt onder feit 4 primair – zakelijk weergegeven - verweten dat hij zich een aanzienlijk aantal goederen toebehorend aan zijn werkgever die hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking onder zich had, wederrechtelijk heeft toegeëigend. Onder feit 4 subsidiair is dit aan verdachte ten laste gelegd als diefstal van deze goederen.

De rechtbank stelt voorop dat de ten laste gelegde goederen met uitzondering van de zegels en een zegeltang bij de medeverdachte zijn aangetroffen dan wel bij doorzoeking van een van de aangetroffen hennepkwekerijen. Ten aanzien van de goederen die verdachte dan wel zijn medeverdachte onder zich had, komt de rechtbank tot de conclusie dat van wederrechtelijke toe-eigening zoals voor een bewezenverklaring is vereist, niet onverkort sprake kan zijn. Immers, tot het moment van hun aanhouding waren verdachte en zijn medeverdachte werkzaam als monteur bij Liander, zodat niet uitgesloten kan worden dat zij deze goederen onder zich hadden ten behoeve van hun reguliere werkzaamheden. De omstandigheid dat medeverdachte deze goederen niet allemaal in zijn dienstauto had maar sommige daarvan in zijn woning bewaarde, acht de rechtbank niet redengevend voor het bewijs ten aanzien van het bestanddeel ‘wederrechtelijke toe-eigening’.

Met betrekking tot de moffen en de aansluitkast welke in of bij verschillende hennepkwekerijen zijn aangetroffen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast komen te staan dat deze goederen het eigendom van aangever zijn.

4.2 Bewijsmiddelverweer

Door de raadsvrouw is bepleit dat bewijsuitsluiting dient te volgen nu sprake is van ernstige en onherstelbare vormverzuimen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

Het bevel tot stelselmatige observatie van verdachte is gegeven op basis van een CIE proces-verbaal van 15 april 2010 waarin informatie staat gerelateerd die afkomstig is uit september en oktober 2009 en waarvan in dat proces-verbaal staat geschreven dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de informatie niet kan worden gegeven. Toch wordt op basis van dit proces-verbaal acht maanden na de melding bij de CIE een onderzoek gestart naar verdachte terwijl het zeer de vraag is of op deze informatie een verdenking jegens verdachte kon worden gebaseerd. Dit klemt temeer nu de betrouwbaarheid van de beschikbare informatie niet getoetst kon worden terwijl dit volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad wel doorslaggevend is voor de vraag of een CIE proces-verbaal voldoende basis kan zijn voor een verdenking. Het raadplegen van de openbare registers heeft voorts niets belastends voor verdachte opgeleverd en ondersteunt de CIE informatie evenmin. De raadsvrouw concludeert dat van een verdenking jegens verdachte waarop de inzet van dwangmiddelen kan worden gestoeld geen sprake kan zijn geweest.

Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat zelfs als wel sprake zou zijn geweest van een verdenking deze alleen kan zien op een verdenking ten aanzien van overtreding van de Opiumwet en zeker niet op een verdenking van gekwalificeerde diefstal of van overtreding van het artikel 161bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zodat de afgegeven bevelen die mede op een verdenking op overtreding van deze artikelen zien in zoverre onrechtmatig zijn dat deze niet op die verdenking hadden mogen worden gestoeld..Ook op grond van de inzet van andere dwangmiddelen in de periode van 18 tot en met 25 augustus 2010 is geen informatie naar voren gekomen die voor verdachte belastend is en wordt op basis van die informatie de CIE informatie niet bevestigd. De raadsvrouw komt tot de conclusie dat zelfs als er sprake zou zijn geweest van een verdenking, de inzet van dwangmiddelen gedurende drie maanden niets heeft opgeleverd dat de CIE informatie bekrachtigt zodat op het moment dat in september 2010 het bevel tot stelselmatige observatie wordt verlengd er geen redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering (Sv) meer bestaat. Daarnaast is bij de uitvoering van het bevel tot stelselmatige observatie onrechtmatig gebruik gemaakt van foto- en videoapparatuur omdat daarvoor bij de machtiging geen toestemming was gegeven, aldus de raadsvrouw.

Voorts is door de rechter-commissaris een machtiging afgegeven voor het tappen op de vaste telefoonlijn van verdachte. De rechter-commissaris had niet in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat deze machtiging verstrekt kon worden. Ten eerste was er op het moment van de aanvraag van deze machtiging geen sprake meer van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv en bovendien heeft de rechter-commissaris deze machtiging verleend op basis van onjuiste informatie. In de informatie die de rechter-commissaris ter onderbouwing van de aanvraag ontving, is immers niet vermeld dat de CIE-informatie al in september/oktober 2009 was binnengekomen en afkomstig was van slechts één informant, wordt niet vermeld dat de betrouwbaarheid van deze informatie niet getoetst kon worden en wordt niet vermeld wat het resultaat van de aanvraag van de vordering ex artikel 126nd Sv is geweest terwijl deze gegevens de CIE-informatie ontkrachtten. Als de rechter-commissaris wel volledig was ingelicht, waren de machtigingen voor het tappen in de periode van eind september 2010 tot mei 2011 nooit afgegeven, aldus de raadsvrouw.

De raadsvrouw heeft er tevens op gewezen dat de verdenking, als deze er al was, niet ziet op een misdrijf dat wegens zijn aard een ernstige inbreuk maakt op de rechtsorde, zodat ook om die reden de rechter-commissaris niet in redelijkheid een machtiging heeft kunnen afgeven. Daarbij dient voorts in acht te worden genomen dat daarbij ook niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Het samenstel van deze ernstige vormverzuimen dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs dat op basis van deze onrechtmatig ingezette dwangmiddelen is verkregen en mitsdien tot vrijspraak.

De officier van justitie heeft bij repliek gereageerd op het standpunt van de verdediging. De officier van justitie heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat volgens vaste jurisprudentie een proces-verbaal van de CIE voldoende kan zijn voor de start van een onderzoek en dat op basis daarvan alle BOB-middelen kunnen worden ingezet, ook als de betrouwbaarheid van de informatie niet beoordeeld kan worden. Dat de betrouwbaarheid van de informatie niet beoordeeld kan worden, betekent immers niet dat de informatie dus onbetrouwbaar is. In dit geval is op basis van deze informatie de projectvoorbereiding gestart. Deze projectvoorbereiding is juist bedoeld om reeds bestaande informatie te veredelen. Daarnaast bestond er ten aanzien van verdachte wel degelijk voldoende verdenking voor diefstal en de beschadiging van elektriciteitswerken. Dat de CIE-informatie niet van recente datum is, is geen probleem nu juist daarom begonnen wordt met projectvoorbereiding en pas daarna een onderzoek wordt gestart. Bovendien verstrekt de CIE pas een proces-verbaal aan de politie als er voldoende capaciteit beschikbaar is bij de politie om het onderzoek te kunnen opstarten. De dwangmiddelen die jegens verdachte zijn ingezet, zijn getrapt toegepast waarbij telkens is gekozen voor een dwangmiddel dat zo min mogelijk inbreuk op een recht van verdachte maakt en de rechter-commissaris heeft daartoe machtigingen verleend. Volgens de officier van justitie is dan ook geen sprake van schending van enig recht van verdachte en is de informatie uit telefoontaps en andere opsporingsbevoegdheden rechtmatig verkregen. Bovendien is het maken van foto’s tijdens een observatie toegestaan en hoeft daarvoor in de machtiging niet expliciet toestemming te worden verleend. Dit is slechts anders bij de langdurige inzet van (statische) foto- of videoapparatuur.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat – anders dan de verdediging stelt – CIE-informatie op zichzelf voldoende kan zijn voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 Sv, mits deze informatie voldoende concreet (naar persoon, tijd en plaats) en specifiek (ten aanzien van de strafbare gedraging) is. De onderhavige CIE-informatie is op 15 april 2010 ter beschikking gesteld aan de afdeling Projectvoorbereiding van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland. Uit het CIE proces-verbaal blijkt tevens dat de in september en oktober 2009 aan de CIE verstrekte informatie nog verder onderzocht is. Daarbij is bij controle van het Kadaster gebleken dat er op het in de informatie genoemde adres ([adres] te Purmerend) inderdaad een persoon genaamd [verdachte] woont en dat deze eigenaar is van dat pand. Uit van de SIOD verkregen informatie is voorts gebleken dat deze [verdachte] werkzaam is bij Alliander N.V., een bedrijf dat het netwerk voor Nuon regelt. Vervolgens is de eerdergenoemde afdeling Projectvoorbereiding aan de slag gegaan om te proberen de verkregen informatie verder “op te plussen” door onderzoek naar verdachte te doen in openbare bronnen. Hierbij kwam naar voren dat verdachte in 1998 een antecedent had terzake van overtreding van artikel 3, eerste lid onder B en C, van de Opiumwet.. Vervolgens is informatie opgevraagd bij de werkgever van verdachte waaronder het bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer, de GPS gegevens van zijn auto en zijn werkopdrachten. Hoewel uit laatstgenoemde gegevens, met name de GPS gegevens van zijn dienstauto en zijn werkopdrachten, niet viel af te leiden dat er sprake was van criminele activiteiten, bleek wel dat verdachte aan het einde van zijn werkdag niet altijd met zijn dienstauto direct naar huis reed maar soms doorreed naar locaties waarvoor hem geen werkopdrachten waren verstrekt en daar dan enige tijd bleef staan. Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de verstrekte CIE-informatie voldoende concreet en specifiek was en dus voldoende was voor het aannemen van het in artikel 27 Sv bedoelde redelijke vermoeden en daarmee voor de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden, waaronder het plaatsen van een telefoontap.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat deze verdenking, indien aanwezig, alleen zou kunnen zien op overtreding van de Opiumwet en niet op een verdenking van gekwalificeerde diefstal dan wel overtreding van artikel 161 bis Sr. De rechtbank overweegt dienaangaande dat het een feit van algemene bekendheid is dat het uitbaten van hennepkwekerijen veelal gepaard gaat met diefstal van elektriciteit middels manipulaties aan de elektriciteitsmeter en/of elektriciteitsaansluitingen,welke manipulaties - aangezien deze illegaal plaats vinden – in zijn algemeenheid leiden tot grote risico’s op het gebied van de brandveiligheid.

