Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW9372

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-05-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
12/1859 & 12/1860
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor plaatsing sluiswachtershuisje.

De voorzieningenrechter acht het onredelijk dat de wens van de derde partij de sluiswachters beschutting te kunnen bieden en materialen te kunnen opslaan ten koste gaat van een zo forse en permanente aantasting van het uitzicht. Verweerder heeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid geen omgevingsvergunning voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan kunnen verlenen. Dat brengt mee dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk dient te worden geweigerd op grond van artikel 2.10, eerste lid aanhef en onder c, van de Wabo. Voor het plaatsen van het sluiswachtershuisje op de beoogde plaats kan geen omgevingsvergunning worden verleend. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3058
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 – 1859 en 12 – 1860

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2012

in de zaak van:

de Diaconie van de Protestantse gemeente Haarlem-Noord en Spaarndam,

gevestigd te Haarlem,

verzoekster,

gemachtigde: mr. J.W. Spanjer, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder,

derde partij,

Stichting Kolksluis Spaarndam,

gevestigd te Spaarndam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2012 heeft verweerder aan de derde partij een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een sluiswachtershuisje aan de Kolksluis te Spaarndam.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 16 april 2012 beroep ingesteld. Bij brief van 16 april 2012 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 8 mei 2012, alwaar verzoekster is vertegenwoordigd door mr. J.W. Spanjer, [namen]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Vries. De derde partij heeft zich doen vertegenwoordigen door [naam].

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Ook hebben partijen ter zitting aangegeven dat uitspraak in de hoofdzaak kan worden gedaan.

2.2 Bij besluit van 5 maart 2012 heeft verweerder aan de derde partij een omgevingsvergunning verleend voor het (terug)plaatsen van een origineel sluiswachtershuisje aan de kolksluis te Spaarndam. De omgevingsvergunning ziet op de volgende activiteiten:

- het bouwen van een bouwwerk ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

- het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor dat wordt ontsierd of in gevaar gebracht ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo;

- het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

2.3 Verzoekster kan zich niet verenigen met de verleende omgevingsvergunning. Nu de derde partij heeft aangegeven zo spoedig mogelijk te willen starten met de bouwwerkzaamheden heeft verzoekster spoedeisend belang bij haar verzoek om voorlopige voorziening.

2.4 Het betrokken perceel is gelegen op gronden waar het bestemmingsplan “Hekslootgebied/Spaarndam”, vastgesteld op 25 november 2009, vigeert en heeft de bestemming “Water-Waterstaat”. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met deze bestemming nu het bestemmingsplan aangeeft dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd en er geen bouwvlak op de kaart is aangegeven bij deze bestemming.

2.5 Verzoekster voert ten eerste aan dat verweerder op onjuiste gronden een omgevingsvergunning heeft verleend voor de activiteit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Op grond van de Wabo en het Besluit Omgevingsrecht (Bor), met de daarbij behorende bijlagen, is het mogelijk om ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan op grond van de gevallen genoemd in artikel 4, eerste lid, onder a, van Bijlage II bij het Bor. Het gaat in dat geval om een “bijbehorend bouwwerk” in de bebouwde kom. In het Bor wordt een bijbehorend bouwwerk gedefinieerd als een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden met een daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of bouwwerk met een dak. Nu ter plaatse geen sprake is van een hoofdgebouw kan het sluiswachtershuisje niet als bijbehorend bouwwerk worden aangemerkt. Verweerder kon het met het bestemmingsplan strijdige gebruik dus niet op deze gronden toestaan, aldus verzoekster.

2.6 Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2.7 van het Bor en artikel 4, eerste lid, Bijlage II van het Bor toestemming gegeven af te wijken van het bepaalde in artikel 17 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Hekslootgebied/Spaarndam”.

