Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW9377

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
11/6354
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de voor betrokkene ter plaatse van de (sociale) activiteiten benodigde begeleiding de AWBZ een voorliggende voorziening is op de WMO. De rechtbank begrijpt uit het Besluit zorgaanspraken AWBZ en de toelichting hierop dat begeleiding van een persoon gericht op diens maatschappelijke participatie sinds 1 januari 2009 niet langer tot het domein van de AWBZ behoort en dat de begeleidende activiteiten die nog wel tot dat domein behoren strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van verzekerde. In het onderhavige geval gaat het louter om activiteiten die verband houden met maatschappelijke participatie van een persoon, dit behoort tot het terrein van de WMO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11-6354

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2012

in de zaak van:

[naam],

in zijn hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H. Meerman, medewerker Stichting de Ombudsman te Hilversum,

tegen:

het college van burgermeester en wethouders van Amstelveen,

verweerder.

1. Procesverloop

De rechtbank heeft in deze zaak op 27 januari 2012 een tussenuitspraak (aangehecht) gedaan.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder in zijn brief van 12 maart 2012 een gewijzigd standpunt betrokken.

Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven over de wijze waarop volgens verweerder het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek door verweerder is hersteld. Eiser heeft zijn zienswijze bij brief van 23 april 2012 gegeven.

Bij brief van 3 mei heeft de rechtbank verweerder verzocht binnen één week een ander besluit in het geding te brengen. Op deze brief heeft verweerder niet gereageerd.

Vervolgens heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, aanhef en onder c, Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten nader onderzoek ter zitting achterwege te laten en heden uitspraak te doen.

2. Overwegingen

2.1 Om te trachten het in rechtsoverweging 2.13 van de tussenuitspraak geformuleerde zorgvuldigheidsgebrek te herstellen, heeft verweerder opdracht gegeven aan de medisch adviseur van Scio consult om advies uit te brengen. Bij een door hem op

9 maart 2012 ondertekend rapport heeft medisch adviseur dr. [naam] van Scio consult aan verweerder advies uitgebracht.

2.2 Uit zijn rapport blijkt dat [naam] voor zijn onderzoek op 22 februari 2002 een huisbezoek heeft afgelegd, waarbij eiser, zijn vrouw en zijn gehandicapte zoon ([naam]) aanwezig waren. Door medisch adviseur [naam] is daarbij eerst geïnventariseerd welke doelen [naam] heeft op sociaal gebied. Vervolgens heeft [naam] geïnventariseerd welke middelen op dit moment voor [naam] ter beschikking zijn om deze doelen zelfstandig of met een gezinslid te bereiken en welke begeleiding nodig is bij het vervoer van A naar B en op de plaats van bestemming. Uit deze inventarisaties komt het volgende naar voren.

[naam], een jongen van 15 jaar, is hoogbegaafd en heeft een zeer grote maatschappelijke belangstelling. Hij heeft de behoefte om alles te kunnen doen wat een jongen van zijn leeftijd zelfstandig zou doen en hij wil meedoen met zijn leeftijdsgenoten. Hij neemt deel aan gehandicapten scouting, wil graag naar een buurthuis kunnen, na schooltijd naar vrienden kunnen, een museum of bibliotheek kunnen bezoeken en met vrienden kunnen winkelen. Ook is hij geïnteresseerd in alles wat met auto’s te maken heeft; hij gaat graag bij autodealers op bezoek of naar het circuit. [naam] heeft een elektrische stoel waarmee hij zich kan verplaatsen op locatie. Beide ouders hebben een aangepaste rolstoelbus. Deze moet bestuurd worden door derden en kan worden ingezet om met een van de ouders op familiebezoek te gaan of als een van de begeleiders met [naam] ergens naar toe gaat. Tijdens het vervoer heeft [naam] begeleiding nodig omdat hij regelmatig wegzakt in zijn rolstoel. Ook op de plaats van bestemming heeft [naam] permanente begeleiding nodig. Hij kan niets zelf en er moet continue iemand in de buurt zijn om hem met allerlei praktische handelingen te helpen.

