Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW7581

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
10/3941
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De SVB heeft gelet op het arrest van de Hoge Raad (LJN BP1466) ten onrechte geoordeeld dat eiseres op peildatum 1 januari 2009 niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Immers, alle omstandigheden van het geval zijn van belang voor de vraag of iemand als ingezete kan worden aangemerkt, niet alleen de juridische band. Evenmin kan, gelet op de toets die is aangelegd in de uitspraak van de CRvB (LJN BR1905), het koppelingsbeginsel aan eiseres worden tegengeworpen. De SVB dient nog te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 14 AKW, waardoor met verdere terugwerkende kracht kinderbijslag zou kunnen worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 3941 AKW

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2012

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.H. Kruseman, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft verweerder geweigerd eiseres over het eerste kwartaal 2009 tot en met het eerste kwartaal 2010 kinderbijslag op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) toe te kennen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Bij tussenuitspraak van 12 januari 2011 van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank is verweerder in de gelegenheid gesteld een gebrek in het besluit van 22 juni 2010 te herstellen.

Bij besluit van 19 januari 2012 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het besluit van 22 juni 2010 is ingetrokken en aan eiseres is over het tweede kwartaal 2009 tot en met het eerste kwartaal 2010 kinderbijslag verleend. Over het eerste kwartaal 2009 is nog altijd geen kinderbijslag verleend.

Eiseres kan zich niet vinden in dit besluit en heeft haar beroep gehandhaafd.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank gaat uit van het volgende. Eiseres verblijft sedert 2001 met haar echtgenoot in Nederland. In Nederland hebben zij twee kinderen gekregen, in respectievelijk 2002 en 2008. Op 15 augustus 2001 heeft eiseres een eerste asielaanvraag ingediend, welke aanvraag is afgewezen, waarna deze afwijzing uiteindelijk bij uitspraak van 8 februari 2005 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is komen vast te staan. Eiseres heeft in november 2007 een aanvraag ingediend om kinderbijslag voor haar dochter. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Het beroep tegen deze afwijzing is door deze rechtbank ongegrond verklaard (kenmerk AWB 08-4463). Vervolgens heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het hoger beroep van eiseres bij uitspraak van 15 juli 2011 gegrond verklaard (LJN BR1905) en is verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres uit 2007. Verweerder heeft tegen deze uitspraak cassatie ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Hierop is nog geen arrest gewezen.

Bij besluit van 7 januari 2010 heeft de IND aan eiseres met ingang van 22 januari 2009 een verblijfsvergunning asiel verleend voor bepaalde tijd, tot 22 januari 2014. Hiervoor was aan eiseres met ingang van 11 november 2008 uitstel van vertrek verleend. De rechtbank neemt aan dat dit uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiseres heeft op 30 maart 2010 opnieuw kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van haar (inmiddels) twee kinderen. In het onderhavige besluit op bezwaar van

19 januari 2012 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld haar vanaf 22 januari 2009 te beschouwen als ingezetene van Nederland en aan eiseres gelet hierop vanaf het tweede kwartaal van 2009 kinderbijslag verleend.

2.2 Eiseres heeft in beroep gesteld dat de beslissing op bezwaar van 19 januari 2012 in het licht van de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 (LJN BR1905), niet houdbaar is. Dienaangaande is nog aangevoerd dat eiseres sedert 2001 in Nederland verblijft, terwijl dit kenbaar was voor de overheid. Sinds 2004 woont eiseres met haar gezin in Haarlem en heeft zij daar een zelfstandige woning via een stichting die subsidie ontving van de gemeente. Voorts gaat de dochter van eiseres naar school en was er voor haar begeleiding van Jeugdzorg. Verder stelt eiseres dat aan haar met verdere terugwerkende kracht kinderbijslag had moeten worden toegekend, nu zij al eerder haar aanspraak op kinderbijslag heeft veiliggesteld. Verwezen wordt in dit kader naar de uitspraak van de CRvB van 18 augustus 2011 (LJN BR5399). Verweerder had moeten afwijken van het gevoerde beleid.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat op juiste gronden is besloten dat eiseres over de kwartalen gelegen voor het tweede kwartaal van 2009, niet is verzekerd krachtens de AKW. Eiseres kan voor 22 januari 2009 niet als ingezetene worden beschouwd, vanwege het ontbreken van een juridische titel. Daarnaast is de koppelingswet (artikel 6 AKW) onverkort op eiseres van toepassing, zolang de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 nog niet onherroepelijk is geworden. Bovendien valt eiseres niet onder de uitzonderingen die de CRvB in de uitspraak van 15 juli 2011 heeft gemaakt. Nu er in geval van eiseres gelet op het voorgaande geen recht is op kinderbijslag vóór het tweede kwartaal van 2009, is volgens verweerder ook niet van belang of er sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 14 van de AKW.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Nu met het besluit van 19 januari 2012 niet geheel aan eiseres is tegemoetgekomen, strekt het geding in beroep, gelet op de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zich mede uit tot dit nieuwe besluit.

