Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX0878

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
15/973002-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meervoudige strafkamer. Promisvonnis.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan de invoer en het vervoeren van twee partijen hasj van honderden kilo’s. Voorts is vastgesteld dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die grootschalige handel in hasj tot doel had. Verdachte had binnen deze organisatie een dominante en sturende rol. Verdachte heeft getracht met verwijzing naar de bevoorrading van zijn gedoogde coffeeshop aannemelijk te maken dat de onderschepte versluierde telefooncontacten onschuldig van aard waren, doch dit was niet het geval. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/973002-11

Uitspraakdatum: 22 juni 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 en 8 juni 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats/-land],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

(zaaksdossier B02)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2011 tot en met 28 april 2011 te Hoofddorp en/of te Amsterdam, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van in totaal ongeveer 1771,91 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid (van een materiaal bevattende) hasjisj, zijnde een middel als vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

Feit 2

(zaaksdossier B06)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juni 2011 tot en met 16 juni 2011 te Hoofddorp en/of Amsterdam, althans (elders) in Nederland en/of Spanje en/of Frankrijk en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van in totaal ongeveer 1700 kilogram, althans een (grote) hoeveelheid (van een materiaal bevattende) hasjisj, zijnde een middel als vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

Feit 3

(zaaksdossier B07)

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2011 tot en met 13 juli 2011 te Hoofddorp en/of Amsterdam en/of Gennep, althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit (onder meer) hem zelf, verdachte, [medeverdachte B] en/of [medeverdachte H] en/of een of meer andere perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Ter zitting heeft de raadsman de rechtbank verzocht een aantal getuigen te horen "teneinde te onderzoeken of sprake is van niet-ontvankelijkheid". Dit verzoek is afgewezen, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd en dat de rechtbank ambtshalve geen begin van onderbouwing of aanleiding zag -mede gelet op hetgeen de teamleider van het onderzoek Warnow, [teamleider], als getuige ter terechtzitting had verklaard- om te veronderstellen dat er sprake zou kunnen zijn van een zodanige schending dat die zou moeten leiden tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank verwerpt dan ook het in het kader van het hiervoor bedoelde verzoek door de verdediging gevoerde betoog dat sprake is geweest van een "politieke" zaak, waarbij doelbewust de verdenking naar de verdachte zou zijn "toegeschreven". Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in zijn vervolging.

3. Standpunt van de partijen

3.1. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.

3.2. Standpunt van de verdediging

Zoals hiervoor reeds is overwogen is ter zitting de teamleider van het onderzoek als getuige gehoord. Vervolgens heeft de verdediging een aantal onderzoekswensen gedaan, die zijn afgewezen. Daarop heeft de verdediging de rechtbank gewraakt. Nadat de wraking nog dezelfde dag was afgewezen is de zitting voortgezet teneinde een nieuwe datum voor de inhoudelijke behandeling te bepalen. De raadsman van verdachte en verdachte hebben op dat moment aangegeven geen vertrouwen meer in de rechtbank te hebben en verder af te zien van het voeren van verweer. De verdere behandeling van de zaak heeft om die reden buiten aanwezigheid van de verdediging plaatsgevonden.

4. Bewijs1

4.1. Aanleiding onderzoek

De start van het onderzoek Warnow is gevolgd op nadere beschouwing van restinformatie uit de onderzoeken Trol, Windhalm en Doomer. Hieruit kwam het vermoeden naar voren dat er in 2005 een grote partij hasj is ingevoerd, waarbij olijven als dekmantel zijn gebruikt. In het onderzoek Windhalm werd op 31 oktober 2006 de administratie van [Z] in beslag genomen. In de bij [Z] aangetroffen administratie werden notities gevonden met daarop onder meer de naam [bijnaam 1] en/of [bijnaam 2]. Deze notities hebben zeer vermoedelijk betrekking op de verdeling van 4000 eenheden hasj afkomstig uit de bovengenoemde partij hasj. Uit onderzoek naar deze notities is het vermoeden naar voren gekomen dat [bijnaam 1] en/of [bijnaam 2] bijnamen zijn van verdachte [verdachte]. Op meerdere notities stonden onder meer de namen [bijnaam 2] en [bijnaam 3] alsmede Coffeeshop [naam en adres]2. Uit het register van de Kamer van Koophandel is gebleken dat [verdachte] de eigenaar is van deze coffeeshop.

Een proces-verbaal van CIE-informatie van 10 maart 2011 bevat de volgende informatie: "Enige tijd geleden is in Nador een boot met hash gepakt. De lading hash behoorde aan [bijnaam 4] en [C] toe." Verder vermeldt dit proces-verbaal onder meer dat uit onderzoek is gebleken dat [bijnaam 4] is genaamd [verdachte]. 3

De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie op basis van deze feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien en nader omschreven in een proces-verbaal van identificatie4 - een redelijke verdenking jegens verdachte kon aannemen. Voor zover de raadsman van verdachte anders heeft willen betogen, verwerpt de rechtbank dat verweer. De rechter-commissaris heeft op 7 april 2011 derhalve op goede gronden een tapmachtiging af kunnen geven5.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Feit 1

Op 18 april 2011 om 23.19 uur krijgt [medeverdachte T] een sms van de gebruiker van een Belgisch telefoonnummer met de volgende tekst: "Hi poto im with my friend can you come in Antwerpen tomorow?" 6 De volgende dag belt [verdachte] naar [medeverdachte T] en vraagt hem of hij kan lunchen of niet. [medeverdachte T] begrijpt het niet en vraagt wat voor lunch verdachte bedoelt. Verdachte zegt: "een brood of broodje of.." [medeverdachte T] antwoordt dat hij pas morgen of overmorgen een brood in zijn hand heeft.7 [verdachte] heeft later verklaard dat met "brood" een normale kwaliteit hasj wordt bedoeld.8

In een aantal sms-berichten op 20 april 2011 spreken [medeverdachte T] en de gebruiker van het Belgische telefoonnummer 'morgen' om 20.00 uur op dezelfde plaats in Antwerpen af.9 Diezelfde avond spreken [verdachte] en [medeverdachte T] rond 22.40 uur af bij de brug bij de Rijnstraat.10 Ook de volgende ochtend rond 6.00 uur spreken [medeverdachte T] en [verdachte] met elkaar af. Kort daarop spreken zij met elkaar over een ontmoeting tussen [medeverdachte T] en een derde persoon op het Amstelstation.11 Op 21 april 2011 belt [medeverdachte T] om 17.48 uur naar [verdachte] en vertelt hem dat hij 'nu' naar België gaat, naar Antwerpen. [verdachte] merkt op dat hij graag was meegegaan, maar iets te doen heeft. [medeverdachte T] verwacht tussen 21.30 uur en 22.00 uur terug te zijn. Als [verdachte] vraagt: "hoe was dat meisje van gisteren, is het gelukt?", antwoordt [medeverdachte T]: "Ik heb haar niet goed gezien." [medeverdachte T] en [verdachte] besluiten het gesprek met te zeggen dat ze "samen" zijn, "één voor jou en één voor mij." 12 Op 22 april 2011 om 18.16 uur wordt [verdachte] gebeld door een derde; deze zegt dat het gaat om 'wat ik je de vorige keer heb gezegd. Over dat huis. Ze willen alleen borg. Dus als je iemand weet.' [verdachte] vraagt hem hoe die ook al weer heette, geantwoord wordt: 'Black'. [verdachte] besluit met de woorden: 'Dus het is een mooie meid'. 13 Op 28 april 2011 worden op de [adres 1 en 2] te Amsterdam espectievelijk 10 en 63 dozen met hasj in beslag genomen met de opdruk Black Gold.

