Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW9252

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
25-06-2012
Zaaknummer
15/700698-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging en oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging voor opzettelijke brandstichting in een woning. De rechtbank verwerpt het verweer dat er sprake was van een ongeluk, nu er op meerdere plaatsen op de vloer benzine is aangetroffen en een technisch verklaarbare brandoorzaak uitgesloten is. Uit verklaringen van verdachte kan worden afgeleid dat hij zich minst genomen bewust is geweest van het feit dat door de combinatie van benzine en vuur brand kon ontstaan in de woning. Derhalve was er naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van een situatie waarin de verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700698-11

Uitspraakdatum: 22 juni 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 juni 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 11 september 2011 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, opzettelijk brand heeft gesticht een woning aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk benzine, althans brandbare vloeistof, op meerdere gedeelten van de vloer gesprenkeld en/of een jerrycan met benzine omgegooid, en/of (vervolgens) die benzine / brandbare vloeistof in brand gestoken en/of een brandende kaars omgegooid, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine/een brandbare vloeistof en/of meerdere gedeelten van de vloer, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan het pand aan de [adres] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het/de pand(en) gelegen aan de [adres] en/of [adres], in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of een of meer zich in voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) goed(eren) en/of voor een zich in de nabijheid van voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) pand(en)/woning(en) en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in voornoemd(e) pand(en) en/of in de nabijheid van voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) perso(o)n(en) en/of voor de omwonenden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Subsidiair

hij op of omstreeks 11 september 2011 te Wormerveer, gemeente Zaanstad,, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam (in de woning, gelegen aan de [adres]) een jerrycan met benzine heeft laten omvallen en/of in aanraking heeft gebracht met open vuur en/of een brandende kaars, heeft laten omvallen, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat het pand aan de [adres] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan,terwijl daardoor gemeen gevaar voor het/de pand(en) gelegen aan de [adres] en/of [adres], in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of een of meer zich in voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) goed(eren) en/of voor een zich in de nabijheid van voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) pand(en)/woning(en) en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in voornoemd(e) pand(en) en/of in de nabijheid van voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) perso(o)n(en) en/of voor de omwonenden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en tot ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden opgelegd.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op zondag 11 september 2011 wordt [naam bovenbuurman], woonachtig in een bovenwoning aan de [adres] te Wormerveer, rond 23:15 uur wakker van een harde knal. Hij staat op en ziet rook komen uit de benedenwoning aan de [adres], waar verdachte woont. Beide woningen zijn huurwoningen. [bovenbuurman] loopt naar beneden, ruikt een sterke brandlucht in de hal en belt onmiddellijk 112. Vervolgens bonkt [bovenbuurman] hard op de deur van de woning van verdachte, maar hij hoort en ziet niets. [bovenbuurman] verlaat de woning en wacht op de komst van de brandweer en de politie.

De ter plaatse gekomen politieagenten krijgen opdracht van de brandweer om de bewoners van de naastgelegen percelen te ontruimen. Verbalisanten horen van de bewoners van de belendende woningen dat ze al lagen te slapen en zij zien dat die woningen binnen enkele seconden vol met rook staan.

Verdachte was erbij aanwezig toen de brand in zijn woning ontstond. Hij is vervolgens weggegaan en bijna één dag later ’s avonds elders aangehouden .

Door de brandweer worden in de woonkamer verschillende brandhaarden aangetroffen, waaronder een brandhaard achter de toegangsdeur en een brandhaard op een bed in de slaapkamer. Onder de salontafel staat - rechtop - een groene jerrycan met vloeistof. De dop is niet op de vulopening van de jerrycan aangebracht, maar wel aan de jerrycan bevestigd.

De schenktuit ligt elders op de vloer in de woning. De jerrycan is voor ongeveer ¼ deel gevuld met een vloeistof, waarvan de forensisch onderzoekers de geur herkennen als zeer waarschijnlijk motorbenzine. De vloer onder de jerrycan is niet beroet. Gezien de wijze van inbranding op de vloer komen de forensisch onderzoekers tot de conclusie dat sprake is geweest van een vloeistofbrand zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het sprenkelen met een brandbare vloeistof. Een technisch verklaarbare brandoorzaak is uitgesloten.

Door de onderzoekers van de politie zijn delen van de dorpel - waar de diepste inbranding heeft plaatsgevonden - uitgenomen en ingezonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Uit onderzoek van het NFI blijkt dat in de dorpel vluchtige stoffen afkomstig van motorbenzine zijn aangetroffen. Door de verhuurder van de woning van verdachte is aangifte gedaan van brandstichting.

4.2. Bewijsoverweging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van opzettelijke brandstichting, maar van een ongeluk.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij bij de Esso een jerrycan en benzine heeft gekocht, dat in zijn woning de benzine is omgevallen, dat hij erbij was toen de brand ontstond en dat hij vlammen heeft gezien. Verdachte heeft de woning vervolgens verlaten.

