Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5719

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-04-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
11/3967
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding door onrechtmatige besluitvorming verweerder. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat er geen causaal verband bestaat tussen de schade die eiser heeft geleden en het onrechtmatige besluit van verweerder, als gevolg waarvan eiser pas vijf maanden later een aanvang heeft kunnen maken met het bouwen van een nieuwe woning. Rechtbank voorziet zelf in de zaak door de schade (extra huurkosten en hogere bouwkosten) vast te stellen. BUS-melding en de omstandigheid dat de straat langduring opengebroken heeft gelegen houden geen verband met het onrechtmatige besluit van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3967

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 april 2012

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. E.W.M. Aalsma, advocaat te Zaandam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 15 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder gedeeltelijk verwezen naar en is hij gedeeltelijk afgeweken van het ongedateerde advies van de bezwaarschriftencommissie Oostzaan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 februari 2012, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn echtgenote, [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door S.A.B. Hink en K. Meijer, beiden werkzaam bij de gemeente Oostzaan.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser heeft op 29 augustus 2010 een verzoek om vergoeding van geleden schade ingediend. Volgens eiser is de schade het gevolg van het besluit van verweerder van 7 september 2007, waarbij vrijstelling en bouwvergunning is geweigerd voor het bouwen van een woning perceel [adres]. Eiser stelt schade te hebben geleden omdat hij door de onrechtmatige besluitvorming van verweerder op een later moment, namelijk 14 februari 2008, de beschikking heeft gekregen over een bouwvergunning. Door de vertraging in de aanvang van de bouw stelt eiser schade te hebben geleden.

2.2 Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen causaal verband is tussen de schade die eiser stelt te hebben geleden en het onrechtmatige besluit van 7 september 2007. De gestelde schade is volgens verweerder het gevolg van het vroegtijdig en op eigen risico slopen van de oude woning die op het perceel stond, terwijl er nog geen besluit was genomen op de aanvraag om een bouwvergunning voor de nieuw te bouwen woning. Verweerder stelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de woning gesloopt moest worden vanwege de bouwkundige staat. De kosten die eiser heeft moeten maken in verband met een tijdelijke huurwoning kunnen dan ook niet op de gemeente worden afgewenteld, aldus verweerder. Voor wat betreft de hogere bouwkosten heeft verweerder gesteld dat eiser de start van de bouw had gepland op 1 februari 2007, hetgeen contractueel met het bouwbedrijf was vastgelegd, terwijl allerminst waarschijnlijk was - hetgeen eiser had moeten weten - dat op een dergelijke korte termijn na indiening van de aanvraag met een geldige vergunning gebouwd kon gaan worden. Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat ook in het geval al op 7 september 2007 een bouwvergunning was verleend, er nog geen sprake was van een onherroepelijke bouwvergunning, omdat daartegen nog rechtsmiddelen konden worden aangewend. Geenszins kon worden uitgesloten dat tegen de vrijstelling en bouwvergunning bezwaar en beroep zou worden ingesteld, aldus verweerder. Dit wordt volgens verweerder ondersteund door het feit dat eerder een zienswijze was ingediend en er tegen de alsnog verleende bouwvergunning beroep is ingesteld, welk beroep op 16 maart 2009 ongegrond is verklaard. Eerst daarna is de bouwvergunning onherroepelijk geworden, aldus verweerder.

2.3 In beroep heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser handhaaft zijn standpunt dat hij door de handelwijze van verweerder pas op een later tijdstip over een bouwvergunning beschikte en meent dat een vergoeding van de in die periode geleden schade op zijn plaats is. Ook stelt eiser dat hem schadevergoeding moet worden toegekend, omdat de besluitvorming van verweerder zeer lang heeft geduurd, hij pas op een laat moment door verweerder werd geïnformeerd dat een BUS-melding moest worden gedaan en dat de [naam buurt] lange tijd opengebroken was, hetgeen de bouwwerkzaamheden nog verder heeft vertraagd.