De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] dat hij het in het gesprek met [medeverdachte T] op 21 april om 17.48 uur echt over een meisje heeft, niet aannemelijk. In werkelijkheid wordt er naar het oordeel van de rechtbank in versluierd taalgebruik gesproken over drugshandel. De rechtbank acht dit gesprek tussen [medeverdachte T] en [verdachte] van belang voor het bewijs. Naar het oordeel van de rechtbank kan het gesprek op niets anders duiden dan dat [medeverdachte T] en [verdachte] een gezamenlijk belang hebben bij wat [medeverdachte T] in België gaat doen.

In de uren na dat gesprek houdt [medeverdachte T] contact met de gebruiker van het Belgische nummer.14 Intussen ontvangt [medeverdachte T] om 20.54 uur een sms-bericht met de tekst: "Welkom in België.".15 Om 19.40 uur belt [medeverdachte T] naar iemand, die bij [medeverdachte T] informeert naar voedsel van een bepaalde klasse. [medeverdachte T] zegt dat hij 11 brood heeft, waarop Black Gold getekend staat.16 Om 22.35 uur die avond volgt er een gesprek tussen [medeverdachte T] en [verdachte] waarin [medeverdachte T] zegt: "Ik heb met hem gepraat.. Hij zei tegen mij om tien uur.." [medeverdachte T] lijkt boos omdat een persoon zijn telefoon niet opneemt. [verdachte] zegt: "Ik probeer gewoon een oplossing voor jou te vinden." [verdachte] belooft die persoon te bellen en zal daarna [medeverdachte T] bellen. Tijdens dit gesprek straalt de telefoon van [medeverdachte T] de zendmast in Strijbeek aan.17 Onmiddellijk daarna belt [medeverdachte T] naar [medeverdachte H] en zegt ook tegen hem dat ze tien uur aanhouden. [medeverdachte H] zegt "Oke". 18

De rechtbank acht ook deze gesprekken - in onderling verband en samenhang bezien - van belang voor het bewijs. [verdachte] heeft naar het oordeel van de rechtbank een sturende rol bij het leggen van de juiste contacten, daarbij lost [verdachte] een probleem in de communicatie op, die [medeverdachte T] met de derde in België lijkt te hebben. Het kan naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet anders dan dat [verdachte] betrokken is bij het transport van de volgende dag.

De volgende dag, op 22 april 2011, belt [medeverdachte T] al vroeg naar [medeverdachte H]. Deze bevestigt aan [medeverdachte T] dat ze om tien uur daar zijn. Ze spreken af om half negen te vertrekken.19 De telefoon van [medeverdachte T] straalt achtereenvolgens de telefoonmasten in Amsterdam, Breukelen, Bavel en Chaam aan. Chaam ligt tegen de grens tussen België en Nederland.20 Van 9.55 uur tot 10.56 uur worden geen gesprekken waargenomen. Om 11.01 uur ontvangt [medeverdachte T] wederom een sms-bericht met de tekst: "Welkom in Belgie.".21 De telefoon van [medeverdachte T] straalt achtereenvolgens de zendmasten Strijbeek (11.14 uur), Vianen (11.52 uur), Breukelen (12.08 uur) en Amsterdam Zuid Oost (12.17 uur) aan.22 Onderweg vraagt [medeverdachte T] aan [medeverdachte H]: "Kan [I] ons niet even helpen? Zodat we snel klaar zijn." [medeverdachte H] antwoordt hierop: "Ik denk dat er geen probleem is. Weet je, we zetten op de trap, snel..we doen de deur dicht en zetten de auto opzij. En dan kunnen we op ons gemak alles maken. We zetten 't alleen daar op de gang, de trap." 23 [medeverdachte H] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op het adres [adres 2] te Amsterdam woont en dat je, als je zijn huis binnenkomt, eerst de trap op moet.24 Om 12.10 uur diezelfde dag zegt [medeverdachte T] in een telefoongesprek tegen een onbekende vrouw: "Ik ben aan het rijden. Moest even buiten....waar ik gisteren was.".25

Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte T] op 21 april 2011 in België is geweest. Hij spreekt immers met een onbekend gebleven persoon in Antwerpen af en spreekt hierover ook met [verdachte]. Op 22 april 2011 zegt [medeverdachte T] tegen een onbekende vrouw dat hij op dezelfde plek is als waar hij gisteren was. De zendmastgegevens laten zien dat [medeverdachte T] in de ochtend van 22 april 2011 richting België rijdt. Bovendien krijgt hij, net als de dag ervoor, een sms met de tekst: "Welkom in België". Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van bovengenoemde redengevende feiten en omstandigheden vast dat [medeverdachte H] en [medeverdachte T] op 22 april 2011 een partij hasj in België hebben opgehaald en naar Nederland hebben gebracht.

[medeverdachte T] probeert later op de dag [verdachte] nog te bereiken, maar deze neemt zijn telefoon niet op.26 De dag erna belt [verdachte] naar [medeverdachte T] en de twee mannen spreken af in Oost bij het restaurant.27 Om 17.15 uur belt [verdachte] weer naar [medeverdachte T]. [medeverdachte T] zegt: "Ik heb die vriend van mij gebeld... Ik heb 'm gezegd van dat getal. Hij zei nee. Zij willen één en ik moet mijn deel betalen." [verdachte] stelt voor een gezamenlijke vriend te ontmoeten.28

Op 26 april 2011 belt [medeverdachte T] met een onbekend persoon en antwoordt op diens vraag of hij nog "brood" heeft: "Ja, ik heb brood. (..) Staat Black Gold op." Als de onbekende beller vervolgens vraagt hoeveel het momenteel kost, antwoordt [medeverdachte T]: "Je weet wel vriend uhh..Voor een beetje leveren uhhh...1050.".29 Een dag later belt [verdachte] naar [medeverdachte T] en zegt: "Je moet het gereed maken." Volgens [medeverdachte T] is het al gereed. De twee mannen spreken vervolgens af bij het kantoor van [verdachte].30 Tijdens een observatie wordt gezien dat ze elkaar inderdaad ontmoeten bij [locatie] te Amsterdam, een bedrijf dat op naam staat van [verdachte]. Aan het eind van de middag wordt [medeverdachte T] gezien bij zijn verblijfplaats, de woning aan de [adres 1] te Amsterdam. Ook wordt gezien dat [A], als bestuurder van een witte scooter met kenteken [kenteken], daar aankomt en naar binnen gaat.31 [medeverdachte T] heeft later op de dag enkele keren kort contact met een man die Spaans spreekt met een Italiaans accent.32