De raadsvrouw betoogt voorts dat de officier van justitie weliswaar bevoegd gebruik heeft gemaakt van het middel van stelselmatige observatie maar dat deze observatie gedurende de eerste periode van drie maanden alsmede de andere door de officier van justitie ingezette opsporingsbevoegdheden niet geleid hebben tot belastende informatie jegens verdachte zodat het er voor gehouden moet worden dat de verlenging van de stelselmatige observatie op 23 september 2010 onrechtmatig is bevolen. De rechtbank overweegt dienaangaande dat niet valt in te zien waarom de verlenging van het bevel stelselmatige observatie door de officier van justitie onrechtmatig zou zijn geschied. Artikel 126g, vierde lid, Sv stelt aan de verlenging van dit bevel slechts het vereiste dat dit door een officier van justitie dient te geschieden. Hoewel een stelselmatige observatie uiteraard wordt ingezet om te komen tot een nadere onderbouwing van een reeds tegen een verdachte gerezen verdenking, wordt niet vereist dat de verdenking op grond waarvan de officier van justitie het eerdere bevel heeft afgegeven op grond van de stelselmatige observatie in de voorafgegane periode dient te zijn versterkt. De rechtbank merkt voorts op dat, anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, het tijdens een observatie gebruik maken van foto- of videoapparatuur niet onrechtmatig is, nu dit slechts op bescheiden schaal heeft plaatsgevonden ter aanvulling op de waarneming van de observant. Voor een dergelijk gebruik van foto- en videoapparatuur (op de openbare weg) tijdens de stelselmatige observatie is geen afzonderlijke toestemming van de officier van justitie vereist. Dit zou anders zijn indien op meer structurele basis structureel gebruik zou worden gemaakt van dergelijke apparatuur, waarbij een (statische) camera langdurig op een bepaald object of persoon wordt gericht. Daarvan is in casu echter niet gebleken.

Teneinde een mobiel telefoonnummer van verdachte te achterhalen, is een machtiging aan de rechter-commissaris gevraagd om het telefoonnummer van de partner van verdachte korte tijd te tappen, welke machtiging is verleend. Op basis van de informatie die hieruit verkregen is, wordt een mobiel telefoonnummer van verdachte achterhaald en wordt dit telefoonnummer, wederom met een machtiging van de rechter-commissaris, getapt. Nu de ingezette dwangmiddelen en de verlengingen daarvan alle na verkregen machtiging van de rechter-commissaris zijn ingezet en hij de inzet daarvan heeft kunnen toetsen op basis van de beschikbare informatie, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van enige schending van een recht van verdachte.

Door de raadsvrouw is gesteld dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat een machtiging kon worden verstrekt nu het er voor moet worden gehouden dat de rechter-commissaris tot dat oordeel is gekomen op grond van onvolledige en/of onjuiste informatie omdat aan deze niet is meegedeeld dat de betrouwbaarheid van de CIE-informatie niet getoetst kon worden en bovendien uit september en oktober 2009 dateerde. De rechtbank overweegt, anders dan de raadsvrouw, dienaangaande dat de rechter-commissaris gezien de aan hem verstrekte gegevens in onderling verband en samenhang bezien wel degelijk in redelijkheid tot zijn beslissing(en) heeft kunnen komen. Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens pagina 22/23 van het dossier Projectvoorbereiding, bij de aanvraag van de tap op het toestel van verdachte met het nummer [mobiel nummer], wel degelijk is vermeld dat over de betrouwbaarheid van de CIE-informatie geen oordeel kon worden gegeven. Het feit dat de betrouwbaarheid van de CIE-informatie niet getoetst kon worden en het feit dat deze informatie niet recent was, maken deze informatie op zichzelf immers niet onbetrouwbaar. Dit klemt temeer nu, zoals hiervoor is overwogen, deze CIE-informatie door de regiopolitie nader is onderzocht. Het is ook overigens niet aannemelijk geworden dat de rechter-commissaris op grond van onjuiste of onvolledige informatie tot zijn beslissing is gekomen zodat het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.

De raadsvrouw heeft voorts nog aangevoerd dat in casu geen sprake was van de voor het verlenen van een machtiging vereiste ernstige inbreuk op de rechtsorde nu het kweken van hennep of de betrokkenheid daarbij gelet op het wettelijk strafmaximum en de in de samenleving heersende opvattingen daarover niet valt aan te merken als een misdrijf dat door zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde maakt, terwijl bovendien niet voldaan werd aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Verdachte wordt verdacht van medeplichtigheid aan het opzetten en uitbaten van een groot aantal hennepkwekerijen van aanzienlijke omvang waarbij elektriciteit werd gestolen en brandgevaarlijke situaties zijn ontstaan. In dat geval kan er naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een verdenking van misdrijven die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde terwijl in de geschetste omstandigheden ook aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit is voldaan.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de uit de inzet van dwangmiddelen verkregen bewijsmiddelen niet voor het bewijs behoeven te worden uitgesloten.

4.3 Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

[adres 1] Purmerend

Tussen 19 januari 2011 en 17 februari 2011 heeft verdachte verscheidene telefonische contacten met de gebruiker van een telefoonnummer waarvan is vastgesteld dat dit in gebruik is bij [medeverdachte 1]. Tijdens deze gesprekken spreekt verdachte met [medeverdachte 1] onder andere over biertjes en koffie drinken. Op 26 januari 2011 komt uit een telefoongesprek naar voren dat verdachte ‘zo even een biertje komt halen’. Op 30 januari 2011 spreken beiden opnieuw met elkaar. Tijdens dit gesprek geeft [medeverdachte 1] aan iets minder biertjes te hebben dan gedacht en vraagt verdachte hem of hij 175 kratten heeft waarop ([medeverdachte 1]) antwoordt dat hij er tussen de 200 en 220 heeft, waarna zij een afspraak maken voor de volgende dag. De volgende dag laat verdachte aan [medeverdachte 1] weten bijna bij [medeverdachte 1] te zijn en dat hij een bakkie komt doen. Op 9 februari 2011 spreken verdachte en [medeverdachte 1] wederom met elkaar. Tijdens dit gesprek laat verdachte weten de volgende dag een kratje bier voor [medeverdachte 1] te regelen en ook op 13 februari 2011 kondigt verdachte aan bij [medeverdachte 1] langs te komen om een koppie koffie te drinken. Op 17 februari 2011 voeren verdachte en [medeverdachte 1] een opvallend telefoongesprek. Verdachte vraagt [medeverdachte 1] of ‘we het nog wel redden met de biertjes’. [medeverdachte 1] antwoordt hierop dat ‘hij [een derde] nu deze kant op komt omdat hij denkt dat het niet helemaal goed gaat’. Kennelijk is verdachte hier enigszins verbolgen over, want hij noemt de derde een zeikerd. Daarop antwoordt [medeverdachte 1] dat de derde denkt dat ‘het twee soorten zijn’. Verdachte kondigt aan langs te zullen komen.

Verdachte is gedurende het onderzoek geobserveerd door een observatieteam. Door dit team is waargenomen dat verdachte op 25 januari 2011 het adres [adres 1] in Purmerend bezoekt en bij die gelegenheid in het bezit is van een donkere plastic zak. Voorts blijkt uit de observatie van verdachte van 18 februari 2011 dat verdachte die dag op voornoemd adres is geweest. Ook bij deze observatie wordt gezien dat verdachte een donkere plastic zak bij zich had.

In de periode rond dit bezoek, tussen 10 februari 2011 en 28 februari 2011, is verdachte verscheidene malen op het [adres 1] geweest. Dit komt naar voren uit de gegevens die verkregen zijn middels een peilbaken dat gedurende deze periode onder de auto van verdachte geplaatst is geweest en vindt bevestiging in bevindingen van andere observaties van verdachte.

Onderzoek heeft uitgewezen dat op het adres [adres 1] in Purmerend [medeverdachte 1] staat ingeschreven en daar woonachtig is. Wanneer agenten op 17 februari 2011 een kijkje nemen bij deze woning zien zij onder meer geblindeerde ramen op de eerste verdieping. De combinatie van voornoemde bevindingen is aanleiding om op 28 februari 2011 binnen te treden op voornoemd adres. Bij die gelegenheid treffen agenten op de eerste verdieping een volledig in werking zijnde hennepkwekerij aan bestaande uit 56 hennepplanten en 743 hennepstekken.

De telefoongesprekken met versluierd taalgebruik die verdachte met [medeverdachte 1] voert en de vele bezoeken die verdachte aan voornoemd adres heeft gebracht, zijn op zichzelf al sterke aanwijzingen van de betrokkenheid van verdachte bij deze hennepkwekerij. Dat dit ook daadwerkelijk zo is, blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] waarin hij uitleg geeft over de rol van verdachte en de telefoongesprekken die zij voeren. [medeverdachte 1] bekent dat de kwekerij van hem is. Voorts herkent [medeverdachte 1] verdachte op een foto als de persoon die wel eens bij hem thuis kwam. De gesprekken over biertjes gingen over kloontjes (de rechtbank begrijpt: hennepstekjes) die verdachte bij hem bestelde, aldus [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft de kwekerij zelf opgezet maar verdachte heeft hier wel controle op gehad. Deze controle bestond er uit dat verdachte heeft bekeken of de kwekerij goed was neergezet, dat hij de afzuiginstallatie heeft veranderd en de elektra heeft nagekeken.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, leidt tot het oordeel van de rechtbank dat verdachte behulpzaam is geweest bij het opzetten van de hennepkwekerij.

