Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW6477

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
182214 / HA ZA 11-705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst tweedehands auto. Zonder verzuim geen schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW bij een herstelbaar gebrek aan de auto. Aan vraag of sprake is van toerekenbare tekortkoming door verkoper wordt daarom niet toegekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 182214 / HA ZA 11-705

Vonnis van 21 maart 2012

in de zaak van

[eiser], h.o.d.n. [A],

wonende te [plaats],[gemeente],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. M.W. Huijzer,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. E.M. Bosscher.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juli 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 5 oktober 2011

- het proces-verbaal van niet-gehouden comparitie van 7 november 2011

- het verbeter-procesverbaal van 8 december 2011, waarbij het proces-verbaal van 5 oktober 2011 is verbeterd

- de brief van [gedaagde] van 19 december 2011, die aan het proces-verbaal van comparitie is gehecht.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Eiser] drijft onder de naam [A] een eenmanszaak die zich bezig houdt met de handel en de verkoop van auto's en materialen. [A] beschikt over een compleet ingerichte werkplaats.

2.2. [Eiser] heeft aan [gedaagde] verkocht een tweedehands Citroën CX 2.5 TRI Break (bouwjaar 1985) met kenteken [kenteken] (hierna: de auto).

2.3. Aan de auto moesten diverse reparatiewerkzaamheden worden verricht. Deze werkzaamheden zijn verricht door [gedaagde] in de werkplaats van [eiser] in de periode van 17 juli 2009 tot 4 november 2009. Gedurende deze periode heeft de auto op een brug gestaan.

2.4. Op 20 juli 2009 heeft [gedaagde] aan [eiser] een bedrag betaald van € 2.500,00.

2.5. Bij factuur van 4 november 2009 (hierna: de aankoopfactuur) heeft [eiser] aan [gedaagde] € 2.500,00 in rekening gebracht. Deze factuur vermeldt onder meer:

"Aan u verkocht en geleverd

Merk en type: Citroen CX 2.5 TRI Break (…)

Kenteken/Datum: [kenteken] / 01-08-1985

Levering/KM: 04-11-2009 / 141841

Geen garantie ivm prijsafspraak, zoals gezien en bereden.

Voor de prijs van netto 3.250.00

(…)

Met inruil van:

Merk en type: Citroen CX 2.5 Diesel

(…)

Voor de inruilprijs van 750.00"

2.6. Bij factuur van 27 november 2009 (hierna: de werkplaatsfactuur) heeft [eiser] aan [gedaagde] € 5.057,50 (inclusief BTW) in rekening gebracht. Op die factuur is als omschrijving vermeld:

"Huur Brug ter reparatie 12-KDP-7 CX Break

Incl Gebruik licht, gereedschap + stroom"

2.7. [Eiser] heeft bij factuur van 30 januari 2010 (hierna: de onderdelenfactuur) aan [gedaagde] voor diverse onderdelen € 2.304,31 (inclusief BTW) in rekening gebracht.

2.8. [Gedaagde] heeft de werkplaatsfactuur en de onderdelenfactuur onbetaald gelaten.

2.9. [Eiser] heeft [gedaagde] onder meer bij brieven van zijn incassogemachtigde van 10 november 2010 en 9 februari 2011 gesommeerd de openstaande bedragen te betalen.

2.10. [Eiser] heeft op 1 april 2011 conservatoir beslag laten leggen op de auto met aanstelling van een bewaarder. De auto is op 4 april 2011 in bewaring gesteld.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [Eiser] vordert samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 8.432,33, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 7.091,81 vanaf 26 maart 2011, alsmede met de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.2. [Eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de door [gedaagde] onbetaald gelaten werkplaatsfactuur en onderdelenfactuur overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken zijn opgemaakt. [Eiser] vordert dan ook betaling van deze facturen.

3.3. [Gedaagde] voert ten verwere – samengevat – het volgende aan.

De werkplaatsfactuur is valselijk opgemaakt, nu over het gebruik van de werkplaats niet is afgesproken dat [gedaagde] daarvoor aan [eiser] een vergoeding verschuldigd zou zijn, anders dan het verrichten van hand- en spandiensten. Bovendien is deze factuur, naar [gedaagde] stelt, geantedateerd.

Op de onderdelenfactuur is ten onrechte geen korting van 20% toegepast. In zoverre wordt de hoogte van deze factuur betwist. Voor het overige wenst [gedaagde] deze factuur te verrekenen met een tegenvordering ad € 2.075,00 wegens schade die hij heeft geleden ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van [eiser], nu de auto niet voldeed aan de verwachtingen die [gedaagde] op grond van mededelingen van [eiser] redelijkerwijs mocht hebben. Deze schade komt ook op grond van de toepasselijke BOVAG-garantiebepalingen voor rekening van [eiser], aldus [gedaagde].