2.5 Het besluit van 19 januari 2012 vervangt het ingetrokken besluit van 22 juni 2010. Gelet hierop heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het besluit van 22 juni 2010. Het beroep van eiseres hiertegen zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.6 Ten aanzien van het besluit van 19 januari 2012 overweegt de rechtbank het volgende.

2.7 Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene in de zin van deze wet, degene die in Nederland woont.

2.8 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AKW wordt waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, naar de omstandigheden beoordeeld.

2.9 Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene die ingezetene is. Ingevolge het tweede lid is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw, niet verzekerd.

2.10 In artikel 14, eerste lid, van de AKW is bepaald dat de Sociale verzekeringsbank op aanvraag vaststelt of een recht op kinderbijslag bestaat. In het derde lid is neergelegd dat een recht op kinderbijslag niet vroeger kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal, tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van het bepaalde in de vorige volzin.

2.11 Eiseres heeft in het onderhavige geval in het eerste kwartaal 2010 een aanvraag om kinderbijslag ingediend. Op grond van het bepaalde in artikel 14, derde lid, van de AKW kan gelet hierop het recht op kinderbijslag niet eerder ingaan dan per het eerste kwartaal 2009, behoudens een bijzonder geval.

2.12 De rechtbank ziet zich gelet hierop eerst geplaatst voor de vraag of eiseres op peildatum 1 januari 2009 als ingezetene kan worden beschouwd in de zin van de AKW, terwijl zij toen nog niet in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend en overweegt hiertoe als volgt. Verwezen wordt in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466). In dit arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat waar iemand woont op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden wordt beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens de Hoge Raad op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. De wetgever heeft geen bijzondere betekenis willen toekennen aan bepaalde categorieën omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land. Die parlementaire geschiedenis is ook maatgevend voor de uitleg van het begrip woonplaats in de AKW. In het licht daarvan moet worden aangenomen dat voor de aanwezigheid van een woonplaats in Nederland niet vereist is dat de betrokkene economische banden met Nederland heeft, bijvoorbeeld door het verrichten van betaalde arbeid, aldus de Hoge Raad. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet eerder dan 22 januari 2009 kan worden aangemerkt als ingezetene, omdat zij niet eerder over een juridische titel beschikte. Dit standpunt van verweerder is, in het licht van het arrest van de Hoge Raad niet houdbaar, nu de Hoge Raad juist heeft bepaald dat alle omstandigheden van het geval van belang zijn voor beantwoording van de vraag of iemand als ingezetene kan worden aangemerkt en niet alleen de juridische band. Verweerder heeft er geen blijk van gegeven ook de overige omstandigheden van eiseres in acht te hebben genomen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle omstandigheden van dit geval, aangenomen moet worden dat op peildatum 1 januari 2009 ook al sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen de betrokkene en Nederland en zij dus op dat moment als als ingezetene moest worden aangemerkt en niet pas met het in bezit komen van een verblijfsvergunning per 22 januari 2009. Van belang hierbij acht de rechtbank dat eiseres en haar man op dat moment al acht jaar in Nederland verbleven, terwijl zij uitstel van vertrek hadden op grond van de Vreemdelingenwet (Vw) en beschikten over zelfstandige woonruimte, vrijwilligerswerk verrichtten bij [instelling], de kinderen naar school gingen en er bemoeienis was vanuit Jeugdzorg.

2.13 De volgende vraag waar de rechtbank zich voor geplaatst ziet is of op peildatum

1 januari 2009 het koppelingsbeginsel (artikel 6 AKW) aan eiseres kon worden tegengeworpen, zoals verweerder stelt. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 (LJN BR1905).

