Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW9858

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
28-06-2012
Zaaknummer
128987 - HA ZA 06-1330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vermogensbeheer; vergunningplicht; zorgplicht; Safe Haven; cessie; deskundigenbericht; tussenvonnis. Vervolg op Rb. Haarlem 28-09-2010, LJN: BO0550

In het tussenvonnis van 28 september 2010 heeft de rechtbank een deskundigenbericht gelast. De deskundige heeft rapport uitgebracht over de veronderstelde handelwijze van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) in 1996 bij een melding door de Bank van het vermoedelijk optreden als vermogensbeheerder door Safe Haven zonder de vereiste vergunning. De rechtbank komt op basis van het deskundigenbericht – kort gezegd – tot de conclusie dat de STE de Bank zou hebben geadviseerd de relatie met Safe Haven te beëindigen en dat de STE aangifte zou hebben gedaan van een economisch delict waaraan de Bank (mogelijk) medeplichtig was. De Bank had de Rekening vervolgens per 15 oktober 1996 moeten sluiten.

De rechtbank oordeelt dat de Stichting ontvankelijk is als ‘cessionaris ter incasso’. Deze in de rechtspraktijk als ‘cessie ter incasso’ aangeduide rechtsfiguur moet juridisch worden geduid als een lastgevingsovereenkomst ex artikel 7:414 BW. De Stichting is ontvankelijk in haar hoedanigheid van lasthebber van de beleggers. Het verbod tot het vorderen van schadevergoeding in geld ex artikel 3:305a BW staat hier niet aan in de weg, nu geen sprake (meer) is van een collectieve actie door de Stichting.

De rechtbank oordeelt voorts dat de Bank onrechtmatig heeft gehandeld jegens de beleggers die vanaf 15 oktober 1996 gelden ter belegging op de Rekening hebben gestort. Het betoog van de Bank dat in diverse gevallen sprake is van professionele beleggers, wordt verworpen. In casu gaat het om met particulieren te vereenzelvigen vennootschappen als éénmans- of familie-bv’s.

De rechtbank acht de schending van de zorgplicht toerekenbaar aan de Bank. Voorts neemt de rechtbank causaal verband aan tussen de schending van de zorgplicht en de (gesteld) geleden schade. Ook aan de relativiteitseis van artikel 6:163 BW is volgens de rechtbank voldaan; de bepalingen van de Wte 1995 strekken immers mede ter bescherming van de belangen van beleggers, waaronder het verlies van belegde gelden onmiskenbaar moet worden begrepen.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de vanaf 15 oktober 1996 op de Rekening gestorte bedragen, met aftrek van de teruggestorte bedragen, als schade aangemerkt kunnen worden. De rechtbank draagt in diverse zaken de Stichting dan wel de individuele belegger op de gestelde schade nader toe te lichten en hieromtrent stukken in het geding te brengen.

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de schade mede een gevolg is van het in de gegeven omstandigheden aanmerkelijk onvoorzichtig handelen van de beleggers. De vergoedingsplicht van de Bank wordt daarom in beginsel met 50% eigen schuld verminderd. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten en stukken hieromtrent in het geding te brengen. Volgt rolverwijzing voor het nemen van akten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2012/79
JONDR 2012/1450
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 128987 / HA ZA 06-1330

Vonnis van 30 mei 2012

de stichting

STICHTING VOLENDAM,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

eiser,

advocaat mr. H.J. Bettink te Haarlem,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V., voorheen FORTIS BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

2. [gedaagde 2],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [gedaagde 3],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

niet verschenen,

en tevens in de navolgende zaken waarin hieronder telkens:

- alleen de eisende partij(en) word(t)(en) genoemd;

- als eisende partij tevens optreedt Stichting Volendam, waarbij deze alleen hier wordt genoemd en niet meer in elke zaak afzonderlijk;

- als advocaat optreedt mr. Bettink voornoemd die in het navolgende evenmin nog afzonderlijk zal worden genoemd; en waarin

- gedaagden zijn de in de zaak met zaaknummer / rolnummer 128987 / HA ZA 06-1330 genoemde gedaagden 1 tot en met 3:

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155571 / HA ZA 09-359:

[eiser 3], eiser sub 3,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155603 / HA ZA 09-365:

1. [eiser 4], eiser sub 4,

2. [eiser 61], eiser sub 61,

beiden wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155604 / HA ZA 09-366:

[eiser 5], eiser sub 5,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155605 / HA ZA 09-367:

[eiser 6], eiser sub 6,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155606 / HA ZA 09-368:

1. [eiser 7], eiser sub 7,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 45], eiser sub 45,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155607 / HA ZA 09-369:

1. [eiser 8], eiser sub 8,

wonende te Dordrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 46], eiser sub 46

gevestigd te Dordrecht,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155609 / HA ZA 09-370:

1. [eiser 9], eiser sub 9,

wonende te Oldenzaal,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 47], eiser sub 47

gevestigd te Oldenzaal,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155610 / HA ZA 09-371:

1. [eiser 10], eiser sub 10,

wonende Volendam, gemeente Edam - Volendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 48], eiser sub 48,

gevestigd te Oldenzaal,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155611 / HA ZA 09-372:

[eiser 11], eiser sub 11,

wonende te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155612 / HA ZA 09-373:

[eiser 12], eiser sub 12,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155613 / HA ZA 09-374:

[eiser 13], eiser sub 13,

wonende Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155614 / HA ZA 09-375:

[eiser 14], eiser sub 14,

wonende te Koog aan de Zaan, gemeente Zaandam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155615 / HA ZA 09-376:

[eiser 15], eiser sub 15,

wonende Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155616 / HA ZA 09-377:

1. [eiser 16], eiser sub 16,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 49], eiser sub 49,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155617 / HA ZA 09-378:

1. [eiser 17], eiser sub 17,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 50], eiser sub 50,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155618 / HA ZA 09-379:

[eiser 18], eiser sub 18,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155619 / HA ZA 09-380:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 19], eiser sub 19,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. [eiser 51], eiser sub 51,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155620 / HA ZA 09-381:

1. [eiser 20], eiser sub 20,

wonende te Hoogland, gemeente Amersfoort,

2. [eiser 52], eiser sub 52,

wonende te Hoogland, gemeente Amersfoort,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155621 / HA ZA 09-382:

[eiser 21], eiser sub 21,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155623 / HA ZA 09-383:

[eiser 22], eiser sub 22,

wonende te Heiloo,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155624/ HA ZA 09-384:

[eiser 23], eiser sub 23,

wonende te Zaandijk, gemeente Zaanstad,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155625 / HA ZA 09-385:

[eiser 24], eiser sub 24,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155626 / HA ZA 09-386:

1. [eiser 25], eiser sub 25,

wonende te Zaandijk, gemeente Zaanstad,

2. de vennootschap onder firma

[eiser 53], eiser sub 53,

gevestigd Wormerveer, gemeente Zaanstad,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155627 / HA ZA 09-387:

[eiser 27], eiser sub 27,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155628 / HA ZA 09-388:

[eiser 28], eiser sub 28,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155629 / HA ZA 09-389:

[eiser 29], eiser sub 29,

wonende te Krommenie, gemeente Zaanstad,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155630 / HA ZA 09-390:

[eiser 30], eiser sub 30,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155632 / HA ZA 09-391:

1. [eiser 31], eiser sub 31,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 54], eiser sub 54,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155633 / HA ZA 09-392:

[eiser 32], eiser sub 32,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155635 / HA ZA 09-393:

[eiser 33], eiser sub 33,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155636 / HA ZA 09-394:

[eiser 34], eiser sub 34,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155637 / HA ZA 09-395:

[eiser 35 en 55], eiser sub 35 en eiser sub 55,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155638 / HA ZA 09-396:

[eiser 36], eiser sub 36,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155639 / HA ZA 09-397:

1. [eiser 37], eiser sub 37,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 56], eiser sub 56,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155640/ HA ZA 09-398:

[eiser 38], eiser sub 38,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155641 / HA ZA 09-399:

1. [eiser 39], eiser sub 39,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 57], eiser sub 57,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155642/ HA ZA 09-400:

[eiser 40], eiser sub 40,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155643 / HA ZA 09-401:

1. [eiser 41], eiser sub 41,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. de commanditaire vennootschap

[eiser 58], eiser sub 58,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155644 / HA ZA 09-402:

1. [eiser 42], eiser sub 42,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 59], eiser sub 59,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 60], eiser sub 60,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155645 / HA ZA 09-403:

1. [eiser 43], eiser sub 43,

wonende te Edam, gemeente Edam-Volendam,

2. de vennootschap onder firma

[eiser 62], eiser sub 62,

gevestigd te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 155646 / HA ZA 09-404:

[eiser 44], eiser sub 44,

wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam.

De eisende partij in de zaak 128987 zal hierna de Stichting genoemd worden. Alle eisende partijen zullen gezamenlijk worden aangeduid als de Stichting c.s.

Alle eisende partijen gezamenlijk met uitzondering van de Stichting zullen hierna als de beleggers worden aangeduid. De gedaagde partijen zullen hierna respectievelijk de Bank, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 september 2010;

- het deskundigenbericht d.d. 27 september 2011;

- de conclusie na deskundigenbericht van de Stichting c.s. d.d. 2 november 2011;

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van de Bank d.d. 28 december 2011.

1.2. De rechtbank stelt vast dat [W], [X] en [Y] – in het tussenvonnis van 29 september 2010 aangeduid als eisers 2, 3 en 4 in de zaak 128987 / HA ZA 06-1330 – hun vordering hebben ingetrokken.

[Z] is in het tussenvonnis van 29 september 2010 en 9 december 2009 ten onrechte als eiser in de zaak 128987 / HA ZA 06-1330 aangeduid. [Z] heeft immers geen vordering ingesteld, maar heeft wel – samen met [eiser 27], voorwaardelijk eiser sub 27 – een vordering aan de Stichting gecedeerd. In zoverre zal zijn vordering in het navolgende wel aan de orde komen.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 29 september 2010 heeft de rechtbank een deskundigenbericht bevolen ter zake van de volgende vragen:

1. Gesteld dat de Bank in augustus 1996 een deugdelijke en gedocumenteerde melding bij de STE zou hebben gedaan als bedoeld in rechtsoverweging 6.41 van het tussenvonnis inhoudende het vermoeden dat Safe Haven opereerde als vermogensbeheerder zonder over de daarvoor vereiste vergunning op grond van het bepaalde in artikel 7 Wte 1995 te beschikken, wat zou de STE dan met deze melding hebben gedaan?

2. Zijn in het jaar 1996 of in de periode daarvoor meer van dergelijke meldingen gedaan bij de STE?

2a. Zo ja, heeft de STE toen actie ondernomen en zo ja, wat voor actie was dat?

2b. Zo nee, waarom heeft de STE geen actie ondernomen?

3. Had de STE in 1996 het recht om de bankrekening van Safe Haven te “bevriezen”, waarbij onder bevriezen van een bankrekening wordt verstaan dat de bank (in casu de Bank) (tijdelijk) geen gelden van de bankrekening van haar klant naar derden mag (laten) overboeken en zo ja, zou de STE gebruik gemaakt hebben van dit recht?

3a. Had de STE in 1996 (ook) andere maatregelen kunnen nemen?

3b. Zo ja, welke?

3c. Zou de STE in 1996 meerdere maatregelen tegelijkertijd genomen hebben?

4. Zouden er voor de STE na het ontvangen van de melding van de Bank redenen zijn geweest om de Bank te adviseren over diens rechtsverhouding met Safe Haven?

4a. Zo ja, wat zijn die redenen, wat zou het advies aan de Bank zijn geweest en binnen welke termijn zou dat advies gegeven zijn?

4b. Zou de STE de Bank hebben geadviseerd om de rekening van Safe Haven te sluiten?

2c. Zo ja, waarom?

2d. Zo nee, waarom niet?

5. Zou de STE na het ontvangen van de melding zelf een onderzoek zijn gestart?

5a. Zo nee, wat zou de STE dan wel hebben gedaan?

5b. Zo ja, waar zou dat onderzoek uit hebben bestaan en zou het voor de STE mogelijk zijn geweest om dit onderzoek, gelet op de bezetting in die periode, binnen twee weken af te ronden?

5c. Zo ja, wat zou de vermoedelijke conclusie van dat onderzoek zijn geweest?

5d. Zo ja, is het mogelijk dat het onderzoek ook verplichtingen en/of aanbevelingen en/of adviezen zou bevatten en zo ja, waar zouden die uit bestaan en aan wie zouden deze zijn gericht?

5e. Zo ja, aan wie of wat zou de STE de uitkomsten van haar onderzoek hebben meegedeeld en/of openbaar gemaakt?

5f. Zo ja, zou de STE rechtstreeks de beleggers hebben benaderd of gewaarschuwd of bijvoorbeeld waarschuwingsadvertenties hebben geplaatst?

6. Heeft de STE in een concreet geval waarbij sprake was van een melding dat artikel 7 Wte 1995 (mogelijk) door een (rechts)persoon werd overtreden in het jaar 1996, of in de periode daarvoor, een onderzoek verricht als hiervoor bedoeld?

6a. Zo ja, zijn daarin verplichtingen en/of aanbevelingen en/of adviezen opgenomen?

6b. Zo ja, heeft de STE in een dergelijk geval de uitkomsten van haar onderzoek meegedeeld en/of openbaar gemaakt?

6c. Heeft de STE in een concreet geval waarbij sprake was van een melding dat artikel 7 Wte 1995 (mogelijk) door een (rechts)persoon werd overtreden in het jaar 1996, of in de periode daarvoor beleggers benaderd en/of gewaarschuwd en/of waarschuwingsadvertenties geplaatst?

7. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.2. Bij deskundigenbericht van 27 september 2011 heeft de deskundige voornoemde vragen beantwoord. Het deskundigenbericht luidt – voor zover van belang – als volgt:

2.2 Het klimaat op financiële markten en bij beleggers

In de voor dit bericht relevante periode (1980 – 1995) maakten de financiële markten een langdurige hausseperiode door. Sinds 1981 stegen de koersen van zowel aandelen als obliga¬ties gestaag. Alleen de sterke koersval in 1987 had een tijdelijk effect op het zeer goede klimaat voor aandelen. Dit had gevolgen voor de belangstelling door particuliere beleggers voor effecten in het algemeen en aandelen in het bijzonder. Vooral na 1990 traden de particuliere beleggers toe tot de financiële markten. Het risicobewustzijn van particuliere beleggers was destijds, zo is mijn ervaring, beperkt. De winsten die met het beleggen in aandelen behaald konden wor¬den waren aanzienlijk. De [...] AEX – voor de meeste particuliere beleggers het referentiekader – [was] sinds de introductie in 1983 tot aan 1995 vervier¬voudigd. Na 1995 steeg de AEX door. Pas na 2000 was er sprake van een zeer aanzien¬lijke en zeer langdurige koersdaling.

Veel particuliere beleggers maakten actief – en niet zelden speculatief – gebruik van opties met het doel winst te behalen. Ook leenden beleggers, daartoe aangezet door de dalende rente, geld om daarmee in aandelen te beleggen. De koersstijgingen waren zo langdurig en sterk dat deze risicovolle strategie vaak succesvol was.

Het was in die tijd niet ongebruikelijk dat beleggers collectief activiteiten ondernamen. Men richtte beleggingsclubs op, met het doel gezamenlijk te beleggen. Het was niet ongebruike¬lijk om een gemeenschappelijke rekening te openen ten behoeve van het uitvoeren van trans¬acties. Financiële instellingen waren destijds graag bereid deze beleggingsclubs te faciliteren. Het verschijnsel beleggingsclub, c.q. enige vorm van gemeenschappelijk vermogensbeheer in de vriendschappelijk of familiale sfeer was in die periode geen uitzonderlijk fenomeen. De banken werkten, hoewel de activiteiten zich in een juridische schemerzone bevonden, graag mee omdat de effectendienstverlening (inclusief de bijbehorende kredietverstrekking) zeer winst¬gevend was. Ook probeerden de banken de klanten van beleggingsclubs op een andere wijze aan zich te binden en hen langs deze weg voor hen commercieel interessante producten te verkopen.

Hoewel het hier om een sfeerbeeld terzake van de relatie tussen instellingen en hun klanten gaat, wil ik mijn eigen ervaringen noemen uit de periode 1992 – 2000. Ik werkte destijds veel voor het particuliere segment van een tweetal financiële instellingen. Beide instellingen ver¬leenden diensten aan beleggingsclubs. Zij lieten toe dat een of meer leden van dergelijke clubs transacties uitvoerden. Ook kwam het voor dat bankmedewerkers op eigen initiatief transac¬ties uitvoerden zonder toestemming van de beleggers vooraf. Naar de normen van nu zou dat volstrekt ontoelaatbaar zijn. Nochtans was dat destijds niet zeer ongebruikelijk. Eerst de invoering van de Nadere regeling toezicht effectenverkeer 1999 maakte aan deze diffuse situ¬atie een einde.

