Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW7160

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
15/700116-12 en 15/700012-12 (ttz. gev.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promiss vonnis, mishandeling, huisvredebreuk, gemotiveerde vrijspraak voor bedreiging en vernieling, licht verminderd toerekeningsvatbaar, geweld in huiselijke sfeer

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte voor een tweetal mishandelingen en huisvredebreuk tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van Reclasseringscontact.

De rechtbank heeft verdachte gemotiveerd vrijgesproken van bedreiging, nu niet blijkt dat verdachte enige handeling tegen aangeefster heeft gericht. In de gegeven omstandigheden is voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde bedreiging tegen het leven gericht onvoldoende dat aangeefster de beschreven situatie mogelijkerwijs voor zichzelf als bedreigend heeft ervaren. De rechtbank spreekt verdachte voorts vrij van vernieling/beschadiging nu de informatie met betrekking tot de beschadigingen/vernielingen uitsluitend afkomstig is van aangeefster die zelf verdachtes eventuele handelingen bij voordeur, schuifpui en raam niet heeft waargenomen en is aldus niet voldaan aan het voor een bewezenverklaring vereiste bewijsminimum.

De rechtbank komt gemotiveerd tot bewezenverklaring van een tweetal mishandelingen en huisvredebreuk allen gepleegd tegen aangeefster, de (ex) vriendin van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700116-12 en 15/700012-12 (ttz. gev.)

Uitspraakdatum: 30 mei 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 mei 2012 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 15/700116-12

feit 1

hij op of omstreeks 19 februari 2012 te Landsmeer opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangeefster]),

- met kracht heeft vastgepakt bij de armen en/of

- met kracht heeft geduwd en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met de (tot vuist gebalde) hand(en) heeft geslagen en/of gestompt in/tegen de buik en/of op/tegen de armen en/of op/tegen de benen althans tegen het lichaam en/of

- met beide handen heeft vastgepakt bij hoofd althans het lichaam en/of vervolgens (met kracht) het hoofd van die [aangeefster] tegen de muur heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 2

hij op of omstreeks 19 februari 2012 te Landsmeer opzettelijk en wederrechtelijk

- een schuifpui en/of

- een raam en/of

- een voordeur

van de woning gelegen aan perceel [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, met kracht tegen de schuifpui en/of de voordeur getrapt en/of het raam geforceerd;

feit 3

hij op of omstreeks de periode van 18 februari 2012 tot en met 19 februari 2012 te Landsmeer wederrechtelijk is binnengedrongen in de voor de nachtrust bestemde uren (tussen 23.45- 1.00 uur), in een woning gelegen [adres] en in gebruik bij [aangeefster], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

Parketnummer 15/700012-12

feit 1

hij op of omstreeks 27 december 2011 te Landsmeer opzettelijk mishandelend zijn

levensgezel, althans een persoon, te weten [aangeefster],

- met beiden handen de keel heeft dichtgeknepen en/of

- een vuistslag in/tegen het gezicht heeft gegeven,

waardoor die [aangeefster] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

feit 2

hij op of omstreeks 27 december 2011 te Landsmeer [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes (op een afstand van circa 30 cm) in de richting van haar hals heeft gebracht en/of met het mes snijbewegingen heeft gemaakt.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder parketnummer 15/700116-12 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en van de onder parketnummer 15/700012-12 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 104 dagen voorwaardelijk, zulks met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Aan de proeftijd van twee jaren dient als bijzondere voorwaarde een verplicht Reclasseringscontact te worden gekoppeld, ook als dat inhoudt behandeling bij De Waag of een andere (soortgelijke) instelling en ook als die behandeling ziet op de verslavingsproblematiek van hetzij alcohol hetzij drugs. Tenslotte vordert de officier van justitie de oplegging van een contactverbod met [aangeefster] gedurende de proeftijd.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte als feit 2 onder parketnummer 15/700116-12 en als feit 2 onder parketnummer 15/700012-12 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

(ten aanzien van parketnummer 15/700116-12)