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [Gedaagde] vordert samengevat –:

1. voorwaardelijk, namelijk voor het geval het verrekeningsverweer in conventie wordt afgewezen, veroordeling van [eiser] tot betaling van € 2.075,00;

2. opheffing van de inbeslagneming en beëindiging van de gerechtelijke inbewaringgeving van de auto;

3. veroordeling van [eiser] tot afgifte van de auto aan een door [gedaagde] aan te wijzen deskundige ter doorlevering aan [gedaagde], in voorkomend geval onder vermelding van de aan de auto geconstateerde gebreken en met bepaling dat de auto door de door [gedaagde] aan te wijzen deskundige en voor rekening van [eiser] op de goede staat en het deugdelijk functioneren zal worden onderzocht, een en ander op straffe van een dwangsom;

4. [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] te vergoeden:

a. de kosten van de door [gedaagde] aan te wijzen deskundige;

b. alle kosten gemoeid met het in goede staat brengen van de auto, op basis van de bevindingen van de deskundige;

c. een bedrag van € 50,00 per dag voor elke dag vanaf 2 april 2011 gedurende welke [gedaagde] de auto niet ter algehele en vrije beschikking heeft,

met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.6. [Gedaagde] legt aan de vordering onder 1 ten grondslag dat [eiser] aan hem de schade dient te vergoeden die hij heeft geleden ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van [eiser], nu de auto niet voldeed aan de verwachtingen die [gedaagde] op grond van mededelingen van [eiser] redelijkerwijs mocht hebben. Deze schade komt ook op grond van de toepasselijke BOVAG-garantiebepalingen voor rekening van [eiser]. [Gedaagde] begroot zijn schade op € 2.075,00.

Aan zijn vorderingen onder 2 tot en met 4 legt [gedaagde] ten grondslag dat het beslag op en de inbewaringstelling van de auto vexatoir is en dat [eiser] daarbij misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid.

3.7. [Eiser] voert – samengevat – ten verwere aan dat [gedaagde] een auto in onderdelen heeft gekocht die hij zelf nog in elkaar moest zetten, dat de koopprijs daarop was afgestemd en dat om die reden geen enkele vorm van garantie werd verstrekt. [Eiser] betwist dat de door [gedaagde] gestelde gebreken aan de auto zijn opgetreden, en voert subsidiair aan dat die gebreken samenhangen met de werkzaamheden die door [gedaagde] zelf zijn uitgevoerd en de keuzes die door [gedaagde] daarbij zijn gemaakt. Verder voert [eiser] aan dat hij niet in verzuim is, nu hij niet in de gelegenheid is gesteld de gestelde gebreken te herstellen. Ten slotte betwist [eiser] de gestelde (hoogte van) de schade.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

bevoegdheidsverweer

4.1. Ter comparitie is namens [gedaagde] nog het verweer gevoerd dat, nu [eiser] zich beroept op een huurovereenkomst, de kantonrechter de bevoegde rechter is om deze zaak te oordelen. Nog daargelaten dat dit verweer niet is gevoerd voor alle weren, zoals is voorgeschreven in artikel 128, derde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kan dit verweer niet slagen, reeds omdat uit de stellingen van [eiser] – anders dan [gedaagde] stelt – volgt dat de werkplaatsfactuur in de visie van [eiser] ziet op een gebruiksvergoeding en door [gedaagde] overigens niet is gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat sprake is van een huurovereenkomst.

werkplaatsfactuur

4.2. Niet in geschil is dat over de gestelde afspraak met betrekking tot de vergoeding voor het gebruik van de werkplaats van [eiser] door [gedaagde] niets op schrift is gesteld.

Dat tussen partijen mondeling concreet is afgesproken dat [gedaagde] voor een beperkte tijd gebruik zou mogen maken van de werkplaats en dat de kosten van dit gebruik later, op basis van nacalculatie zouden worden afgerekend is door [eiser] – tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] – onvoldoende onderbouwd. In de stukken noch ter comparitie heeft [eiser] gesteld dat hij met [gedaagde] een concrete termijn heeft afgesproken waarbinnen het gebruik van de werkplaats moest zijn afgerond noch dat hij met [gedaagde] heeft afgesproken op welke basis de hoogte van de op nacalculatie te betalen vergoeding zou worden bepaald en evenmin wanneer hij dat (ongeveer) heeft gedaan. Deze stelling wordt dan ook verworpen.

4.3. Evenmin kan worden gevolgd de stelling van [eiser] dat [gedaagde] er niet gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat hij maandenlang kosteloos gebruik zou mogen maken van de werkplaats. Waarom [gedaagde] hierop niet had mogen vertrouwen wordt door [eiser] slechts onderbouwd met de algemene stelling "Voor niets gaat immers de zon op". Deze onderbouwing is onvoldoende tegenover de gemotiveerde stelling van [gedaagde] dat hij eerder zonder geldelijke vergoeding van de werkplaats van [eiser] gebruik heeft gemaakt en dat overeengekomen was dat [gedaagde] als tegenprestatie voor het gebruik van de werkplaats in voorkomend geval hand- en spandiensten zou verrichten, hetgeen hij – naar hij onweersproken stelt – ook heeft gedaan.