2.3 Het wettelijk kader

De regulering van overheidswege van de financiële markten, meer specifiek die van de effec¬tenmarkten, was destijds beperkt. Alleen op het gebied van het prudentiële toezicht was er sprake van een duidelijk en reeds lang bestaand wettelijk kader. De Wet toezicht kre¬dietinstellingen verschafte De Nederlandsche Bank een duidelijk wettelijk kader voor het uit¬oefenen van haar toezicht. Het toezicht op effectenmarkten en effectendienstverlening was evenwel zeer beperkt. Voor een belangrijk deel was het toezicht op met name effectenbeur¬zenbeurzen privaatrechtelijk geregeld. De Vereniging voor de Effectenhandel oefende zelf het toezicht uit op het ordelijk verloop van de handel, de uitgifte van (nieuwe) effecten, alsmede de informatieverschaffing door beursgenoteerde bedrijven aan de financiële markten. De Ver¬eniging had daartoe een eigen controlebureau en er was een eigen intern tuchtrecht. Er was voor de invoering van de Wte 1995 echter geen juridisch kader dat een basis gaf voor het opsporen en vervolgen van, bijvoorbeeld, handel met voorwetenschap.

Voor wat betreft de effectendienstverlening door instellingen aan het publiek was er een be¬perkt wettelijk kader. De Wet effectenhandel 1986, die eerdere wetgeving uit 1914 verving, had verschillende doelen: het bestrijden van illegale handelsactiviteiten buiten de beurs en het weren van frauduleuze effectenaanbie¬ders. De handhaving van deze wet was in handen van het Openbaar Ministerie en gespeciali¬seerde opsporingsinstanties. Uit de literatuur blijkt dat men met deze wet ook de uitgifte van effecten wilde reguleren (de prospectusplicht werd ingevoerd), er kwam een vergunning¬plicht voor effectenbemiddelaars en er werden regels geformuleerd voor de uitgifte van be¬leggingsfondsen voor gemene rekening. Het toezicht op deze categorie fondsen was een taak van De Nederlandsche Bank. Tevens werd aangekondigd dat vermogensbeheerders onderworpen zouden worden aan een vergunningplicht.

De wetgeving zag – althans in de praktijk – overwegend op het tegengaan van zogeheten boi¬lerrooms. Het gaat hier om aanbieders die op een zeer agressieve wijze – veelal telefonisch – met aanlokkelijke aanbiedingen klanten werven. Men duidt dit ook wel aan als cold calling. Degelijke activiteiten waren al sinds de jaren tachtig de autoriteiten een doorn in het oog. Het oogmerk van dergelijke aanbieders was veelal niet dat ze daadwerkelijk vermogen beheerden of zinvolle transacties uitvoerden. Het ging meestal om fraude dan wel provisiejagen door middel van het uitvoeren van overmatig veel transacties. De opsporings¬diensten voerden in samenwerking met het Openbaar Ministerie een handhavingsbeleid.

In de Wte 1992 kreeg de STE de bevoegdheid een aantal ‘omstandigheden ter openbare ken¬nis te brengen’ c.q. te waarschuwen. De STE plaatste incidenteel, in voorkomende gevallen, advertenties om het algemene, niet-geïnformeerde publiek te waarschuwen. Zoals al opge¬merkt is het niet gelukt een overzicht over de periode 1995 – 1996 op te stellen. Veelal ging het om partijen die zich richtten op de handel in derivaten, zoals futures en termijncontracten op grondstoffen. In veel gevallen ging het om buitenlandse aanbieders en ondernamen de Ne¬derlandse autoriteiten voornamelijk actie op instigatie van hun buitenlandse collega’s. Het publiek werd alleen dan gewaarschuwd, zo is ook in diverse gesprekken naar voren gekomen, als het zeer duidelijk was dat er sprake was van frauduleuze activiteiten. Kenmerkend voor deze aanbieders was dat zij klanten wierven door hen ongevraagd telefonisch te benaderen. Dat was ook de overweging om in publieksmedia te waarschuwen.

Pas nadat de Wet toezicht effectenverkeer in 1995 in werking trad, ontstond er een duidelijk juridisch kader dat zag op een verbod van vermogensbeheerdiensten (anders dan effectenbe¬middeling) zonder vergunning. Hierdoor konden de autoriteiten ook ingrijpen als instellin¬gen/partijen individueel vermogensbeheer aanboden zonder dat het evident om frauduleuze activiteiten ging. Artikel 7 van deze wet is zeer duidelijk. De letterlijke tekst luidt:

‘Artikel 7

1 Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten.’

Hoewel deze tekst op het eerste gezicht weinig ruimte laat voor een ruime interpretatie bleken er in de praktijk toch complicaties te zijn. Deze hadden met name betrekking op de vraag of het al of niet om een bedrijfsmatige activiteit ging.

2.4 De plaats en positie van de STE en de interne cultuur

De STE had in 1996 een betrekkelijk korte historie. Deze toezichthouder is in 1988 opgericht en in 1989 operationeel geworden. Zij is in samenspraak met de effectensector en de overheid opgericht. De STE hield in het kader van de Wet effectenhandel namens de minister van Financiën toezicht op de beurzen. Er ontbrak destijds een institutioneel kader van overheidswege waar¬binnen de het toezicht op de beurshandel en het effectenverkeer (dat door de komst van de Wet toezicht effectenverkeer werd uitgebreid) kon worden uitgevoerd. In de eerste jaren had de STE een beperkte bezetting. Zo liet STE haar controlewerkzaamheden uitvoeren door het Controlebureau van de Vereniging voor de Effectenhandel. Dit bureau rapporteerde evenwel rechtstreeks aan het bestuur van de STE.

De STE had in de periode tussen 1991 en 2000 geen bijzonder sterke machtsbasis. Hoewel zij vaak werd aangeduid als de ‘Beurswaakhond’ had zij ten opzichte van de financiële sector – anders dan De Nederlandsche Bank – een beperkte invloed en weinig gezag. Eerst na 1999, nadat de heer Docters van Leeuwen als nieuwe bestuursvoorzitter was aangesteld, kon zij daadwerkelijk een machtsbasis opbouwen. Er kwam nieuwe wet- en regelgeving tot stand. In het bijzonder de invoering van de ‘Nadere Regeling 1999’ kan naar mijn opvatting worden beschouwd als een waterscheiding. Toen pas werd het zeer globale kader van de Wte 1995 geconcretiseerd in een stelsel van gedetailleerde regels.

De STE timmerde na 1999 ook publicitair aan de weg. Zij maakte bijvoorbeeld door middel van een interview in het NRC Handelsblad publiekelijk bekend vervolging af te willen dwin¬gen van een bestuurder van Philips omdat deze gehandeld zou hebben terwijl hij koersgevoe¬lige informatie had over het aandeel van zijn onderneming. Later werd er aangifte gedaan tegen de bestuursvoorzitter van dit concern. Ook waarschuwde de STE in 2001 nadrukkelijk tegen aandelenlease. In het decennium dat volgde, kreeg de AFM steeds meer wettelijke taken en bevoegdheden. Het aantal werknemers groeide sterk en de organisatie kwam tot een zekere volwassenheid. Ook kwam er meer jurisprudentie tot stand op basis waarvan duidelijk was hoe de AFM haar bevoegdheden kon uitoefenen.

Het voorliggende dossier speelt echter in de periode dat er naar mijn opvatting nog geen so¬lide machtbasis was. In de eerste jaren van haar bestaan was de STE een zeer kleine organisa¬tie met een beperkte slagkracht. Men stelde slechts in zeer beperkte mate een beleidsplan op. De organisatie was er in beperkte mate op ingericht signalen uit de markt op te vangen en deze te interpreteren. Ook stelde men geen prioriteiten in de zin dat er aandachtsgebieden werden bepaald waaraan men voorrang of bijzondere aandacht gaf. Verder speelt mee dat de organisatie slechts beperkt was geëquipeerd om zelfstandig onderzoeks- en toezichtonderzoek te doen. Bij de beantwoording van de vragen zal ik concreet op de bevoegdheden van de STE krachtens de Wte ingaan. Omdat er maar zeer weinig jurisprudentie was, leefde er bij de STE een aanzienlijke mate van onzekerheid om¬trent de wijze waarop zij haar bevoegdheden kon uitoefenen.

Wat hierbij ook meespeelt, was de beperkte omvang van de organisatie. Men had slechts en¬kele tientallen medewerkers – de huidige organisatie is ruim twintig keer groter – en deze waren deels weinig ervaren. De slagkracht van de organisatie was ook beperkt omdat deze voorna¬melijk was ingericht op het toezicht op de beurshandel en vergunningverlening. Er was nog geen sprake van doorlopend toezicht door de eigen organisatie, het ging in die tijd primair om het beoordelen van de aanvragen. Ook het uitoefenen van toezicht op kredietinstellingen, die op grond van de Wte waren vrijgesteld van een vergunning, moest nog zijn weg vinden. Deze instellingen opereerden onder een Wtk vergunning. Het institutionele kader bevond zich in 1995/1996 nog in een transitie. In 1996 werd besloten dat de STE een eigen controleafdeling zou gaan inrichten en dat zij niet langer gebruik zou maken van de diensten van de Controlebureaus van de VvE en EOE

Voor wat betreft opsporing en handhaving ter zake van illegale activiteiten – en dan met name de boilerroomfraude – werkte de STE samen met het Openbaar Ministerie. In het geval dat men een dossier inzake illegale activiteiten had opgebouwd, werd dit als regel overgedragen aan het OM. Men deed, zo is mij in diverse gesprekken en uit eigen ervaring duidelijk gewor¬den, dergelijke dossiers bij voorkeur via het strafrechtelijke traject af. Er was geen echte ad¬ministratiefrechtelijke weg om bij illegale instellingen in te grijpen, dus het strafrecht was de enige mogelijkheid. De samenwerking tussen STE/AFM en OM verliep niet altijd even soepel. Uit verschillende jaarverslagen blijkt, dat de STE/AFM zich beklaagt over de opvolging van haar aangiftes door het OM. Een en ander neemt echter niet weg dat de STE, ondanks haar beperkte capaciteit, wel actie ondernam. In het geval van een aangifte bij het OM – waardoor het strafrechtelijke traject werd ingezet – nam de STE meestal geen verdere maatre¬gelen. Zij kon geen bestuursrechtelijke maatregelen nemen, want zij had nog geen bevoegd¬heden daartoe. Er was wel sprake van een waarschuwingsbevoegdheid op basis van artikel 32 Wte 1995.

Ik rond deze paragraaf af met een observatie over de cultuur van de STE. Naar mijn opvatting stelde de STE zich destijds bij de uitleg van de nieuwe wetgeving legalistisch op. Men op¬teerde voor een vrij strikte juridische interpretatie van de wetgeving. Omdat er nog maar wei¬nig bij de wetgeving behorende uitvoeringsbesluiten, noch nadere regelingen, noch beleidsre¬gels waren, vroegen marktpartijen met enige regelmaat om ‘guidance’ met betrekking tot de interpretatie van de open normen die in de wetgeving vervat waren. Uit verschillende ge¬sprekken alsmede mijn eigen waarneming concludeer ik dat de STE koos voor een vrij strikte interpretatie van deze normen. Dit gold tevens voor de interpretatie en het gebruik van hun, bij de wet toegekende, beperkte bevoegdheden. Men bleef dicht bij de wetteksten en gaf de marktpartijen nadrukkelijk aan niet teveel ruimte te nemen. Pas later, toen er meer sprake was van een evenwichtige verhouding tussen de STE/AFM en de sector was er sprake van infor¬mele dialogen waarbinnen partijen op bestuurlijk niveau tot een uitwisseling van visies en standpunten kwamen.

Een laatste opmerking regardeert de organisatie en handelwijze van de onder toezichtstaande instellingen. Anders dan nu het geval is, hadden veel organisaties de zogeheten compliance¬functie niet of slechts rudimentair ingericht. Heden ten dage is de compliance officer een ‘lin¬king pin’ tussen de toezichthouder en de onder toezicht staande instellingen. Er is nu frequent overleg dat op professionele wijze plaatsvindt. In de onderhavige periode was er nog maar nauwe¬lijks sprake van een gestructureerd overleg tussen de STE en de financiële sector. Niet alleen de STE maar ook de instellingen waren slechts beperkt geëquipeerd voor een constructieve dialoog op hoog niveau. De marktpartijen zijn tegenwoordig na twee crises – het leeglopen van de internetzeepbel en de financiële crisis – ervan doordrongen dat goed toezicht ook in hun eigen belang is. Voorts is het sanctie-instrumentarium van de AFM uitgebreid en is het ook duidelijk geworden dat de AFM bereid en in staat is dit in te zetten. Kortom, anders dan vijftien jaar geleden heeft de AFM meer gezag en macht gekregen. De omvang van de organi¬satie is, zoals reed opgemerkt, ten opzichte van 1995 met een factor twintig toegenomen.

(…)

3 Beantwoording van de vragen

(…)

3.1 Vraag 1

Gesteld dat ABN AMRO Bank in augustus 1996 een deugdelijke en gedocumenteerde melding bij de STE zou hebben gedaan als bedoeld in rechtsoverweging 6.41 van het tussenvonnis inhoudende het vermoeden dat Safe Haven opereerde als vermogensbeheerder zonder over de daarvoor vereiste vergunning op grond van het bepaalde in artikel 7 Wte 1995 te beschikken, wat zou de STE dan met deze melding hebben gedaan?

Antwoord:

Gelet op de omstandigheid dat de organisatie van de STE destijds slechts beperkte bevoegd¬heden had en zeer beperkt was toegerust om dit soort gevallen handhavend op te treden, is de meest waarschijnlijke optie dat zij aangifte bij het OM gedaan zou hebben. Zij had wel zelf¬standig onderzoek kunnen doen. Dat onderzoek zou niet alleen betrekking gehad hebben op Safe Haven zelf, maar ook op andere instellingen die onder toezicht van de STE stonden en kennelijk betrokken waren als uitvoerend bemiddelaar. De STE had zich derhalve ook met haar onderzoek op ABN AMRO hebben kunnen richten..

Er zou zeer waarschijnlijk gekozen zijn voor een strafrechtelijke aanpak. Daarbij speelt mee dat er naast een mogelijke overtreden van de Wte ook een vermoeden gerezen zou kunnen zijn van oplichting en/of valsheid in geschrifte. Een dergelijke combinatie pleit voor het aangif¬tetraject.

3.2 Vraag 2

Zijn in het jaar 1996 of in de periode daarvoor meer van dergelijke meldingen gedaan bij de STE?

a) Zo ja, heeft de STE toen actie ondernomen en zo ja, wat voor actie was dat?

Antwoord:

Ja, er zijn meldingen binnen gekomen en ook zijn er door de STE zelf illegale/verboden acti¬viteiten gesignaleerd. Ik maakte al eerder melding van mijn vruchteloze poging om tot een con¬crete reconstructie van de feiten (met name de waarschuwingen) te komen. Volgens de heer Mulder van de AFM werd er – als men de zaak als ernstig genoeg beschouwde – aangifte gedaan bij de opsporingsinstanties. Blijkens het jaarverslag is er in 1995 verschillende keren aangifte gedaan bij de ECD.

Als toelichting op de procedure dat men als regel aangifte deed bij de FIOD/ECD het vol¬gende. Voordat de STE in 1988 werd opgericht was de FIOD/ECD de instantie die belast was met de handhaving van de Wet toezicht effectenhandel 1986. De ECD trad op tegen overtre¬dingen op het gebied van effectenbemiddeling en aanbieden van effecten. Het aanbieden van vermogensbeheer zonder vergunning was op grond van de Wet toezicht effectenhandel niet als zelfstandig delict verboden. Omdat de opsporingscapaciteit van de STE in termen van in¬zetbare mensen en expertise zeer beperkt was, en ook omdat de STE weinig bevoegdheden had, droeg men als regel de dossiers over aan de opsporingsautoriteiten. Hieronder staat een citaat uit het jaarverslag over 1996.

b) Zo nee, waarom heeft de STE geen actie ondernomen?

Antwoord:

Het is niet uitgesloten dat de STE niet of met vertraging op bepaalde meldingen heeft gerea¬geerd. Men beschikte destijds nog niet over een goed instrumentarium voor opsporing en on¬derzoek. Het is mogelijk dat de STE wel meldingen heeft ontvangen over het uitvoeren van vergunningplichtige activiteiten zonder vergunning, maar daarop geen actie heeft ondernomen omdat men ofwel geen goede analyse heeft kunnen maken, ofwel geen capaciteit had om ver¬dere actie te ondernemen. De STE had weinig ervaring met het tegengaan van vermogensbe¬heer zonder vergunning. Zij had nog geen systematische procedure om meldingen te ver¬werken, te beoordelen en prioriteit toe te kennen. Voorts vond er geen systematische koppe¬ling tussen meldingen uit het publiek – die bijvoorbeeld bij de afdeling publieksvoorlichting of bij de secretaris binnenkwamen – en de terzake verantwoordelijke toezichtafdelingen plaats. Eerst na 2000 is de AFM systematisch meldingen gaan verwerken en daar op een ge¬structureerde wijze prioriteit aan gaan toekennen.