Aangeefster [aangeefster] heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte, toen hij op 19 februari 2012 haar woning binnendrong, de schuifpui, de voordeur en het raam van haar woning heeft beschadigd en/of vernield. Daartoe verklaarde zij dat ze – kort gezegd – gebonk hoorde bij de voordeur, de schuifpui en het raam en dat zij later daaraan ook schade zag. In het dossier bevinden zich geen foto’s van de gestelde schade en evenmin hebben verbalisanten gerelateerd dat zij schade hebben geconstateerd. Getuige [getuige] maakt in zijn tegenover de politie afgelegde verklaring voorts geen gewag van schade aan de voordeur. Uit de verklaring van verdachte dat hij op het raam heeft gebonkt, kan – anders dan de officier van justitie stelt – niet zonder meer worden opgemaakt dat het raam (daardoor) is beschadigd. Verdachte verklaart immers ook, dat het raam na twee duwen met zijn schouder openging zonder dat daarbij sprake was van enige schade. Gelet op het voorgaande is de informatie met betrekking tot de beschadigingen/vernielingen uitsluitend afkomstig van aangeefster [aangeefster] die zelf verdachtes eventuele handelingen bij voordeur, schuifpui en raam niet heeft waargenomen en is aldus niet voldaan aan het voor een bewezenverklaring vereiste bewijsminimum. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

(ten aanzien van parketnummer 15/700012-12)

Anders dan door de officier van justitie is betoogd is de rechtbank van oordeel dat noch uit het dossier noch uit de context van de desbetreffende situatie blijkt dat verdachte aangeefster [aangeefster] op 27 december 2011 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Naar het oordeel van de rechtbank staat over de onderhavige gebeurtenis enkel en alleen vast dat verdachte die avond een mes tegen zijn eigen keel hield en daarbij snijbewegingen in de richting van zijn eigen keel maakte. Verdachte heeft daarbij gezegd dat hij een einde aan zijn eigen leven wilde/zou maken. Niet blijkt dat verdachte enige handeling tegen aangeefster heeft gericht. In de gegeven omstandigheden is voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde bedreiging tegen het leven gericht onvoldoende dat aangeefster de beschreven situatie mogelijkerwijs voor zichzelf als bedreigend heeft ervaren. Verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/700116-12 als de feiten 1 en 3 ten laste gelegde en van het onder parketnummer 15/700012-12 als feit 1 ten laste gelegde op grond van het volgende.

Parketnummer 15/700116-12, feiten 1 en 3:

Op 18 februari 2012 wordt [aangeefster] omstreeks 23.45 uur gebeld door verdachte, haar ex-vriend, dat hij bij haar woning aan de [adres] te Landsmeer wil langskomen om met haar te praten. [aangeefster] zegt hem dat zij dat niet wil, maar desondanks antwoordt verdachte dat hij eraan komt. Verdachte klimt kort daarna via het dak van de aanbouw door het bovenraam de woning van aangeefster binnen. Verdachte, die stelt dat hij een afspraak met [aangeefster] heeft en met een tas met boodschappen voor haar woning staat, mag de woning niet binnen. Hij is hier boos over en wil hoe dan ook met haar praten. Vervolgens komt hij die nacht aangeefsters woning binnen via dat bovenraam, waar hij met zijn schouder twee keer tegenaan heeft geduwd.

Nadat [aangeefster] op enig moment na binnenkomst van verdachte de woning is uitgerend, probeert verdachte haar weer de woning in te krijgen, waarbij zij hem toeroept dat hij haar met rust moet laten en iets in de trant van ‘ga weg’.

Verdachte pakt [aangeefster] met kracht bij de armen en neemt haar mee de woning in. In de hal van de woning slaat verdachte met kracht haar hoofd tegen de muur waardoor zij valt. [aangeefster] voelt vervolgens een hevige pijn aan de rechterzijde van haar gezicht.

Als de verbalisanten ter plaatse komen, horen zij [aangeefster] zeggen dat zij mishandeld is door haar ex-vriend [verdachte], verdachte. Voorts nemen verbalisanten waar dat de [aangeefster] angstig kijkt, zij steeds naar haar bovenarmen grijpt en een bult en schram boven haar rechteroog heeft.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [aangeefster] op 19 februari 2012, alsmede aan huisvredebreuk in haar woning in de nacht van 18 op 19 februari 2012. Dat deed hij nadat hij die avond alcoholhoudende drank had genuttigd.

De stelling van de raadsvrouw dat verdachte en [aangeefster] weer een regelmatig contact met elkaar hadden, waarbij verdachte altijd welkom was in haar woning en dat het binnentreden derhalve niet wederrechtelijk was, volgt de rechtbank niet. Ter terechtzitting heeft verdachte desgevraagd verklaard dat hij wist dat hij de woning van [aangeefster] op dat moment niet in mocht komen en dat zij die avond niet met hem wilde praten, maar dat hij hoe dan ook met haar wilde praten en dat hij daarom vervolgens via het bovenraam de woning is ingeklommen. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee de ten laste gelegde wederrechtelijkheid van verdachtes handelen vast.