Artikel 4 aanhef, eerste lid, van Bijlage II van het Bor luidt – voor zover van belang –als volgt:

“Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

1 een bijbehorend bouwwerk:

a. binnen de bebouwde kom,

b. buiten de bebouwde kom mits wordt voldaan aan de volgende eisen:”

Uit artikel 1, eerste lid, van Bijlage II van het Bor volgt dat onder bijbehorend bouwwerk dient te worden verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

2.7 Verweerder heeft ter zitting erkend dat onderhavig bouwplan niet ziet op de oprichting van een bijbehorend bouwwerk. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op onjuiste gronden bevoegd heeft geacht om omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. De beroepsgrond slaagt.

2.8 Verweerder heeft, blijkens de ter zitting gegeven toelichting, beoogd om op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2.7 van het Bor en artikel 4, tweede lid, van Bijlage II van het Bor toestemming gegeven af te wijken van het bepaalde in artikel 17 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Hekslootgebied/Spaarndam”. Abusievelijk is in het bestreden besluit verwezen naar het eerste lid van artikel 4 van Bijlage II van het Bor, aldus verweerder.

2.9 Ingevolge het tweede lid van artikel 4 aanhef, tweede lid, van Bijlage II van het Bor komt voor verlening van en omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken in aanmerking: een gebouw ten behoeve van een infastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemde eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 50m2.

Ingevolge artikel 2 aanhef, onderdeel 18, onder a van Bijlage II van het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet niet vereist indien deze activiteiten betrekking hebben op een bouwwerk ten behoeve van een infastructurele of openbare voorziening, voor zover het betreft:

a. een bouwwerk ten behoeve van een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

1° niet hoger dan 3 m, en

2° de oppervlakte niet meer dan 15m2.

2.10 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder op grond van artikel 4 aanhef, tweede lid, van Bijlage II van het Bor in samenhang met artikel 2 aanhef, onderdeel 18, onder a, van Bijlage II van het Bor bevoegd om omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Het sluiswachtershuisje kan worden aangemerkt als een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening (in dit geval de het waterverkeer en de waterhuishouding). Verder is het sluiswachtershuisje minder dan 5 meter hoog en bedraagt de oppervlakte niet meer dan 50 m2. De voorzieningenrechter volgt niet het ter zitting ingenomen standpunt van verzoekster dat het sluiswachtershuisje alleen dient als schuil- en opslagplaats, en dus niet onder het tweede lid van artikel 4 van Bijlage II van het Bor valt. Het sluiswachtershuisje zal niet alleen als schuil- en opslagplaats dienen, maar ook bedieningsinstrumenten, werkbanken en scheepsvaartverlichting herbergen Er zullen werkzaamheden worden verricht ten behoeve van het waterverkeer. Gelet op de ter zitting door de derde partij en verweerder gegeven toelichting is aannemelijk dat het sluiswachtershuisje ten dienste zal staan van het waterverkeer ter plaatse.

2.11 Verzoekster voert voorts aan dat de door haar in de zienswijze aangevoerde belangen niet goed zijn gewogen in het bestreden besluit. Het oude sluiswachtershuisje was tegen de brug aangebouwd aan de overzijde op de Oostkolk zodat omwonenden niet in hun uitzicht werden belemmerd. Het nieuwe sluiswachtershuisje zal komen te staan op 4 meter afstand van de benedenverdieping van de Westkolk nr. [nummer], alwaar het pand van verzoekster is gesitueerd. Het bouwwerk is op zichzelf weliswaar 2,8 meter maar wordt op een reeds bestaande verhoging geplaatst waardoor de werkelijke hoogte 4,5 meter vanaf het maaiveld zal bedragen. Het woongenot van de huurder van de eerste en tweede etage op Westkolk [nummer] wordt aanzienlijk beperkt. De sluis wordt bediend tussen 1 april en 31 oktober, slechts van 09.30 tot 17.00 uur, uitsluitend in de weekends. Verzoekster vraagt zich af waarom een permanent bouwwerk moet worden opgericht bij een zo beperkte openstelling. Tevens zullen schepen, voorzien van een vaste zeilmast, geen gebruik kunnen maken van de sluis en gaat het slechts om roeiboten en sloepen die, naar in de praktijk gebleken is, slechts spaarzaam gebruik maken van de sluis. Voorts voert verzoekster in dit verband aan dat verweerder alternatieve locaties onvoldoende heeft onderzocht. Verzoekster geeft er de voorkeur aan dat het huisje op de oude locatie aan de Oostkolk wordt geplaatst, zodat geen ontsiering plaats vindt en geen waardedaling van haar eigendom, maar ziet ook andere alternatieven.