2.4 Partijen verschillen er niet over van mening, en ook de rechtbank gaat ervan uit, dat het besluit van 7 september 2007 onrechtmatig is geweest, omdat verweerder dit besluit bij beslissing op bezwaar van 21 januari 2008 heeft herroepen. Als gevolg van het onrechtmatige besluit heeft eiser niet reeds op 7 september 2007 een aanvang kunnen maken met de bouwwerkzaamheden, maar pas bij de verlening van de bouwvergunning op 14 februari 2008. Het standpunt van verweerder, dat ook als op 7 september 2007 reeds een bouwvergunning zou zijn verleend er geen sprake zou zijn van een onherroepelijke bouwvergunning, doet daar niet aan af, nu eiser -zij het op eigen risico- met de verlening van de bouwvergunning op dat moment een titel zou hebben verkregen om te bouwen. Het onrechtmatige besluit van verweerder van 7 september 2007 heeft dan ook, anders dan verweerder bij het bestreden besluit heeft overwogen, tot gevolg gehad dat eiser vijf maanden later een aanvang heeft kunnen maken met de bouw.

2.5 Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de door eiser gevorderde tijdelijke huurkosten en hogere bouwkosten over de periode van 7 september 2007 tot 14 februari 2008 voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder heeft dat ten onrechte niet onderkend, zodat het beroep in zoverre slaagt en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de navolgende wijze zelf in de zaak te voorzien.

2.6 De rechtbank stelt de hoogte van de schade als volgt vast. Er is sprake van vijf maanden vertraging voor de aanvang van de bouw waardoor eiser vijf maanden later de woning heeft kunnen betrekken. De (extra) huurkosten over die vijf maanden bedragen in totaal € 3.374,25 (vijf maanden ad € 674,85 per maand). De verhoogde bouwkosten worden vastgesteld aan de hand van de indexcijfers van het Bureau Documentatie Bouwwezen. In september 2007 was het indexcijfer 111 en in februari 2008 was het indexcijfer 113. De bouwkosten, geraamd op € 214.259,50, zijn dan ook met 2% gestegen, zodat die schade wordt vastgesteld op € 4.285,19. De totale schade bedraagt daarom € 7.659,44. De rechtbank zal verweerder opdragen deze schade alsnog aan eiser te vergoeden.

2.7 De beroepsgrond van eiser dat verweerder ook schade moet vergoeden omdat de besluitvorming van verweerder veel te lang heeft geduurd, treft geen doel. Tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag had eiser op grond van artikel 6:12 van de Awb bezwaar kunnen indienen (thans geregeld in de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen), van welke mogelijkheid eiser echter geen gebruik heeft gemaakt.

2.8 De beroepsgrond van eiser dat verweerder tevens schade dient te vergoeden in verband met opgelopen vertraging in de bouwwerkzaamheden als gevolg van de later gebleken noodzaak tot het doen van een BUS-melding en het feit dat de [naam buurt], toen eiser eenmaal kon gaan bouwen, opengebroken was, treft evenmin doel. Eiser heeft als gevolg daarvan weliswaar pas later een aanvang met de bouw kunnen maken, maar er is geen sprake van een causaal verband tussen het onrechtmatige besluit enerzijds en de ontstane vertraging door de BUS-melding en de omstandigheid dat de straat in de tussentijd was opengebroken anderzijds.

2.9 Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de handelwijze van verweerder in de procedure over de inning van leges, welke procedure door verweerder bij de rechtbank Haarlem, sector kanton, aanhangig is gemaakt, heeft geen betrekking op de voorliggende beoordeling van eisers verzoek om schadevergoeding en valt daarmee buiten de omvang van dit geding. Die beroepsgronden zullen in deze procedure dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten.

2.10 Gelet op de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voorts heeft eiser € 56,80 aan verletkosten opgevoerd, welke, gelet op de overgelegde bewijsstukken, voor vergoeding in aanmerking komen. Ook komen de reiskosten van eiser voor vergoeding in aanmerking, welke op basis van openbaar vervoer, laagste klasse, worden vastgesteld op € 6,16. Tot slot dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 15 juni 2011;

3.3 herroept het besluit van 17 november 2010;

3.4 bepaalt dat aan eiser een schadevergoeding van € 7.659,44 wordt toegekend;

3.5 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.6 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 936,96, te betalen aan eiser;

3.7 gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oostzaan het door eiser betaalde griffierecht van € 152 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. M. Zijp en mr. W.J. van Brussel, leden, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 april 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Let wel: gegrondverklaring van het beroep betekent niet dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. In de uitspraak heeft de rechtbank onder 2.7, 2.8 en 2.9 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beroepsgronden verworpen of buiten beschouwing gelaten. Als eiser het daarmee niet eens is en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank komt vast te staan, zal hij tegen deze uitspraak hoger beroep moeten instellen.