3.3 Vraag 3

Had de STE in 1996 het recht om de bankrekening van Safe Haven te bevriezen, waarbij onder bevriezen van een bankrekening wordt verstaan dat de bank (in casu ABN AMRO Bank) (tijde¬lijk) geen gelden van de bankrekening van haar klant naar derden mag (laten) overboeken en zo ja, zou de STE gebruik gemaakt hebben van dit recht?

Antwoord:

Nee. De STE noch DNB hadden – en hebben – de bevoegdheid om tot een ‘freezing of assets’ over te gaan. Er was destijds geen wettelijke titel op grond waarvan de STE een dergelijke actie had kunnen ondernemen. Direct ingrij¬pen in de relatie tussen de instelling en haar cliënten had tot aansprakelijkheidsstelling van de STE door zowel ABN AMRO, als Safe Haven, dan wel haar cliënten, kunnen leiden.

a) Had de STE in 1996 (ook) andere maatregelen kunnen nemen?

Antwoord:

Ja, Er stonden verschillende alternatieven open. In het geval dat het zeer duidelijk was gewor¬den dat er grootschalig fraude werd gepleegd, had de STE hangende het onderzoek van het OM, publiekelijk kunnen waarschuwen of beleggers hebben kunnen benaderen. Dit zou alleen in zeer uitzonderlijke situaties zijn gebeurd. Ik wijs erop dat de doelstelling van de STE het handhaven van het ordelijk functione¬ren van financiële markten en het bevorderen van het vertrouwen in de financiële markten is. Het is niet de primaire taak van de STE om de civiele belangen van individuen te beschermen. Het doen uitgaan van een waarschuwing zou het strafrechtelijk onderzoek kunnen bemoeilijken omdat de verdachte partijen dan bijvoorbeeld bewijsmateriaal zouden kunnen vernietigen.

Zou men tegenover ABN AMRO de bestuursrechtelijke weg zijn ingegaan – en dat had slechts indi¬rect gekund in samenwerking met De Nederlandsche Bank – dan had men ABN AMRO een aanwij¬zing kunnen geven. Beide trajecten hadden naast elkaar kunnen lopen. Op grond van artikel 12 van de Wte had de STE de mogelijkheid van het geven van een aanwijzing aan ABN AMRO. Indien ABN AMRO deze aanwijzing niet opgevolgd zou hebben, dan had de STE een be¬kendmaking kunnen doen, hetgeen tot gevolg gehad zou hebben dat de ABN AMRO haar effecten¬bedrijf stil zou moeten leggen.

Het is naar mijn opvatting zeer de vraag of men destijds dergelijke drastische maatregelen had genomen. De STE en DNB werkten in de onderhavige periode moeizaam samen. Het geven van een aanwijzing aan ABN AMRO zou destijds als een zware maatregel ervaren zijn. Ook het doen stilleggen van het effectenbedrijf zou naar mijn opvatting, gegeven de omvang van de zaak, een disproportionele maatregel zijn geweest.

b) Zo ja, welke?

Antwoord:

Ik verwijs naar het antwoord hierboven bij a).

c) Zou de STE in 1996 meerdere maatregelen tegelijkertijd genomen hebben?

Antwoord:

De enige echte maatregel die de STE had kunnen nemen was die van aangifte bij het OM. Eventuele bestuurrechtelijke maatregelen zouden slechts door DNB genomen kunnen zijn (jegens de kredietinstelling). Slechts als daar een zeer dringende noodzaak voor was geweest, dan had de STE zelf ook andere maatregelen kunnen nemen. Dat had kunnen gebeuren als het opsporingsonderzoek door het OM dan wel FIOD/ECD lang (langer dan enkele maanden) had geduurd terwijl het evident was dat de beleggers zeer ernstig in hun belang geschaad werden. Mogelijk had men, in het geval van grote (potentiële) schade, wel beleggers gewaarschuwd. In de gevallen van boilerroomfraude is dat een enkele keer gebeurd. Het ging dan veelal om dossiers waarin buitenlandse autoriteiten de STE op de hoogte stelden van dergelijke fraudes. Omdat uit het dossier mij niet is gebleken dat zulks het geval was, acht ik het bijzonder onwaar¬schijnlijk dat er ingegrepen zou zijn. De AFM heeft mij bij monde van de heer Mulder gemeld dat - voor zover hem bekend - eerst in 1998 haar signalen bereikten ter zake van de activitei¬ten van Safe Haven en de (vermeende) schade die klanten daardoor geleden zouden hebben. Blijkbaar was er voordien geen reden om alarm te slaan. Dit sluit uiteraard niet uit dat er mogelijk wel werd gefraudeerd, maar het was in 1996 kennelijk door de beleggers nog niet opgemerkt laat staan vastgesteld. De STE had tot dan toe niet rechtstreeks van beleggers die met Safe Haven in zee waren gegaan, klachten ontvangen.

d) Zouden er voor de STE na het ontvangen van de melding van ABN AMRO Bank redenen zijn geweest om ABN AMRO Bank te adviseren over diens rechtsverhouding met Safe Haven?

Antwoord:

Ik verwijs naar het antwoord hierboven en het hierna te geven antwoord.

e) Zo ja, wat zijn die redenen. Wat zou het advies aan ABN AMRO Bank zijn geweest en binnen welke termijn zou dat advies gegeven zijn?

Antwoord:

De STE zou, indien zij een deugdelijke en goed gedocumenteerde melding had ontvangen, ABN AMRO mogelijk wel geadviseerd hebben ter zake van haar relatie met Safe Haven. De STE zou, volgens de heer Mulder, in dat geval waarschijnlijk geopteerd hebben voor een terug¬houdende opstelling. Ook andere geïnterviewden bevestigen dit standpunt. Het is niet uitgesloten dat men ABN AMRO informeel erop gewezen zou heb¬ben een en ander nog eens goed te onderzoeken. De STE moest binnen een beperkt bevoegd¬heidskader opereren

Als uit de melding duidelijk zou zijn geweest dat artikel 7 van de Wte werd overtreden en dat ABN AMRO deze overtreding faciliteerde dan zou de STE ABN AMRO, in samenspraak met DNB, op de hoogte hebben gebracht van haar opvatting dat er sprake was van een economisch delict dat door Safe Haven gepleegd werd. Omdat ABN AMRO een onder toezicht staande instelling is en dus mo¬gelijk zou meewerken aan strafbare feiten, hetgeen bij voldoende wetenschap en verwijt¬baarheid van ABN AMRO, ook als medeplichtigheid aan dergelijke overtredingen zou kunnen wor¬den gekwalificeerd, zal de STE goede gronden hebben gehad om ABN AMRO van haar opinie op de hoogte te stellen. De volgende overweging zou een rol hebben gespeeld. Omdat ABN AMRO als bank bij Safe Haven geïnvolveerd was, zou een eventueel onderzoek, ook al zou dat bij Safe Haven plaatsvinden, haar reputatie en vertrouwenspositie op de financiële markt geschaad hebben. Indien het OM daadwerkelijk tot een opsporingsonderzoek overgegaan zou zijn, dan was het zeer waarschijnlijk geweest dat functionarissen van het OM of de FIOD/ECD overge¬gaan zouden zijn tot het binnentreden van de gebouwen van ABN AMRO. Dit zou niet zonder publi¬citaire repercussies gebleven zijn. Ook de reputatie van ABN AMRO zou alsdan in het geding kun¬nen komen.

De STE zou ABN AMRO in overweging gegeven hebben de relatie met Safe Haven op zijn minst kritisch te heroverwegen. De heer Mulder stelde zich op het standpunt dat er zeer waarschijn¬lijk geen expliciete instructie, laat staan een formele aanwijzing, gegeven zou zijn. Dat zou alleen gebeurd zijn als het zeer duidelijk was geweest dat ABN AMRO zelf een overtreding beging. De STE zou haar visie op het dossier informeel gegeven hebben, maar duidelijk gemaakt heb¬ben dat zij het zonder meer continueren van de relatie als onwenselijk beschouwde. Men had ABN AMRO in overweging gegeven kunnen hebben de relatie met Safe Haven zorgvuldig af te wik¬kelen.

Ook zou de STE naar mijn opvatting overwogen kunnen hebben dat, nu zij kennis had van het dossier, zij niet geheel passief had kunnen blijven. De STE zou, al was het maar om haar aan¬sprakelijkheid in de toekomst te beperken, in ieder geval haar negatieve oordeel aan ABN AMRO hebben meegedeeld. Het ligt in de rede, nu de STE kennis had van dit dossier, dat zij haar wetenschap ter zake van dit dossier gedeeld zou hebben met de opsporingsautoriteiten. Ik kan niet beoordelen of de STE verzocht zou hebben tot actieve opsporing over te gaan.

3.4 Vraag 4

Zou de STE ABN AMRO Bank hebben geadviseerd om de rekening van Safe Haven te sluiten?

a) Zo ja, waarom?

Antwoord:

Onder verwijzing naar het antwoord hierboven ben ik van mening dat de STE zulks niet expliciet geadviseerd zou hebben. Direct ingrijpen zou – zeker in de destijds vigerende ver¬houdingen tussen de marktpartijen en de toezichthouder – niet aan de orde zijn geweest. De STE zou zich terughoudend hebben opgesteld, vooral ook omdat ABN AMRO onder een DNB vergunning opereerde. De te ondernemen acties – zo die plaats gevonden zouden hebben – zouden zich in eerste instantie op Safe Haven hebben gericht.

b) Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Ik herhaal hier niet in extenso mijn eerder weergegeven opvatting. Eerst had men moeten vaststellen dat er daadwerkelijk sprake was van een overtreding van artikel 7 van de Wte. Hoewel het mij zeer waarschijnlijk lijkt dat deze conclusie getrokken zou zijn, zou het niet in de rede gelegen hebben, dat de STE ABN AMRO rechtstreeks aangesproken zou hebben en dwin¬gende instructies gegeven zou hebben. Ik heb reeds duidelijk gemaakt dat de STE zich niet in de directe relatie met financiële instellingen en hun klanten mengde. De primaire taak van de STE was - en is – het houden van toezicht op financiële markten.

Ik wijs erop dat er tal van andere casusposities zijn waarin de STE/AFM kennis had van ‘misstanden’ van aanzien¬lijke ernst en omvang, daarvoor zelfs boetes oplegde en andere maatregelen nam, maar daarbij niet ingreep in de relatie tussen klanten in instellingen. Denk hierbij aan de latere casusposi¬ties van aandelenlease, beleggingsverzekeringen en de overkreditering bij DSB. De AFM signaleerde de problemen, trad corrigerend op, legde boetes op en deed punitieve publica¬ties van boetebesluiten, maar zij greep niet rechtstreeks in.

3.5 Vraag 5

Zou de STE na het ontvangen van de melding zelf een onderzoek zijn gestart?

Antwoord:

De STE zou een onderzoek gestart kunnen hebben. Op voet van de Wte zoals die in 1992 in werking was getreden was het uitvoeren van vermogensbeheer zonder vergunning immers verboden. De capaciteit van de STE voor het doen van onderzoeken was evenwel beperkt. Ik herhaal dat de STE vrijwel altijd moest overgaan tot het doen van aangifte bij het OM. Voor het zelfstandig doen van onderzoek was de STE destijds beperkt geëquipeerd. Ook had de STE destijds zeer weinig bevoegdheden tot het doen van onderzoek. Indien men bij ABN AMRO een onderzoek gedaan zou hebben, dan had men dat met DNB moeten afstemmen. Dat zou des¬tijds – gelet op de toen nog moeizame relatie tussen beide toezichthouders – niet zonder slag of stoot zijn gegaan.

Het geheel overziende concludeer ik dat de STE niet zelf een onderzoek gestart zou zijn. Als de STE toch een onderzoek gestart zou hebben en als ABN AMRO de te onderzoeken partij zou zijn geweest, dan zou de STE zich terughoudend opgesteld hebben. Men zou in eerste instan¬tie aangestuurd hebben op een informeel en aftastend gesprek met ABN AMRO. In dat geval had men in goed overleg kunnen aansturen op redresserende maatregelen. Dat was destijds geen ongebruikelijke werkwijze van de STE.

De andere – en meest waarschijnlijke – mogelijkheid is dat men het onderzoek gericht zou hebben op Safe Haven. De STE zou zich in eerste instantie met een informatieverzoek op voet van artikel 29 Wte 1995 tot Safe Haven hebben kunnen wenden. Het doel van dit onderzoek zou geweest zijn het vaststellen of de wettelijke bepalingen wel werden nageleefd. Op voet van het genoemde artikel 29 zou Safe Haven verplicht zijn geweest mee te werken aan dit onderzoek. Ik wijs erop dat het destijds om betrekkelijk recente wetgeving (ingevoerd in 1992) ging, waarmee zowel toezichthouders, als instellingen en hun adviseurs weinig ervaring hadden. Het kwam, zelfs na 2000, voor dat instellingen zich er niet bewust van waren dat zij een overtreding begingen. De relevante wetgeving bestond toen al meer dan acht jaar.

a) Zo nee, wat zou de STE dan wel hebben gedaan?

Antwoord:

Ik verwijs naar mijn conclusie hierboven. De STE had beperkte bevoegdheden. Als men binnen de grenzen van de destijds vigerende bevoegdheden niet tot een bevredigend resultaat gekomen zijn dan is het is zeer waarschijnlijk dat de STE het dossier aan de FIOD/ECD over¬gedragen zou hebben. Deze instantie zou zich primair op Safe Haven hebben gericht. Daar vond immers de overtreding plaats.

b) Zo ja, waar zou dat onderzoek uit hebben bestaan en zou het voor de STE mogelijk zijn geweest om dit onderzoek, gelet op de bezetting in die periode, binnen twee weken af te ronden?

Als de STE het onderzoek op Safe Haven gericht zou hebben, en dat is in mijn optiek de meest voor de hand liggende optie, dan zou men het onderzoek in eerste instantie gericht heb¬ben op het verzamelen van feiten door middel van het doen uitgaan van een informatiever¬zoek. Men had zich een beeld willen vormen van de activiteiten van Safe Haven, de interne controle en organisatie alsmede de omvang van de belegde middelen. Het was in de voor dit bericht relevante periode niet ongebruikelijk dat de STE zich met dergelijke informatiever¬zoeken tot partijen wendde. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat het onderzoek zich in eerste instantie op ABN AMRO gericht zou hebben. Als er bij de STE een vermoeden leefde dat de Wte werd overtreden, dan zou het in de rede gelegen hebben om het onderzoek primair te richten op de mogelijke overtreder. Als evenwel gebleken was dat ABN AMRO uitvoerend bemiddelaar was, dan zou de STE ABN AMRO, mede omdat zij een vergunning als effectenbemiddelaar had, wel heb¬ben kunnen aanspreken. ABN AMRO maakte het immers mogelijk dat er vermogensbeheer zonder vergunning werd uitgevoerd. ABN AMRO was derhalve uitvoerend bemiddelaar. De STE had in beginsel een aanwijzing kunnen geven en bij het niet opvolgen daarvan had men het effecten¬bedrijf kunnen doen stilleggen. Ik herhaal mijn visie dat deze maatregelen disproportioneel geweest zouden zijn.

Ik acht het volstrekt uitgesloten dat de STE een dergelijk onderzoek, gegeven de beperkte ervaring en bezetting, binnen een zo korte tijdspanne (twee weken) uitgevoerd en afgerond zou kunnen hebben. Los van genoemde beperkingen zou het entameren van een dergelijk on¬derzoek, het opstellen van de conclusies alsmede het uitvoeren van hoor en wederhoor nim¬mer binnen een dergelijke korte periode hebben kunnen plaatsvinden. De STE hechtte – en hecht – grote waarde aan een zorgvuldige naleving van de interne procedures en stelt ook hoge eisen aan een zorgvuldige bejegening van marktpartijen. Ook de heer Mulder deelde dit standpunt. Naar mijn opvatting zou een dergelijk onderzoek minimaal een half jaar gevergd hebben.

c) Zo ja, wat zou de vermoedelijke conclusie van dat onderzoek zijn geweest?

Nu er achteraf is gebleken dat er vermogensbeheeractiviteiten werden uitgevoerd lijkt het mij – mede na bestudering van het dossier - zeer waarschijnlijk dat de STE tot de conclusie ge¬komen was, dan wel dat er een zeer sterk vermoeden ontstaan was dat artikel 7 van de Wte over¬treden werd.

d) Zo ja, is het mogelijk dat het onderzoek ook verplichtingen en/of aanbevelingen en/of adviezen zou bevatten en zo ja, waar zouden die uit bestaan en aan wie zouden deze zijn gericht?