Vervolgens heeft [naam] beoordeeld hoeveel uur begeleiding/ondersteuning [naam] per week in totaal nodig heeft om hem de mogelijkheid te bieden maatschappelijk te kunnen participeren. Daarbij heeft [naam] zich beperkt tot het benodigde aantal uren per week aan begeleiding tijdens vervoer naar en van bestemmingen, omdat volgens hem de begeleiding ter plekke tot 2014 nog valt onder de verantwoordelijkheid van de AWBZ. De voor [naam] benodigde begeleiding tijdens vervoer is door [naam] vastgesteld op zes uur per week (vier activiteiten per week x een gemiddelde heen- en terugreis van 1,5 uur). Hierbij heeft [naam] toegelicht dat er geen norm bestaat voor het aantal keren dat een kind van 15 jaar buiten schooltijden activiteiten verricht zonder zijn ouders en dat hij in overleg met collega adviseurs, op basis van eigen ervaringen en rekening houdend met de persoonskenmerken van [naam], tot het voormelde aantal van zes uur is gekomen. Aldus heeft [naam] verweerder geadviseerd om een persoonsgebonden budget (pgb) te verstrekken voor zes uur begeleiding per week.

2.3 Verweerder heeft zich in zijn brief van 12 maart 2012 op het standpunt gesteld, dat hij met het voormelde advies van Scio consult geheel tegemoet is gekomen aan de door de rechtbank in de tussenuitspraak gesignaleerde gebreken in het bestreden besluit. Tevens heeft verweerder bericht dat eiser namens [naam] een aanvraag bij de voorliggende voorziening (AWBZ) kan doen en dat ten behoeve van begeleiding van vervoer naar en van activiteiten verweerder een aanvraag uit hoofde van de WMO in behandeling zal nemen.

2.4 In de zienswijze van 23 april 2012 heeft eiser zich op de volgende standpunten gesteld. Verweerder heeft de in de tussenuitspraak vermelde gebreken niet geheel hersteld. In de eerste plaats is onduidelijk waar het door Scio gemaakte onderscheid tussen begeleiding tijdens vervoer (terrein van de WMO) en begeleiding op de plek waar de maatschappelijke activiteit plaatsvindt (terrein van de AWBZ) op is gebaseerd. Volgens eiser is er geen onderscheid. Als de begeleiding tijdens het vervoer een WMO-voorziening is, dan zou dit ook moeten gelden voor de begeleiding op de plaats waarop de maatschappelijk participatie plaatsvindt. Eiser vindt dat verweerder naast het toekennen van een pgb voor de zes uur aan benodigde begeleiding tijdens individueel vervoer, [naam] ook dient te compenseren voor de beperkingen die hij heeft met betrekking tot zijn maatschappelijk participatie ofwel het aangaan van sociale verbanden. Het aantal uren dat daarmee gemoeid is bedraagt naar eisers schatting 30 á 33 uur per week, welk schatting eiser in zijn brieven van 24 mei 2011 en 19 april 2012 heeft toegelicht.

In de tweede plaats heeft Scio wel geadviseerd ten behoeve van de begeleiding van [naam] tijdens het vervoer naar en van sociale activiteiten een pgb toe te kennen voor zes uur per week, maar dat is iets anders dan een motiveringsgebrek herstellen. Als verweerder het advies van Scio opvolgt, en nergens blijkt dat verweerder dit achterwege zou laten, dan is dit een ander besluit dan dat verweerder middels het bestreden besluit heeft genomen.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.5 Onderdeel van het onderzoek door de medisch adviseur van Scio is geweest het in kaart brengen van de beperkingen en behoeften van [naam] bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Daarmee acht de rechtbank het in rechtsoverweging 2.13 van zijn tussenuitspraak vermelde zorgvuldigheidsgebrek hersteld.

2.6 In rechtsoverweging 2.14 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zijn standpunt dat sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 2 WMO niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

In zijn brief van 12 maar 2012, waarbij door verweerder kennelijk de motivering van de medisch adviseur van Scio is gevolgd, heeft verweerder het in het bestreden besluit betrokken standpunt dat sprake is van een voorliggende voorziening (AWBZ) deels en op grond van een andere motivering gehandhaafd. Dat betreft het deel dat ziet op de benodigde begeleiding ter plaatse waarheen en waarvan [naam] moet worden vervoerd voor het verrichten van (sociale) activiteiten. De medisch adviseur heeft zijn standpunt dat compensatie op grond van de WMO op het gebied van begeleiding in dit geval alleen geboden is tijdens het vervoer en niet ter plaatse, toegelicht met de stelling dat waar het gaat om verplaatsingen voor maatschappelijke participatie buitenshuis waarbij begeleiding noodzakelijk weliswaar niet langer de AWBZ, maar de WMO verantwoordelijk is. Echter, aldus de medisch adviseur, waar het gaat om begeleiding ten aanzien van de sociale zelfredzaamheid voor personen met matige tot ernstige beperkingen valt die nog steeds onder de AWBZ. De medisch adviseur stelt hierover op 29 februari 2012 telefonisch overleg te hebben gehad met een medewerkster van het CIZ en zij heeft bevestigd dat de functie begeleiding bij het uitvoeren van sociale activiteiten ten behoeve van de maatschappelijke participatie valt binnen het bereik van de AWBZ.