De volgende dag, op 28 april 2011 om 11.08 uur, bellen [medeverdachte T] en de man met het Italiaans accent. Ze spreken af om half vier. De hoeveelheid is: "zoals altijd 30, 30, 33, niks aan de hand.".33 Direct hierna belt [medeverdachte T] naar [medeverdachte H] en ze spreken af dat [medeverdachte T] langskomt bij [medeverdachte H]. [medeverdachte T] merkt op dat ze gewoon gereed moeten zijn.34 Om 13.30 uur belt [medeverdachte H] naar [medeverdachte T] en vraagt: "Moet ik het openmaken?" [medeverdachte T] laat weten dat hij het niet hoeft uit te pakken. "Je zou kunnen...4 daarvandaan pakken, maar dat is niet nodig", aldus [medeverdachte T].35 Om 14.47 uur spreken [medeverdachte T] en [medeverdachte H] af dat [medeverdachte T] hem over een half uurtje komt halen.36 Onmiddellijk daarna belt [medeverdachte T] naar de man met het Italiaanse accent en ze spreken af over 45 minuten "op de gewoonlijke plaats." 37 Vervolgens wordt gezien dat [medeverdachte T] in zijn Volkwagen Golf van de woning [adres 1] naar het Mercure Hotel aan de Joan Muyskenweg te Amsterdam rijdt.38 [medeverdachte T] vraagt om 16.02 uur aan [medeverdachte H] of hij richting het water komt.39 Direct hierna belt hij met de man met het Italiaans accent en zegt: "Maar je hebt wel hulp nodig he, want het zijn 40 schoenen, begrijp je?" 40 Om 16.23 uur maakt [medeverdachte T] contact met de inzittenden van een Duitse Mercedes. Na een heel korte ontmoeting in de auto van [medeverdachte T] rijden de mannen weer weg in hun eigen auto.41 Om 17.05 uur is [medeverdachte T] met zijn Volkswagen Golf terug in de [adres 1].42 Tien minuten later dirigeert hij [A] naar de dichtstbijzijnde McDonald's.43 Ondertussen heeft [medeverdachte T] voortdurend contact met de man met het Italiaanse accent. Ook wordt [medeverdachte T] om 16.51 uur gebeld door [verdachte]. [verdachte] vraagt: "Datgene waar ik jou om vroeg gisteren. Heb jij dat klaargelegd voor mij?" [medeverdachte T] laat weten dat [verdachte] nog even moet wachten.44 Om 17.30 uur rijdt een persoon op de witte scooter van [A] samen met de Mercedes en de Golf van [medeverdachte T] richting de Joan Muyskenweg. Als de auto's stoppen rijdt de scooter rondjes. Even later rijdt de Mercedes weg.45 De scooter en de Golf rijden terug naar de [adres 1]. Om 18.00 uur laadt de bestuurder van de scooter ongeveer tien dozen uit een auto en draagt ze een woning in ter hoogte van perceel [huisnummer].46

Op 28 april 2011 om 19.10 uur valt de politie binnen in het pand [adres 1] te Amsterdam.47 In één van de kamers worden tien kartonnen dozen aangetroffen met daarin pakketten hasj. Later blijkt dat er in totaal 245,33 kilogram hasj in de dozen zit met de opdruk "Black Gold".48 [A] wordt in de woning aangetroffen en aangehouden.49 Nog geen kwartier later wordt [medeverdachte T] gebeld door een onbekende man die zegt: "De politie is bij oma thuis.".50 Onmiddellijk belt [medeverdachte T] naar [medeverdachte H] en laat hem weten: "Ik had datgene daarstraks daar neergelegd.".51 Een paar minuten later belt [medeverdachte T] nogmaals naar [medeverdachte H] en zegt: "Ga dat weghalen. Klaar en kijk niet om. Snel!".52 [medeverdachte T] belt om 20.31 uur ook naar [verdachte]. Er komt geen gesprek tot stand.53

Bij een doorzoeking op 28 april 2011 om 20.35 uur worden in de woning [adres 2] te Amsterdam nog eens 63 dozen gevonden. Later blijkt dat hier 1526,58 kilogram hasj in zit met de opdruk "Black Gold".54 [verdachte] wordt op 13 juli 2011 aangehouden.55

Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte T] en anderen bij de invoer in Nederland en het vervoer van de partij hasj -totaal 1771,91 kilogram- die bij twee zoekingen in de verschillende panden in de [adres 1] te Amsterdam is aangetroffen. De nauwe en bewuste samenwerking blijkt met name uit de aangehaalde telefoongesprekken vóór, tijdens en na het transport . Zoals hierna nog wordt overwogen bij feit 3 heeft [verdachte] een dominante en sturende rol op de achtergrond, waarbij hij zoveel mogelijk uit beeld blijft, terwijl anderen het werk doen. Dit oordeel vindt onder meer bevestiging in de hiervoor weergegeven gesprekken. Daaruit blijkt immers dat [verdachte] niet of nauwelijks bij de feitelijke uitvoering is betrokken, doch op de hoogte wordt gehouden en bij zwaarwegende omstandigheden of problemen direct wordt geïnformeerd en zonodig wordt gevraagd om zijn kennelijk invloedrijke bemoeienis aan te wenden om een probleem op te lossen.

Feit 2

Op 21 mei 2011 wordt [medeverdachte H] vanuit Marokko gebeld door [medeverdachte S]. [medeverdachte S] vraag of "de ster" goed loopt. Met "ster," "joodse" en "brood" wordt hasj bedoeld.56 Ze spreken over "steen" die beneden bij de buren zou liggen. [medeverdachte S] zegt:"het is helemaal in Tarragona" en "Het is daar voor 420 te krijgen." [medeverdachte H] vraagt vervolgens aan iemand op de achtergrond: "Heb je hier Joodse nodig?" [medeverdachte S] zegt dat hij het "daar voor 780 [heeft] gekregen." De twee mannen spreken af dat ze elkaar terugbellen.57 Op 27 mei 2011 voeren deze twee mannen weer een gesprek waarin [medeverdachte H] aan [medeverdachte S] vraagt: "kun je daar regelen waar ik vis kan halen" en [medeverdachte S] aangeeft dat zijn vriend het nog 'beneden' heeft en dat hij over twee of drie dagen bij hem is.58

Naar het oordeel van de rechtbank worden vraag en aanbod van hasj hier bij elkaar gebracht, meer in het bijzonder met betrekking tot een hoeveelheid hasj die in Tarragona, Spanje ('beneden') ligt opgeslagen. In volgende gesprekken worden details met betrekking tot het hasjtransport uitgewisseld.