2.12 Aan het bestreden besluit en de daarbij behorende beantwoording van de zienswijzen heeft verweerder de volgende motivering en belangenafweging ten grondslag gelegd. De kolksluis is in september 2009 na 80 jaar stremming weer heropend. Er is behoefte aan een sluiswachtershuisje, dat dienst kan doen als opslagplek voor materialen en als verblijfsruimte voor de sluiswachters. Het plaatsen van het sluiswachtershuisje is feitelijk noodzakelijk en functioneel bij het bedienen van de sluis. Het sluiswachtershuisje past in de directe omgeving van de Kolksluis en haar nautische functie. De derde partij beheert en onderhoudt het complex namens de eigenaren van de Kolksluis en Balkbrug, te weten het Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente Haarlem. De sluis wordt bediend door sluiswachters die door de derde partij zijn aangesteld. Het sluiswachtershuisje is een replica van een eerder huisje dat aan de sluis heeft gestaan en wordt geplaatst op het buitenhoofd aan de Westkolk, op een afstand van circa 4 meter van de gevel van Westkolk [nummer]. Uit de tekeningen bij het besluit blijkt dat het huisje buitenmaats 2,8 meter hoog is, een oppervlakte heeft van 2 bij 3 meter en dat er west- en oostzijds ramen worden geplaatst voor een transparante uitstraling. Aan de westzijde van het huisje, dit is de kant die naar de huisgevels Westkolk [nummer] wordt gericht, wordt geen raam aangebracht. Uit historische gegevens is gebleken dat er een identiek sluiswachtershuisje bij de sluis heeft gestaan. De stelling van verzoekster dat het aanzien van de Westkolk wordt ontsierd en aangetast door het aanbrengen van het sluiswachtershuisje is in tegenspraak met de positieve stedenbouwkundige en welstandelijke adviezen. De afdeling Stedenbouw en Planologie heeft geconstateerd dat het sluiswachtershuisje enige schaduw zal veroorzaken, doch niet in die mate dat omwonenden onevenredig worden beperkt in het zonlicht in of nabij hun woning. Het is niet aannemelijk dat de plaatsing van het sluiswachtershuisje een waardedaling dan wel inkomstenderving van de panden aan de Westkolk [nummer] zal veroorzaken. De huurders van het pand Westkolk [nummer] wonen op de eerste etage zodat zij grotendeels over het sluiswachtershuisje heen gaan kijken. Het huisje zal inderdaad slechts van april tot en met oktober in gebruik zijn. Het betreft hier een vast bouwwerk dat niet telkens verwijderd kan worden, aldus verweerder.

2.13 De derde partij heeft daaraan toegevoegd dat er is nagedacht over de locatie en de wijze waarop het sluiswachtershuisje herplaatst zal worden. De derde partij heeft er uiteindelijk, na overleg met het Hoogheemraadschap Rijnland, omwonenden en de wethouder, voor gekozen om een aanvraag in te dienen voor de locatie buitenhoofd aan de Westkolk omdat de sluiswachters vanaf daar de gehele sluis kunnen overzien. Op de Oostkolk is dat niet het geval. Rond 1910 stond daar een sluiswachtershuisje, maar gelijktijdig nog twee exemplaren bij de Balkbrug en langs het IJ, ter wille van het overzicht. Het herplaatsen van deze drie huisjes leek de derde partij minder geschikt dan het nu beoogde sluiswachtershuisje aan de Westkolk.

