Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX0781

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
AWB 12-1317
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schadeschap luchthaven Schiphol. Waardevermindering van de woning als gevolg van de aanleg van de vijfde baan en het instellen van geluids- en veiligheidszones op grond van het Aanwijzingsbesluit en het LVB 2003. Voor de berekening van de tijdelijke schade heeft verweerster voldoende gemotiveerd waarom in de zaak van een (oud-) bewoner de benadering van de adviescommissie Van der Schans, waarin de huurwaarde is bepaald op 6% van de waarde van de woning, is gevolgd en in het onderhavige geval de benadering van de adviescommissie Van der Poel, waarin de huurwaarde is bepaald op 5% van de waarde van de woning. Verweerster heeft zich ervan vergewist dat de gedachtegang van de commissie Van der Poel voldoende duidelijk en controleerbaar was om als basis voor de besluitvorming te kunnen dienen. Voorts heeft verweerster voldoende onderbouwd dat de tijdelijke schade 10% bedraagt van de huurwaarde per jaar. Met betrekking tot de nadeelcompensatie heeft verweerder een korting wegens normaal maatschappelijk risico kunnen toepassen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 1317

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2012

in de zaak van:

[naam eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: [naam], wonende te [woonplaats],

tegen:

de Besliscommissie van Schadeschap Luchthaven Schiphol,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2006 heeft verweerster het verzoek van eiser om schadevergoeding op grond van de Gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 juli 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft verweerster het bezwaar gegrond verklaard en aan eiser een schadevergoeding toegekend van € 2.700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2005.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 maart 2012 beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 mei 2012. Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter van de besliscommissie en mr. H. van Buren, werkzaam bij de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol.

2. Overwegingen

2.1 Eiser is sedert 30 november 1979, eigenaar en bewoner van de eengezinswoning aan [adres]. Op 1 februari 2005 heeft eiser verweerster verzocht om vergoeding van schade bestaande uit waardevermindering van de woning ten gevolge van de uitbreiding van het luchtvaartterrein van de luchthaven Schiphol met een vijfde baan en het instellen van geluids- en veiligheidszones op basis van het Aanwijzingsbesluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 23 oktober 1996 (hierna: het Aanwijzingsbesluit) en het Luchthavenverkeerbesluit van 20 februari 2003 (hierna: het LVB 2003).

2.2 Verweerster heeft het verzoek, in afwijking van het advies van 28 april 2006 van de Adviescommissie Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: de adviescommissie Van der Poel), aanvankelijk afgewezen, omdat de woning, ook na planologische mutaties die de aanleg en ingebruikname van het vijfbanenstelsel mogelijk hebben gemaakt, in de geluidcontour tot 35 Kosteneenheden (hierna: Ke) ligt en er om die reden geen sprake is van planologische verslechtering. Daarbij heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat de geluidcontour van 35 Ke in beginsel als ondergrens wordt gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een zodanige toename van geluidbelasting, dat dit leidt tot een op geld waardeerbare waardevermindering van de woning.

2.3 Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 december 2007 (LJN: BB9458) op het hoger beroep van een (oud-)bewoner van Spaarndam ([naam 2]) heeft, in het kader van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar, de adviescommissie Van der Poel opnieuw advies uitgebracht. Zij heeft allereerst geadviseerd een schadevergoeding van € 1.835,- toe te kennen wegens tijdelijke schade. Deze tijdelijke schade bestaat volgens de adviescommissie Van der Poel uit aantasting van het woongenot en aantasting van de huurwaarde van de woning die zich heeft voorgedaan vanaf het moment van ingebruikname van de vijfde baan per 1 juli 2003 tot de inwerkingtreding van het nieuwe LVB 2004 op 1 september 2004, in totaal een periode van 14 maanden. De adviescommissie Van der Poel heeft de tijdelijke schade getaxeerd met toepassing van de standaard huurwaardebenadering van 5% van de jaarlijkse huurwaarde van de woning. De adviescommissie Van der Poel heeft het schadebedrag vastgesteld op € 129,16,- per maand en komt aldus tot een schadevergoeding van € 1.810,-.