2.14 In de uitspraak van de CRvB is – voor zover hier van belang – bepaald:

[…] De Raad acht toepassing van artikel 6, tweede lid, van de AKW op ouders die niet rechtmatig in Nederland verblijven, ook tegen de achtergrond van artikel 8 van het EVRM en het IVRK, nog steeds in beginsel een evenredig middel ter verwezenlijking van de doelstelling van de koppelingswetgeving. Evenals eerder […] overwogen kan het verstrekken van mogelijk langdurige uitkeringen aan in casu die ouders/verzorgers wier verblijf in Nederland op geen enkele wijze als rechtmatig kan worden bestempeld, de voortzetting van hun verblijf, hier te lande stimuleren, waardoor het Nederlandse vreemdelingenbeleid ernstig zou worden doorkruist.

Anders dan in eerdere rechtspraak is de Raad echter thans van mening dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals die gestalte heeft gekregen in artikel 6, tweede lid, van de AKW, niet opgaat voor ouders die met hun kind(eren) voor de overheid kenbaar al langere tijd in Nederland verblijven, waarvan in ieder geval een zekere tijd rechtmatig in de zin van artikel 8, onder f, g of h van de Vw, en inmiddels een zodanige band met Nederland hebben opgebouwd dat zij, mede met inachtneming van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN BP1466) en 4 maart 2011 (LJN BP6285) geacht kunnen worden ingezetenen van Nederland te zijn. Voor ouders in deze omstandigheden die bovendien ten tijde in geding rechtmatig in Nederland verbleven, acht de Raad de in artikel 6, tweede lid, van de AKW neergelegde algemene uitsluiting van het recht op kinderbijslag op grond van hun verblijfsstatus geen evenredig middel om de doelstelling van de koppelingswetgeving te bereiken. […]

2.15 De rechtbank is van oordeel dat gegeven de toets die de CRvB in voormelde uitspraak heeft aangelegd, in geval van eiseres artikel 6 AKW niet aan haar (en haar kinderen) kan worden tegengeworpen. Immers, vast staat dat eiseres met haar echtgenoot en kinderen al geruime tijd kenbaar voor de overheid in Nederland verblijft, waarvan in ieder geval gedurende de asielaanvragen een zekere tijd rechtmatig in de zin van artikel 8 Vw. Zoals hierboven uiteengezet kon eiseres op peildatum 1 januari 2009 met inachtneming van de arresten van de Hoge Raad ten tijde van geding als ingezetene worden aangemerkt, terwijl bovendien op 1 januari 2009 sprake was van rechtmatig verblijf nu er op grond van de Vw uitstel van vertrek was verleend.

2.16 Nu verweerder op peildatum 1 januari 2009 ten onrechte heeft gesteld dat geen sprake was van ingezetenenschap, terwijl bovendien ten onrechte het koppelingsbeginsel aan eiseres is tegengeworpen voor de uitsluiting van het recht op kinderbijslag op die datum, zal het beroep gegrond worden verklaard en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.17 Aan de beoordeling van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 14 AKW, waardoor met verdere terugwerkende kracht dan met een jaar kinderbijslag zou moeten worden toegekend, is verweerder in het bestreden besluit niet toegekomen omdat verweerder zich reeds op het standpunt stelde dat er in verband met het ingezetenschap en het koppelingsbeginsel in het geheel geen recht was op kinderbijslag vóór het tweede kwartaal 2009. Omdat zoals hiervoor uiteengezet, dit standpunt niet juist is, zal verweerder in een nieuw te nemen besluit ook moeten beoordelen of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 14 AKW om met verdergaande terugwerkende kracht kinderbijslag te verlenen. De rechtbank zal niet zelf voorzien in dit geval, omdat verweerder bij de toepassing van artikel 14, derde lid, van de AKW beleidsvrijheid heeft. Evenmin bestaat aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus, nu verweerder ter zitting duidelijk heeft gemaakt zich niet te kunnen vinden in de uitspraak van de CRvB van 15 juli 2011 en een besluit niet overeenkomstig deze uitspraak te zullen herstellen, voordat deze uitspraak met een arrest van de Hoge Raad onherroepelijk is geworden.

2.18 Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling van verweerder. Met toepassing van het besluit proceskosten bestuursrecht wordt 1,5 punt gerekend voor het beroepschrift en de nadere reactie op het nieuwe besluit van verweerder en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep tegen het besluit van 22 juni 2010 niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2012 gegrond;

3.3 vernietigt het bestreden besluit van 19 januari 2012;

3.4 bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen;

3.5 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.092,50 te betalen door verweerder aan eiseres;

3.6 gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T.B. de Vries, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. M. Mateman en W.J.A.M. van Brussel, leden, in tegenwoordigheid van

A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.