[adres 2] Sneek

Tussen 25 januari 2011 en 28 januari 2011 heeft medeverdachte diverse telefonische contacten met een telefoonnummer waarvan is vastgesteld dat dit nummer toebehoort aan Diana [medeverdachte 2] alsmede met verdachte. Zo belt [medeverdachte] op 25 januari 2011 met verdachte waarbij verdachte aan [medeverdachte] laat weten dat hij net een sms’je van haar heeft gekregen voor donderdag en dat ze een nieuwe filter nodig heeft voor de wasemkap. Hierop antwoordt [mobiel nummer] dat hij denkt dat ze een doek bedoelt waarna beiden overleggen over de grootte daarvan. In een sms-bericht van 25 januari 2011 van [medeverdachte 2] aan verdachte stelt zij voor om donderdag ‘een bakkie te komen doen’. De volgende dag belt [medeverdachte 2] naar verdachte en zij spreken af dat [medeverdachte 2] de dag daarna bij verdachte langs zal komen. Op 27 januari 2011 observeren verbalisanten de woning van verdachte. Bij deze observatie nemen zij waar dat een zwarte Renault Megane, bestuurd door een vrouw, op de [adres] wordt geparkeerd. De bestuurster loopt vervolgens naar de woning van verdachte, gaat de woning binnen en verlaat de woning met een voorwerp in haar handen. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 2] een zwarte Renault Megane op haar naam heeft staan.

Op 28 januari 2011 bellen [medeverdachte] en verdachte met elkaar. Verdachte laat weten dat het vriendinnetje van [medeverdachte] de vorige dag is langsgekomen en dat hij haar heeft uitgelegd hoe ze het moest doen. Hierop zegt [medeverdachte] dat hij wil dat het nu een keer goed gaat.

Vervolgens vinden er tussen 14 april 2011 en 27 april 2011 verschillende telefonische contacten plaats tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte]. Zo bellen [medeverdachte 2] en [medeverdachte] op 14 april 2011 met elkaar. Tijdens dit gesprek laat [medeverdachte 2] weten dat zij koffie wil komen drinken waarop [medeverdachte] vraagt: ‘oh, was het alweer zover?’ en ‘was het wat?’. [medeverdachte 2] laat hierop weten dat het tegenviel waarop verdachte zich hardop afvraagt hoe dit iedere keer kan. Uit telefonische contacten in deze periode die [medeverdachte] heeft met een persoon die ‘die Turk’ wordt genoemd, blijkt dat ‘die Turk’ op 18 april 2011 langskomt. Na het bezoek van ‘die Turk’ aan [medeverdachte] sms’t [medeverdachte] naar [medeverdachte 2] de tekst ‘Sjors en Sjimmie zijn hun namen ze waren zo licht omdat ze 2 weken te vroeg zijn geboren dat wou ik je ff laten weten (…)’. [medeverdachte] heeft bij zijn verhoor bij de politie aangegeven dat hij [medeverdachte 2] heeft geholpen bij de verkoop van de door haar geteelde hennep.

Naar aanleiding van de telefoongesprekken is het vermoeden ontstaan dat op het adres [adres 2] in Sneek een hennepkwekerij aanwezig is. Op 12 mei 2011 wordt op dit adres binnengetreden. In een schuur behorend bij de woning is een volledig ingerichte maar niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen alsmede hennepresten.

In de woning wordt door de fraudespecialist van aangever Liander vastgesteld dat sprake is van diefstal van elektriciteit. Geconstateerd wordt dat de stroom door middel van een extra aansluiting voor de elektriciteitsmeter werd omgeleid, dat de zegels van de hoofdaansluiting waren verbroken en in de plaats daarvan een ander zegel was aangebracht. Daarnaast blijkt de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie gewijzigd van één maal 25 ampère naar drie maal 25 ampère. Dat verdachte en zijn medeverdachte betrokken zijn bij het opbouwen van de kwekerij en het omleiden van de elektriciteit volgt uit de verklaring van [medeverdachte 2]. Zo verklaart zij dat [medeverdachte] voor haar tussenpersoon is en dat hij tips geeft. Bovendien is hij tijdens de opbouw wel eens in de kwekerij geweest waarbij hij gereedschap bij zich had maar zij weet niet precies wat hij daar gedaan heeft. Tevens is [medeverdachte] tijdens de opbouw van de kwekerij in de meterkast geweest. Ook verdachte is tijdens de opbouw in de kwekerij geweest en zij heeft bij hem hennepstekken gekocht. Het sms-bericht dat zij aan verdachte stuurt en waarin zij om een filter vraagt heeft volgens [medeverdachte 2] betrekking op een koolstoffilter. De tekst ‘bakkie doen’ slaat op een bestelling van hennepstekken. Tot slot verklaart [medeverdachte 2] dat verdachte en medeverdachte het elektradeel voor de schuur waarin de kwekerij zich bevond op zich hebben genomen. [medeverdachte] heeft toegegeven dat hij voor [medeverdachte 2] de lampen en de filtersystemen heeft opgehangen.

Namens Liander is aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit. Uit deze aangifte komt naar voren dat door manipulatie van de elektriciteitsmeter de afgenomen energie ten behoeve van de kwekerij niet via de meter werd geregistreerd. Voorts is vastgesteld dat sprake was van een handelwijze waarbij niet is voldaan aan de NEN1010 norm, welke de minimale vereisten voorschrijft waar een elektrische installatie aan moet voldoen. In een aanvullend proces-verbaal is door de fraudespecialist verklaard dat de gevaarzetting op dit adres is gelegen in het feit dat zwaardere hoofdzekeringen in de aansluitkast zijn geplaatst, waardoor het net overbelast kan raken omdat meer stroom gevraagd wordt dan geleverd kan worden. Gevolg hiervan kan zijn dat een bepaald gebied zonder stroom komt te zitten en dat het voedingspunt overbelast raakt.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte en zijn medeverdachte behulpzaam zijn geweest bij het opzetten van deze hennepkwekerij alsmede bij de diefstal van elektriciteit waardoor een elektriciteitswerk is beschadigd en gemeen gevaar voor goederen is ontstaan.

[adres 2] Zaandam

Tussen 28 februari 2011 en 1 maart 2011 heeft verdachte telefonische contacten met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [eigenaar telefoonnummer (hierna: [eigenaar telefoonnummer]). Tijdens het telefoongesprek op 28 februari 2011 informeert [eigenaar telefoonnummer] of verdachte nog wel eens klusjes doet. Verdachte laat hierop weten nog wel klusjes te doen en momenteel ook tijd te hebben. [eigenaar telefoonnummer] zegt hierop tegen verdachte dat hij zal regelen dat die personen met verdachte in contact komen. Op 1 maart 2011 belt [eigenaar telefoonnummer] opnieuw naar verdachte bij welke gelegenheid hij verdachte verzoekt te bellen met “[naam]” wiens telefoonnummer [eigenaar telefoonnummer] aan verdachte noemt. Kort hierop belt verdachte het door [eigenaar telefoonnummer] genoemde telefoonnummer. Nadat verdachte zich heeft voorgesteld als vriend van [eigenaar telefoonnummer] vraagt deze “[naam]” of verdachte tijd heeft bij hem in Zaandam te komen kijken. Verdachte en “[naam]” maken hiervoor een afspraak voor dezelfde dag bij ‘[adres]’ in Zaandam.

Een observatieteam neemt waar dat op 1 maart 2011 verdachte in Zaandam contact maakt met de bestuurder van een bestelauto van het merk Mercedes met het kenteken [kenteken]. Gezien wordt dat zij hierna gezamenlijk naar de [adres 2] in Zaandam rijden en bij perceel 8 naar binnen gaan. Genoemde Mercedes blijkt op naam te staan van [medeverdachte 3], de broer van [medeverdachte 3].

Tussen 23 maart 2011 en 4 april 2011 heeft verdachte wederom telefonische contacten met “[naam]”, die zichzelf “[naam]” noemt. Zo vraagt “[naam]” aan verdachte op 23 maart 2011 of verdachte tijd heeft om stopcontactjes aan te sluiten waarop verdachte antwoordt dat dit wel zal lukken. Op 29 maart 2011 belt “[naam]”, nu met een ander telefoonnummer, naar verdachte met de mededeling dat hij nog wacht op enkele spullen. Verdachte zegt “[naam]” dat hij ‘een stukkie snoer heeft geregeld en dat dat kastje helemaal compleet is’. Uit een telefoongesprek dat beiden op 4 april 2011 voeren, blijkt dat zij een afspraak maken voor die dag. Deze afspraak is door een observatieteam waargenomen en gezien wordt dat verdachte instapt in een bestelauto waarvan het kenteken op naam staat van [ex-partner medeverdachte 3], de (ex)partner van [medeverdachte 3] met wie hij kinderen heeft. Opnieuw gaat verdachte met de bestuurder van de bestelauto naar de [adres 2] in Zaandam waarbij verdachte bij het binnengaan een gereedschapkist met zich voert en een boodschappentas.