Antwoord:

De STE zou de beheerders van Safe Haven naar alle waarschijnlijkheid medegedeeld hebben dat de Wte werd overtreden. De STE zou medegedeeld hebben dat de overtreding diende te worden gestopt en dat indien dat niet zou geschieden er vervolgstappen gezet zouden gaan worden.

e) Zo ja, aan wie of wat zou de STE de uitkomsten van haar onderzoek hebben meege¬deeld en/of openbaar gemaakt?

Antwoord:

De STE had – gelet op de haar rustende geheimhoudingsplicht – nimmer de inhoudelijke uit¬komsten van haar onderzoek openbaar gemaakt. De uitkomsten van onderzoeken werden – en worden – alleen meegedeeld aan partijen bij welke het onderzoek heeft plaats gevonden. Ook publicatie van bevindingen was destijds geen mogelijkheid omdat de destijds vigerende wetgeving daartoe geen mogelijkheid bood. De uitkomsten van het onderzoek had¬den slechts gedeeld mogen worden met de opsporingsautoriteiten, Safe Haven en – indien dat relevant zou zijn - met DNB. De STE had op grond van artikel 32 Wte een waarschuwing kunnen doen uitgaan, inhoudende dat Safe Haven zonder vergunning vermogensbeheer uit¬voerde. Tevens had men dan aangifte kunnen doen bij het OM. De STE had geen waarschu¬wing jegens ABN AMRO uitgegeven. ABN AMRO was slechts uitvoerend bemiddelaar en overtrad niet zelf de Wte.

f) Zo ja, zou de STE rechtstreeks de beleggers hebben benaderd of gewaarschuwd of bij¬voorbeeld waarschuwingsadvertenties hebben geplaatst?

Antwoord:

Het is zeer waarschijnlijk dat de STE dat in dit concrete geval – gelet op de daarmee samen¬hangende feiten en omstandigheden – niet gedaan zou hebben. Ik heb al aangegeven dat de STE – als men al de publiciteit zocht – zich op instigatie van buitenlandse toezichthouders vrijwel uitsluitend richtte op waarschuwen tegen boilerroomfraude in combinatie met cold calling. Een enkele keer werd er gewaarschuwd voor partijen die zonder prospectus uit te geven ef¬fecten aan beleggers aanboden. Het ging hier om activiteiten waarvan het zeer duidelijk is dat niet-geïnformeerde beleggers in hun belang geschaad zouden worden. Het plaatsen van een advertentie in de voorliggende casus zou met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk niet aan de orde zijn geweest. Ik heb de argumenten hiervoor al genoemd. Hoogstens was er in algemene zin een mededeling gedaan dat zonder vergunning vermogensbeheer werd verricht.

3.6 Vraag 6

Heeft de STE in een concreet geval waarbij sprake was van een melding dat artikel 7 Wte 1995 (mogelijk) door een (rechts)persoon werd overtreden, in het jaar 1996 of in de periode daarvoor, een onderzoek verricht als hiervoor bedoeld?

a) Zo ja, zijn daarin verplichtingen en/of aanbevelingen en/of adviezen opgenomen? `

Antwoord:

In de jaarverslagen van de STE is hierover op hoofdlijnen informatie terug te vinden. Er is in 1995 18 keer aangifte gedaan. Evenmin was er sprake van een nauwkeurig protocol waarin vastlag hoe men met dergelijke meldingen omging. Dit laat echter onverlet dat er langs di¬verse kanalen wel meldingen bij de toezichtafdelingen binnenkwamen. Verschillende door mij geraadpleegde personen hebben dit bevestigd. Vaak waren het concurrenten dan wel (ex)medewerkers van (mogelijke) overtreders die een melding deden. Hoewel deze meldingen geen systematische opvolging kregen, was het niet zo dat de STE er niets mee deed.

De wijze waarop de STE opvolging gaf, verschilde van geval tot geval. Het kwam geregeld voor dat partijen zich niet bewust waren van het feit dat ze een overtreding begingen. Denk daarbij aan golfclubs die aandelen of obligaties uitgaven ter financiering van het clubhuis of beleg¬gingsclubs waarbij het bestuur materieel als beheerder optrad. In dergelijke gevallen rea¬geerde de STE met een zekere mildheid. Vaak kreeg men het informele advies de activiteiten te stoppen of een vergunning aan te vragen dan wel een prospectus op te stellen. Ook is mij uit eigen ervaring en uit gesprekken gebleken dat indien een vergunninghoudende partij niet geheel aan de regels voldeed en bij de toezichthouder de overtuiging leefde dat er geen opzet of onwil in het spel was, men niet direct met harde hand optrad. Was er sprake van on¬wil, dan pas werd er na een aantal stappen ingegrepen.

Ik benadruk dat de STE in haar formele reactie met het oog op het opbouwen van een dossier altijd wel expliciet aan de desbetreffende partij meldde er sprake was van een overtreding.

b) Zo ja, heeft de STE in een dergelijk geval de uitkomsten van haar onderzoek meege¬deeld en/of openbaar gemaakt?

Antwoord:

Daarvan is noch bij de STE, noch in openbare bronnen noch bij de door mij geïnterviewde personen een casus bekend dat er een openbare mededeling is gedaan. De uitkomsten werden slechts aan de onderzochte partijen meegedeeld. Niettemin had de STE een wettelijke grond om mee te delen dat een partij zonder vergunning vermogensbeheer uitvoerde.

Heeft de STE in een concreet geval waarbij sprake was van een melding dat artikel 7 Wte 1995 (mogelijk) door een (rechts)persoon werd overtreden, in het jaar 1996 of in de periode daarvoor, beleggers benaderd en/of gewaarschuwd en/of waarschuwingsad¬vertenties geplaatst?

Antwoord:

Er zijn volgens de heer Mulder in die periode wel advertenties geplaatst. Deze waren voor zover hem bekend primair gericht tegen boilerroomfraude. Ik heb omstandig ge¬zocht in online databestanden, waaronder die van het Financieele Dagblad en de Telegraaf. Ik heb geen advertenties gericht op overtreders van het verbod om vermogensbeheer aangetroffen, maar dat wil niet zeggen dat ze niet zijn geplaatst. Ik acht het nochtans uitermate onwaarschijnlijk dat dit gebeurd is. De STE heeft geen individuele beleggers benaderd. Daarvan heeft niemand mij enige melding gedaan, noch heb ik daarvan enig ander bewijs gevonden.

3.7 Vraag 7

Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

Antwoord:

Ik wil nog drie aanvullende opmerkingen maken.

In de eerste plaats wil ik erop wijzen dat niet alleen de Wte doch ook de Wet toezicht krediet¬wezen (Wtk 1992) een goed aanknopingspunt geboden zou hebben om illegaal vermogensbe¬heer aan te pakken. In deze Wet, hoofdstuk 12, paragraaf 1, artikel 82, lid 1 staat het volgende vermeld:

“Hoofdstuk XII. Bijzondere bepalingen

§ 1. Verbod op het ter beschikking verkrijgen van opvorderbare gelden van het publiek

Artikel 82

1. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of ter beschikking te heb¬ben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorder¬bare gelden.

2. De in het eerste lid genoemde verboden zijn niet van toepassing op:

a. ondernemingen en instellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, on¬der 1°, welke ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, b, c of d, zijn geregistreerd;

b. de Bank;

c. de Lid-Staten, alsmede de regionale of locale overheden van de Lid-Staten; en

d. internationaal publiekrechtelijke instellingen waarin of waaraan één of meer Lid-Staten deelnemen.”

Op grond van dit artikel had DNB rechtstreeks bij Safe Haven kunnen ingrijpen. Dat had be¬trekkelijk eenvoudig gekund omdat men geen opzet hoefde te bewijzen. Ook had DNB meer invloed op ABN AMRO. Anders dan tegenover de STE verkeerde ABN AMRO als bank met een Wtk ver¬gunning wel in een afhankelijkheidsrelatie tegenover DNB. Voorts had DNB, zeker in de re¬levante periode, aanzienlijk meer gezag dan de STE. Ik acht het zeer wel denkbaar dat derhalve niet primair de STE, maar DNB ABN AMRO met een eventuele vraagstelling benaderd zou heb¬ben.

Een tweede opmerking regardeert de mogelijke reactie van ABN AMRO op een advies/instructie van de STE. Gelet op de zwakke positie die de STE destijds acht ik het niet uitsloten dat men niet direct of zelfs helemaal geen opvolging gegeven zou hebben aan een informeel afgegeven opinie.

In zijn brief van 2 september benoemt mr. Schonewille enkele feiten die in een goed gedocumenteerde melding opgenomen zouden zijn. Ik citeer uit de brief:

Begin citaat

‘In rechtsoverweging 6.41 van het tussenvonnis van 9 december 2009 heeft de Rechtbank de (minimale) inhoud van een vereiste melding bepaald. De Rechtbank overweegt aldaar dat de vraag is wat de gevolgen zouden zijn geweest wanneer ABN AMRO Bank op 1 augustus 1996 bij de STE "een gedocumenteerde aangifte zou hebben gedaan waarbij zij alle toen bekende feiten zou hebben gemeld, waaronder alle feiten die [A] in zijn memorandum genoemd heeft en die in ieder geval behelzen de kasopnamen door [gedaagde 2] en [gedaagde 3], de hoge stortingsbedragen en het feit dat er grote bedragen werden doorgestort naar andere financiële instellingen." Vervolgens overweegt de Rechtbank dat een van de in kaart te brengen gevolgen de vraag betreft in hoeverre een "dergelijke" melding van invloed zou zijn geweest op het ontstaan en de omvang van de schade.’

Einde citaat

De genoemde feiten zouden naar mijn inzicht in het licht van het huidige normenkader als ernstig beschouwd dienen te worden. Gelet op de omstandigheid dat tegenwoordig het handelen van partijen in de financiële sector zeer nauwlettend wordt gevolgd en ook omdat de normen zijn aangescherpt, zouden de gemelde feiten de ABN AMRO aanleiding hebben gegeven om in te grijpen.

Ik acht het evenwel niet uitgesloten dat de ABN AMRO destijds – gegeven het toen actueel zijnde normenkader – niet, of met vertraging gereageerd zou hebben. Ik wil erop wijzen dat eerst na enige geruchtmakende affaires – zoals die bij Rabobank Doetinchem – duidelijk werd dat de repercussies van fraudes – in termen van reputatieschade en aansprakelijkheid – zeer aanzienlijk kunnen zijn.

Een derde opmerking betreft de strafrechtelijke mogelijkheden. In de relevante periode werd het aanpakken van ‘illegale’ niet vergunninghoudende instellingen met name overgelaten aan de ECD (later samengevoegd met de FIOD). Juist in de jaren na 1995 werd er een meer structureel overleg opgebouwd tussen STE en OM en ECD om te komen tot betere afstem¬ming en prioriteitstelling over de aanpak van dergelijke overtredingen.

Strafrechtelijk gezien had de ECD op grond van de Wet economische delicten reeds zelf re¬delijk vergaande bevoegdheden om in geval van een aanwijzing van een mogelijke overtre¬ding van de Wte onderzoek te doen, beslag te leggen (waaronder mogelijk op de gebruikte bankrekeningen), informatie bij de instelling of bij derden op te vragen en, binnen te treden in het kantoor van de instelling. Een strafrechtelijk redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit was voor een aantal van deze bevoegdheden, hetgeen een zwaardere verdenking inhoudt dan het bestaan van een aanwijzing, was hiervoor niet nodig. In die zin vulde de ECD dan ook het gat dat mogelijk in het toezicht nog bestond.

De ECD had voorts toen ook enkel toezichtrechtelijke, niet zijnde strafrechtelijke, bevoegd¬heden. Mij is echter niet bekend of deze controlebevoegdheden, die ook zonder het bestaan van een aanwijzing konden worden ingezet, in die periode door de ECD werden gebruikt. Nu de bevoegdheden en mogelijkheden van de ECD (en het OM) buiten de specifieke vraag¬stelling van de rechtbank valt, heb ik hier verder geen onderzoek naar gedaan.

2.3. De Stichting heeft het volgende aangevoerd.

De deskundige heeft in zijn rapport onvoldoende onderkend dat de rechtbank een concrete invulling heeft gegeven aan de melding die de Bank op 1 augustus 1996 bij de STE had moeten doen. De rechtbank overweegt in haar vonnis van 9 december 2009 immers dat de in kaart te brengen vraag is wat de gevolgen zouden zijn geweest ‘wanneer de Bank op 1 augustus 1996 bij de STE een gedocumenteerde aangifte zou hebben gedaan waarbij zij alle toen bekende feiten zou hebben gemeld, waaronder alle feiten die [A] in zijn memorandum genoemd heeft en die in ieder geval behelzen de kasopnamen door [gedaagde 2] en [gedaagde 3], de hoge stortingsbedragen en het feit dat er grote bedragen werden doorgestort naar andere financiële instellingen’.

De deskundige schrijft in zijn rapport evenwel dat de rechtbank een beperkte invulling heeft gegeven aan de vraagstelling en op hoofdlijnen heeft vermeld wat er in een melding door de Bank aan de STE opgenomen zou zijn geweest. De deskundige betrekt de inhoud van de melding niet of nauwelijks bij de beantwoording van de vragen, terwijl het wel degelijk verschil maakt of daarbij wordt uitgegaan van een melding door de Bank bij de STE zoals door de rechtbank omschreven of slechts van een melding dat mogelijk sprake was van vermogensbeheer zonder vergunning. De melding als door de rechtbank omschreven kan bezwaarlijk anders worden gekwalificeerd dan als duidend op een zeer ernstige overtreding. Er was bepaald geen sprake van vermogensbeheer in vriendschappelijke of familiale sfeer.

De Stichting stelt zich op het standpunt dat de STE, in tegenstelling tot de conclusie van de deskundige, wel een eigen onderzoek zou hebben verricht, gelet op de melding door de Bank van een zeer ernstige overtreding. Daarnaast zou de STE aangifte hebben gedaan bij de opsporingsinstantie(s).

De STE zou gelet op de ernst van de overtreding een openbare kennisgeving hebben doen uitgaan, danwel individuele beleggers benaderd hebben. Uit de melding bleek immers van grote (potentiële) schade voor beleggers. Dat beleggers eerst in 1998 klaagden, is in dat verband niet relevant.

De STE zou zich na de melding tot de Bank hebben gewend om haar duidelijk te maken dat voortzetting van de relatie met Safe Haven onwenselijk was en daarbij zou de STE forse druk op de Bank uitoefenen om de relatie met Safe Haven te beëindigen.

Anders dan de deskundige concludeert, beschikte de STE wel degelijk over verregaande bevoegdheden als het betreden van plaatsen, het stilleggen van de dienstverlening van de Bank aan Safe Haven en het doen uitgaan van een openbare waarschuwing, waarbij de STE mogelijk ook op de risico’s van het investeren in Safe Haven zou hebben gewezen. Gelet op de ernst van de overtreding en de bevoegdheden zou de STE een eigen onderzoek zijn gestart, dat erop gericht zou zijn geweest de Bank te bewegen de relatie met Safe Haven te beëindigen.

De Stichting onderschrijft niet de opmerking van de deskundige dat het niet uitgesloten is dat de Bank niet of slechts met vertraging gereageerd zou hebben op een advies van de STE. Het ligt immers voor de hand dat de Bank, gelet op de voorzienbare risico’s, de dienstverlening aan de grootschalige illegale activiteiten van Safe Haven spoedig zou hebben beëindigd.

De Stichting concludeert dat het aannemelijk is dat de STE naast de aangifte bij de opsporingsinstanties andere maatregelen had genomen, gelet op de ernst van de overtreding.

De Stichting kan zich niet verenigen met de conclusie van de deskundige dat de STE twee maanden na de melding door de Bank aangifte zou hebben gedaan. Gelet op de – door de deskundige onvoldoende onderkende – uit de melding blijkende ernst van de overtreding en de omstandigheid dat de melding goed gedocumenteerd zou zijn, zou verificatie door de STE aanzienlijk minder tijd dan twee maanden in beslag nemen. Voorts zou de aangifte tot spoedige opvolging door de opsporingsinstantie hebben geleid. Vervolgens zou de rekening van Safe Haven binnen enkele dagen gesloten zijn. Wat de Bank feitelijk zou hebben gedaan nadat de STE haar had medegedeeld dat Safe Haven illegaal opereerde is evenwel niet relevant, nu het voortzetten van de relatie met Safe Haven door de Bank in de wetenschap dat Safe Haven een illegale vermogensbeheerder is, zonder meer onrechtmatig is. De Stichting concludeert dat als de Bank op 1 augustus 1996 de door de rechtbank omschreven melding bij de STE had gedaan, dit er toe zou hebben geleid dat de werkzaamheden van Safe Haven aanzienlijk eerder tot een einde zouden zijn gekomen dan pas (ruim) twee maanden na een dergelijke melding.