Op 1 juni 2011 laat [medeverdachte S] aan [medeverdachte H] weten: "Je moet later even bij onze vriend gaan en laat hem de nummers voor je noteren en hij moet je vertellen wanneer die mensen naar beneden gaan." (..) "nummers, voor hoeveel ze dat gaan dragen en vraag wanneer ze gaan en bel mij (...) dan kan hij vertellen wanneer ze naar beneden gaan." [medeverdachte H] belooft naar hem toe te gaan.59 Vervolgens neemt [medeverdachte H] contact op met [verdachte], hij refereert aan een eerder telefoongesprek en [verdachte] belooft hem later terug te bellen.60

Later op de dag belt [medeverdachte H] weer met [medeverdachte S]. [medeverdachte H] zegt: "[verdachte] is met mij" en "Hij zei als ze willen zijn ze maandag daar." "Heb jullie daar 11/2 ?" vraagt [medeverdachte H], waarop [medeverdachte S] zegt: "er is 3 1/2 daar, ze nemen/ halen 1 en 700 of 2 deze keer, ze moeten heen en weer gaan." "Reken op 60 euro" zegt [medeverdachte H], en "die man moet ons het adres van het huis laten zien dan gaan we (...) om 7 uur 's ochtends naar hem toe."61

Op 4 juni 2011 belt [medeverdachte H] met [medeverdachte S]. Op de achtergrond zegt [verdachte] tegen [medeverdachte H]: "Deze moet tegen hem zeggen: 'Ik ben Ricardo'" en "Wanneer hij hem belt dan vraagt hij die andere: 'wie ben ik?' Dan moet hij tegen hem zeggen: 'jij bent Ricardo.' Dan weet hij pas dat hij het is, begrijp je?" [medeverdachte H] vraagt [medeverdachte S] of hij het gehoord heeft. [medeverdachte S] bevestigt dat.62

Er wordt ook gesproken over marktprijzen. [medeverdachte H] zegt tegen [medeverdachte S]: "de prijs van die troep [is] gekelderd." (..) "We zien wel wanneer wij het hiernaartoe hebben gebracht vriend. Dan gaan we praten met de eigenaar."63 [medeverdachte S] zegt tegen [medeverdachte H]: "dus jouw vriend zegt dat de joodse omlaag is gegaan (...) dat de Joodse 750 is. Ik heb net mijn vriend gebeld en vroeg of ze de prijs van Joodse hebben verlaagd (...) Hij zei van niet."64

Daarna volgt een aantal gesprekken tussen [medeverdachte S], een onbekend persoon met een Marokkaans telefoonnummer (NNman6245), [medeverdachte H] en [verdachte] over een contact dat maar niet tot stand wil komen. Op 5 juni 2011 zegt NNman6245 dat er nog niet is gebeld, waarop [medeverdachte S] zegt: "Nee, kijk, kijk, hij ... we hebben morgen met hun afgesproken,. Morgen gaat hij naar hun toe 1000 procent (...) Kijk degene die hem gaat bellen zal Ricardo zeggen."65 [medeverdachte S] zegt vervolgens tegen [medeverdachte H]: "Ik smeek je in de naam je ouders zeg dat ze hem moeten bellen. Hij zei dat als ze hem niet bellen hij niet weet of ze wel of niet morgen gaan."66 Op 6 juni 2011 is het contact nog steeds niet gelegd. [verdachte] zegt: "dit nummer moet het doen, het kan niet anders. Zeg tegen hem dat het nummer het wel doet en zij moeten ernaar bellen. (...) Het is onmogelijk dat het nummer het niet doet (...) Ik ga hem nu bellen."67 Even laten meldt [medeverdachte S] aan [medeverdachte H]: "Hij heeft mij net gebeld, hij zei tegen mij: 'jouw vrienden hebben hem gebeld."68

Er worden voorbereidingen getroffen om de ophanden zijnde zending in ontvangst te kunnen nemen: [medeverdachte B] zegt tegen [medeverdachte H] dat het noodzakelijk is om een heftruck te regelen69 maar volgens [medeverdachte S] is dat niet nodig: "Ze zijn bekwaam, ik weet hoe ze te werk gaan. Ze hebben alles, alles!" 70 Die avond laat [medeverdachte S] vanuit Marokko aan [medeverdachte H] weten dat het klaar is.71 Onmiddellijk belt [medeverdachte H] naar [verdachte] en bevestigt hem dat "het (...) klaar [is]." 72 [medeverdachte H] meldt dit ook aan [medeverdachte B]: "Klaar, ze hebben gebeld."73 Op 14 juni 2011 belt [medeverdachte S] met een Marokkaans telefoonnummer naar [medeverdachte H] en laat weten: "De jongens zijn vanochtend al vertrokken."74

Een dag later vraagt [medeverdachte S] of ze al zijn aangekomen. "Nog even" antwoordt [medeverdachte H]. Op de vraag hoeveel er is, antwoordt [medeverdachte S] "er is 1 en 700 daar."75 Op 16 juni 2011 belt [medeverdachte S] weer naar [medeverdachte H] en zegt: "Misschien kun je hem even vragen of ze gekomen zijn... het is vandaag de vierde dag" 76

Op 16 juni 2011 om 14.30 uur belt [medeverdachte H] in gezelschap van [medeverdachte B] naar het Marokkaanse telefoonnummer van [medeverdachte S] en zegt: "Oom Aziz, alles is perfect." (..) "We moeten alleen verhuizen." (..) "Vandaag 1 en morgen 1," zegt [medeverdachte B] op de achtergrond; "het moet in twee keer."77 [medeverdachte H] vraagt [medeverdachte S] wat te doen: "Moeten we iemand iets geven? (...) dan hebben we minder onkosten (...) als jij iemand hebt die 't kan laten verdwijnen, snel." "Nou wat je doet is,... schuif 't verder voor 740 een tientje minder dan op de markt en laat het los. En wij maken een deal onderling met onze boterham inbegrepen," antwoordt [medeverdachte S].78

Uit vorenstaande gesprekken maakt de rechtbank op dat het hasjtransport op 16 juni 2011 vanuit Spanje op de bestemde plaats in Nederland is aangekomen.