Op 4 mei 2011 wordt door de politie binnengetreden op voornoemd adres. Bij die gelegenheid treffen zij in het bedrijfspand een hennepkwekerij aan bestaande uit 1740 hennepplanten. Naast het aantreffen van deze kwekerij wordt door de fraudespecialist van Liander geconstateerd dat de zegels van de hoofdaansluitkast verbroken waren nu niet de originele zegels aanwezig waren. Wanneer deze zegels verbroken zijn, worden deze na het afsluiten van de huisaansluitkast vervangen door rotasealzegels voorzien van een uniek nummer waarbij na het torderen van deze zegels een uniek zegeltangnummer op het zegel komt te staan. Door de fraudespecialist wordt voorts vastgesteld dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting is gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepkwekerij loopt en deze van energie voorziet. Naar aanleiding hiervan is door Liander aangifte gedaan van diefstal van energie. Daarnaast constateert de fraudespecialist dat de hoofdbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie verzwaard is. In plaats van 1x 35 ampère was een hoofdzekering van 3x 63 ampère geplaatst waardoor niet de juiste tarieven berekend konden worden. Deze handelwijze maakt dat niet langer voldaan is aan de NEN1010 norm waar een elektrische installatie minimaal aan moet voldoen om de veiligheid te waarborgen. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de kwekerij niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd.

[medeverdachte 3] heeft in zijn verhoor bij de politie aangegeven betrokken te zijn geweest bij het inrichten als hennepkwekerij van het pand aan de [adres 2]. Tevens heeft [medeverdachte 3] verklaard zich niet met de elektriciteit te hebben bemoeid. Wanneer [medeverdachte 3] een foto van verdachte wordt getoond, herkent hij deze als de elektricien met wie hij via [eigenaar telefoonnummer] in contact is gekomen, die hij bij [adres] heeft opgehaald en die zelfstandig in het pand aan het werk is geweest. In zijn nadere verhoor verklaart [medeverdachte 3] over het werk dat verdachte in het pand heeft verricht. [medeverdachte 3] verklaart dat hij zelf de lampen heeft opgehangen en de eenvoudige elektrische handelingen heeft verricht maar dat hij via [eigenaar telefoonnummer] contact heeft gekregen met een elektriciteitsman en dat hij niet met andere mensen die verstand van elektriciteit hebben contact heeft gehad of in het pand is geweest.

Op basis van voorgaande feiten en omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien kan het niet anders dan dat het verdachte is geweest die op voornoemd adres ten behoeve van de hennepkwekerij de elektriciteit heeft gemanipuleerd. Bij deze oordeelsvorming heeft de rechtbank tevens betrokken dat verdachte heeft nagelaten enige aannemelijk verklaring af te leggen over zijn contacten met [medeverdachte 3] en dat op voornoemd adres een zegelafdruk is aangetroffen met aan de ene zijde ENW en op de andere E848E, welk zegelafdruk ook is aangetroffen op andere adressen waar hennepkwekerijen zijn gevonden waar verdachte bij betrokken is geweest.

[adres 4] Purmerend

Naar aanleiding van de verdenking die tegen verdachte begin 2011 is ontstaan, wordt verdachte door een observatieteam van de politie geobserveerd. Bij gelegenheid van een observatie op 2 maart 2011 bij de woning van verdachte wordt gezien dat de bestuurder van een voertuig met kenteken [KENTEKEN 2] een bezoek aan verdachte brengt. Het observatieteam neemt waar dat verdachte en deze onbekende persoon dozen uit de auto van verdachte in voornoemd voertuig overladen. De onbekende bestuurder rijdt vervolgens met het voertuig naar het adres [adres 4] in Purmerend en aldaar brengt hij de dozen naar binnen in de woning op huisnummer 5 of 7. Onderzoek wijst uit dat het kenteken van dit voertuig op naam staat van [te naam gestelde auto]. In verband met het lopende onderzoek naar verdachte is een peilbaken onder zijn auto geplaatst. Uit gegevens die hieruit naar voren komen, blijkt dat de auto van verdachte tussen 1 februari 2011 en 17 april 2011 verscheidene malen op de [adres 4] of de directe omgeving daarvan is geweest.

Tussen 28 maart 2011 en 15 april 2011 heeft verdachte verschillende telefonische contacten met de gebruikers, een man en een vrouw, van het telefoonnummer [mobiel nummer 2]. Op 28 maart 2011 laat verdachte aan een gebruiker van dit telefoonnummer weten dat hij voor de deur staat en op 5 april 2011 zegt verdachte tegen de gebruiker van het telefoonnummer dat hij een film wil komen kijken. Uit telefoongesprekken die verdachte met een gebruiker van dit telefoonnummer op 11 april 2011 voert, blijkt dat hij die dag om een uur of acht langs zal komen om de verwarming te repareren. Gezien de gegevens afkomstig van het peilbaken onder de auto van verdachte kan het niet anders dan dat verdachte naar de [adres 4] gaat, alwaar zijn auto in de directe omgeving rond acht uur heeft gestaan. Ook uit gesprekken die op 15 april 2011 worden gevoerd, blijkt dat verdachte die dag langs zal komen , hetgeen overeenstemt met het gegeven afkomstig van het peilbaken, dat de auto van verdachte die avond op de [adres 4] stond.

Een observatieteam van de politie neemt op 6 april 2011 waar dat hetzelfde voertuig als op 2 maart 2011, met dezelfde bestuurder, ook die dag de woning van verdachte bezoekt. Uit onderzoek is naar voren gekomen dat op 24 maart 2011 verdachte twee maal wordt gebeld door de gebruiker van een telefoonnummer dat op naam staat van [medeverdachte 4], wonende op de [adres 4] in Purmerend. Nu van deze [medeverdachte 4] antecedenten bij de politie bekend zijn, is bij de politie een foto van hem beschikbaar. Op basis van foto’s van het observatieteam wordt deze [medeverdachte 4] herkend als de bestuurder van het voertuig met kenteken [KENTEKEN 2], met welk voertuig op 2 maart 2011 en 6 april 2011 de woning van verdachte wordt bezocht.

Op basis van de bevindingen in het onderzoek wordt op 19 april 2011 binnengetreden op het adres [adres 4] in Purmerend. Op de zolder van de woning worden twee volledig in werking zijnde hennepkwekerijen aangetroffen bestaande uit in totaal 55 hennepstekken en 220 hennepplanten. Hoewel door de fraudespecialist van Liander wordt geconcludeerd dat geen elektriciteit wordt gestolen, neemt hij wel waar dat de hoofdzekeringen zijn verzwaard van 3x 25 ampère naar 1x 35 en 2x 25 ampère. Hierdoor voldoet de installatie niet aan de NEN1010 norm. Voorts is in de groepenkast van de meterkast een eindgroep verzwaard van 16 ampère naar 25 ampère. Nu de bedrading was uitgevoerd met 3x 2,5 mm is dit een brandgevaarlijke situatie. Op de elektriciteitsmeter is een zegel aangetroffen met aan de ene zijde de letters ENW en op de andere E848E. Deze unieke zegelnummers zijn ook gevonden op andere adressen waar hennepkwekerijen zijn aangetroffen waar verdachte betrokken bij is geweest.

Verdachte verklaart heel weinig, een enkele keer, contact te hebben met [medeverdachte 4] en/of diens relatie [te naam gestelde auto]. De rechtbank constateert dat deze verklaring niet overeen komt met de gegevens verkregen uit de observaties en de bakengegevens.

Aan verdachte worden foto’s getoond die zijn gemaakt door het observatieteam op woensdag 2 maart 2011 waarbij wordt waargenomen dat er zes tot acht dozen vanuit de personenauto van verdachte in de personenauto van [medeverdachte 4] geplaatst zijn. De verdachte geeft daarvoor de verklaring dat er misschien wel oude kleding in deze dozen heeft gezeten. De rechtbank acht deze verklaring in het licht van het bovenstaande onaannemelijk.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij in de zomer van 2010 de stadsverwarmingsketel op dit adres heeft gerepareerd , terwijl [te naam gestelde auto] aangeeft dat verdachte geen werkzaamheden heeft verricht in de woning van ([medeverdachte 4], rb).

Hetgeen hiervoor is overwogen in onderling verband en samenhang bezien en mede gelet op de overige bewezenverklaarde feiten, maakt dat geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat verdachte behulpzaam is geweest bij het opzetten van deze hennepkwekerij.

[adres 5] Lisserbroek

Uit onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte op 16 maart 2011 aan de gebruiker van een telefoonnummer, waarvan is gebleken dat dit op naam staat van [medeverdachte 6], zegt dat ‘ze morgen om 10.00 uur de keuken komen plaatsen’. Naar aanleiding van dit bericht wordt verdachte op 17 maart 2011 door een observatieteam geobserveerd. Tijdens de observatie wordt gezien dat verdachte die ochtend wordt opgehaald door een man die rijdt in een voertuig met kenteken [kenteken 3], op naam van [te naam gestelde kenteken 3] , en dat zij gezamenlijk naar het adres [adres 5] in Lisserbroek rijden en daar houten raggels naar binnen dragen. Op dit adres staat [medeverdachte 5] ingeschreven.

Verdachte heeft ook tussen 30 maart 2011 en 12 april 2011 telefonische contacten met [medeverdachte 6] en [te naam gestelde kenteken 3]. Zo laat verdachte op 30 maart 2011 aan [medeverdachte 6] weten dat ze de volgende avond de boel komen afmonteren. De volgende dag neemt verdachte contact op met [te naam gestelde kenteken 3] met de vraag of hij er die avond is voor een klus bij ‘onze ouwe vriend’ waarop [te naam gestelde kenteken 3] later antwoordt met de mededeling dat hij die avond niet kan. Hierop neemt verdachte wederom contact met [medeverdachte 6] op en zegt hem dat hij maandag met zijn vriend langskomt. De volgende dag laat [te naam gestelde kenteken 3] weten dat maandagavond wat hem betreft goed is en op 3 april 2011 spreken zij over sleutelen, cement, keukenverbouwing en tegeltjes.