Ter zake van de schade heeft de Stichting naar voren gebracht dat de Bank aansprakelijk is voor verloren gegane stortingen die zijn gedaan nadat de werkzaamheden van Safe Haven beëindigd zouden zijn geweest ten gevolge van de melding bij de STE. Dat geldt tevens voor stortingen die zijn gedaan in de korte periode voordat de Bank de rekening van Safe Haven zou hebben gesloten. Deze bedragen zouden nog op de rekening staan, dan wel eenvoudig terug te halen zijn bij de instellingen waarnaar de bedragen zijn overgeboekt. Als de stortingen toch al verloren zouden zijn gegaan, dan zouden zij nog eenvoudig te verhalen zijn geweest op [gedaagde 2] en [gedaagde 3], die toen nog in goeden doen verkeerden, aldus nog steeds de Stichting.

2.4. De Bank heeft – samengevat – naar voren gebracht dat nog niet vast staat dat zij jegens ieder van de beleggers onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank dient zich daarnaast nog uit te laten over de vraag in hoeverre de beleggers hun vorderingen rechtsgeldig hebben overgedragen aan de Stichting. Voorts staat nog niet vast dat de Bank alle schade van de beleggers dient te vergoeden. De rechtbank dient zich immers nog uit te laten over (onder meer) het causaal verband, de toepasselijkheid van de omkeringsregel, de relativiteit en de eigen schuld aan de zijde van de beleggers. In dit verband heeft de Bank het volgende aangevoerd.

Het causaal verband tussen de schending van de zorgplicht door de Bank en de schade van de beleggers ontbreekt. De rechtbank gaat er immers van uit dat ook als de Bank de beleggers had gewaarschuwd dat Safe Haven geen vergunning voor vermogensbeheer had, dit er niet toe had geleid dat de beleggers niet meer zouden deelnemen in Safe Haven.

Volgens de deskundige zou de STE op zijn vroegst binnen twee maanden na de melding door de Bank waarschijnlijk aangifte hebben gedaan bij het Openbaar Ministerie. Niet uit te sluiten valt dat de STE niet of pas later aangifte bij het Openbaar Ministerie zou hebben gedaan, nu de melding midden in de vakantieperiode had moeten plaatsvinden. Voorts is het mogelijk dat de STE zou hebben geoordeeld dat sprake was een beleggingsclub in familiaire of vriendschappelijke sfeer. Pas als Safe Haven bijvoorbeeld niet bereid zou zijn geweest een vergunning aan te vragen of een prospectus op te stellen, had de STE mogelijk aangifte gedaan.

Voorts betekent het enkele feit dat mogelijk in strijd met de Wte 1995 wordt gehandeld nog niet dat beleggers in hun vermogensbelangen worden geschaad.

Het is nog maar de vraag of de aangifte bij het Openbaar Ministerie tot snel ingrijpen zou hebben geleid. Het ligt voor de hand dat het Openbaar Ministerie ook onderzoek zal moeten doen, hetgeen de nodige tijd kost.

Ook als de beleggers door de STE waren gewaarschuwd dat Safe Haven zonder de vereiste vergunning handelde, zouden de beleggers hun vermogen aan Safe Haven ter beschikking hebben gesteld, gelet op de grote mate van geheimzinnigheid waarmee Safe Haven was omgeven. Daaruit blijkt ook al dat geen sprake was van een gebruikelijke manier van beleggen, hetgeen voor de beleggers kennelijk geen bezwaar was.

De enkele vaststelling van de STE dat Safe Haven in strijd met de Wte 1995 handelde, zou onvoldoende grond opleveren de rekening van Safe Haven terstond te sluiten. De Bank is in beginsel alleen gehouden ervoor te zorgen dat de rekeninghouder de beschikking over de rekening heeft. De Bank zou zich na een eventuele aanwijzing van de STE niet gerealiseerd hebben dat zij mogelijk aansprakelijk zou zijn en dus niet aanstonds overgaan tot sluiting van de rekening.

Het is niet waarschijnlijk dat DNB tot enige actie zou overgaan die de schade van de beleggers zou hebben voorkomen, nu geen sprake is van overtreding van de Wtk door Safe Haven.

De ‘omkeringsregel’ van artikel 6:98 BW is in het onderhavige geval niet van toepassing, omdat de bijzondere zorgplicht die op de Bank rust onvoldoende ‘scherp’ is. De reikwijdte en omvang van de norm is telkens weer anders, omdat zij afhangt van de omstandigheden van het geval.

Voorts is niet voldaan aan de relativiteitseis van artikel 6:163 BW. De bijzondere zorgplicht die op de Bank rust, strekt er niet toe de beleggers te beschermen die aan een beleggingsconstructie hebben meegedaan, waarvan zij in de gegeven omstandigheden wisten, althans redelijkerwijs moesten begrijpen, dat die niet klopte.

De beleggers hebben zonder gedegen onderzoek en met het oogmerk om winst te maken hun geld aan Safe Haven ter beschikking gesteld. Bovendien was een groot aantal van de beleggers deskundig en/of ervaren op het gebied van beleggen. Daarom dient de (gestelde) schade van de beleggers voor hun eigen rekening te blijven op grond van eigen schuld, aldus nog steeds de Bank.

2.5. De rechtbank overweegt als volgt.

De interpretatie van de melding door de deskundige

2.6. De Stichting verwijt de deskundige een te beperkte invulling te hebben gegeven aan de melding die de Bank aan de STE had moeten doen. In reactie op de schriftelijke opmerkingen van de Stichting heeft de deskundige evenwel nadere toelichtingen gegeven, waaruit blijkt dat hij zich wel degelijk rekenschap heeft gegeven van de concrete aard en inhoud van de melding. Voor zover de Stichting zich op het standpunt stelt dat de gedocumenteerde melding zou hebben geduid op een ernstige (fraude)zaak, berust dit op een onjuiste gevolgtrekking uit rechtsoverweging 6.41 van het vonnis van de rechtbank van 9 december 2009. Uit de melding zoals door de rechtbank omschreven kan niet méér worden afgeleid dan dat op de daarin omschreven wijze mogelijk in strijd met de Wte 1995 wordt gehandeld. Van grootschalige fraude of ernstige schending van belangen van beleggers bleek op dat moment nog niet. Zoals de bank terecht opmerkt kan een bemiddelaar ook zonder de vereiste vergunning grote winsten behalen voor de beleggers waarvoor hij bemiddelt. Dat de bemiddelaar daarvoor een forse provisie in rekening brengt, behoeft niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie te leiden dat sprake is van fraude en/of oplichting. Het betoog van de Stichting mist in zoverre feitelijke grondslag en wordt daarom verworpen.

De conclusies van de deskundige en het oordeel van de rechtbank

2.7. De deskundige concludeert dat de STE na ontvangst van een gedocumenteerde melding aangifte zou hebben gedaan bij het Openbaar Ministerie ter zake van overtreding van de Wte 1995. Het dossier zou aan de desbetreffende opsporingsinstantie worden overgedragen.

De rechtbank neemt deze voldoende onderbouwde conclusie over en maakt die tot de hare.

De deskundige heeft in antwoord op een vraag zijdens de Stichting aangegeven dat het tijdsverloop tussen het ontvangen van een gedocumenteerde melding en het doen van aangifte minimaal twee maanden gevergd zou hebben. De rechtbank neemt ook deze conclusie over. De door de Bank aangevoerde omstandigheid dat de melding in vakantietijd zou zijn gedaan, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht om van een langer tijdsverloop uit te gaan. Gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 2.6 is overwogen, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om gelet op de ernst van de melding van een kortere periode tot de aangifte uit te gaan, zoals door de Stichting is betoogd. De rechtbank concludeert dan ook dat de STE (op zijn vroegst) op 1 oktober 1996 aangifte zou hebben gedaan.

2.8. De rechtbank neemt, in het licht van het door de deskundige geschetste tijdsgewricht en normatieve kader, de conclusie van de deskundige over dat de STE geen eigen onderzoek zou zijn gestart en ook geen maatregelen als een instructie, formele aanwijzing, openbare waarschuwing, het benaderen van beleggers of het stilleggen van het effectenbedrijf zou hebben genomen.

2.9. De deskundige is van oordeel dat de STE gelijktijdig met de aangifte de Bank op de hoogte zou hebben gesteld van haar opvatting dat sprake was van een economisch delict dat door Safe Haven gepleegd werd. De Bank zou bij voldoende wetenschap en verwijtbaarheid zelfs als medeplichtige aan dergelijke overtredingen kunnen worden gekwalificeerd. De STE zou de Bank in overweging hebben gegeven de relatie met Safe Haven op zijn minst kritisch te heroverwegen en zou daarbij forse druk uitoefenen om de relatie te beëindigen, maar zou niet het uiterste van haar bevoegdheden opzoeken.

2.10. De rechtbank neemt de conclusie over dat de STE op 1 oktober 1996 aan de Bank en Safe Haven zou hebben gemeld Safe Haven zich naar het oordeel van de STE schuldig maakte aan een economisch delict. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de STE tevens zou meedelen dat aangifte bij de opsporingsautoriteiten was gedaan en dat de Bank mogelijk aan het delict meewerkte door de bankrekening aan Safe Haven ter beschikking te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank had de Bank zich op dat moment moeten realiseren dat zij als facilitator medeplichtig zou kunnen zijn aan het economisch delict dat Safe Haven pleegde. Deze ernstige constatering zou de Bank ook in het geschetste tijdsgewricht – op grond van de op haar rustende bijzondere zorgplicht – tot beëindiging van de relatie met Safe Haven hebben moeten leiden, met inachtneming van een reactietermijn die de rechtbank in redelijkheid op twee weken bepaalt. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Bank de bankrekening [bankrekeningnummer] van Safe Haven (hierna: de Rekening) op 15 oktober 1996 had moeten sluiten.

2.11. Volgens de Stichting zouden de opsporingsinstanties na de aangifte door de STE snel actie hebben ondernomen, hetgeen ertoe zou hebben geleid dat de illegale praktijken van Safe Haven binnen enkele dagen na de aangifte tot een einde zouden zijn gekomen. De Bank betwist dat.

De deskundige heeft zich – nu dat niet tot de vraagstelling behoorde – niet uitgelaten over de vraag hoe lang het zou duren voordat het Openbaar Ministerie (of enige andere opsporende instantie) in zou grijpen bij Safe Haven. Dat binnen enkele dagen ingegrepen zou worden, acht de rechtbank evenwel onvoldoende onderbouwd door de Stichting. Het Openbaar Ministerie zou immers, waar de Bank terecht op wijst, eerst een eigen onderzoek uitvoeren. De deskundige lijkt het in zijn rapport vanzelfsprekend te vinden dat er na aangifte nog een opsporingsonderzoek zou plaatsvinden waarmee gemakkelijk enkele maanden gemoeid zouden zijn (p. 17 van het rapport). De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de Rekening op 15 oktober 1996 door de Bank gesloten had moeten worden en verwerpt de stelling van de Stichting dat de activiteiten van Safe Haven binnen enkele dagen na de aangifte door het Openbaar Ministerie beëindigd zouden zijn.

De akte van cessie

2.12. De rechtbank zal zich thans uitlaten over de vraag of de vorderingen van de beleggers rechtsgeldig zijn gecedeerd aan de Stichting en de Stichting namens hen schadevergoeding kan vorderen. De Stichting baseert haar vorderingsrecht op een door de beleggers getekende ‘akte van cessie’. De beleggers hebben daarnaast voorwaardelijk een vordering ingediend ter zake van hun individuele schade.

De (voor elke belegger materieel identieke) akte van cessie luidt – voor zover van belang – als volgt:

AKTE VAN CESSIE

De ondergetekenden:

1. (…) verder te noemen “cedent”

en

2. de stichting, verder te noemen “cessionaris”

overwegende:

(…)

9. dat cedent zijn/haar vordering tot vergoeding van de schade die hij/zij heeft geleden, c.q. zal lijden als gevolg van het vorenvermelde mede jegens hem/haar onrechtmatig, c.q. onzorgvuldig te achten handelen van de Generale Bank N.V., [gedaagde 3] en [gedaagde 2] voornoemd aan de cessionaris ter incasso wenst over te dragen;

komen overeen als volgt:

de cedent draagt aan cessionaris ter incasso over zijn/haar vordering jegens de Generale Bank N.V., [gedaagde 3] en [gedaagde 2] voornoemd, tot verkrijging van vergoeding van de reeds geleden, c.q. nog te lijden schade ten gevolge van de hierboven genoemde onrechtmatige daden, c.q. wanprestatie, welke overdracht cessionaris door mede ondertekening van deze akte aanvaardt.

2.13. Het gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn arrest van 19 februari 2004 het volgende overwogen:

4.34.4. Wel brengt de grief terecht naar voren dat de Stichting niet in haar vordering kan worden ontvangen voorzover zij (betoogt dat zij) deze tevens heeft ingesteld in haar hoedanigheid van gemachtigde ter incasso namens 42 individuele beleggers. Waar de Stichting immers pro se een verklaring voor recht vordert dat gedaagden, waaronder de Bank, tekort zijn geschoten, alsmede onrechtmatig hebben gehandeld, ontbreekt iedere grondslag om vervolgens – op basis van die verklaring voor recht – in haar hoedanigheid van procesgemachtigde ten behoeve van individuele beleggers te doen hetgeen zij vanwege artikel 3:305a lid 3 BW pro se niet kan, te weten: vorderen dat gedaagden worden veroordeeld tot schadevergoeding te voldoen in geld. Overigens heeft de Stichting dit punt in haar memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel tevens akte houdende voorwaardelijke wijziging van eis, in nummers 24 en 25, klaarblijkelijk ook onderkend, maar dat heeft op dit onderdeel niet geleid tot enige aanpassing van de vordering.

2.14. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 december 2005 over de cassatieklacht tegen voornoemde overweging van het gerechtshof te Amsterdam als volgt geoordeeld:

5.1 Het onderdeel bestrijdt met een rechts- en motiveringsklacht rov. 4.34.4 van het hof. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het instellen van een vordering op de voet van art. 3:305a BW niet meebrengt dat de Stichting niet tevens in de hoedanigheid van procesgemachtigde ten behoeve van de individuele beleggers een vordering kan instellen tot schadevergoeding te voldoen in geld, zoals zij ook heeft gedaan.

5.2 (…) Het hof heeft niet geoordeeld dat art. 3:305a BW eraan in de weg staat dat de Stichting in de onderhavige procedure tevens als procesgemachtigde ten behoeve van de beleggers schadevergoeding kan vorderen. In zoverre missen de klachten feitelijke grondslag. Het hof heeft de vordering van de Stichting in die zin opgevat, dat daarmee niet is beoogd tevens ten behoeve van de beleggers schadevergoeding te vorderen, maar dat deze inhoudt dat de Stichting alleen pro se de bedoelde verklaring voor recht heeft gevorderd. Die, aan het hof voorbehouden, uitleg van de gedingstukken is niet onbegrijpelijk. Daarop stuiten de klachten voor het overige af.

2.15. De Stichting vordert in de onderhavige procedure geen schadevergoeding pro se. Uit de overgelegde aktes van cessie blijkt dat de beleggers en de Stichting zijn overeengekomen dat de Stichting zal optreden als ‘cessionaris ter incasso’. Deze in de rechtspraktijk als ‘cessie ter incasso’ aangeduide rechtsfiguur moet juridisch worden geduid als een lastgevingsovereenkomst ex artikel 7:414 BW (vgl. Rechtbank Utrecht 17 december 2008, NJF 2009, 196). De ‘cessionaris’ (lasthebber) int de vordering op eigen naam voor de ‘cedent’ (lastgever). De rechtshandeling mist de strekking de vordering in het vermogen van de verkrijger te doen vallen, zodat van een daadwerkelijke cessie in de zin van artikel 3:94 BW geen sprake is. Een geldige (titel van) overdracht ontbreekt immers. Desalniettemin is de Stichting op grond van de lastgevingsovereenkomsten (derhalve ten onrechte aangeduid als aktes van cessie) gerechtigd vorderingen namens de beleggers in te stellen. De Stichting is ontvankelijk in haar hoedanigheid van lasthebber. De Stichting treedt dan ook, anders dan in de vorige procedures, thans niet op als eiser in de zin van een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW, zodat het in het derde lid van dat artikel opgenomen verbod tot het vorderen van een schadevergoeding in geld aan de onderhavige vordering niet in de weg staat.

2.16. De Bank heeft aangevoerd dat diverse beleggers hun vordering niet juist hebben ‘gecedeerd’ aan de Stichting en de Stichting ter zake van die vorderingen niet-ontvankelijk is.