Getuige-deskundige[ naam getuige-deskundige] heeft onder meer verklaard dat er meerdere, op zichzelf staande verbrandingsplaatsen op de vloer zijn aangetroffen en dat een ongeluk in ieder geval niet past bij het op de vloer van de woning aangetroffen brandbeeld. In het geval van een ongeluk (omvallen van of knoeien met benzine) zou er namelijk een andere situatie zijn aangetroffen waarbij één aaneengesloten brandbeeld op de vloer zichtbaar zou zijn geweest, aldus [getuige-deskundige]. Dat er op meerdere plaatsen op de vloer vloeistof is aangetroffen, duidt volgens [getuige-deskundige] op opzettelijke verspreiding. Een technisch verklaarbare brandoorzaak sluit [getuige-deskundige] uit en hij komt tot de conclusie dat de brand zeer waarschijnlijk is ontstaan door het opzettelijk bijbrengen of achterlaten van vuur in de voor- of achterkamer van de woning waarbij gebruik werd gemaakt van een ontbrandbare vloeistof.

De rechtbank die deze bevindingen overneemt en tot de hare maakt, is mede gelet op wat verdachte erover heeft verklaard van oordeel dat hiermee het opzet van verdachte op de brandstichting vast staat en dat er geen sprake is geweest van een ongeluk. Naar het oordeel van de rechtbank stroken de verklaring van verdachte inhoudende ''Je weet toch wel hoe je fikkie steekt'' en zijn antwoord op de vraag hoe de brand is ontstaan ''Je bent zelf toch ook klein geweest'', niet met het namens verdachte ingenomen standpunt dat sprake is geweest van een ongeluk en kan uit die verklaringen worden afgeleid dat verdachte zich minst genomen bewust is geweest van het feit dat door de combinatie van benzine en vuur brand kon ontstaan in de woning. Derhalve was er naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van een situatie waarin de verdachte van elk inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken was. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

Primair

hij op 11 september 2011 te Wormerveer, gemeente Zaanstad, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk benzine op de vloer gesprenkeld en vervolgens die benzine in brand gestoken, ten gevolge waarvan het pand aan de [adres] gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de panden gelegen aan de [adres] en [adres] en de zich in voornoemde panden bevindende goederen en voor de zich in de nabijheid van voornoemde panden bevindende panden/woningen en levensgevaar voor de zich in voornoemde panden en/of in de nabijheid van voornoemde panden bevindende persoon en voor de omwonenden te duchten was.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de rapportage Pro Justitia van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 31 mei 2012. Verdachte heeft zijn medewerking aan het gedragskundig onderzoek geweigerd.

Volgens psychiater [naam psychiater] leidt verdachte aan een stoornis van de geestvermogens in de vorm van schizofrenie van het gedesorganiseerde type. Deze chronische psychiatrische stoornis is evident aanwezig. Er is daarnaast sprake van nicotineafhankelijkheid en van problematisch alcoholgebruik. Of er ook sprake is van een aan alcohol of andere middelen gebonden stoornis kan niet bevestigd maar ook niet uitgesloten worden. Er is geen sprake van een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling.

Psycholoog [naam psycholoog] stelt eveneens dat er bij verdachte sprake is van schizofrenie van het gedesorganiseerde type. De desorganisatie wordt volgens de deskundige bij verdachte getypeerd door een verlies van psychische functies; er is sprake van verlies van samenhang in gesproken taal, van incoherentie en van ongecoördineerd gedrag. Er is volgens de psycholoog geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Niet geheel duidelijk is geworden of er sprake is van verslavingsproblematiek (alcohol). Gedurende betrokkenes verblijf in het PBC is er sprake van een voortdurende gestoorde realiteitstoetsing (psychose).

Hoewel verdachte, gezien het overheersend psychiatrisch toestandsbeeld, maar beperkt onderzoekbaar is geweest en het voor beide deskundigen ook niet mogelijk is gebleken om met verdachte te spreken over het ten laste gelegde feit, stellen de onderzoekers wel een duidelijk en voldoende onderbouwd beeld van de bij verdachte aanwezige problematiek te hebben verkregen. Door zowel de psycholoog als de psychiater zijn onder meer de opnamen van de verhoren van verdachte door de politie bekeken. De psycholoog merkt hierover op dat verdachte soms een antwoord geeft dat niet aansluit op de gestelde vraag en dat er aanwijzingen naar voren komen voor het bestaan van formele denkstoornissen. De psychiater concludeert na het zien van de opnamen dat er bij verdachte sprake is van zowel een formele als een inhoudelijke denkstoornis en dat verdachte inadequaat affect vertoont. Ook neemt de psychiater bij verdachte gedurende de verhoren die twee dagen na het ten laste gelegde plaatsvinden, psychotische kenmerken waar.