Enige tijd daarvoor had [medeverdachte S] het nummer van [medeverdachte H] aan een vriend gegeven, een vriend met 'nummer 19 op het eind.' [medeverdachte S] vraagt [medeverdachte H]: "Als hij naar jou toekomt haal dan een foto voor hem. En wanneer hij wat nodig heeft dan moet je het aan hem geven."79 Met een 'foto' wordt een monster van een partij verdovende middelen bedoeld.80 Daags daarna belt [medeverdachte H] naar telefoonnummer [(eindigend op ..9)] met NNman[-A], een persoon die zich voorstelt als [A], die vervolgens vraagt hoeveel er is van 'dat ene.' "Nog niets even wachten" zegt [medeverdachte H].81 Op 23 juni 2011 meldt [medeverdachte S] aan [medeverdachte H] dat er een jongen naar laatstgenoemde op weg is, "hij komt 2 meter ophalen."82 [medeverdachte H] en de eerder genoemde [A] spreken af om elkaar op 24 juni 2011 om half zes te ontmoeten bij [medeverdachte H]s winkel.83 Om 18.17 uur is Allan nog niet op de afgesproken plaats. "Hij is laat," zegt [medeverdachte S], "Ik heb hem net gesproken. Hij zei tegen mij als het niks wordt vandaag dan laat ik die blik daar dan kan hij rustig aan werken wat hij wil." [medeverdachte H] vindt het niet erg: "Die zaak van vijf, ehhh 225 heb ik hier die kan hij zo krijgen, direct (...) Hij moet alleen maar aankomen. "84 Om 19.04 uur ziet een observatieteam dat [medeverdachte H] als passagier instapt in een Volkswagen Caddy (kenteken [kenteken], eigendom van [A]85, hierna: de Volkswagen). Even later stapt hij me[A] een restaurant binnen. Om 19.40 uur stapt een derde man in de Volkswagen, rijdt ermee weg, en om 20.12 uur is de auto weer terug. Om 21.11 uur lopen [medeverdachte H] en [A] langs de auto.86 Tussen 20.30 uur en 22.00 uur belt [medeverdachte H] meerdere malen naar [medeverdachte B]. Er wordt echter niet opgenomen.87 [medeverdachte H] zegt vervolgens tegen [medeverdachte S]: "Die vervloekte, die de sleutels zou brengen, ik weet niet waar hij is, de auto staat daar hij heeft de plaats veranderd, ik weet niet of die rotzooi erin zit of niet, ik begrijp hem niet." 88 Later op de avond, om 22.29 uur, belt [B.A.] naar [verdachte] en zegt dat de eigenaar van de viswinkel hem graag wil spreken. [verdachte] vraagt of hij [medeverdachte H] bedoelt. [B.A] antwoordt bevestigend. [verdachte] vraagt hem door te geven dat hij in België is en dat hij "de consul" moet bellen.89 De consul is een bijnaam van [medeverdachte B].90 Om 22.38 uur belt [B.A.] nogmaals naar [verdachte] en vraagt hem het nummer van [medeverdachte B] te sturen. [verdachte] zegt dat hij hem zelf gaat bellen en dat [medeverdachte B] naar [medeverdachte H] toe zal komen.91 Om 22.51 uur geeft [medeverdachte S] aan [medeverdachte H] het volgende door: "Hij is in België. Hij heeft hem gebeld." 92 Om 23.40 uur belt [A] naar [medeverdachte S] en zegt: "Hij heeft nu pas de sleutels gebracht." 93

Op 24 juni 2011 neemt de politie de Volkswagen in beslag.94 In de Volkswagen worden vijf dozen met hasjblokken aangetroffen. De blokken zijn voorzien van een Davidster. Het brutogewicht bedraagt in totaal 233,1 kilogram.95 Uit onderzoek van het NFI blijkt dat het onderzochte materiaal hasjisj is.96

Bewijsoverweging

De rechtbank leidt uit hetgeen hiervoor is overwogen af dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid hasj binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en vervoerd. Het transport van Spanje naar Nederland heeft over de weg plaatsgevonden tussen 13 en 16 juni 2011. Het hasjtransport is niet onderschept noch is de gehele hoeveelheid op enig moment door de politie aangetroffen. Echter, uit de redengevende feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang beschouwd - leidt de rechtbank af dat de in de Volkswagen aangetroffen partij van 233,1 kilogram hasj ontegenzeggelijk deel uitmaakte van de grotere partij die op 16 juni 2011 is binnengekomen.

De verdediging heeft het standpunt in genomen dat het niet [verdachte] is geweest die op de achtergrond deelnam aan het op 4 juni 2011 om 14.47 uur gevoerde gesprek. Ter zitting is dit gesprek afgeluisterd alsmede een door de officier van justitie ter vergelijking meegebracht en tot op de zitting onbetwist gesprek, waar verdachte ook op de achtergrond aan zou hebben deelgenomen. Toen dit laatste gesprek ter terechtzitting werd afgedraaid, deelde verdachte mee zich in dit gesprek evenmin te herkennen. Voor de rechtbank bleek het bij het beluisteren van deze twee in een buitenlandse taal gevoerde gesprekken niet mogelijk daaraan enige conclusie omtrent de herkenning van de stem van verdachte, te verbinden. Een en ander heeft de raadsman van verdachte er vervolgens toe gebracht ter zitting ieder gesprek, waarvan in het dossier staat dat het door verdachte is gevoerd, in twijfel te trekken.

De rechtbank stelt voorop dat het betwiste gesprek van 4 juni 2011 volgens mededeling van de officier van justitie (en van verbalisant UMN017-099, vgl. dossierpagina B06-0020) door 4 tolken is beluisterd, die onafhankelijk van elkaar de stem van verdachte [verdachte] hebben herkend. De rechtbank ziet geen aanleiding aan die conclusie van de tolken - die gedurende geruime tijd gesprekken in het onderzoek Warnow hebben beluisterd - te twijfelen, te minder nu uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt dat de bemoeienis die verdachte in dit gesprek heeft ten aanzien van de organisatie van het transport, past bij zijn bemoeienis zoals die volgt uit andere opgenomen en beluisterde gesprekken. De ter zitting kennelijk ingenomen stelling dat niet vast staat dat verdachte aan ook maar een van de opgenomen gesprekken zou hebben deelgenomen, wordt verworpen, alleen al aangezien verdachte in verhoren met verschillende van deze gesprekken is geconfronteerd en daar toen inhoudelijk op is ingegaan. Ook in een later stadium, zoals tijdens de verschillende pro-forma zittingen en de regiezitting, is deelname van verdachte aan de opgenomen gesprekken nimmer betwist. Een en ander in aanmerking genomen gaat de rechtbank voorbij aan de huidige zeer late betwisting van deelname aan telefoongesprekken.

Feit 3

De rechtbank bezigt de hiervóór ten aanzien van de feiten 1 en 2 weergegeven redengevende feiten en omstandigheden ook ten aanzien van de ten laste gelegde criminele organisatie, zoals bedoeld in artikel 11a van de Opiumwet.

Naar vaste rechtspraak is van een criminele organisatie onder meer sprake als die organisatie het plegen van misdrijven voor ogen heeft, de deelnemers aan de organisatie van dat oogmerk op de hoogte zijn en hierin een aandeel hebben, ofwel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van dat oogmerk. Een criminele organisatie kenmerkt zich voorts door een zekere bestendigheid of duurzaamheid van het gestructureerde samenwerkingsverband, waarbij niet is vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is.