De Bank heeft voorts aangevoerd dat de Stichting niet-ontvankelijk is ter zake van beleggers die niet rechtstreeks gelden op de Rekening hebben gestort, maar via de rekening van een ander. Onder r.o. 2.24 e.v. zal – onder meer – de ontvankelijkheid van de Stichting per belegger beoordeeld worden. Het verweer van de Bank dat de Stichting niet-ontvankelijk is, omdat zij in strijd met haar doelomschrijving beleggers vertegenwoordigt die niet rechtstreeks gelden op de Rekening hebben gestort, behoeft daarom geen nadere bespreking.

Onrechtmatig handelen door de Bank

2.17. De Bank heeft verschillende verweren gevoerd ter zake van het haar verweten onrechtmatig handelen.

De Bank heeft aangevoerd dat de Hoge Raad weliswaar heeft geoordeeld dat de Bank in beginsel in strijd met de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld, maar daarmee is volgens de Bank nog niet gezegd dat zij jegens elke belegger vergoedingsplichtig is. De Stichting c.s. dient per belegger aan te tonen dat de Bank onrechtmatig jegens die specifieke belegger heeft gehandeld, aldus de Bank.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen. Reeds in het vonnis van 9 december 2009 heeft deze rechtbank overgenomen het oordeel van de Hoge Raad en het gerechtshof te Amsterdam dat de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht meebrengt ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De Bank heeft – zo oordeelde de rechtbank in voormeld vonnis – onrechtmatig gehandeld jegens de beleggers door in strijd met die op haar rustende bijzondere zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven in te stellen. Daarmee heeft de Bank de, mede door de Wte 1995 beschermde, belangen van beleggers veronachtzaamd. In voornoemd vonnis heeft de rechtbank voorts overwogen dat de Bank per 1 augustus 1996 een melding bij de STE had moeten doen. In het onderhavige vonnis is vastgesteld dat die melding tot sluiting van de Rekening door de Bank per 15 oktober 1996 had moeten leiden. De Bank heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens elke belegger die op of na 15 oktober 1996 gelden ter belegging op de Rekening heeft gestort. De rechtbank stelt vast dat – blijkens het door de Bank overgelegde mutatieoverzicht (prod. F2) – in de periode voorafgaand aan 15 oktober 1996 laatstelijk op 23 september 1996 een storting op de Rekening is gedaan. Nu uit de gedingstukken naar voren komt dat gestorte bedragen doorgaans dezelfde of de volgende dag werden overgeboekt naar andere banken of financiële instellingen, terwijl niet is gebleken van terugboekingen op de Rekening in deze periode, gaat de rechtbank ervan uit dat het saldo van de Rekening op 15 oktober 1996 nihil is geweest. Ook bij sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 zouden de stortingen van 23 september 1996 en eerder derhalve verloren zijn geweest. In zoverre slaagt het betoog van de Bank. De stelling van de Stichting c.s. dat bedragen op 15 oktober 1996 nog eenvoudig terug te halen zouden zijn geweest bij [gedaagde 2], [gedaagde 3] of financiële instellingen, is te algemeen en te weinig concreet om aan het voorgaande af te doen. Deze stelling leent zich daarom niet voor bewijslevering.

De vorderingen jegens de Bank ter zake van stortingen vóór 15 oktober 1996 zullen te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen.

2.18. De Bank heeft aangevoerd dat de bijzondere zorgplicht van de Bank tegenover de belegger zich niet uitstrekt tot beleggingsvennootschappen, zodat de Bank niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens die groep beleggers.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat in artikel 7 van de Wte 1995, geldend recht in de periode dat Safe Haven haar activiteiten ontplooide, een algemeen geformuleerd verbod is opgenomen om zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten. Eerdere versies van deze bepaling (artikel 6 van de Wet Effectenhandel 1986 en artikel 6 van de Wte 1992) richtten zich uitdrukkelijk niet op het bemiddelen voor (rechts)personen die effecten plegen uit te geven of daarin beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen. De Memorie van Toelichting bij de Wte 1992, vermeldde in de toelichting op artikel 6 nog dat het ‘de bedoeling [is] aanbiedingen van effecten aan professionele partijen alsmede effectenbemiddeling en vermogensbeheer voor hen vrij te stellen van de werking van de wet. Het ligt immers voor de hand dat professionele beleggers, in tegenstelling tot particulieren, in het algemeen malafide beleggingsproposities onderkennen en ondeskundige of onbetrouwbare bemiddelaars en vermogensbeheerders weten te mijden’ (Kamerstukken II, 1988-1989, 21038, nummer 3, p. 7).

De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van professionele beleggers. De beleggingsvennootschappen waar de Bank in deze zaak het oog op heeft, betreffen met particulieren te vereenzelvigen vennootschappen als éénmans- of familie-bv’s. Van een professionele belegger is daarmee nog geen sprake. De enkele omstandigheid dat een vennootschap zich naar haar doelomschrijving (mede) bezig houdt met het doen van beleggingen, maakt dat niet anders, ook niet wanneer zij zich min of meer structureel bezig houdt met het doen van beleggingen, zoals een pensioen-bv. Het betoog van de Bank wordt derhalve verworpen.

Toerekenbaarheid

2.19. Gelet op de aard van de door de bank geschonden norm moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat die normschending aan de Bank moet worden toegerekend in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW. Krachtens de in het verkeer geldende opvattingen komt het voor rekening van de Bank dat zij bij het betalingsverkeer over de bij haar aangehouden Rekening onvoldoende oplettendheid heeft betracht.

Causaal verband

2.20. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van de Bank dat het causaal verband ontbreekt. Op grond van de op de Bank rustende bijzondere zorgplicht diende de Bank tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 over te gaan. Indien de Bank aan haar zorgplicht had voldaan was het voor de beleggers niet meer mogelijk geweest nog geld op de Rekening te storten en waren de beleggingsactiviteiten van Safe Haven de facto beëindigd geweest. De gestelde schade van de beleggers zou dan ook niet zijn ingetreden. Dit betekent dat er causaal verband (in de zin van condicio-sine-qua-non-verband als bedoeld in artikel 6:162 BW) bestaat tussen de schending van de zorgplicht door de Bank en de schade zoals de beleggers die stellen te hebben geleden. De Bank heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

De gestelde schade staat naar het oordeel van de rechtbank voorts in een zodanig verband met de schending van de zorgplicht, dat deze aan de Bank kan worden toegerekend (in de zin van de causale toerekening als bedoeld in artikel 6:98 BW). In dat verband is relevant dat de geschonden norm nu juist (mede) strekt tot bescherming van beleggers tegen malafide ondernemingen als Safe Haven, teneinde vermogensschade van beleggers te voorkomen.

Het betoog van de Bank dat maatregelen door de Bank toch niet uit hadden gemaakt, omdat de beleggers hun geld blindelings en zonder vragen te stellen naar Safe Haven overmaakten, faalt. Dit betoog miskent immers dat sluiting van de Rekening aan nieuwe stortingen in de weg zou hebben gestaan. Voor zover de Bank heeft bedoeld te stellen dat de beleggers hun geld bij sluiting van de Rekening wel op een andere manier bij Safe Haven zouden hebben ondergebracht, gaat de rechtbank aan dat betoog voorbij. Aanvaarding van dat scenario zou immers betekenen dat Safe Haven – terwijl er een strafrechtelijk onderzoek jegens haar zou zijn ingesteld – een andere bankrekening zou hebben geopend en haar activiteiten – ondanks de aangifte – zou hebben voortgezet, waarbij [gedaagde 3] en [gedaagde 2] de beleggers dan ook nog zo ver zouden hebben moeten krijgen hun geld (voortaan) op die nieuwe rekening te storten. Naar de rechtbank aanneemt zou het nieuws van de sluiting van de Rekening zich – zeker in de hechte Volendamse gemeenschap - als een lopend vuurtje hebben verspreid en zou men zich wel hoeden (wederom) met Safe Haven in zee te gaan. De rechtbank acht dat theoretische scenario hoogst onaannemelijk en onvoldoende onderbouwd door de Bank. Ook overigens heeft de Bank geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.

Relativiteit

2.21. De Bank heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan de relativiteitseis van artikel 6:163 BW. De zorgvuldigheidsnorm die door de Hoge Raad aan de Bank wordt opgelegd, strekt volgens de Bank niet tot bescherming van beleggers die aan een beleggingsconstructie hebben meegedaan waarvan zij wisten, althans waarvan zij redelijkerwijs moesten begrijpen, dat die niet klopte. De Bank heeft er onder meer op gewezen dat de beleggers geld hebben overmaakt:

- naar een besloten vennootschap die nog niet eens was opgericht, zonder navraag te doen naar de status van de vennootschap;

- zonder enige zekerheid te verlangen;

- zonder verdere informatie of documentatie;

- zonder te weten wat er met het geld zou gebeuren;

- zonder te weten wanneer zou worden terugbetaald;

- zonder dat in de adviseringsovereenkomst een verplichting tot terugbetaling was opgenomen;

- zonder dat regelmatig tussentijdse rapportages werden verschaft;

- zonder dat Safe Haven een achterliggende organisatie had;

- zonder dat sprake was van een als normaal te beschouwen financieel product;

- maar niettemin tegen zeer hoge gegarandeerde winstpercentages.

Dit alles bijeen genomen is dermate abnormaal dat de beleggers hebben moeten (ge)weten dat Safe Haven door middel van list en bedrog winsten boekte, althans dat zijzelf onverantwoord grote risico’s namen. Door niettemin met Safe Haven in zee te gaan, hebben zij zich onttrokken aan de zorgplicht van de Bank, aldus nog steeds de Bank onder verwijzing naar een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2011 (NJF 2011, 317).

2.22. De rechtbank overweegt als volgt. De bepalingen van de Wte 1995 strekken blijkens de wetsgeschiedenis mede ter bescherming van de belangen van beleggers, waaronder het verlies van belegde gelden onmiskenbaar moet worden begrepen. Onder omstandigheden kan eigen onrechtmatig gedrag ertoe leiden dat degene die schade stelt te hebben geleden geacht wordt zich aan de bescherming van artikel 6:162 BW te hebben onttrokken. In het onderhavige geval is evenwel gesteld nog gebleken dat de beleggers zelf in strijd met de Wte 1995 of anderszins onrechtmatig hebben gehandeld. Van het ontbreken van relativiteit is dan ook geen sprake. Het betoog van de Bank wordt verworpen.

Schade en exhibitie

2.23. De Stichting vordert – kort gezegd – de verloren gegane stortingen die zijn gedaan nadat de werkzaamheden van Safe Haven beëindigd zouden zijn geweest ten gevolge van de melding bij de STE.

In dit verband heeft de Stichting naar voren heeft gebracht dat de beleggers konden kiezen of zij (i) ‘risicoloos’ geld wilden beleggen in voorplaatsingen in Amerikaanse aandelen, (ii) geld wilden beleggen in meer risicovolle valutapools bij vermogensbeheerder Theodoor Gilissen of (iii) een combinatie van voornoemde beleggingen wilden. De beleggers die geld in valutapools wilden storten en daarop verlies hebben geleden, hebben bij conclusie van repliek de eis verminderd met het op valutahandel geleden verlies. Sommige beleggers hebben daarnaast geld teruggestort gekregen vanuit de valutapools. Ook in die gevallen is de eis verminderd. Voor zover geld vanuit valutapools op de Rekening is teruggestort en dit geld vervolgens weer is ‘herbelegd’ en verloren gegaan, is de vordering dienovereenkomstig aangepast.

Een enkele belegger wist niet dat zijn geld werd belegd in valutapools, of was niet geïnformeerd over de aan het beleggen in valutapools verbonden risico’s. Deze beleggers handhaven hun vorderingen.

De Stichting heeft een overzicht in het geding gebracht waarop staat welke beleggers in valutapools belegd hebben, welke gelden op de Rekening zijn teruggestort en welke gelden naar de beleggers zijn teruggestort.

2.24. De Bank heeft ter zake van diverse beleggers aangevoerd dat de Stichting c.s. de schade nader dient te onderbouwen door het in het geding brengen van stukken, zoals bankafschriften. De Bank heeft tevens naar voren gebracht dat elke belegger dient aan te tonen dat hij geen geld van Safe Haven, [gedaagde 2] of [gedaagde 3] – al dan niet via de Bank – heeft teruggekregen. Voorts blijkt uit de omschrijvingen bij de overboekingen (vaak) niet dat het geld ter belegging naar Safe Haven werd overgemaakt. Ter zake van de bedragen die volgens de Stichting c.s. vanuit valutapools zijn teruggestort op de Rekening en vervolgens zijn ‘herbelegd’ en verloren gegaan, heeft de Bank aangevoerd dat deze terugstortingen niet blijken uit het mutatieoverzicht van de Rekening.

Voorts heeft de Bank aangevoerd dat zij op verzoek van diverse beleggers de Rekening in 1998 nog enige tijd heeft open gehouden. Schade die nadien is ontstaan komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking, aldus de Bank.

2.25. De rechtbank overweegt als volgt.

2.26. Het betoog van de Bank dat uit de omschrijvingen op het mutatieoverzicht niet blijkt dat eisers hun geld ‘ter belegging’ hebben overgemaakt op de Rekening, faalt. In het licht van de stukken van het geding, waaruit niet blijkt dat Safe Haven zich met iets anders bezig hield dan met het beleggen van op de Rekening gestorte gelden, heeft de Bank deze algemene stelling onvoldoende onderbouwd.

Het betoog van de Bank dat de schade die is ontstaan nadat de Bank de Rekening op verzoek van beleggers heeft opengehouden niet voor vergoeding in aanmerking komt, faalt eveneens. Niet nader onderbouwd is vanaf welk moment de Bank de rekening open zou hebben gehouden en welke stortingen daarna nog op de Rekening zouden zijn gedaan door beleggers. Mocht er in die fase inderdaad nog geld op de Rekening zijn gestort door beleggers, dan had de zorgplicht van de Bank er bovendien bij uitstek toe gestrekt te voorkomen dat er nog gelden zouden worden afgeboekt.

2.27. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast ter zake van de schade conform de hoofdregel van artikel 150 Rv op de Stichting c.s. ligt.

Uit het – door de Bank overgelegde – mutatieoverzicht blijkt welk bedrag op welke datum door welke belegger gestort is. Tevens blijkt welke belegger wanneer een bedrag terug ontvangen heeft. De rechtbank hanteert daarom als uitgangspunt voor de berekening van de schade van een individuele belegger het door die belegger op of na 15 oktober 1996 gestorte bedrag, minus de vervolgens vanaf de Rekening naar die belegger overgemaakte bedragen. Voor zover de omvang van de schade thans onduidelijk is, bijvoorbeeld omdat de bedragen die volgens de Stichting c.s. zijn gestort of ontvangen niet overeenstemmen met de bedragen op het mutatieoverzicht van de Rekening of indien er concrete aanwijzingen bestaan dat een specifieke belegger buiten de Rekening om geld heeft terug gehad, dient de Stichting c.s. die schade nader toe te lichten en hieromtrent stukken in het geding te brengen. De Bank zal vervolgens in de gelegenheid gesteld worden daarop te reageren.

Voor zover de Bank in algemene zin heeft aangevoerd dat elke belegger zijn schade nader dient toe te lichten en stukken in het geding dient te brengen omdat sommige beleggers via andere weg geld hebben teruggekregen, gaat de rechtbank daaraan als onvoldoende concreet en onderbouwd voorbij. In individuele gevallen kan dat evenwel anders liggen. De rechtbank zal zich in het navolgende daarom per belegger uitlaten over de exhibitieplicht (artikel 22 Rv), waarbij tevens de ontvankelijkheid – naar aanleiding van de discussie omtrent de ‘cessie’ – aan de orde zal komen.

Beoordeling per belegger

2.28. [eiser 3], eiser sub 3, heeft omstreeks 25 november 1996 een bedrag van fl. 50.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van [eiser 3] betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Ter zake van de hoogte van de schade heeft de Bank betwist dat deze schade op de inleg van fl. 50.000 gesteld kan worden. [gedaagde 2] heeft immers verklaard dat hij contant geld aan [eiser 3] heeft uitgekeerd. [gedaagde 2] heeft voorts verklaard dat het debetsaldo van de rekening-courant van [eiser 3] bij International Assets door [gedaagde 3] is aangezuiverd toen de portefeuille is overgeboekt naar Safe Haven. Daarnaast heeft [B] (hierna: [B]) aangegeven dat de inleg van [eiser 3] mogelijk te hoog is weergegeven. De gestelde schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting op de schade van [eiser 3] nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.29. [eiser 4], eiser sub 4, heeft omstreeks 5 augustus 1997 een bedrag van fl. 15.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens [eiser 4] heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 4] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op (in hoofdsom) fl. 15.000.

2.30. [C] heeft omstreeks 5 augustus 1997 een bedrag van fl. 15.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [C] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 15.000.

Gelet op het voorgaande behoeven de ter zake van deze storting voorwaardelijk en subsidiair ingestelde vorderingen van [D], [E] en [F] geen bespreking.