Op 16 april 2011 bellen verdachte en [te naam gestelde kenteken 3] wederom met elkaar. Tijdens dit gesprek zegt verdachte tegen [te naam gestelde kenteken 3] dat hij 130 liter stuc klaar heeft voor de afspraak op woensdag. Op 19 april 2011 laat verdachte aan [medeverdachte 6] weten dat ze de volgende dag komen tegelen. Tot slot stuurt verdachte op 29 april 2011 een sms-bericht naar [te naam gestelde kenteken 3] met de mededeling dat hij de tegels voor maandag besteld heeft en zij dus de badkamer kunnen afmaken.

Hoewel het er op lijkt dat verdachte samen met [te naam gestelde kenteken 3] druk doende is met het aanleggen van een keuken en het verbouwen van de badkamer, spreken zij in werkelijkheid in versluierd taalgebruik over het opzetten van een hennepkwekerij. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat zij in haar woning een hennepkwekerij had welke is opgezet door ([te naam gestelde kenteken 3], rb) en (verdachte, rb). Een half jaar eerder is zij met hen in contact gekomen waarna [verdachte] langs is gekomen om de woning te bekijken waarbij hij onder meer de zolder, de meterkast en de schuur heeft bekeken. Hierna is afgesproken dat de kwekerij op zolder zou komen en dat [verdachte] voor de spullen voor de kwekerij zou zorgen. De opbrengst van de kwekerij zou worden gedeeld waarna [medeverdachte 5] en [verdachte] de kwekerij op de zolder hebben opgebouwd. Op 5 mei 2011 zijn de plantjes door [verdachte] en [medeverdachte 5] gebracht en zijn deze op zolder gezet waarna [verdachte] de twee lampen heeft aangesloten, aldus [medeverdachte 5]. Ten slotte heeft zij ook verklaard dat het [verdachte] was die voor haar een prepaid telefoon regelde omdat dit volgens hem beter was. Door [medeverdachte 5] wordt verdachte op een foto herkend als [verdachte]. De verklaring van [medeverdachte 5] komt nagenoeg overeen met die van [medeverdachte 6].

Uit de vele afgeluisterde gesprekken wordt afgeleid dat verdachte en [te naam gestelde kenteken 3] in ieder geval op 12 april 2011 een afspraak hebben en wordt verdachte geobserveerd. Gezien wordt dat verdachte en [te naam gestelde kenteken 3] opnieuw naar de [adres 5] in Lisserbroek gaan. Op 9 mei 2011 wordt op dit adres binnengetreden. De politie treft in de woning een volledig in werking zijnde hennepkwekerij bestaande uit 133 hennepplanten aan. In de woning worden [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] aangehouden. Op de dag waarop de kwekerij wordt aangetroffen, ontvangt verdachte een sms-bericht met de tekst ‘we zijn gepakt’ van een telefoonnummer waarvan is vastgesteld dat dit op naam van [medeverdachte 5] staat. [medeverdachte 5] heeft bekend deze sms te hebben verzonden aan verdachte.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte betrokken is geweest bij het opbouwen van deze hennepkwekerij.

[adres 6] Ursem

In de periode tussen 20 januari 2011 en 2 februari 2011 vinden telefonische contacten plaats tussen verdachte en de gebruiker van een telefoonnummer dat vermoedelijk toebehoort aan [medeverdachte 8]. Op 20 januari 2011 ontvangt verdachte van dit telefoonnummer een sms-bericht waarin gevraagd wordt of zij kunnen afspreken omdat de afzender van het bericht advies nodig heeft. Vervolgens ontvangt verdachte op 31 januari 2011 een sms-bericht van dit zelfde telefoonnummer en wordt een afspraak gemaakt voor 2 februari 2011 om 19.00 uur bij de McDonald’s. Op 2 februari 2011 wordt verdachte door een observatieteam geobserveerd. Bij deze gelegenheid wordt waargenomen dat verdachte daadwerkelijk die dag een ontmoeting heeft om 19.06 uur met de onbekende bestuurder van een voertuig. Voorts wordt waargenomen dat verdachte achter dit voertuig aan rijdt naar het adres [adres 6] in Ursem. Door het observatieteam wordt gezien dat zich op dit perceel een bestelbus bevindt met het opschrift ‘[medeverdachte 8]’. Deze waarneming in samenhang bezien met de verklaring van [medeverdachte 8] dat hij naast zijn eigen telefoon gebruik maakte van een prepaid telefoon ten behoeve van de hennepkwekerij en zijn verklaring dat hij op 2 februari 2011 met verdachte naar de [adres 6] in Ursem is gereden, leidt tot de conclusie dat de telefonische contacten die verdachte heeft met [medeverdachte 8] zijn.

Tijdens de observatie van verdachte is waargenomen dat hij tot kort voor 21 uur die avond in de woning en schuur van voornoemd perceel is en om 20.57 uur vertrekt. Om 20.57.33 uur – dus vermoedelijk nog voor de deur van de [adres 6] in Ursem – die avond belt verdachte naar [medeverdachte]. Tijdens dit gesprek laat verdachte aan [medeverdachte] weten dat zij niet het aanstaande weekend maar het weekend erna een klusje hebben, waarop [medeverdachte] aangeeft dat prima te vinden. Vervolgens belt op 8 maart 2011 [medeverdachte 8] naar verdachte bij welke gelegenheid [medeverdachte 8] vraagt of hij het maatje van verdachte kan bellen om de boel te komen repareren. Verdachte antwoordt hierop dat hij de volgende dag met zijn vriend langs zal komen. De volgende dag, op 9 maart 2011, wordt verdachte samen met een persoon, welke persoon een paar uur eerder is gezien als bestuurder van een auto met een kenteken op naam van [medeverdachte] , door een observatieteam waargenomen op het adres [adres 6] in Ursem.

Naar aanleiding van bevindingen met een warmtebeeldcamera wordt op 10 mei 2011 binnengetreden op voornoemd adres. Bij die gelegenheid treffen verbalisanten in de schuur een hennepkwekerij aan bestaande uit 585 planten, waar op dat moment vier personen aan het knippen zijn. Door fraudespecialisten van Liander wordt geconstateerd dat de ijkschroeven van de elektriciteitsmeter beschadigd zijn, de ijkzegels niet origineel zijn en dat de stroomtoevoer ten behoeve van de kwekerij niet via de aansluitkast liep maar via een kabel die was aangesloten op de aansluitkabel in de straat. Naar aanleiding van deze bevindingen is door Liander aangifte gedaan van diefstal van stroom en wordt aangegeven dat de handelwijze met betrekking tot de elektrische installatie niet overeenkomstig de NEN1010 norm was waardoor gevaar voor goederen te duchten is geweest. Met betrekking tot de kwekerij en de stroom is door [medeverdachte 7] verklaard dat zij en haar man een hennepkwekerij in de schuur hadden en dat zij er voor gezorgd heeft dat een man van Liander/Nuon is gekomen die de stroomkabel heeft aangelegd die van de meterkast naar de schuur liep waar zij de hennep ging telen. Volgens [medeverdachte 7] is dit in februari 2011 gebeurd en is deze persoon ook eind februari of begin maart 2011 in de kwekerij geweest en heeft hij toen een dikke grijze kabel in de verdeelkast in de kwekerij aangesloten. Na het eerste bezoek van de man heeft zij gezien dat er gegraven was in de buurt van de voordeur van de woning en bij de ontmanteling van de kwekerij heeft zij gezien dat mensen van Liander op dezelfde plek aan het graven waren. Als de man van Liander/Nuon kwam, mocht ze niet thuis zijn. Ze heeft de man dus ook nooit gezien. Ook [medeverdachte 8] heeft een verklaring afgelegd. [medeverdachte 8] verklaart dat hij via de telefoon die hij speciaal voor deze kwekerij had, contact had met een persoon die het grote elektriciteitsnetwerk voor de kwekerij zou verzorgen. Voorts verklaart [medeverdachte 8] dat hij de hoofdstroomtoevoer voor de kwekerij heeft uitbesteed aan de man voor wie hij het prepaidtoestel had aangeschaft en dat de man twee keer bij hem thuis is geweest. Als [medeverdachte 8] geconfronteerd wordt met de observatie van woensdag 2 februari 2011, omstreeks 19.06 uur waarbij hem wordt voorgehouden dat dit een ontmoeting is geweest tussen hem en de man die vermoedelijk de hoofdstroomtoevoer ten behoeve van de kwekerij heeft aangelegd, verklaart hij dat dat klopt.

Gelet op de verklaringen van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] dat in februari/maart 2011 activiteiten hebben plaatsgevonden die betrekking hebben op de stroom van de hennepkwekerij, de tapgesprekken waaruit blijkt dat verdachte direct na zijn eerste bezoek op 2 februari 2011 zijn medeverdachte benadert voor een klus en de observatie waarbij gezien wordt dat zij in maart 2011 gezamenlijk naar de [adres 6] in Ursem gaan, in samenhang bezien met de contacten die verdachte met [medeverdachte 8] heeft en de verklaringen dat ten behoeve van de stroom voor de kwekerij werk is verricht door iemand van Liander/Nuon, alsmede de hiervoor aangehaalde verklaring van [medeverdachte 8] over de observatie van 2 februari 2011, kan geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat verdachte samen met [mobiel nummer] behulpzaam is geweest bij het regelen van de stroomvoorziening voor de hennepkwekerij en daarmee heeft meegeholpen aan de diefstal van elektriciteit en het beschadigen van een elektriciteitswerk, waardoor gevaar voor goederen is ontstaan.