Duurzaam samenwerkingsverband

Uit de hiervoor besproken feiten 1 en 2 blijkt dat bij de invoer, vervoer en levering van de hasj veel verschillende personen waren betrokken, waaronder met name [verdachte], [medeverdachte H] en [medeverdachte B], alsmede [medeverdachte T] en [medeverdachte S], die respectievelijk in de feiten 1 en 2 een aanzienlijke rol hebben vervuld. Zij hebben in de periode van 1 maart 2011 tot en met 13 juli 2011 veelvuldig met elkaar in verbinding gestaan in verband met de invoer, de verkoop, levering en het vervoer van grote hoeveelheden hasj. De rechtbank is van oordeel dat het samenwerkingsverband tussen genoemde personen duurzaam van aard was, nu het in ieder geval gedurende de periode van 1 maart 2011 tot en met 13 juli 2011 activiteiten heeft ontplooid. Er was in die periode sprake van een gemeenschappelijk belang om verschillende hoeveelheden hasj in Nederland in te voeren en door te verkopen. Daarbij had iedere verdachte - zoals hieronder wordt overwogen - een eigen rol.

Rolverdeling

[verdachte] vervult een centrale, dominante en sturende rol binnen de organisatie. Daarbij trekt hij op de achtergrond aan de touwtjes en laat hij anderen het werk doen, er voor zorgend zelf zo veel mogelijk uit beeld te blijven. Uit de bewijsmiddelen opgesomd onder feit 2 komt naar voren dat [verdachte] op de achtergrond aanwijzingen geeft tijdens telefoongesprekken tussen [medeverdachte H] en [medeverdachte S] over een komend transport van hasj. Ook wanneer het mis dreigt te gaan wordt de hulp van [verdachte] ingeroepen om een probleem op te lossen. De rechtbank verwijst naar het bij feit 1 genoemde telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte T] van 21 april 2011, 22.35 uur, waarbij [medeverdachte T] boos wordt omdat hij een persoon in België niet kan bereiken en [verdachte] een oplossing probeert te vinden. Dit geldt ook ten aanzien van feit 2 waar [verdachte] op 5 en 6 juni 2011 te hulp komt op het moment dat een bepaald contact maar niet tot stand komt en waar hij op 23 juni 2011 bij de overdracht van de Volkwagen vanuit het buitenland het contact herstelt tussen enerzijds [medeverdachte B] en anderzijds [medeverdachte H] en [A].

Uit de onder feit 2 aangehaalde telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte H] veel vertrouwen genoot van [verdachte] en tevens zelfstandig contact onderhield met de leveranciers. Daarnaast leidt de rechtbank uit de hiernavolgende gesprekken af dat [medeverdachte H] ook nauw bij andere hasjtransacties betrokken moet zijn geweest.

Op 14 april 2011 belt [verdachte] met [medeverdachte H] en bestelt een schotel, waarop [medeverdachte H] zegt: "Kun jij ons dan tien geven van dat ene dat je ons hebt getoond."97 Op 6 mei 2011 belt [medeverdachte H] [verdachte] en vraagt: "Zal ik morgen naar je toekomen om 2 van datgeen wat ik je vroeg op te halen (...) datgeen wat je daar had (...)," waarop [verdachte] zegt: "ik geef je de jouwe broeder en klaar."98 [medeverdachte H] meldt op 14 mei 2011 aan [verdachte]: "onze vriend heeft hem gebeld gisteren... hij zei, tussen nu en dinsdag heb ik een auto voor jou. Maar nu moet hij weer terug, want ik heb hem gezegd, geef eerst even een foto om te kijken, dan hoef je niet tot dinsdag te wachten. Begrijp je. Nu komt hij over een paar minuten, we kunnen dan kijken of hij 'm de foto heeft gestuurd. Dit probeer ik al de hele ochtend te regelen."99 Op 9 juni 2011 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte H]: "Hij had me om iets gevraagd en ik wilde weten of er papier is of niet (...) hij had me om iets gevraagd, je moet tegen hem zeggen tot morgen, hij had mij straks om de Nokia gevraagd of zo (...) zeg tegen hem dat hij morgen papier gereed moet maken... Handgeld ergens geven. "100 Volgens [verdachte] wordt met 'Nokia' in dit gesprek hasj bedoeld, en met 'papier' geld.101

[medeverdachte B] genoot eveneens een groot vertrouwen van [verdachte] en begeleidde de doorlevering van partijen hasj. Dat blijkt behalve uit de telefoongesprekken aangehaald onder feit 2, ook uit een aantal gesprekken d.d.15 mei 2011 van [verdachte] met onbekende personen waarin [verdachte] zegt: "Ik zal Abdellah vragen om 't jou te brengen." en "Ik vraag Abdellah om jou te bellen." 102 [verdachte] en [medeverdachte B] hanteren regelmatig versluierd taalgebruik in onderlinge conversaties. Zo bespreken zij op respectievelijk 13 april 2011 en 14 juni 2011: "Die familielid van degene die jij in huis hebt heeft gebeld. Hij vroeg of het zeker is dat jij het neemt."103 En: "- (A) de fles Bacardi, die jongen heet Hakim toch?; - (M) zeg tegen hem 850; - (A) hoeveel is er?; - (M) de eigenaren zeggen dat er genoeg is (...) er is 2 wel, zeg tegen hem dat hij gewoon het papier gereed moet maken"104 Ook zegt [verdachte] op 14 juni 2011 tegen [medeverdachte B]: "Abdellah moet naar Jamal toe, hij moet Garda (fon) voor hem ophalen, eentje, 33 (...) een foto (...) Er staat BBL of zoiets op."105 Gardala staat voor hasj.106

Telefoongebruik

In de onderlinge contacten tussen [verdachte] en genoemde medeverdachten is veelvuldig en op georganiseerde wijze gebruik gemaakt van mobiele telefoons. Verdachten gebruikten bij

hun illegale activiteiten meerdere mobiele telefoons en wisselden regelmatig van telefoonnummer en -toestel. Tijdens de doorzoekingen op de diverse woonadressen van verdachten zijn een groot aantal van deze telefoontoestellen alsmede verschillende sim-kaarten aangetroffen. [verdachte] bleek over acht verschillende telefoons te beschikken. Bij [medeverdachte H] werden drie telefoons aangetroffen, waarvan 1 uitsluitend werd gebruikt voor zijn contacten met [verdachte].107 Een dergelijke telefoondiscipline, die bedoeld lijkt om aan opsporing te ontkomen, duidt naar het oordeel van de rechtbank op een professionele werkwijze van een criminele organisatie.

De rechtbank noemt hierbij als voorbeeld een gesprek tussen [medeverdachte H] en [verdachte] op 3 juni 2011. Tijdens dit gesprek zegt [verdachte]: "het is het nummer wat ik jou had gegeven toch...Gisteren." (..)"Ik had je vanmiddag gebeld en toen net ook." [medeverdachte H] bevestigt dat hun vriend het nummer heeft gebracht. 108 Later blijkt dat [medeverdachte H] vanaf dat moment een ander nummer gebruikt als hij met [verdachte] belt. [medeverdachte H] gebruikt dit nieuwe telefoonnummer enkel voor het contact met [verdachte].109 De rechtbank acht het op basis van deze feiten en omstandigheden aannemelijk dat [verdachte] een telefoon heeft verstrekt aan [medeverdachte H]. Voorts overweegt de rechtbank dat één op één lijnen binnen de georganiseerde criminaliteit gebruikt plegen te worden om buiten het zicht van opsporing te blijven.