4.4. Dat [gedaagde] gedurende een langere tijd dan door beide partijen was voorzien gebruik heeft gemaakt van de werkplaats van [eiser], kan – anders dan [eiser] meent – niet voor rekening van [gedaagde] worden gebracht. Het had op de weg van [eiser] gelegen om – wanneer de periode van werkplaatsgebruik in zijn ogen te lang duurde – concrete stappen jegens [gedaagde] te ondernemen teneinde dat gebruik op korte termijn te beëindigen. Gesteld noch gebleken is echter dat [eiser] dit heeft gedaan.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de hoofdsom, voorzover die ziet op betaling van de werkplaatsfactuur, wordt afgewezen.

onderdelenfactuur

4.5. Tegenover de door [eiser] ingenomen stelling dat de tussen partijen gebruikelijke korting reeds is verwerkt in de gefactureerde netto-bedragen, heeft [gedaagde] zijn verweer niet nader onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer voorbij en acht de vordering in hoofdsom, voor zover die ziet op betaling van de onderdelenfactuur geheel toewijsbaar.

verrekeningsverweer

4.6. [Gedaagde] heeft zijn schadevergoedingsvordering erop gegrond dat [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst en/of de garantieverplichtingen uit de (naar de stelling van [gedaagde]) toepasselijke BOVAG-voorwaarden. [Eiser] heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat – als al sprake zou zijn van toerekenbare tekortkoming, hetgeen hij betwist – hij niet in verzuim is en dat reeds om die reden de schadevergoedingsvordering van [gedaagde] dient te worden afgewezen.

4.7. Dit verweer treft doel op grond van het navolgende.

Een ingebrekestelling heeft de functie om de schuldenaar een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus nader te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is. Wanneer niet voor dat tijdstip wordt nagekomen, is de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim.

Nu de (gestelde) gebreken aan de auto alle zijn aan te merken als herstelbare gebreken en de nakoming door [eiser] van zijn verplichtingen niet blijvend onmogelijk is, is [eiser] aan [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 6:74, tweede lid, BW eerst verplicht tot schadevergoeding indien [eiser] in verzuim is.

Vast staat dat [gedaagde] [eiser] niet in gebreke heeft gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:82 BW en hem daarmee geen termijn heeft gegeven waarbinnen [eiser] de (gestelde) gebreken diende te herstellen.

De door [gedaagde] eerst ter comparitie ingenomen stelling dat uit de houding van [eiser] blijkt dat een ingebrekestelling zinloos is en dus niet nodig voor het intreden van verzuim, wordt verworpen. [Gedaagde] heeft deze stelling niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd en de stelling sluit bovendien niet aan bij de eerder door [gedaagde] ingenomen stelling dat hij ervoor gekozen heeft de problemen zelf voor eigen rekening op te lossen.

Het voorgaande brengt mee dat [eiser] niet in verzuim is en dat de schadevergoedingsvordering van [gedaagde] om die reden niet toewijsbaar is. Het beroep op verrekening wordt daarom afgewezen. Op de overige stellingen en verweren met betrekking tot deze tegenvordering behoeft gelet hierop niet te worden ingegaan.

rente, incassokosten en proceskosten

4.8. De gevorderde rente en incassokosten zijn niet betwist en zijn om die reden toewijsbaar over het toegewezen deel van de hoofdsom.

4.9. [Eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 889,83 voor verschotten en € 384,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 384,00).

4.10. [Gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 83,31

- griffierecht 258,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.109,31

in reconventie

4.11. De (voorwaardelijk) ingestelde vordering tot veroordeling van [eiser] tot betaling van € 2.075,00 aan [gedaagde] wordt afgewezen onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.6 en 4.7 is overwogen.

4.12. Nu de vordering in conventie tot een bedrag in hoofdsom van € 2.304,31 wordt toegewezen, acht de rechtbank het door [eiser] op de auto gelegde beslag niet onrechtmatig. Hoewel de inbeslagname en inbewaringstelling van de auto een vergaande maatregel is die voor [gedaagde] ingrijpende gevolgen heeft, kan niet worden geoordeeld dat het beslag om die reden vexatoir is. Dat de vorderingen van [eiser] uiteindelijk tot een (aanzienlijk) lager bedrag zijn toegewezen dan het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, maakt het vorenstaande niet anders.

Nu geen sprake is van onrechtmatig gelegd beslag, is er geen grondslag voor toewijzing van de vorderingen onder 2 tot en met 4.

4.13. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vorderingen in reconventie worden afgewezen. [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- salaris advocaat € 384,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 384,00)

Totaal € 384,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.686,58 (tweeduizendzeshonderdzesentachtig euro en achtenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 2.304,31 met ingang van 26 maart 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.273,83,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.109,31,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6. wijst de vorderingen af,

5.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 384,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.?