[adres 7] Didam

Tussen 15 maart 2011 en 18 maart 2011 heeft [mobiel nummer] telefonische contacten met een persoon waarvan is vastgesteld dat deze is genaamd [medeverdachte 16]. Deze [medeverdachte 16] is verdachte geweest in een onderzoek naar een groot aantal hennepkwekerijen (onderzoek Colorado) en daarvoor op 27 april 2011 veroordeeld. Op 15 maart 2011 belt [medeverdachte 16] naar [medeverdachte] met de vraag of [medeverdachte] tijd heeft om 18 maart 2011 ergens te gaan kijken. Op 17 maart 2011 spreken zij af elkaar de volgende dag omstreeks 14.00 uur te ontmoeten. Op de dag van de afspraak ontmoeten zij elkaar, welke ontmoeting door een observatieteam wordt waargenomen. Door het observatieteam wordt gezien dat verdachte in Almere instapt in een auto en met de bestuurder van deze auto naar het adres [adres 7] in Didam rijdt. Aldaar wordt waargenomen dat [mobiel nummer] met een persoon een schuur achter de woning op dit adres binnengaat. Volgens de Gemeentelijke Basis Administratie is op dit adres [medeverdachte 9] woonachtig. Die avond belt verdachte naar [medeverdachte]. Op de vraag van verdachte of hij, [medeverdachte], nog bij zijn vriend is geweest, antwoordt [medeverdachte] dat hij daar geweest is en dat het een leuk dingetje is. Verdachte laat [medeverdachte] hierop weten dat zij dan samen wel even gaan knutselen. Bij zijn verhoor bij de politie verklaart [medeverdachte] dat hij inderdaad wel eens op voornoemde locatie is geweest.

Uit gegevens afkomstig van een baken dat onder de auto van verdachte is geplaatst, blijkt dat op 29 april 2011 dit voertuig in de vroege ochtend vanaf de woning van verdachte naar het adres rijdt waar [medeverdachte] woonachtig is. Voorts blijkt dat dit voertuig die dag langdurig stilstaat op de [adres 7] in Didam. Aan het einde van de ochtend rijdt het voertuig weer langs het adres van [medeverdachte] om die middag terug te zijn op het adres waar verdachte woont.

Op 17 mei 2011 wordt door de politie een hennepkwekerij bestaande uit 864 (jonge) planten aangetroffen in de schuur achter de woning op het adres [adres 7] in Didam. Door specialisten van Liander is onderzoek gedaan naar de stroomvoorziening van de kwekerij. Geconstateerd wordt dat op de toevoerleiding, voor de hoofdaansluitkast, een illegale drie fasen aansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de meter om naar de kwekerij liep en deze voorzag van elektriciteit. Bovendien blijkt dat de ijkschroeven op de meter beschadigd zijn en dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Voorts komt uit dit onderzoek naar voren dat de zekeringen verzwaard zijn van 3x 25 ampère naar 3x 35 ampère waardoor de juiste tarievenregeling niet kon worden toegepast. Door Liander is naar aanleiding van de bevindingen ter plaatse aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit. Daar komt bij dat de fraudespecialist heeft geconstateerd dat sprake was van een handelwijze waardoor niet langer is voldaan aan de NEN1010 norm waardoor gevaar voor goederen te duchten is geweest. Door de manipulatie werd de elektriciteit ten behoeve van de kwekerij niet geregistreerd.

De rechtbank komt gezien het bovenstaande, in samenhang bezien met de overige bewezenverklaarde feiten, tot de conclusie dat het verdachte en zijn medeverdachte [mobiel nummer] zijn geweest die de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij hebben verzorgd en daarmee hebben meegeholpen aan de diefstal van elektriciteit en het beschadigen van een elektriciteitswerk, waardoor gevaar voor goederen is ontstaan.

[adres 8] Hoorn

Op 5 en 6 april 2011 heeft verdachte telefonische contacten met de gebruiker van een telefoonnummer waarvan is vastgesteld dat [medeverdachte 10] de gebruiker is. Op 5 april spreken zij telefonisch af voor de volgende dag om 17.30 uur en dat verdachte door ‘Die Lange’ zal worden opgehaald. De volgende dag belt [medeverdachte] naar verdachte. [medeverdachte] zegt bij die gelegenheid tegen verdachte dat hij straks naar hem toe komt en dat hij, [medeverdachte], dat ‘doppendingetje’ meeneemt. Verdachte laat [medeverdachte] weten dat hij om 17.30 uur heeft afgesproken.

Op 6 april 2011 vindt een observatie plaats waarbij verdachte en [medeverdachte] worden geobserveerd. Uit deze observatie blijkt dat [medeverdachte] bij de woning van verdachte langsgaat. Na enige tijd komen zij beiden naar buiten en hebben dan een ‘soort meterkast’ bij zich welke zij in de auto van verdachte plaatsen. Hierna wordt waargenomen dat verdachte allerhande gereedschap en andere materialen uit een Liander busje haalt en in zijn auto legt. Hierna rijden [medeverdachte] en verdachte samen weg in deze auto. Op een parkeerplaats langs de A7 in Hoorn hebben zij vervolgens een ontmoeting met de bestuurder van een bestelauto. Door het observatieteam wordt waargenomen dat de goederen en de ‘meterkast’ uit de auto van verdachte worden gehaald en in de bestelbus worden gelegd waarna ook [medeverdachte] en verdachte in de bus stappen. Waargenomen wordt dat deze bus naar de [adres 8] in Hoorn rijdt en daar stopt ter hoogte van perceel 15.

Op 10 mei 2011 wordt in een verhuurd deel van een loods aan de [adres 8] in Hoorn een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met daarin 894 hennepplanten. In de kwekerij wordt voorts een meterkast aangetroffen die sterke gelijkenis vertoont met de kast die [medeverdachte] en verdachte op 6 april 2011 vervoerden en meenamen naar de [adres 8] in Hoorn. Vastgesteld is dat deze kast voorzien werd van stroom middels twee elektriciteitskabels welke op het hoofdnet voor de meter langs waren geplaatst en aldus op illegale wijze van stroom werd voorzien. Vanuit deze kast werd de hennepkwekerij op meerdere plaatsen voorzien van stroom. De verhuurder van de loods heeft verklaard dat een Marokkaanse man genaamd [naam] de loods kwam huren en dat deze [naam] verscheidene malen bij de loods is geweest waaronder een keer met iemand die bij NUON werkte.

Door de fraudespecialist van Liander is op deze locatie onderzoek gedaan. Uit dit onderzoek komt naar voren dat op de toevoerleiding voor de hoofdaansluitkast een illegale aansluiting was gemaakt, dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit. Er was daarbij sprake van een handelwijze waarbij niet voldaan werd aan de norm NEN 1010 zodat er gevaar voor goederen te duchten is geweest. Namens Liander is aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit nu door deze manipulatie van de elektriciteitsmeter het stroomverbruik niet werd geregistreerd. Door forensische onderzoekers is ter plaatse op 10 mei 2011 onderzoek naar sporen verricht. Daarbij werd onder meer geconcludeerd dat sprake was van een illegale aansluiting op de hoofdleiding, dat de energievoorziening voor de hennepplantage buiten de elektriciteitsmeter was omgeleid, dat de energievoorziening van de hennepplantage niet door middel van de hoofdschakelaar in de meterkast kon worden bediend en dat, als gevolg van de illegale aansluiting, de hennepplantage niet spanningsloos te maken was door middel van het bedienen van de hoofdschakelaar, waardoor gemeen gevaar voor goederen en personen is ontstaan.

De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat het verdachte en zijn medeverdachte zijn geweest die de elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij hebben verzorgd en daarmee hebben meegeholpen aan de diefstal van elektriciteit en het beschadigen van een elektriciteitswerk, waardoor gevaar voor goederen is ontstaan. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat hij een en ander heeft aangelegd ten behoeve van een hennepkwekerij, komt de rechtbank niet aannemelijk voor, mede gelet op de andere bewezen verklaarde feiten.

[adres 9] Abbekerk

Op 18 april 2011 wordt verdachte telefonisch benaderd door een vrouw met de vraag of hij iets voor haar kan vastmaken en dat het vlakbij Hoorn is. Verdachte geeft aan dit weekend niet te kunnen waarna zij afspreken hier later over te bellen. Op 26 april 2011 hebben verdachte en deze vrouw opnieuw telefonisch contact. Tijdens dit gesprek spreken zij om een uur of 7 af bij die hamburgertent bij het pompje. Die avond wordt door een observatieteam waargenomen dat verdachte vanaf zijn woning naar de McDonald’s in Hoorn rijdt en daar als passagier instapt in een auto met een kenteken op naam van [medeverdachte 7]. Gezien wordt dat zij samen naar het adres [adres 9] in Abbekerk rijden alwaar verdachte met een gereedschapkast naar binnen gaat. Op dit adres blijken [medeverdachte 12] en [medeverdachte 11] ingeschreven te staan.

Op 10 mei 2011 wordt binnengetreden op voornoemd adres alwaar een volledig in werking zijnde hennepkwekerij wordt aangetroffen bestaande uit 244 hennepplanten. Door de fraudespecialist van Liander is onderzoek gedaan naar de meterkast en de stroomtoevoer welke naar de hennepkwekerij loopt. Geconstateerd is dat de zegels bevestigd op de kap waarachter de hoofdzekeringen zitten, verwijderd zijn en vervangen door een oud, niet meer bij Liander in gebruik zijnd type. Na verwijdering hiervan blijkt dat de drie hoofdzekeringen die elk 25 ampère behoren te zijn nu 35 ampère zijn. Voorts wordt geconcludeerd dat de meterstand is teruggedraaid en dat door het plaatsen van een nieuwe groepenkast de stroomtoevoer naar de hennepkwekerij wordt verzorgd. Naar aanleiding van deze bevindingen is namens Liander aangifte gedaan van diefstal van elektriciteit. Uit deze aangifte komt voorts naar voren dat door deze handelwijze de juiste tarieven niet konden worden toegepast en dat niet langer voldaan werd aan de NEN1010 norm waardoor gevaar voor goederen te duchten was. Door het manipuleren van de elektriciteit werd de elektriciteit die ten behoeve van de kwekerij werd afgenomen, niet geregistreerd.