Versluierd taalgebruik

Tijdens de vele gesprekken en sms-berichten hebben de verdachten structureel gebruik gemaakt van onlogische woorden of zinsneden die, gelet op de context en bezien binnen de algehele samenhang van het onderzoek, volgens de rechtbank de bedoeling hadden om de daadwerkelijke inhoud van de gesprekken te versluieren en illegale activiteiten af te schermen. [verdachte] heeft erkend dat de door hem gebezigde woorden "brood, jood, ster, Black, Gold, Audi, Bacardi en Nokia" betrekking hebben op soorten of kwaliteiten hasj.110 De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [verdachte] dat de gesprekken gingen over de (legale) handel in kleine hoeveelheden softdrugs en de bevoorrading van zijn coffeeshop, alleen al aangezien uit de onder de feiten 1 en 2 genoemde redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat [verdachte] samen met [medeverdachte H], [medeverdachte B], [medeverdachte T] en [medeverdachte S] betrokken is geweest bij de invoer en het vervoer van grote partijen hasj die de voor een coffeeshop gedoogde hoeveelheden ver te boven gaan.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en zijn medeverdachten [medeverdachte H] en [medeverdachte B] samen met anderen hebben deelgenomen aan een criminele organisatie. Tussen hen heeft in de periode van 1 maart 2011 tot en met 13 juli 2011 aantoonbaar een duurzaam en structureel samenwerkingsverband bestaan.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

Feit 1

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 1 april 2011 tot en met 28 april 2011 te Amsterdam, althans in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en heeft vervoerd, een hoeveelheid van in totaal 1771,91 kilogram hasjisj.

Feit 2

hij in de periode van 1 juni 2011 tot en met 16 juni 2011 te Amsterdam, althans elders in

Nederland en Spanje en Frankrijk en België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en heeft vervoerd, een grote hoeveelheid hasjisj.

Feit 3

hij in de periode van 1 maart 2011 tot en met 13 juli 2011 te Hoofddorp en Amsterdam heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit onder meer hem zelf, verdachte, [medeverdachte B] en [medeverdachte H] en een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrijven, als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Feit 2

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Feit 3

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van de Opiumwet.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer en het vervoeren van grote hoeveelheden hasj. Voorts heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie die grootschalige handel in hasj tot doel had. Verdachte had een dominante en sturende rol. Daarbij trok verdachte op de achtergrond aan de touwtjes en liet hij anderen het werk doen, er voor zorgend zelf zo veel mogelijk uit beeld te blijven. Hasj heeft een voor de gezondheid schadelijk karakter. Door zich bezig te houden met deze feiten heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de internationale handel en verdere verspreiding van grote hoeveelheden hasj. Verdachte heeft er blijk van gegeven de kneepjes van het vak te beheersen. Hij heeft zich aan de telefoon stelselmatig en gedisciplineerd verhullend uitgelaten en heeft getracht met verwijzing naar de bevoorrading van zijn gedoogde coffeeshop aannemelijk te maken dat de onderschepte telefooncontacten onschuldig van aard waren. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte deze feiten enkel uit winstbejag lijkt te hebben gepleegd, terwijl verdachte wat betreft inkomen niet te klagen had.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

artikelen 1, 3, 11 en 11a van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder de feiten 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A. Boom, voorzitter,

mr. Th.M. van Wassenaer-Westgeest en mr. J. Snitker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juni 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Zaakdossier Olijven, map 02, p. B01-341/2 en 353

3 Algemeen dossier, map 01, p. A00-67

4 Persoonsdossier [verdachte], map 8, p. C00-0026

5 Algemeen dossier, Methodieken, map 11, p. E00-12

6 Een geschrift zijnde een sms-bericht d.d. 18 april 2011, 23.19 uur, dossierpagina B02-4.

7 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 19 april 2011, 13.53 uur, dossierpagina B02-0049.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte El Yobari d.d. 20 juli 2011, dossierpagina B02-0393 e.v.

9 Meerdere geschriften zijnde sms-berichten d.d. 20 april 2011, 18.19 uur, 18.20 uur, 18.22 uur, 18.23 uur, 18.27 uur, 18.29 uur en 18.32 uur, dossierpagina B02-7.

10 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 20 april 2011, 22.35 uur, dossierpagina B02-0058.

11 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 21 april 2011, 06.20 uur, dossierpagina B02-0060.

12 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 21 april 2011, 17.48 uur, dossierpagina B02-0066.

13 Een geschrift zijnde ene tapgesprek dd. 22 april 2011, 18.16 uur, dossierpagina B02-111

14 Vijf geschriften zijnde tapgesprekken d.d. 21 april 2011 om 19.58 uur, 20.04 uur, 20.10 uur, 21.05 uur en 21.14 uur, dossierpagina B02-12 en twee geschriften zijnde sms-berichten d.d. 21 april 2011 om 20.00 uur en 20.04 uur, dossierpagina B02-12.

15 Een geschrift zijnde een sms-bericht d.d. 21 april 2011, 20.54 uur, dossierpagina B02-12.

16 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 21 april 2011, 19.40 uur, dossierpagina B02-68 en 69

17 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 21 april 2011, 22.35 uur, dossierpagina B02-0070.

18 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 21 april 2011, 22.41 uur, dossierpagina B02-0071.

19 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 22 april 2011, 07.33 uur, dossierpagina B02-0072.

20 Proces-verbaal van bevindingen (aanvulling ZD B02-mastgegevens 22 april 2011) d.d. 6 juni 2012, los in dossier.

21 Een geschrift zijnde een sms-bericht d.d. 22 april 2011, 11.01 uur, dossierpagina B02-14.

22 Zie zendmastgegevens bij tapgesprekken d.d. 22 april 2011, dossierpagina B02-14 t/m B02-16.

23 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 22 april 2011, 12.08 uur, dossierpagina B02-0082.

24 Verhoor van getuige [medeverdachte H] bij de rechter-commissaris inzake M. [verdachte] d.d. 30 januari 2012.

25 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 22 april 2011, 12.10 uur, dossierpagina B02-0083.

26 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 22 april 2011, 14.43 uur, dossierpagina B02-0108.

27 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 23 april 2011, 13.05 uur, dossierpagina B02-0114.

28 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 23 april 2011, 17.15 uur, dossierpagina B02-0120.

29 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 26 april 2011, 11.08 uur, dossierpagina B02-0128.

30 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 27 april 2011, 13.02 uur, dossierpagina B02-0139.

31 Proces-verbaal van observeren 27 april 2011 d.d. 13 mei 2011, dossierpagina B02-0264 e.v.

32 Drie geschriften zijnde tapgesprekken d.d. 27 april 2011, 19.51 uur, 20.06 uur, 20.15 uur dossierpagina's B02-0143, B02-144 en B02-0145.

33 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 11.08 uur, dossierpagina B02-0148.