2.14 Vast staat dat derde partij het sluiswachtershuisje wil plaatsen op een afstand van maximaal 4,5 meter van het pand van verzoekster op Westkolk [nummer]. De motivering zoals verwoord in het bestreden besluit en de beantwoording van de zienswijzen kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet ten grondslag worden gelegd aan het verlenen van omgevingsvergunning voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan ten behoeve van dit bouwplan. Door de geringe afstand van het beoogde sluiswachtershuisje tot het perceel aan de Westkolk [nummer] wordt het zicht vanuit de begane grond en de eerste etage op de kolk permanent dusdanig belemmerd dat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter onredelijk is om toe te staan dat juist op die plek, op een reeds bestaande verhoging, een sluiswachtershuisje wordt neergezet. De forse aantasting van het uitzicht vanuit Westkolk [nummer] wordt bovendien niet gerechtvaardigd door het belang dat de derde partij en verweerder hebben bij plaatsing van het sluiswachtershuisje op die plaats. Voor het schutten van de sluis is het sluiswachtershuisje strikt genomen niet noodzakelijk. Bovendien vindt deze activiteit hoofdzakelijk slechts gedurende een deel van het jaar plaats, namelijk in de periode april-oktober in de weekeinden. Het is onder deze omstandigheden onredelijk dat de wens van de derde partij de sluiswachters beschutting te kunnen bieden en materialen te kunnen opslaan ten koste gaat van een zo forse en permanente aantasting van het uitzicht vanuit Westkolk [nummer]. Ter zitting heeft de derde partij betoogd dat alle andere alternatieven voor plaatsing van een sluiswachtershuisje aan de Kolksluis te Spaarndam op bezwaren van (andere) omwonenden zullen stuiten en operationeel een verslechtering zullen zijn. Het gevolg daarvan mag echter niet zijn dat verzoekster dan uiteindelijk maar heeft te accepteren dat het uitzicht vanuit haar pand zo fors wordt beperkt. De beroepsgrond slaagt.

2.15 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid geen omgevingsvergunning voor de activiteit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan kunnen verlenen. Dat brengt mee dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk dient te worden geweigerd op grond van artikel 2.10, eerste lid aanhef en onder c, van de Wabo. De bestreden omgevingsvergunning omvat tevens de activiteit: het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor dat wordt ontsierd of in gevaar gebracht (activiteit monument). De activiteit monument hangt onlosmakelijk samen met de activiteit bouwen en de activiteit gebruik in strijd met een bestemmingsplan. Omdat voor deze activiteiten geen omgevingsvergunning kan worden verleend, kan ook voor de activiteit monument geen omgevingsvergunning worden verleend.

2.16 Verzoekster heeft ter zitting haar gronden over het (voorwaardelijke) positieve advies van de Adviescommissie Ruimtelijke kwaliteit/CWM ten aanzien van de monumentenstatus van het sluiswachtershuisje laten vallen, zodat deze geen nadere bespreking behoeven.

2.17 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 2.7 en 2.15 door de voorzieningenrechter is overwogen is het beroep gegrond.

2.18 Voor het plaatsen van het sluiswachtershuisje op de beoogde plaats kan geen omgevingsvergunning worden verleend. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren.

2.19 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.20 Er bestaat aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, en 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (verder: het Besluit). De kosten zijn op voet van het bepaalde in bovengenoemd Besluit vastgesteld op 1 punt voor het beroepschrift , 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij 1 punt gelijk is aan € 437,--. De voorzieningenrechter zal voorts bepalen dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht aan haar dient te vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 5 maart 2012;

3.3 weigert de door de derde partij gevraagde omgevingsvergunning voor het plaatsen van een sluiswachtershuisje op de Westerkolk te Spaarndam;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 5 maart 2012;

3.5 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

3.6 veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.311,-- te betalen aan verzoekster;

3.7 gelast dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 620,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2012.

De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.