2.31. [eiser 5], eiser sub 5, heeft omstreeks 3 september 1996 een bedrag van fl. 110.000 op de Rekening gestort. Daarnaast stelt [eiser 35 en 55] omstreeks 30 mei 1996 fl. 100.000 en omstreeks 11 juli 1997 150.000 ten behoeve van [eiser 5] op de Rekening gestort te hebben. De Stichting vordert als lasthebber van beide beleggers betaling van het ingelegde bedrag van fl. 360.000, vermeerderd met rente en kosten.

Nu de stortingen van 30 mei 1996 en 3 september 1996 vóór 15 oktober 1996 hebben plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen. Ter zake van de storting omstreeks 11 juli 1997 verwijst de rechtbank naar hetgeen omtrent belegger [eiser 35 en 55] bij r.o. 2.61 wordt overwogen, nu deze belegger ook stortingen voor zichzelf heeft gedaan.

2.32. [eiser 6], eiser sub 6, heeft omstreeks 28 augustus 1996 een bedrag van fl. 700.000 en omstreeks 25 oktober 1996 fl. 600.000 op de Rekening gestort. Een bedrag van fl. 150.000 is vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 6] fl. 60.156,75 op de Rekening – en niet op rekening van [eiser 6] – teruggestort.

De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 1.210.156,75, vermeerderd met rente en kosten.

Nu de storting van 28 augustus 1996 vóór 15 oktober 1996 heeft plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de gevorderde schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De Bank heeft er voorts op gewezen dat omstreeks 16 december 1997 een terugstorting van fl. 150.000 op de rekening van [eiser 6] is gedaan. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting op de schade van [eiser 6] nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.33. [eiser 45], eiser sub 45, heeft omstreeks 12 november 1996 een bedrag van fl. 1.000.000 en omstreeks 15 november 1996 fl. 100.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 7] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 7], eiser sub 7, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan. De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 45] is wel ontvankelijk. Van de initiële stortingen is volgens [eiser 45] een bedrag van fl. 100.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 45] fl. 87.910,86 op de Rekening teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. De vordering behelst derhalve een bedrag van fl. 1.087.910,86, vermeerderd met rente en kosten, aldus [eiser 45]

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank [eiser 45] op haar schade nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.34. [eiser 8], eiser sub 8, heeft omstreeks 24 mei 1996 een bedrag van fl. 250.000 op de Rekening gestort. [eiser 46], eiser sub 46, heeft omstreeks 19 augustus 1997 een bedrag van fl. 2.500.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van [eiser 8] betaling van fl. 2.750.000, vermeerderd met rente en kosten.

Nu de storting van 24 mei 1996 vóór 15 oktober 1996 heeft plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen.

De ‘akte van cessie’ vermeldt [eiser 8] als ‘cedent’. De Stichting is ter zake van de storting door [eiser 46] derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 8], eiser sub 8, is eveneens niet ontvankelijk ter zake van de storting van fl. 2.500.000, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan. De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 46] is wel ontvankelijk. De vordering behelst het bedrag van fl. 2.500.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 46] uit andere bron geld heeft teruggekregen, zal de rechtbank het schadebedrag vaststellen op (in hoofdsom) fl. 2.500.000.

2.35. [eiser 47], eiser sub 47, heeft omstreeks 20 november 1996 een bedrag van fl. 100.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 9] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 9], eiser sub 9, is eveneens niet ontvankelijk ter zake van deze storting, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan. De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 47] is wel ontvankelijk. Van de initiële storting is volgens [eiser 47] een bedrag van fl. 50.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 47] fl. 43.992 op de rekening van [eiser 9] teruggestort. Het in een valutapool belegde bedrag maakt geen deel uit van de vordering, zodat resteert een vordering tot een bedrag van fl. 50.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger overigens nog enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 47] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op (in hoofdsom) fl. 50.000.

2.36. [eiser 48], eiser sub 48, heeft omstreeks 1 februari 1998 een bedrag van fl. 2.000.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 10] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 10], eiser sub 10, is eveneens niet ontvankelijk ter zake van deze storting, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan. De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 48] is wel ontvankelijk. De vordering behelst het bedrag van fl. 2.000.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 48] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op (in hoofdsom) fl. 2.000.000.

2.37. [eiser 11], eiser sub 11, heeft omstreeks 6 mei 1997 een bedrag van fl. 32.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade.

De Bank heeft aangevoerd dat deze belegger ook via andere instellingen belegde en mogelijk via die instellingen geld heeft teruggekregen. De rechtbank acht deze betwisting van de schade onvoldoende concreet en onderbouwd en gaat daaraan voorbij.

Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 11] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op (in hoofdsom) fl. 32.000.

2.38. [eiser 12], eiser sub 12, heeft omstreeks 22 mei 1996 fl. 120.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

Nu de storting van 22 mei 1996 vóór 15 oktober 1996 heeft plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen.

Het betoog van de Bank dat de Stichting en [eiser 12] niet-ontvankelijk zijn, omdat de storting een schenking aan de kinderen van [eiser 12] zou zijn, kan derhalve onbesproken blijven.

2.39. [eiser 13], eiser sub 13, heeft omstreeks 22 mei 1996 een bedrag van fl. 250.000, omstreeks 30 augustus 1996 fl. 100.000, omstreeks 5 september 1996 fl. 50.000, omstreeks 15 oktober 1996 fl. 200.000, omstreeks 25 november 1996 fl. 50.000, omstreeks 5 december 1996 fl. 50.000 en omstreeks 11 juli 1997 fl. 500.000 op de Rekening gestort. Een bedrag van fl. 150.000 is volgens [eiser 13] doorgestort naar valutapools bij Theodoor Gilissen. Een bedrag van fl. 60.156,75 is volgens [eiser 13] op de Rekening – en niet op rekening van [eiser 13] – terug gestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. Een bedrag van fl. 43.991,71 en een bedrag van fl. 43.439 is op de rekening van [eiser 13] terug gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 1.110.156,75, vermeerderd met rente en kosten.

Nu de stortingen van 22 mei 1996, 30 augustus 1996 en 5 september 1996 vóór 15 oktober 1996 hebben plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen. Voor zover de Stichting voorts betaling vordert van stortingen die niet door [eiser 13] zijn gecedeerd, is de Stichting niet-ontvankelijk. Het betreft de stortingen van 25 november 1996 en 5 december 1996. De voorwaardelijke vordering van [eiser 13] is ten aanzien van deze stortingen wel ontvankelijk. Voorts heeft [eiser 13] een storting van omstreeks 1 september 1997 gecedeerd. Deze storting komt evenwel niet voor op het mutatie-overzicht. In de conclusie van repliek is de eis dan ook – onder meer – met die gestelde storting verminderd.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting op de schade van [eiser 13] ter zake van de stortingen op en na 15 oktober 1996 nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.40. [eiser 14], eiser sub 14, heeft samen met [G] en [H] omstreeks 9 maart 1998 een bedrag van fl. 90.458,93 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze beleggers betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat de vordering van Stichting c.q. [eiser14] niet-ontvankelijk is, nu het geld is ingelegd vanaf een gezamenlijke rekening op naam van meerdere personen, terwijl [eiser 14] pro se betaling van fl. 90.458,93 vordert. De rechtbank overweegt dat de ‘akte van cessie’ [eiser 14], [G] en [H] als ‘cedenten’ vermeldt en de gezamenlijke rekening ook op naam van die personen staat. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de Stichting als lasthebber van deze gezamenlijke beleggers ontvankelijk is.

De Bank heeft aangevoerd dat omstreeks 22 april 1996 een bedrag van fl. 32.963 van de Rekening naar ene [G] is overgeboekt. De rechtbank overweegt dat deze storting geen verband kan houden met de storting op de Rekening door deze beleggers, omdat zij pas op 9 maart 1998 geld gestort hebben. Van een terugstorting van belegd geld kan derhalve geen sprake zijn.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze beleggers heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die deze beleggers stellen te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de beleggers tegen het ontstaan van die schade.

De Bank heeft aangevoerd dat [eiser 14] ook via andere instellingen belegde en mogelijk via die instellingen geld heeft teruggekregen. De rechtbank acht deze betwisting van de schade onvoldoende concreet en onderbouwd en gaat daaraan voorbij.

Nu niet is gebleken dat deze beleggers enig bedrag vanaf de Rekening hebben teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 14], [G] of [H] uit andere bron geld hebben teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op (in hoofdsom) fl. 90.458,93.

2.41. [eiser 15], eiser sub 15, heeft omstreeks 2 februari 1998 een bedrag van fl. 100.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 15] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op (in hoofdsom) fl. 100.000.

2.42. [eiser 49], eiser sub 49, heeft omstreeks 19 december 1997 een bedrag van fl. 500.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 16] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 16], eiser sub 16, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan.

De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 49] is wel ontvankelijk. De vordering behelst het bedrag van fl. 500.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 49] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op (in hoofdsom) fl. 500.000.

2.43. [eiser 50], eiser sub 50, heeft omstreeks 4 december 1996 een bedrag van fl. 100.000 en omstreeks 24 februari 1997 fl. 100.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 17] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 17], eiser sub 17, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan.

De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 50] is wel ontvankelijk. Van de initiële stortingen is een bedrag van fl. 100.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 50] fl. 86.880 op de rekening van [eiser 50] teruggestort. Het in een valutapool belegde bedrag maakt geen deel uit van de vordering, zodat resteert een vordering tot een bedrag van fl. 100.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger overigens nog enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 50] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op (in hoofdsom) fl. 100.000.

2.44. [eiser 18], eiser sub 18, heeft omstreeks 11 februari 1997 een bedrag van

fl. 200.000 en omstreeks 12 februari 1997 een bedrag van fl. 250.000 op de Rekening gestort. Weliswaar is een bedrag van fl. 100.000 doorgestort naar een valutapool, maar dit was buiten zijn medeweten, aldus [eiser 18]. Er is weliswaar een bedrag van de beleggingsrekening van beleggingsclub ‘De Haven’ op de Rekening teruggestort, maar dit bedrag is niet naar [eiser 18] doorgestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 450.000, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting op de schade van [eiser 18] nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.45. [eiser 51], eiser sub 51, heeft omstreeks 21 februari 1997 een bedrag van fl. 350.000 en omstreeks 11 juli 1997 fl. 300.000 op de Rekening gestort. Van de initiële stortingen is volgens [eiser 51] een bedrag van fl. 150.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 51] fl. 84.972 op de Rekening teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger – na wijziging van eis – betaling van fl. 584.972, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. Voorts heeft [gedaagde 2] verklaard [eiser 51] tegoeden in het buitenland zou kunnen hebben staan. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting op de schade van [eiser 51] nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.46. [eiser 51], eiser sub 52, heeft omstreeks 21 mei 1996 fl. 100.000 en omstreeks 21 augustus 1996 fl. 100.000 op de Rekening gestort. Nu deze stortingen vóór 15 oktober 1996 hebben plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen. De ontvankelijkheid van de Stichting en [eiser 20] ter zake van deze stortingen kan derhalve onbesproken blijven.

2.47. [eiser 20], eiser sub 20, heeft omstreeks 18 februari 1997 een bedrag van fl. 100.000 en omstreeks 20 februari 1997 fl. 100.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van (onder meer) fl. 200.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 20] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 200.000.

2.48. [eiser 21], eiser sub 21, heeft omstreeks 30 mei 1996 een bedrag van fl. 25.000, omstreeks 24 oktober 1996 fl. 90.000, omstreeks 25 juni 1997 fl. 50.000 en omstreeks 18 december 1997 fl. 85.000 op de Rekening gestort. Volgens [eiser 21] betrof de laatste storting eigenlijk een bedrag van fl. 100.000, waarbij fl. 15.000 als winst is opgenomen en met de nieuwe inleg is verrekend. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 250.000, vermeerderd met rente en kosten.

Nu de storting van 30 mei 1996 vóór 15 oktober 1996 heeft plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen.

De rechtbank stelt vast dat de Bank ter zake van de stortingen van 24 oktober 1996, 25 juni 1997 en 18 december 1997 onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade.

De Bank heeft aangevoerd dat deze belegger mogelijk via andere weg nog meer geld heeft teruggekregen, bovenop het bedrag van fl. 15.000. De rechtbank acht deze betwisting van de schade onvoldoende concreet en onderbouwd en gaat daaraan voorbij.

Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 21] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 225.000.

2.49. [eiser 22], eiser sub 22, heeft omstreeks 30 juni 1997 een bedrag van fl. 165.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade.

De Bank heeft aangevoerd dat deze belegger ook via andere instellingen belegde en mogelijk via die instellingen geld heeft teruggekregen. De rechtbank acht deze betwisting van de schade onvoldoende concreet en onderbouwd en gaat daaraan voorbij.

Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 22] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 165.000.

2.50. [eiser 23], eiser sub 23, heeft omstreeks 8 juli 1997 een bedrag van fl. 34.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade.

De Bank heeft aangevoerd dat deze belegger ook via andere instellingen belegde en omstreeks 3 april 1997 een bedrag fl. 34.000 rechtstreeks van Sucden heeft ontvangen. De rechtbank overweegt dat deze terugstorting geen verband kan houden met de storting op de Rekening door deze belegger, omdat [eiser 23] pas op 8 juli 1997 geld op de Rekening gestort heeft. Van een terugstorting van belegd geld via Sucden kan derhalve geen sprake zijn. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 23] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 34.000.

2.51. [eiser 24], eiser sub 24, heeft omstreeks 13 februari 1997 een bedrag van fl. 170.000 op de Rekening gestort. [eiser 24] stelt een bedrag van fl. 23.000 en fl. 15.000 terug te hebben gekregen. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 132.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig ander bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 24] uit andere bron geld, bovenop de bedragen van fl. 23.000 en fl. 15.000, heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 132.000.

2.52. [eiser 53], eiser sub 53, heeft omstreeks 27 augustus 1997 een bedrag van fl. 15.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 25] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 25], eiser sub 25, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan.

De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 53] is wel ontvankelijk. De vordering behelst een bedrag van fl. 15.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 53] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 15.000.

2.53. [eiser 27], eiser sub 27, heeft omstreeks 29 augustus 1996 een bedrag van fl. 100.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 27] en [I] als ‘cedent’. [I] is de broer van [eiser 27]. De Stichting vordert als lasthebber van beide broers betaling van fl. 100.000.

Nu de storting evenwel vóór 15 oktober 1996 heeft plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen. Het betoog van de Bank dat de Stichting en [I] niet-ontvankelijk zijn, omdat de storting vanaf de rekening van [eiser 27] is gedaan, kan onbesproken blijven.

2.54. [eiser 28], eiser sub 28, heeft omstreeks 18 oktober 1996 een bedrag van fl. 50.000, omstreeks 1 april 1997 fl. 192.000 en omstreeks 9 september 1997 fl. 70.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 312.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 28] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 312.000.

2.55. Wijlen [J] heeft omstreeks 15 mei 1997 een bedrag van fl. 50.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van [eiser 29], in diens hoedanigheid van erfgenaam van [J], betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [J] of [eiser 29] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 50.000.

2.56. [eiser 30], eiser sub 30, heeft omstreeks 18 december 1997 een bedrag van fl. 150.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 30] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 150.000.

2.57. [eiser 54], eiser sub 54, heeft omstreeks 25 februari 1997 een bedrag van fl. 100.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 31] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 31], eiser sub 31, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan.

De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 54] is wel ontvankelijk. Van de initiële storting is een bedrag van fl. 50.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 54] fl. 42.486 op de Rekening teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. De vordering behelst derhalve een bedrag van fl. 92.486, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank [eiser 54] op haar schade nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.58. [eiser 32], eiser sub 32, heeft omstreeks 4 december 1996 een bedrag van fl. 100.000, omstreeks 21 februari 1997 fl. 150.000 en omstreeks 28 augustus 1997 fl. 200.000 op de Rekening gestort. Van de initiële stortingen is een bedrag van fl. 100.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 32] fl. 86.880 op zijn rekening teruggestort. Het in een valutapool belegde bedrag maakt volgens [eiser 32] geen deel uit van de vordering, zodat resteert een vordering tot een bedrag van fl. 350.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger overigens nog enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 32] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 350.000.

2.59. [eiser 33], eiser sub 33, heeft omstreeks 18 december 1997 een bedrag van fl. 300.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van dat bedrag, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 33] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op fl. 300.000.

2.60. [eiser 34], eiser sub 34, heeft omstreeks 4 december 1996 een bedrag van fl. 100.000 en omstreeks 19 december 1997 fl. 200.000 op de Rekening gestort. Van de initiële stortingen is een bedrag van fl. 100.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 34] fl. 86.880 op zijn rekening teruggestort. Het in een valutapool belegde bedrag maakt volgens [eiser 34] geen deel uit van de vordering, zodat resteert een vordering tot een bedrag van fl. 200.000, vermeerderd met rente en kosten.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger overigens nog enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 34] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag (in hoofdsom) vast op het door [eiser 34] gevorderde bedrag van fl. 200.000.