34 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 11.12 uur, dossierpagina B02-0150.

35 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 13.30 uur, dossierpagina B02-0152.

36 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 14.47 uur, dossierpagina B02-0154.

37 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 14.48 uur, dossierpagina B02-0155.

38 Proces-verbaal van observatie 28 april 2011 d.d. 8 juni 2011, dossierpagina B02-0328 e.v.

39 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 16.02 uur, dossierpagina B02-0161.

40 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 16.03 uur, dossierpagina B02-0162.

41 Proces-verbaal van observatie 28 april 2011 d.d. 8 juni 2011, dossierpagina B02-0328 e.v.

42 Proces-verbaal van observatie 28 april 2011 d.d. 8 juni 2011, dossierpagina B02-0328 e.v.

43 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 17.15 uur, dossierpagina B02-0183.

44 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 16.51 uur, dossierpagina B02-0178.

45 Proces-verbaal van observatie 28 april 2011 d.d. 8 juni 2011, dossierpagina B02-0328 e.v.

46 Proces-verbaal van observatie 28 april 2011 d.d. 10 mei 2011, dossierpagina B02-0328 e.v.

47 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 29 april 2011, dossierpagina B02-0333 e.v.

48 Proces-verbaal van wegen, bemonsteren en testen plakken hash d.d. 17 mei 2011, dossierpagina B02-0439 e.v.

49 Proces-verbaal van aanhouding verdachte A. Zahchi d.d. 3 mei 2011, dossierpagina B02-0338 e.v.

50 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 19.23 uur, dossierpagina B02-0189.

51 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 19.24 uur, dossierpagina B02-0190.

52 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 19.28 uur, dossierpagina B02-0191.

53 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 28 april 2011, 20.31 uur, dossierpagina B02-0202.

54 Proces-verbaal van wegen, bemonsteren en testen plakken hash d.d. 17 mei 2011, dossierpagina B02-0439 e.v.

55 Proces-verbaal van aanhouding verdachte M. [verdachte] d.d. 13 juli 2011, dossierpagina B02-0367 e.v.

56 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juli 2011, dossierpaginaB06-0377.

57 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 21 mei 2011, 17.37 uur, dossierpagina B06-0101.

58 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 27 mei 2011, 17.11 uur, dossierpagina B06-0105.

59 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 1 juni 2011, 13.09 uur, dossierpagina B06-0113.

60 Opmerking verbalisant op p. B06-0013, alsmede een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 1 juni 2011, 14.21 uur, dossierpagina B06-0114.

61 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 1 juni 2011, 18.19 uur, dossierpagina B06-0120.

62 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 4 juni 2011, 14.47 uur, dossierpagina B06-0132.

63 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 4 juni 2011, 14.49 uur, dossierpagina B06-0133.

64 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 4 juni 2011, 20.12 uur, dossierpagina B06-0135.

65 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 5 juni 2011, 22.27 uur, dossierpagina B06-0153.

66 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 5 juni 2011, 23.16 uur, dossierpagina B06-0155.

67 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 6 juni 2011, 14.55 uur, dossierpagina B06-0168.

68 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 6 juni 2011, 15.15 uur, dossierpagina B06-0170.

69 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 13 juni 2011, 13.12 uur, dossierpagina B06-0226.

70 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 13 juni 2011, 13.13 uur, dossierpagina B06-0227.

71 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 13 juni 2011, 22.54 uur, dossierpagina B06-0242.

72 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 13 juni 2011, 22.55 uur, dossierpagina B06-0243.

73 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 juni 2011, 00.06 uur, dossierpagina B06-0244.

74 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 juni 2011, 16.59 uur, dossierpagina B06-0247.

75 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 15 juni 2011, 15.55 uur, dossierpagina B06-0249.

76 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 16 juni 2011, 13.28 uur, dossierpagina B06-0255.

77 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 16 juni 2011, 14.30 uur, dossierpagina B06-0258.

78 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 16 juni 2011, 15.49 uur, dossierpagina B06-0259.

79 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 6 juni 2011, 14.30 uur, dossierpagina B06-0162.

80 Proces-verbaal van verhoor verdachten d.d. 20 juli 2011, BD06-0387.

81 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 7 juni 2011, 14.50 uur, dossierpagina B06-0182.

82 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 23 juni 2011, 18.16 uur, dossierpagina B06-0282.

83 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 juni 2011, 15.38 uur, dossierpagina B06-0294.

84 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 juni 2011, 18.17 uur, dossierpagina B06-0303.

85 Proces-verbaal aangifte 28 juni 2011, dossierpagina C-00-0536.

86 Proces-verbaal van observatie d.d. 24 juni 2011, dossierpagina B06-0348 e.v.

87 Opmerking verbalisant, dossierpagina B06-0084.

88 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 juni 2011, 21.44 uur, dossierpagina B06-0306.

89 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 juni 2011, 22.29 uur, dossierpagina B06-0307.

90 Opmerking verbalisant, dossierpagina B06-0085.

91 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 juni 2011, 22.38 uur, dossierpagina B06-0309.

92 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 juni 2011, 22.51 uur, dossierpagina B06-0310.

93 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 24 juni 2011, 23.40 uur, dossierpagina B06-0313.

94 Opmerking verbalisant, dossierpagina B06-0088.

95 Proces-verbaal vervolgonderzoek aan goederen uit een Volkwagen Caddy d.d. 7 juli 2011, dossierpagina B06-0352 e.v.

96 Een schriftelijk stuk, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 6 oktober 2011, zaaknummer 2011.05.30.061 (aanvraag 005).

97 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 april 2011, 0.04 uur, dossierpagina B07-0381.

98 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 6 mei 2011, 22.14 uur, dossierpagina B07-0399.

99 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 mei 2011, 17.35 uur, dossierpagina B07-0401.

100 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 9 juni 2011, 23.25 uur, dossierpagina B06-0209.

101 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 20 juli 2011, dossierpagina B06-0382.

102 Twee geschriften zijnde tapgesprekken d.d. 15 mei 2011, 15.15 uur en 21.46 uur, dossierpagina B07-0324A en B.

103 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 13 april 2011, 13.47 uur, dossierpagina B07-0344.

104 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 juni 2011, 13.33 uur, dossierpagina B07-0370.

105 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 14 juni 2011, 18.23 uur, dossierpagina B07-0372.

106 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 20 juli 2011, dossierpagina B06-0383.

107 Overzicht van bevindingen, dossierpagina B07-7.

108 Een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 3 juni 2011, 20.19 uur, dossierpagina B06-0129.

109 Zie bijvoorbeeld: een geschrift zijnde een tapgesprek d.d. 9 juni 2011, 01.13 uur, dossierpagina B06-0195 en een geschrift zijnde een tapgesprek d.d.13 juni 2011, 22.22 uur, dossierpagina B06-0240.

110 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juli 2011, dossierpagina B06-0374 e.v.

??

??

??

??

Parketnummer: 15/973002-11

Inzake: [verdachte] blad 17

vonnis