2.4 Eiser betoogt dat voor de berekening van de tijdelijke schade, net als in de zaak van een (oud-)bewoner van Spaarndam ([naam 2]), ervan uitgegaan dient te worden dat de huuropbrengsten op jaarbasis 6% van de waarde van de woning bedragen in plaats van 5%.

2.5 Verweerster heeft zich in de zaak [naam 2] gebaseerd op het advies van de adviescommissie Van der Schans. Deze adviescommissie heeft de huurwaarde, als gevolg van de inwerkingtreding van het LVB 2003, bepaald op 6% van de waarde van de woning. Deze benadering is volgens verweerster enkel in bedoeld geval gehanteerd. In andere gevallen heeft de commissie Van der Poel de huurwaarde bepaald op 5%. Verweerster stelt zich op het standpunt dat voor de begroting van het nadeel de objectieve waarde bepalend is. De adviescommissie Van der Schans heeft haar advies niet gebaseerd op een vergelijking van objectieve huurwaarden, maar op de in de zaak [naam 2] tussen partijen overeengekomen huur.

2.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerster voldoende heeft gemotiveerd waarom zij de benadering die de adviescommissie Van der Schans in de zaak goede heeft gevolgd, in het onderhavige geval niet volgt. Anders dan in het geval van eiser was in de zaak [naam 2] sprake van een daadwerkelijke verhuur van de woning van [naam 2] in de periode dat het LVB 2003 van toepassing was. Vanwege dit verschil met de zaak van eiser en vanwege het feit dat de methode die de adviescommissie Van der Schans heeft gebruikt door verweerder uitsluitend in de zaak [naam 2] is overgenomen, is verweerder aan deze methode niet gebonden in zaken waarin geen sprake is van een daadwerkelijke verhuur zoals in het geval van eiser.

2.7 Eiser betoogt voorts dat de adviescommissie onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een percentage van 5% van de huurwaarde per jaar moet worden gehanteerd.

2.8 Voorop staat dat een bestuursorgaan bij het vaststellen van de planschadevergoeding in beginsel mag afgaan op een advies van een deskundige adviescommissie op het gebied van planschade, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht. Inzichten van deskundigen zijn in een geval als dit gebaseerd op kennis en ervaring. Een nadere onderbouwing van die inzichten kan dan ook niet in alle gevallen worden verlangd. Wel mag worden verlangd dat de gedachtegang van de adviescommissie duidelijk en voldoende controleerbaar is en dat haar advies voldoende basis biedt voor verdere besluitvorming (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 november 1998, LJN: ZF3683). De rechtbank is van oordeel dat de door verweerster ingeschakelde adviescommissie te beschouwen is als een ervaren, onafhankelijke deskundigencommissie op het gebied van planschade. Verweerster mag derhalve in beginsel afgaan op het door de adviescommissie uitgebrachte advies.

2.9 Uit de stukken blijkt dat verweerster met betrekking tot het gehanteerde huurwaardepercentage van 5% de adviescommissie Van der Poel uitdrukkelijk om een nadere motivering heeft gevraagd. De adviescommissie Van der Poel heeft dit (onderdeel van het) advies vervolgens nader gemotiveerd in haar (algemene) nadere advies van 20 april 2010. De adviescommissie Van der Poel heeft daarbij gewezen naar onderzoeksresultaten betreffende daadwerkelijk betaalde huurprijzen in Spaarndam en omgeving gedurende een langere periode. Op basis van 10 gevonden referenties is sprake van een gemiddeld percentage van 4,93 %. Deze gegevens bieden een indicatie dat aannemelijk is te achten dat van een percentage van 5% kan worden uitgegaan. Voorts heeft de adviescommissie Van der Poel, eveneens op uitdrukkelijk verzoek van verweerster, beschreven wat het overleg tussen de commissie en het lid van de commissie Van der Schans dat de taxatie in de zaak [naam 2] had verricht, C.G. Plomp, omtrent dit huurwaardepercentage heeft opgeleverd. Voor zover verweerster twijfelde aan de juistheid en volledigheid van het advies van de adviescommissie Van der Poel heeft verweerster zich er aldus in voldoende mate van vergewist dat de gedachtegang van de commissie voldoende duidelijk en controleerbaar was om als basis voor de besluitvorming te kunnen dienen. De rechtbank is van oordeel dat de adviescommissie Van der Poel voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op grond van welke feiten en omstandigheden zij is gekomen tot een huurwaardepercentage van 5%. Verweerster mocht zich derhalve op het (algemene) nadere advies en de nadere adviezen van de adviescommissie Van der Poel baseren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser deze advisering niet bestreden heeft met een tegenadvies.