2.61. [eiser 35 en 55], eiser sub 35 en (subsidiair) 55, heeft omstreeks 22 mei 1996 een bedrag van fl. 550.000, omstreeks 30 mei 1996 fl. 100.000, omstreeks 3 september 1996 fl. 175.000, omstreeks 4 september 1996 50.000, omstreeks 23 september 1996 100.000, omstreeks 21 november 1996 fl. 100.000, omstreeks 5 december 1996 fl. 100.000, omstreeks 11 juli 1997 175.000 en omstreeks 11 juli 1997 fl. 600.000 op de Rekening gestort. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 1.309.950 ter zake van stortingen omstreeks 22 mei 1996, 30 mei 1996, 11 juli 1997 en 1 september 1997 vermeerderd met rente en kosten.

Van de stortingen op 11 juli 1997, totaal fl. 775.000, is volgens [eiser 35 en 55] een bedrag van fl. 150.000 ten behoeve van [eiser 5] gestort. Dat deel van de vordering is vervolgens bij conclusie van repliek door [eiser 35 en 55] aan [eiser 5] gecedeerd.

Van de initiële stortingen zijn bedragen van fl. 50.000, fl. 100.000 en fl. 100.000 vanaf de Rekening doorgestort naar valutapools bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 35 en 55] fl. 86.818,41 en fl. 60.156,76 op de Rekening teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. De vordering behelst derhalve een bedrag van fl. 1.569.975, vermeerderd met rente en kosten. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel een bedrag van fl. 1.309.950. De Stichting is niet-ontvankelijk als lasthebber van [eiser 35 en 55] voor zover de vordering het bedrag van fl. 1.309.950 te boven gaat.

Nu de stortingen van 22 mei 1996, 30 mei 1996, 3 september 1996, 4 september 1996 en 23 september 1996 vóór 15 oktober 1996 hebben plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) en de storting van 1 september 1997 niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. In het mutatieoverzicht staat wel een terugstorting van fl. 87.983,43 omstreeks 29 april 1998 van de Rekening naar de rekening van [eiser 35 en 55]. Voorts heeft [eiser 35 en 55] bij de politie verklaard dat hij op 4 september 1996 een bedrag van fl. 298.624,18 terug heeft ontvangen, aldus de Bank. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting – en voor zover de Stichting niet-ontvankelijk is [eiser 35 en 55] en [eiser 5] zelf – op de schade van [eiser 35 en 55] en [eiser 5] (voor zover het betreft de aan hem gecedeerde vordering zoals omschreven onder 2.31) ter zake van de stortingen op of na 15 oktober 1996 nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen. De Bank wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld te reageren.

2.62. [eiser 36], eiser sub 36, heeft omstreeks 3 september 1996 een bedrag van fl. 125.000 op de Rekening gestort. Op de ‘akte van cessie’ heeft [eiser 36] evenwel ingevuld dat hij omstreeks 12 juli 1997 een bedrag van fl. 175.000 gestort zou hebben. Hij heeft evenwel nagelaten deze storting nader te onderbouwen. Genoemde storting is evenmin opgenomen in het mutatieoverzicht. Nu de feitelijke storting van [eiser 36] vóór 15 oktober 1996 heeft plaatsgevonden, zal deze vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen. Het betoog van de Bank dat de Stichting niet-ontvankelijk is vanwege het verkeerde bedrag in de ‘akte van cessie’, kan daarom onbesproken blijven.

2.63. [eiser 56], eiser sub 56, heeft omstreeks 20 februari 1997 een bedrag van fl. 200.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 37] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 37], eiser sub 37, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan.

De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 56] is wel ontvankelijk. Van de initiële storting is een bedrag van fl. 100.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 56] fl. 84.972 op de Rekening teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. De vordering behelst derhalve volgens [eiser 56] een bedrag van fl. 184.972, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank [eiser 56] op haar schade nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.64. [eiser 38], eiser sub 38, heeft omstreeks 25 maart 1997 een bedrag van fl. 40.000 op de Rekening gestort. [eiser 38] stelt een bedrag van fl. 10.000 van de Rekening teruggestort te hebben gekregen. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 30.000, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat [eiser 38] – naar eigen zeggen – fl. 20.000 op een andere rekening van [gedaagde 2] heeft gestort en dat hij dit geld volledig zou hebben terug gekregen. Het is daarom onduidelijk of beleggingen in Safe Haven niet via deze andere rekening bij [eiser 38] zijn teruggekomen, aldus de Bank. Voorts constateert de rechtbank dat blijkens het mutatieoverzicht tweemaal een bedrag van de Rekening naar de rekening 84.35.19.606 op naam van [eiser 38] is geboekt, namelijk omstreeks 16 juli 1997 een bedrag van fl. 10.015 en omstreeks 16 december 1997 een bedrag van fl. 10.000. Nu fl. 40.000 is ingelegd en kennelijk fl. 20.015 is teruggestort, behoeft de gestelde schade ad fl. 30.000 ook in dat licht nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting op de schade van [eiser 38] nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.65. [eiser 57], eiser sub 57, heeft omstreeks 1 februari 1998 een bedrag van fl. 100.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 39] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 39], eiser sub 39, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan.

De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 57] is wel ontvankelijk.

De rechtbank stelt vast dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 57] uit andere bron geld heeft teruggekregen, stelt de rechtbank het schadebedrag vast op fl. 100.000.

2.66. [eiser 40], eiser sub 40, heeft omstreeks 24 februari 1997 een bedrag van fl. 200.000 op de Rekening gestort. Van de initiële storting is een bedrag van fl. 100.000 vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 40] fl. 84.972 op de Rekening teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van fl. 184.972, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting op de schade van [eiser 40] nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.67. [K] v.o.f. heeft omstreeks 15 oktober 1996 een bedrag van fl. 100.000 en omstreeks 18 februari 1997 fl. 200.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 41] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 41], eiser sub 41, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening van [K] v.o.f. is gedaan.

De Bank heeft er op gewezen dat de storting is gedaan door [K] v.o.f., terwijl de vordering is ingesteld door [eiser 58], een vennootschap die pas op 1 juni 1999 is opgericht.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de [eiser 58] op nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen dat zij vorderingsgerechtigd is, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

Voor zover [eiser 58] genoegzaam aantoont dat zij vorderingsgerechtigd is, overweegt de rechtbank dat de Bank onrechtmatig jegens deze belegger heeft gehandeld door in strijd met de op haar rustende zorgplicht geen onderzoek naar de beleggingsactiviteiten van Safe Haven te verrichten, hetgeen tot sluiting van de Rekening per 15 oktober 1996 had moeten leiden. Deze onrechtmatigheid is de Bank toe te rekenen en staat in causaal verband met de schade die de belegger stelt te hebben geleden. De geschonden norm strekt daarnaast tot bescherming van de belegger tegen het ontstaan van die schade. Nu niet is gebleken dat deze belegger enig bedrag vanaf de Rekening heeft teruggestort gekregen en de Bank – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – niet nader heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat [eiser 58] uit andere bron geld heeft teruggekregen, zal de schade (in hoofdsom) op fl. 300.000 gesteld worden.

2.68. [eiser 42], eiser sub 42 heeft omstreeks 5 december 1996 een bedrag van fl. 100.000 op de Rekening gestort. [eiser 59], eiser sub 59, heeft omstreeks 11 september 1996 een bedrag van fl. 400.000, omstreeks 16 september 1996 fl. 100.000 en omstreeks 19 november 1996 fl. 100.000 op de Rekening gestort. [eiser 60], eiser sub 60, heeft omstreeks 21 november 1996 een bedrag van fl. 200.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt [eiser 42] als ‘cedent’ ter zake van al deze stortingen. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk voor zover zij meer vordert dan het door [eiser 42] gestorte bedrag van fl. 100.000, nu zij voor het overige lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde. De vordering [eiser 42] is eveneens niet ontvankelijk voor het meerdere, nu de storting vanaf bedrijfsrekeningen is gedaan.

De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vorderingen van [eiser 59] en [eiser 60] zijn ontvankelijk ter zake van de desbetreffende stortingen.

De initiële storting door [eiser 42] van fl. 100.000 is vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen.

Van de initiële stortingen door [eiser 59] en [eiser 60] is fl. 300.000 vanaf de Rekening doorgestort naar valutapools bij Theodoor Gilissen.

Hiervan is volgens [eiser 59] fl. 86.880, fl. 87.983,43 en fl. 87.983,43 op de rekening van [eiser 59] gestort. Een bedrag van fl. 120.131,51 zou op de Rekening zijn teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren zijn gegaan. De totale vordering van [eiser 42], Jan [eiser 59] en [eiser 60] bedraagt volgens hen fl. 620.313,51, vermeerderd met rente en kosten.

Nu de stortingen van 11 september 1996 en 16 september 1996 vóór 15 oktober 1996 hebben plaatsgevonden, zal dit deel van de vordering te zijner tijd in het eindvonnis worden afgewezen.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde stortingen en ontvangsten ter zake van de valutapools niet stroken met het mutatieoverzicht van de Rekening. De rechtbank constateert in dit verband nog dat het mutatieoverzicht een storting ad fl. 43.439 van de Rekening op rekening 65.86.99.539 vermeldt. Het betreft dezelfde rekening als waarop [eiser 59] de drie eerdergenoemde terugstortingen stelt ontvangen te hebben. De gestelde schade behoeft ook in dat licht nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting, [eiser 59] en [eiser 60] op de schade ter zake van de stortingen na 15 oktober 1996 nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.69. [eiser 62], eiser sub 62, heeft omstreeks 24 februari 1997 een bedrag van fl. 100.000 op de Rekening gestort. De ‘akte van cessie’ vermeldt evenwel [eiser 43] als ‘cedent’. De Stichting is derhalve niet ontvankelijk, nu zij lasthebber is van een niet vorderingsgerechtigde lastgever. De vordering van [eiser 43], eiser sub 43, is eveneens niet ontvankelijk, nu de storting vanaf de bedrijfsrekening is gedaan.

De voorwaardelijk en subsidiair geformuleerde vordering van [eiser 62] is wel ontvankelijk. De initiële storting van fl. 100.000 is vanaf de Rekening doorgestort naar een valutapool bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 62] fl. 84.972 op de Rekening teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. De vordering behelst derhalve volgens [eiser 62] een bedrag van fl. 84.972, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De schade behoeft daarom nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank [eiser 62] op haar schade nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

2.70. [eiser 44], eiser sub 44, stelt omstreeks 5 december 1996 een bedrag van fl. 100.000 en omstreeks 30 april 1997 een bedrag van fl. 200.000 op de Rekening gestort te hebben. Van de initiële stortingen is een bedrag van fl. 200.000 vanaf de Rekening doorgestort naar valutapools bij Theodoor Gilissen. Hiervan is volgens [eiser 44] fl. 84.972 op de Rekening teruggestort en vervolgens na ‘herbelegging’ verloren gegaan. De Stichting vordert als lasthebber van deze belegger betaling van een bedrag van fl. 184.972, vermeerderd met rente en kosten.

De Bank heeft aangevoerd dat zij de schade niet kan verifiëren, nu de gestelde terugstorting(en) vanuit de valutapool(s) niet in het mutatieoverzicht van de Rekening zijn terug te vinden. De rechtbank constateert in dit verband dat het mutatieoverzicht geen storting omstreeks 5 december 1996 van fl. 100.000 door [eiser 44] op de Rekening vermeldt. Wel is omstreeks 4 december 1996 een bedrag van fl. 100.000 door [L] B.V. op de Rekening gestort. Omstreeks 29 april 1998 is evenwel een bedrag van fl. 86.880 teruggestort naar die rekening vanaf de Rekening, onder vermelding van Valuta [M] en met [eiser 44] als begunstigde. De gestelde schade behoeft ook in dat licht nadere toelichting.

Gelet op het voorgaande draagt de rechtbank de Stichting op de schade van [eiser 44] nader toe te lichten en met stukken te onderbouwen, waarna de Bank in de gelegenheid wordt gesteld te reageren.

Eigen schuld

2.71. Partijen hebben zich over en weer uitgelaten over de vraag of sprake is van eigen schuld aan de zijde van de beleggers die aan de geleden schade heeft bijgedragen.

De Stichting c.s. heeft aangevoerd dat geen sprake is van eigen schuld. De beleggers zijn als gevolg van de schending van de zorgplicht door de Bank blootgesteld aan ernstige risico’s, terwijl de zorgplicht naar haar aard juist strekt tot bescherming van de cliënt tegen het gevaar van lichtzinnigheid of gebrek aan inzicht. Bovendien was een aantal van de beleggers niet deskundig op het terrein van beleggen en is de beleggers verteld dat zij zeer kleine risico’s liepen.

De Bank heeft aangevoerd dat de schade juist (grotendeels) voor rekening van de beleggers dient te blijven. Diverse beleggers waren zeer ervaren en waren al jaren betrokken bij beleggingsclubs. Voorts gingen de beleggers – kort gezegd – af op mooie verhalen zonder zich nader te informeren omtrent de beleggingen.

De rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak aanleiding voor het aannemen van een gedeeltelijke eigen schuld in de verhouding tussen de Bank en de beleggers. Hiertoe is redengevend dat de beleggers in zee gingen met een vennootschap in oprichting, dat de beleggers niet wisten of en wanneer er geld terugbetaald zou worden, dat de beleggers geen schriftelijke informatie als een prospectus omtrent de beleggingen hebben gevraagd of gekregen, dat de beleggers geen zekerheid verlangden en dat de beleggers geen – van een financiële instelling afkomstige – afschriften van beleggingsresultaten hebben gevraagd of gekregen. Desondanks vertrouwden de beleggers op de mondelinge mededelingen van [gedaagde 3] c.q. [gedaagde 2] dat zij geen risico’s liepen en dat (zeer) hoge rendementen behaald zouden worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de schade, in verhouding tot het vastgestelde onzorgvuldig handelen van Bank, in beginsel voor de helft een gevolg is van het in de gegeven omstandigheden aanmerkelijk onvoorzichtig handelen van de beleggers, zodat de vergoedingsplicht van de Bank op grond van eigen schuld in beginsel met 50% verminderd zal worden. De rechtbank zal de Stichting c.s. in de gelegenheid stellen per belegger te onderbouwen dat de eigen schuld op een kleiner aandeel gesteld dient te worden, dan wel anderszins een billijkheidscorrectie toegepast dient te worden. In dit verband draagt de rechtbank de Stichting c.s. op de stukken in het geding te brengen omtrent de beleggingsclubs waarin diverse beleggers hebben deelgenomen, daaronder begrepen de overeenkomsten met financiële instellingen die deze beleggers/beleggingsclubs hebben gesloten. De Bank zal in de gelegenheid gesteld worden om hierop te reageren en voorts om harerzijds te onderbouwen dat de eigen schuld op een groter aandeel gesteld dient te worden dan wel anderszins een billijkheidscorrectie toegepast dient te worden.

2.72. Gelet op al het voorgaande zal de zaak naar de rol van 11 juli 2012 worden verwezen voor het nemen van een akte en het in het geding brengen van stukken door de Stichting c.s., waarna de zaak naar de rol van zes weken later zal worden verwezen voor het nemen van een antwoordakte door de Bank.

2.73. De rechtbank geeft partijen in overweging om – met inachtneming van hetgeen in dit vonnis is overwogen – met elkaar in overleg te treden teneinde alsnog een minnelijke regeling te beproeven. In dat kader kan het voor partijen van belang zijn dat in deze fase van de procedure tussentijds appèl tegen dit vonnis ook desgevraagd niet meer zal worden toegestaan. Redengevend daarvoor is dat partijen ook na het eerdere tussenvonnis niet hebben gekozen voor tussentijds appèl, alhoewel de rechtbank hen de mogelijkheid daartoe wel had geboden. Op de wezenlijke punten die partijen verdeeld houden heeft de rechtbank inmiddels alle knopen doorgehakt en de thans te verstrekken informatie betreft nog slechts details. Ook de door de Stichting c.s. gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad zal te zijner tijd bij eindvonnis worden toegewezen, niettegenstaande de daartegen door de Bank gevoerde verweren. Daarvoor is redengevend dat de procedures tegen de Bank inmiddels in totaliteit al dertien jaar lopen en van de Stichting c.s. niet gevergd kan worden dat zij eerst een eventuele procedure in hoger beroep moeten afwachten alvorens de Bank tot betaling overgaat.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verwijst de zaak naar de rol van 11 juli 2012 voor het nemen van een akte en het in het geding brengen van stukken door de Stichting c.s. omtrent hetgeen is vermeld onder 2.27 tot en met 2.72 van dit vonnis, waarna de zaak naar de rol van zes weken later zal worden verwezen voor een antwoordakte door de Bank;

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. C.S. Naarden en mr. H.J.M. Burg en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2012.?