Volgens de deskundigen beïnvloedde de stoornis van de geestvermogens verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde (indien bewezen) zodanig dat dit volledig daaruit kan worden verklaard. Zowel de psycholoog als de psychiater adviseren verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit (indien bewezen) als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich verenigen met de hiervoor vermelde bevindingen van de deskundigen en maakt deze tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het bewezenverklaarde feit wegens de ziekelijke stoornis van verdachtes geestvermogens hem niet kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte om die reden niet strafbaar en zal hem ter zake van het bewezenverklaarde feit ontslaan van alle rechtsvervolging.

7. Motivering van de maatregel

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van zowel de door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum als het vanwege Reclassering Nederland uitgebrachte beknopte reclasseringsadvies d.d. 24 januari 2012 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft 's avonds laat brand gesticht in zijn woning en heeft vervolgens zonder de nooddiensten of omwonenden te alarmeren het huis verlaten, terwijl in de boven- en naastgelegen woningen mensen lagen te slapen. Door de brandstichting is onder meer schade aan de huurwoning ontstaan. Daarmee heeft verdachte de verhuurder schade toegebracht. Bovendien bestond het risico dat - in aanmerking genomen het late tijdstip van de brandstichting - iemand om het leven zou komen. Doordat de bovenbuurman wakker werd, de brand ontdekte en de brandweer en de politie waarschuwde, is voorkomen dat deze brandstichting nog veel ernstiger gevolgen heeft gehad.

Uit het psychiatrisch onderzoek door [naam psychiater] en het psychologisch onderzoek door [naam psycholoog] komt onder meer het volgende naar voren.

Het korte- en langetermijngeheugen van verdachte zijn niet goed onderzoekbaar. Oriëntatie in tijd, plaats en persoon is gestoord. Er is sprake van stoornissen in het denken en inhoudelijk zijn er sterke aanwijzingen voor wanen. Er zijn geen hallucinaties vast te stellen, maar ook niet uit te sluiten. Opvallend is de mate van desorganisatie en het gebrek aan initiatief. Verdachte wil niet meewerken aan het onderzoek en de vraag is of hij wel weet waarom hij in het Pieter Baan Centrum verblijft. De gewetensfuncties zijn door de weigering niet goed onderzoekbaar. Verdachte toont geen enkel probleem- en/of ziektebesef. Er is bij verdachte sprake van schizofrenie van het gedesorganiseerde type, waarbij de desorganisatie getypeerd wordt door van verlies van psychische functies, verlies van samenhang in gesproken taal, van incoherentie en van ongecoördineerd gedrag. Het mentaliserend vermogen is grotendeels verloren gegaan.

Beide deskundigen concluderen dat gedurende het verblijf van verdachte in het Pieter Baan Centrum er sprake is van een voortdurende gestoorde realiteitstoetsing (psychose). Op basis van het milieuonderzoek blijkt dat er bij verdachte een duidelijke 'knik' in zijn levensloop zichtbaar is vanaf zijn 19e levensjaar, na zijn eerste psychose. Vanaf die tijd krijgt verdachte chronisch last van psychotische klachten en bereikt hij nooit meer zijn oude niveau van sociaal en beroepsmatig functioneren. Verdachte is meerdere malen opgenomen geweest in een psychiatrische instelling. Vanwege het ontbreken van enig ziektebesef zijn deze opnamen in de meeste gevallen niet vrijwillig geweest. In de loop der jaren verdwijnen de positieve psychotische symptomen, zoals hallucinaties en paranoïde wanen, meer naar de achtergrond. Gedesorganiseerde symptomen zoals onsamenhangende spraak, chaotisch gedrag en het vervlakte en inadequate affect treden meer op de voorgrond. Daarnaast worden de negatieve symptomen meer zichtbaar, zoals initiatiefloosheid, sociale vermijding en apathie. Antipsychotische medicijnen, die met name effect hebben op de positieve psychotische symptomen, sorteren dan ook weinig effect. De kans op herhaling van soortgelijke feiten wordt door de rapporteurs ingeschat als hoog.

De psychiater en psycholoog adviseren voor verdachte een behandeling in een gedwongen kader met veel structuur. Behandeling op grond van artikel 37 Wetboek van strafrecht voldoet volgens hen niet omdat de tijdsduur te beperkt is, de schizofrenie chronisch is en van antipsychotica slechts een beperkt effect te verwachten is op de desorganisatie van verdachte. Recidivepreventie vraagt volgens genoemde deskundigen om maatregelen met een lange duur, waardoor zij terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege adviseren. Een behandeling in een minder gedwongen kader wordt door de psychiater en psycholoog niet toereikend geacht om het recidiverisico voldoende te beperken.

De rechtbank kan zich met de beoordeling van de deskundigen verenigen. Zij is - anders dan de raadsman en met de officier van justitie - van oordeel dat een behandeling van kortere duur en met een minder ingrijpend karakter onvoldoende bescherming zou bieden voor de veiligheid van personen en goederen.

De rechtbank is van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte dient te worden gelast en zijn verpleging van overheidswege dient te worden bevolen, nu bij verdachte tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, het door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van deze maatregel eist.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 37a, 37b, 39 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mrs. I.H. Lips en J.M.J. Keltjens, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juni 2012.

Mr. Keltjens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.