Parketnummer 15/700012-12, feit 1:

Op 27 december 2011 omstreeks 04.40 uur gaan verbalisanten ter plaatse naar de [adres] te Landsmeer na een melding van mishandeling. Ter plaatse gekomen verklaart [aangeefster] dat zij die avond een feestje heeft gehad, waarbij haar ex-vriend [verdachte] ook aanwezig was in haar woning. Nadat iedereen de woning heeft verlaten, keert verdachte terug en ontstaat er een ruzie tussen beiden. [aangeefster]s vriendin [getuige 1] komt ook naar de woning toe. Vervolgens ontstaat er een woordenwisseling tussen verdachte enerzijds en [aangeefster] en [getuige 1] anderzijds, waarna verdachte op [aangeefster] komt aflopen en haar met zijn tot vuist gebalde hand een harde vuistslag in haar gezicht geeft. [aangeefster] valt hierdoor op de grond en is enige tijd buiten bewustzijn. [aangeefster] heeft pijn aan haar linkerwang en heeft op die wang ook een bult. Ter plaatse gekomen verbalisanten nemen waar dat [aangeefster] een zak met ijsblokjes tegen haar linkerwang houdt en dat zij op die wang een bult heeft. Verdachte heeft die avond alcoholhoudende drank genuttigd.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat de verklaring van verdachte dat hij [aangeefster] enkel en alleen uit een reflex heeft geduwd en dat zijn hand daarbij tegen haar gezicht kwam geloofwaardig is, nu uit de aanvullende verklaring van [aangeefster] blijkt dat zij uit boosheid de feiten heeft aangedikt. Nu het gaat om een reflex kan niet gezegd worden dat verdachte het opzet had op het toebrengen van pijn dan wel letsel, zodat verdachte van de tenlastegelegde mishandeling dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster [aangeefster] heeft in een aanvullend verhoor d.d. 5 januari 2012 tegenover de politie verklaard dat zij het idee heeft in haar aangifte een beetje overdreven te hebben. In deze verklaring zwakt zij haar aangifte op een aantal punten af, maar de vuistslag wordt in dit kader niet genoemd. De aangifte, in samenhang bezien met de aanvullende verklaring van aangeefster, wordt op essentiële onderdelen ondersteund door zowel getuige [getuige 1] als door de vorenweergegeven waarneming van de ter plaatse gekomen verbalisanten. Verdachte heeft ter terechtzitting zelf ook verklaard dat hij die avond boos was, zich niet begrepen voelde en dat de woordenwisseling tussen hen uit de hand liep. Alleen verklaart verdachte op het punt van de vuistslag andersluidend, maar gelet op de verklaringen van aangeefster en [getuige 1] en de waarneming van de verbalisanten acht de rechtbank verdachtes verklaring op dat punt ongeloofwaardig.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [aangeefster] op 27 december 2011 te Landsmeer.

4.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 3 (parketnummer 15/700116-12) ten laste gelegde feiten en het onder 1 (parketnummer 15/700012-12) ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

Parketnummer 15/700116-12

feit 1

hij op 19 februari 2012 te Landsmeer opzettelijk mishandelend een persoon te weten [aangeefster],

- met kracht heeft vastgepakt bij de armen en

- met kracht het hoofd van die [aangeefster] tegen de muur heeft geslagen,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

feit 3

hij in de periode van 18 februari 2012 tot en met 19 februari 2012 te Landsmeer wederrechtelijk is binnengedrongen in de voor de nachtrust bestemde uren in een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [aangeefster].

Parketnummer 15/700012-12

feit 1

hij op 27 december 2011 te Landsmeer opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [aangeefster], een vuistslag in/tegen het gezicht heeft gegeven, waardoor die [aangeefster] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 15/700116-12

Feit 1 : mishandeling

Feit 3 : het in de voor de nacht bestemde uren in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Parketnummer 15/700012-12

Feit 1 : mishandeling

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en het aldaar besproken psychiatrische onderzoeksrapport en reclasseringsrapport betreffende de verdachte is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal mishandelingen van zijn ex-vriendin en aan huisvredebreuk.