Het manipuleren van de meter wordt door de bewoner [medeverdachte 12] bevestigd. Hij geeft aan dat hij een contactpersoon had met wie is afgesproken dat er zoveel mogelijk planten geplaatst zouden worden in de woning en dat zij de opbrengst zouden delen. Met deze contactpersoon is afgesproken dat [medeverdachte 12] niet voor de kosten van de elektriciteit zou opdraaien omdat de meterstand zou worden teruggedraaid. [medeverdachte 12] geeft aan dat naast zijn meterkast een extra stoppenkast is gebouwd door een man die hij “ de elektricien” noemt, welke elektricien er voor gezorgd heeft dat er zwaardere zekeringen werden ingebouwd en dat de stroomkabel naar de kwekerij liep. [medeverdachte 12] verklaart tevens dat zijn contactpersoon en de elektricien eind april 2011 in zijn woning zijn geweest, dat zij samen met één auto kwamen en dat niemand anders dan deze elektricien aan de meter heeft gewerkt. Hij verklaart voorts dat uit het feit dat hij het woord “ zij” gebruikt als hij over deze contactpersoon spreekt, afgeleid mag worden dat deze contactpersoon een vrouw zou kunnen zijn. Deze verklaring van [medeverdachte 12] wordt in zoverre door [medeverdachte 7] bevestigd dat zij aangeeft wel eens met een klusjesman naar [medeverdachte 12] te zijn gegaan alsmede door de observatie van 26 april 2011.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat verdachte betrokken is geweest bij het opzetten van deze hennepkwekerij en ten behoeve daarvan de elektriciteit heeft gemanipuleerd.

[adres 10] Amsterdam

Tussen 28 april 2011 en 3 mei 2011 heeft medeverdachte verscheidene telefonische contacten met verdachte en met een telefoonnummer waarvan is vastgesteld dat dit op naam staat van [medeverdachte 15]. Uit afgeluisterde telefoongesprekken komt naar voren dat [medeverdachte 15] [medeverdachte] vraagt of hij die avond – 28 april 2011 – tijd heeft omdat ‘dat ene ding niet werkt’, waarna zij met elkaar afspreken dat [medeverdachte 15] [medeverdachte] die avond ophaalt. Die avond wordt door een observatieteam waargenomen dat bij de woning van [mobiel nummer] een man wordt opgehaald door een auto met kenteken [kenteken], welk kenteken op naam staat van [medeverdachte 15]. Gezien wordt dat beiden met dit voertuig naar het adres [adres 10] in Amsterdam rijden. Dat het daadwerkelijk [verdachte] is geweest die wordt opgehaald, wordt door [medeverdachte 15] verklaard.

Op 2 mei 2011 voeren verdachte en medeverdachte verschillende telefoongesprekken. Verdachte vraagt in een van die gesprekken naar het ‘etensbord’ dat hij van de week van [medeverdachte] heeft gekregen en informeert bij [medeverdachte] hoeveel ‘koppies’ daarop zaten omdat hij anders niet weet of hij genoeg heeft voor de mensen die komen eten. Vervolgens belt [medeverdachte] naar [medeverdachte 15] met de vraag hoeveel ‘kinderkopjes’ er op de marmeren plaat moeten waarop [medeverdachte 15] antwoordt dat dit er achttien zijn. Hierop laat [medeverdachte] aan verdachte weten: ‘18 jaar en zo geil als boter’. De volgende dag laat [medeverdachte] desgevraagd aan [medeverdachte 15] weten dat hij ‘dat ene’ nog gevraagd heeft en dat het eerdaags wel zal binnenkomen, waarop [medeverdachte 15] zegt als het gappie van [medeverdachte] klaar is, hij het zelf zal komen ophalen. Na dit gesprek belt [medeverdachte] naar verdachte bij welke gelegenheid [medeverdachte] vraagt of hij, verdachte, de kast wat eerder klaar kan hebben en [medeverdachte] zegt dat hij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 15]) hem zelf komt ophalen en neerzet. Hierop sms’t [medeverdachte] naar [medeverdachte 15] dat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) zijn best zal doen. Enige tijd later die dag belt verdachte naar [medeverdachte] en zegt dat hij (de rechtbank begrijpt: verdachte), het al af heeft en dat hij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 15]) hem morgen op kan halen. Als [medeverdachte] aangeeft dat verdachte hem ook morgenochtend bij [medeverdachte] “af kan gooien”, antwoordt verdachte dat hij dat niet wil omdat hij hem niet in die andere auto wil hebben. [medeverdachte] laat hierop aan [medeverdachte 15] weten dat hij hem kan halen. De volgende dag, 4 mei 2011, belt [medeverdachte 15] naar verdachte en zij spreken die middag af.

Op 10 mei 2011 wordt in het pand aan de [adres 10] 247-248 te Amsterdam een hennepkwekerij aangetroffen bestaande uit 525 hennepplanten. In de kwekerij is op het moment dat de politie binnentreedt [medeverdachte 15] aan het werk en tevens is [medeverdachte 14] in het pand aanwezig. In de kwekerij wordt door de politie een bord met daarop achttien voorschakelkasten, een groepenkast en timers aangetroffen. Iedere voorschakelkast bleek aangesloten op een assimilatielamp.

Naar aanleiding van het aantreffen van de hennepkwekerij is onderzoek gedaan in het pand. Bij dit onderzoek wordt vastgesteld dat de draaischijf van de elektriciteitsmeter stilstond terwijl de lampen in het pand wel brandden. Daarnaast is bij de elektriciteitsmeter een zegel aangetroffen met de opdruk 723L en GEB ADAM. Een zegeltang met hetzelfde unieke nummer is in de auto van medeverdachte [mobiel nummer] aangetroffen.

Deze bevindingen worden bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 15] die bij zijn verhoor aangeeft [mobiel nummer] te hebben gebeld naar aanleiding van een probleem met de elektriciteit in de kwekerij. [medeverdachte 15] heeft voorts bevestigd dat hij [mobiel nummer] heeft ingeschakeld omdat hij een schakelbord nodig had en dat hij deze bij verdachte heeft opgehaald. Op grond van het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat in de gesprekken over ‘etensbord’, ‘18 kinderkopjes’ en ‘18 jaar’, in versluierd taalgebruik wordt gesproken over het bord met achttien voorschakelkasten. Gelet op bovenstaande tapgesprekken in samenhang bezien met hetgeen aangetroffen is in het pand aan de [adres 10] kan het dan ook niet anders zijn dan dat verdachte behulpzaam is geweest bij het manipuleren van de elektriciteit van de kwekerij nu hij met zijn medeverdachte er voor gezorgd heeft dat het bord met de achttien voorschakelkasten werd geleverd ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van deze hennepkwekerij, zodat hij tevens behulpzaam is geweest bij het opzetten van de hennepkwekerij.

Voorts komt uit onderzoek van een fraudespecialist van Liander naar voren dat onder het deksel van de aansluitkast een illegale aansluiting was gemaakt, welke buiten de meter om naar de plantage liep en deze van elektriciteit voorzag. Geconstateerd wordt dat de hoofdzekering verzwaard was nu drie hoofdzekeringen van 35 ampère aanwezig waren, waar normaal drie hoofdzekeringen van 25 ampère behoren te zijn . Door deze handelwijze is sprake van diefstal van elektriciteit, aangezien de afname buiten de meter om liep, en is tevens niet voldaan aan de zogenaamde NEN1010-norm welke norm de minimale voorschriften geeft waar een elektrische installatie aan moet voldoen, waardoor gevaar voor goederen te duchten is geweest. Uit de toelichting hierop komt naar voren dat door het afsplitsen voor de hoofdbeveiliging bij overbelasting geen afschakeling plaatsvindt waardoor een verhoogd risico ontstaat op brand.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte met zijn medeverdachte behulpzaam is geweest bij het stelen van elektriciteit ten behoeve van de hennepkwekerij en elektriciteits¬werken heeft vernield.

De raadsvrouw heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen en een onafhankelijke deskundige te benoemen indien de rechtbank zou twijfelen aan de expertise van verdachte en medeverdachte om een verklaring af te leggen op het gebied van de technische kant van het elektriciteitswerk en de mogelijk daaraan gerelateerde gevaarzetting.

De rechtbank ziet hiertoe, gezien de zich in het dossier bevindende verklaring van fraudespecialist De Wit alsmede de bij de afzonderlijke zaken opgenomen verklaringen van de fraudespecialist(en) van Liander, geen aanleiding. Eén van de eisen van het Bouwbesluit is dat gebouwen, woningen en andere gebouwen (waaronder een hennepkwekerij, rechtbank) een technische installatie moeten hebben die aan de norm NEN 1010 voldoet. Deze NEN 1010 geeft de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen. Nu de in de hennepkwekerijen aangetroffen elektrische installaties niet aan deze norm voldeden, is daardoor voldoende komen vast te staan dat de veiligheid daardoor onvoldoende gewaarborgd werd zodat tenminste gemeen gevaar voor goederen aanwezig kan worden geacht. Voorts is het verzoek tot het benoemen van een deskundige onvoldoende onderbouwd, nu daaraan enkel de verklaring van verdachten ten grondslag is gelegd.