De rechtbank kan de motivering van de medisch adviseur niet volgen en is van oordeel dat verweerder zich op basis daarvan ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de door [naam] ter plaatse van de (sociale) activiteiten benodigde begeleiding de AWBZ een voorliggende voorziening is. Voor dat oordeel is het volgende redengevend.

In rechtsoverweging 2.14 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank verwezen naar onderdeel 1.4 van de nota van toelichting van het per 1 januari 2009 gewijzigde Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna het Besluit), waarin staat dat de nieuwe functie begeleiding op grond van de AWBZ zich beperkt tot het doel zelfredzaamheid en dat het andere, bij de oude functie begeleiding eveneens gebruikelijke, doel maatschappelijke participatie naar de mening van het kabinet niet behoort tot de onbetwistbare AWBZ-zorg en derhalve niet tot het domein van de AWBZ maar tot andere domeinen, waaronder de WMO.

In artikel 6, eerste lid van het Besluit, zoals dat geld sinds 1 januari 2009 en voor zover hier van belang, is bepaald dat begeleiding omvat, door een instelling te verlenen activiteiten aan verzekerden met een lichamelijke of zintuigelijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van de sociale redzaamheid en het bewegen of verplaatsen. In het tweede lid van voormeld artikel is bepaald dat de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op de bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde.

Uit de voormelde bepalingen, bezien in het licht van de nota van toelichting van het per 1 januari 2009 gewijzigde Besluit, begrijpt de rechtbank dat begeleiding van een persoon gericht op diens maatschappelijke participatie sinds 1 januari 2009 niet langer tot het domein van de AWBZ behoort en dat de begeleidende activiteiten die nog wel tot dat domein behoren, strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde. Niet in te zien valt dat de begeleiding van [naam] voor zover die wordt ingezet op de plaatsen buitenshuis waar hij (sociale) activiteiten verricht er toe strekt opname in een instelling of verwaarlozing te voorkomen. Het gaat hier louter om activiteiten die verband houden met maatschappelijk participatie van een persoon. Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, WMO behoort het college van burgermeester en wethouders voor beperkingen op dat terrein compensatie te bieden en daarbij past, naar het oordeel van de rechtbank, geen onderscheidt tussen beperkingen die betrekking hebben op het vervoer van en naar de (sociale) activiteiten en beperkingen die betrekking hebben op zelfredzaamheid tijdens die activiteiten.

2.7 Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder het in rechtsoverweging 2.14 van de tussenuitspraak vermelde motiveringsgebrek niet (geheel) heeft hersteld.

2.8 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Dat betekent dat verweerder, alvorens opnieuw op het bezwaar te beslissen, dient te beoordelen welk aantal uren begeleiding nodig is bij de (sociale) activiteiten buitenshuis die [naam] wekelijks verricht en waarheen hij vervoerd moet worden. Daarbij overweegt de rechtbank, dat haar het door de medisch adviseur van Scio vermelde aantal van vier activiteiten per week niet onredelijk voorkomt als zijnde het aantal buitenshuis gelegen activiteiten dat voor [naam] benodigd is om hem te compenseren in de beperkingen die hij ondervindt bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Bij de voormelde beoordeling dient verweerder te betrekken hetgeen eiser daarover in zijn brieven van 24 mei 2011 en 19 april 2012 naar voren heeft gebracht.

2.9 Ten slotte overweegt de rechtbank, dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat eiser ter verkrijging van het pgb dat door verweerder in zijn brief van 12 maart 2012 in het vooruitzicht is gesteld en dat betrekking heeft op de begeleiding van [naam] tijdens diens vervoer naar en van de bestemming van zijn (sociale) activiteiten buitenshuis nog een nieuwe aanvraag moet indienen, zoals verweerder in zijn voormelde brief lijkt te suggereren. Die voorziening valt immers, naar het oordeel van de rechtbank, binnen het bereik van de aanvraag zoals die door eiser op 16 juli 2010 al is gedaan en zoals die aanvraag door de rechtbank is omschreven in rechtsoverweging 2.11 van de tussenuitspraak.

2.10 Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. De ingevolge het Besluit Proceskosten Bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de nadere zienswijze van 23 april 2012, waarbij de zwaarte van de zaak als gemiddeld wordt aangemerkt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak en met in achtneming daarvan opnieuw op het bezwaar te beslissen.

3.4 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.092,50 te betalen aan eiser ;

3.5 gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 41,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.