Door zijn handelen heeft verdachte bij aangeefster meermalen pijn en letsel veroorzaakt, haar lichamelijke integriteit aangetast en voorts haar huisrecht geschonden. Het slachtoffer was de (ex)vriendin van verdachte en verdachte heeft zijn gevoelens van verdriet, woede en teleurstelling meerdere keren in (enigszins) beschonken toestand op een volstrekt onoorbare wijze geuit. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat hij de mishandelingen heeft gepleegd in de woning van het slachtoffer, terwijl de eigen woning bij uitstek een plaats dient te zijn waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. Uit het ter terechtzitting aan de orde gekomen e-mailbericht van aangeefster aan het Slachtofferloket Noord-Holland d.d. 22 februari 2012 volgt dat zij door deze incidenten angstig is geworden voor verdachte.

Het omtrent de persoon van verdachte opgemaakte psychiatrische onderzoeksrapport Pro Justitia door psychiater [psychiater] d.d. 23 april 2012 houdt onder meer het volgende in. Bij verdachte is sprake van ADHD, alcoholmisbruik en een cocaïneafhankelijkheid in langdurige, niet volledige, remissie en dat was ook zo ten tijde van de onder 15/700116-12 tenlastegelegde feiten. Gesteld kan worden dat het ‘korte lontje’ van verdachte, zijn neiging om vanuit heftige emoties over te gaan tot verbale of fysieke agressie, duidelijk samen hangt met de - onbehandelde - ADHD. Verdachte is beperkt in staat zijn gedrag te reguleren en te controleren en handelt impulsief vanuit de ADHD, waarbij het onder invloed van alcohol verkeren gezien moet worden als katalyserend en drempelverlagend. Verdachte heeft een beperkt ziektebesef als het gaat om middelenmisbruik. Naast een adequate medicamenteuze behandeling van de ADHD en behandeling van impulscontroleproblemen is het van groot belang dat verdachte (opnieuw) in behandeling komt voor zijn alcoholmisbruik en in remissie zijnde cocaïneafhankelijkheid. Het ontkennen van de problematiek op dat gebied beïnvloedt het recidiverisico duidelijk negatief. De persoonlijkheid van verdachte moet na behandeling van deze problemen in kaart worden gebracht.

Geadviseerd wordt om verdachte te beschouwen als licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank kan zich verenigen met de hiervoor vermelde bevindingen van de gedragsdeskundige en maakt deze tot de hare, in die zin dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte voor de onder 15/700116-12 bewezenverklaarde feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank zal verdachte ook als zodanig beschouwen ten aanzien van het onder 15/700012-12 bewezenverklaarde feit, gelet op de gelijksoortige aard van en omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd. De rechtbank verwijst in dit kader eveneens naar het reclasseringsrapport dat naar aanleiding van de onder 15/700012-12 ten laste gelegde feiten is opgemaakt.

Op grond van al het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, waarbij het onvoorwaardelijk deel van de straf de duur van verdachtes voorarrest niet te boven gaat. De straf is lager dan de straf zoals door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank minder feiten bewezen verklaard acht.

Aan het voorwaardelijk deel zal – overeenkomstig het daarover uitgebrachte advies in het psychiatrisch onderzoeksrapport en voorts in het door de reclassering (‘RN Adviesunit Haarlem’) uitgebrachte rapport van 21 februari 2012 – de bijzondere voorwaarde worden verbonden van een verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt een meldingsgebod, het dulden van huisbezoeken en behandeling van de ADHD bij de Waag of een andere instelling voor (forensische psychiatrie) en ook als dat inhoudt behandeling voor verdachtes middelenmisbruik bij een instelling voor verslavingszorg, een en ander zoals hierna vermeld.

De rechtbank acht geen termen aanwezig een contactverbod met [aangeefster] op te leggen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 57, 138, 300 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte als feit 2 onder parketnummer 15/700116-12 en hetgeen als feit 2 onder parketnummer 15/700012-12 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de feiten 1 en 3 ten laste gelegd onder parketnummer 15/700116-12 en feit 1 ten laste gelegd onder parketnummer 15/700012-12 heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van HONDERDTWINTIG (120) DAGEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot VIERENVEERTIG (44) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht, ook als dat inhoudt een meldingsgebod, het dulden van huisbezoeken en behandeling van verdachte bij de Waag of een andere instelling voor (forensische psychiatrie) en voorts behandeling voor verdachtes middelenmisbruik (alcohol en/of drugs) bij een instelling voor verslavingszorg.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Christiaan, voorzitter,

mrs. T. Avedissian en B.A.A. Postma, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Valk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 mei 2012.