4.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

Feit 1:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]

en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en)

in de periode van 01 januari 2011 tot en met 17 mei 2011 te Purmerend en/of te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân en/of te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te Lisserbroek, gemeente Haarlemmermeer en/of te Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk,

gemeente Medemblik en/of te Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of

te Amsterdam,

(telkens) tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk geteeld en/of bewerkt en/of

verwerkt hebben

in panden, te weten:

de [adres 1] te Purmerend en/of

de [adres 2] te Sneek en/of

de [adres 3] te Zaandam en/of

de [adres 4] te Purmerend en/of

de [adres 5] te Lisserbroek en/of

de [adres 6] te Ursem en/of

de [adres 7] te Didam en/of

de [adres 8] te Hoorn en/of

de [adres 9] te Abbekerk en/of

de [adres 10] te Amsterdam,

een groot aantal hennepplanten en/of hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in de periode van 01 januari 2011 tot en met 17 mei 2011

te Purmerend en/of te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân en/of te Zaandam,

gemeente Zaanstad en/of te Lisserbroek, gemeente Haarlemmermeer en/of te

Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk, gemeente Medemblik en/of te

Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of te Amsterdam,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door met zijn mededader, althans alleen:

- het interieur van de kwekerijen op te bouwen en/of

- de voorziening van elektriciteit in genoemde panden voor de teelt/het kweken van hennepplanten aan te leggen en/of aan te passen (onder meer te verzwaren) en/of te manipuleren en/of

- goederen ter beschikking te stellen voor de voorziening van elektriciteit voor de teelt/het kweken van hennepplanten ( waaronder onder meer schakelborden en/of meterkasten) en/of

- goederen ter beschikking te stellen voor de teelt/het kweken van hennepplanten (waaronder onder meer koolstoffilters) en/of

- informatie/inlichtingen te geven omtrent de voorziening van elektriciteit voor de teelt/het kweken van hennepplanten en/of

- informatie/inlichtingen te geven omtrent de teelt/het kweken van hennepplanten en/of

- hennepstekken te verstrekken;

Feit 2:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en)

op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 oktober 2010 tot en met 17 mei 2011 te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân en/of te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk, gemeente Medemblik en/of te Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of te Amsterdam,

in de panden gelegen aan de [adres 2] te Sneek en/of de [adres 3] te Zaandam en/of de [adres 6] te Ursem en/of de [adres 7] te Didam en/of de [adres 8] te Hoorn en/of de [adres 9] te Abbekerk en/of de [adres 10] te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Liander N.V. en/of NUON,

waarbij die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 12] en/of S. [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meerdere onbekend gebleven perso(o)n(en) het weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking, immers heeft/hebben bovengenoemde personen:

-de originele zegels van de elektriciteitsmeter verwijderd en/of verbroken en/of

-(vervolgens) de werking van de meter gemanipuleerd en/of de meterstand gemanipuleerd en/of (vervolgens) (niet originele) zegels aangebracht en/of

-de aansluiting van de elektriciteit buiten de meter om aangelegd,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 23 oktober 2010 tot en met 17 mei

2011 te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân en/of te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te

Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk, gemeente Medemblik en/of te

Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of te Amsterdam

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, telkens opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of telkens opzettelijk behulpzaam is geweest door met zijn mededader, althans alleen:

- de originele zegels van de elektriciteitsmeter te verwijderen en/of te verbreken en/of

- de voorziening van elektriciteit buiten de meter om aan te leggen en/of aan

te passen en/of

- de elektriciteitsmeter te manipuleren (zoals onder meer terug draaien en/of verzwaren van die elektriciteitsmeter) en/of

- de meterkast weer te verzegelen (met niet originele zegels);

Feit 3:

hij in de periode van 01 januari 2011 tot en met 17 mei 2011 te Purmerend en/of te Sneek, gemeente Súdwest Fryslân en/of te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of te Ursem, gemeente Koggenland en/of te Abbekerk, gemeente Medemblik en/of te Didam, gemeente Montferland en/of te Hoorn en/of te Amsterdam

in de panden gelegen aan de [adres 2] te Sneek en/of de [adres 3] te Zaandam en/of de [adres 4] te Purmerend en/of de [adres 6] te Ursem en/of de [adres 7] te Didam en/of de [adres 8] te Hoorn en/of de [adres 9] te

Abbekerk en/of de [adres 10] te Amsterdam

tezamen en in vereniging met een ander

opzettelijk een elektriciteitswerk heeft beschadigd en/of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, door toen en aldaar met zijn mededader:

- de originele zegels van de elektriciteitsmeter te verwijderen en/of te verbreken en/of

- de hoofd en/of eindbeveiliging ten behoeve van de elektrische installatie te verzwaren

en/of

- buigzame leidingen die niet aan de vereiste lengte, verbinding en/of diameters voldoen aan te sluiten en/of

- een illegale elektriciteitsaansluiting voor de hoofdbeveiliging en/of na de hoofdbeveiliging en/of aan de aansluitkabel in de straat te maken,

waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was ;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: Medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 2: Medeplichtigheid aan diefstal in vereniging waarbij de dader het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

Feit 3: Medeplegen van het opzettelijk een elektriciteitsnetwerk beschadigen en een ten opzichte van een elektriciteitsnetwerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en de bespreking aldaar van het omtrent verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 31 januari 2012.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is met zijn mededader gedurende een aanzienlijke periode behulpzaam geweest bij het opzetten van een groot aantal hennepkwekerijen, waaronder enkele zeer grote. Door zijn werk als elektricien bij Liander was verdachte bij uitstek de persoon die het elektriciteitsnetwerk ten behoeve van deze hennepkwekerijen kon aansluiten en/of manipuleren.. Bovendien leverde verdachte met zijn mededader toebehoren voor deze kwekerijen en gaf hij tips en inlichtingen over het opzetten en in gebruik houden daarvan aan de eigenaren.

Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC. Met het kweken van hennep, alsook het voor de hennephandel essentiële bewerken of verwerken hiervan, worden grote illegale winsten behaald. Daarmee heeft de hennephandel een sterk corrumperende werking. Verdachte en zijn medeverdachten hebben met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s voor gebruikers uit louter winstbejag zich gedurende enige tijd op grote schaal schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij het opzetten van hennepkwekerijen waarvan de totale omvang vermoedelijk nog niet eens geheel achterhaald is kunnen worden.

Verdachte heeft met zijn mededader er voor gezorgd dat de eigenaren van deze kwekerijen elektriciteit konden afnemen die niet werd geregistreerd. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de diefstal daarvan. Verdachte en zijn mededader(s) waren gedurende deze periode op afroep beschikbaar om de originele zegels van de elektriciteitsmeter te verwijderen, de voorziening van de elektriciteit buiten de meter om te leggen en de meter te manipuleren of te verzwaren. De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij door deze handelwijze zijn werkgever ernstig heeft benadeeld en voorts zijn kennis en kunde die hij in zijn dienstbetrekking heeft opgedaan, heeft aangewend om dit mogelijk te maken. Daarbij heeft verdachte door de elektriciteitsmeters- en leidingen te manipuleren een situatie in het leven geroepen waardoor gemeen gevaar voor goederen is ontstaan bij de verschillende hennepkwekerijen, hetgeen de rechtbank verdachte, mede gelet op zijn functie waardoor hij zeer goed van deze gevaren op de hoogte moet zijn geweest, zwaar aanrekent.

Verdachte heeft ter terechtzitting geen spijt betuigd van zijn handelen en geen inzicht willen geven in zijn motieven. Hoewel het beroep op het zwijgrecht een recht is van de verdachte, geeft het er geen blijk van dat verdachte het laakbare van zijn handelen heeft willen inzien. Gezien de grote hoeveelheid kwekerijen waar verdachte bij betrokken was en de intensieve werkzaamheden die verdachte blijkens de vele telefoontaps hiervoor leverde, moet het ervoor gehouden worden dat slechts door zijn aanhouding verdachte is gestopt met het leveren van deze hand- en spandiensten, hetgeen de rechtbank verdachte eveneens aanrekent.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf in beginsel passend is bij de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en dat (mede) gelet op de persoon van verdachte een gevangenisstraf van langere duur op zijn plaats is. Nu verdachte echter ook van enkele feiten wordt vrijgesproken waarvan door de officier van justitie de bewezen verklaring is gevorderd, zal de straf die de rechtbank hem oplegt iets lager uitvallen dan door de officier van justitie is geëist.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een zak met zegeldoppen, een draad en een tang, vermeld onder de nummers 9 tot en met 11 op de beslaglijst van 3 februari 2012, dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende, zijnde Alliander NV.

9. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij Alliander NV heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.023,61 ingediend tegen verdachte wegens materië¬le schade die zij als gevolg van de onder de feiten 2 en 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2011. De gestelde schade bestaat uit een totaalbedrag van € 150,- voor de moffen die verdachte verduisterd zou hebben en een bedrag van € 2.873,61 voor de schade die is veroorzaakt als gevolg van de diefstal van elektriciteit op het adres [adres 7] in Didam.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 2.873,61 rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 2 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

Nu de rechtbank het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde niet bewezen heeft verklaard, zal de benadeelde partij voor de gestelde daaruit voortvloeiende schade niet in haar vordering worden ontvangen.

Voor zover de benadeelde partij nog meer heeft gevorderd, zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 2 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikel 36f, 47, 48, 57, 161bis, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 3 en 11 van de Opiumwet.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij Alliander NV geleden schade tot een bedrag van € 2.873,61 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening aan Alliander NV voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(en) is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroor¬deelt verdachte in de kosten door de benadeel¬de partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuit¬voerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer Alliander NV de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.873,61, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 38 (achtendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

(9) 1.00 STK Zak Diverse Kl: geel

Zegeldoppen plastic 93672

Plastic zakje met gele plastic zegeldoppen

(10) 1.00 STK Draad

93674

Zakje met aantal stalen draden ter verzegeling

(11) 1.00 STK Tang kl: zwart

Zegeltang 93670

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Daalmeijer, voorzitter,

mr. J.A.M. Jansen en J.H. Crijns, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. A. Keulers en mr. A.P. de Klerk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 februari 2012.

Mr. Crijns is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.