2.10 Eiser heeft verder aangevoerd dat de adviescommissie Van der Poel niet deugdelijk heeft onderbouwd dat de tijdelijke schade 10% bedraagt van de huurwaarde per jaar.

2.11 Verweerster heeft hier tegen ingebracht dat een vermindering van de huurwaarde met 10% in de praktijk slechts wordt aangenomen in zeldzame gevallen waarin objectief gesproken kan worden van bovenmatige schade. Nu het in deze zaak gaat om één schadefactor (geluid) wordt eiser niet tekort gedaan door uit te gaan van schade als gevolg van enkel de toename van geluidsbelasting die een bovenmatige waardedrukkende invloed zou hebben en die tot uitdrukking wordt gebracht door toepassing van een kortingspercentage van 10%.

2.12 De rechtbank is van oordeel dat gelet op het gehanteerde percentage van 10% in relatie tot het bestaan van één schadefactor er voor verweerster geen aanknopingspunten waren voor twijfel aan de juistheid van het door de Adviescommissie Van der Poel op dit onderdeel gegeven advies. De beroepsgrond slaagt niet.

2.13 Eisers beroepsgrond met betrekking tot de periode over welke de huurwaardederving moet worden berekend, is door eiser ter zitting ingetrokken. Deze beroepsgrond maakt geen onderdeel meer uit van het geding. Gelet op het vorenstaande treffen de beroepsgronden die zich richten tegen de hoogte van de vergoeding van de tijdelijke schadevergoeding geen doel.

2.14 De adviescommissie Van der Poel heeft verder geadviseerd om op grond van artikel 21 van het Aanwijzingsbesluit een schadevergoeding (hierna: nadeelcompensatie) toe te kennen van € 1.780,- in verband met het instellen van geluidzones voor het vierbanenstelsel in het aanwijzingsbesluit.

2.15 Ten aanzien van de voorgestelde nadeelcompensatie heeft verweerster met toepassing van een korting van 50% wegens normaal maatschappelijk risico een bedrag van € 890,- toegekend. Verweerster heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2011, LJN: BQ4066, overwogen dat bewoners van huizen binnen de invloedssfeer van Schiphol rekening dienen te houden met een toename van geluidsbelasting die samenhangt met de groei van de luchthaven, ook al bestaat geen zicht op de omvang en vorm waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkelingen zich zullen concretiseren en de omvang van het nadeel dat daar mogelijkerwijs uit zal voortvloeien. Dit leidt tot een schadevergoeding in verband met het vierbanenstelsel van € 1.810,- minus 50% wegens normaal maatschappelijk risico = € 890,-, aldus verweerster.

2.16 Eiser betoogt dat aan hem ten onrechte normaal maatschappelijk risico wordt tegengeworpen omdat op de datum van eigendomsverkrijging, 30 november 1979, de ingebruikname van de vijfde baan in 2003 niet een normaal maatschappelijk risico was.

2.17 De rechtbank is van oordeel dat verweerster onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling een korting van 50% wegens normaal maatschappelijk risico kon toepassen. De beroepsgrond van eiser faalt.

2.18 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. S.M. van Velsen, leden, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier