Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5715

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
11/3312
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat elke verstrekking van informatie op het verzoek van eiser om informatie over verkeersovertredingen van bewindspersonen een verstrekking van persoonsgegevens in de zin van de Wet politiegegevens inhoudt, nu het gegevens betreft in het kader van de uitoefening van de politietaak. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3312 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2012

in de zaak tussen:

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H. van Drunen, juridisch adviseur te Utrecht,

en:

de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland, verweerder,

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder afgewezen het door eiser in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedane verzoek om toezending aan hem van stukken die betrekking hebben op verkeersovertredingen van een twintigtal met name genoemde bewindspersonen.

Bij besluit van 9 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 maart 2012, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg, werkzaam bij de politieregio Zeeland en door mr. A.M. Vinjé, werkzaam bij de politieregio Zaanstreek-Waterland.

Het beroep is ter zitting gezamenlijk behandeld met eisers beroepszaak met registratienummer AWB 11-3313 tegen de korpsbeheerder van de politieregio Kennemerland.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 1 van de Wet politiegegevens (Wpg) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. politiegegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon dat in het kader van de uitoefening van de politietaak wordt verwerkt;

[…]

d. verstrekken van politiegegevens: het bekend maken of ter beschikking stellen van politiegegevens;

e. ter beschikking stellen van politiegegevens: het verstrekken van politiegegevens aan personen die overeenkomstig deze wet zijn geautoriseerd voor het verwerken van politiegegevens;

[…].

Bij en krachtens de artikelen 16 tot en met 24 van de Wpg is bepaald aan wie politiegegevens moeten of mogen worden verstrekt.

2.2 In zijn verzoek heeft eiser aangegeven dat het hem gaat om verkeersovertredingen sinds 1 januari 2008 van de door hem genoemde bewindspersonen en om alle gegevens die op deze overtredingen betrekking hebben, zoals foto’s, filmbeelden en processen-verbaal. In bezwaar heeft eiser onder meer aangegeven dat het hem ook gaat om ijkrapporten, aanstellingsbesluiten en bevoegdheidscertificaten van de betrokken ambtenaren.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde gegevens niet kunnen worden verstrekt. Toewijzing van het verzoek zou tot consequentie hebben dat informatie zou worden verstrekt aan een ieder die zich tot de politie wendt met het verzoek om informatie over overtredingen en misdrijven van bijvoorbeeld zijn buurman of een andere willekeurige door hem genoemde natuurlijke persoon, al dan niet ambtenaar of bestuurder. Anonimiseren van die informatie is in dit verband volstrekt zinloos. Een dergelijke verstrekking zou in strijd zijn met niet alleen de letter, maar ook met de strekking en het doel van de Wpg. Uit de Memorie van Toelichting van de Wpg blijkt dat ook in deze wet, evenals zijn voorganger de Wet politieregisters, is gekozen voor een gesloten systeem teneinde onder meer te voorkomen dat onbevoegde derden inzage krijgen in privacygevoelige gegevens van personen die door de politie worden geregistreerd ter uitvoering van haar taak. De bescherming van de privacy van deze betrokkenen is mitsdien een van de belangrijkste doelen van deze wet. Dit betekent dat indien door derden gericht wordt gevraagd naar politiegegevens van deze betrokkenen, reeds om die reden afwijzend moet worden beslist op dit verzoek. Zelfs de vraag of er überhaupt gegevens zijn vastgelegd over een bepaalde persoon, moet onbeantwoord blijven.

2.4 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.5 Eiser heeft als eerste beroepsgrond aangevoerd dat verweerder ten onrechte verwijst naar de Wpg. Volgens eiser is op zijn verzoek om informatie de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van toepassing.

2.6 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat elke verstrekking van informatie op het verzoek van eiser een verstrekking van persoonsgegevens in de zin van de Wpg inhoudt, nu het gegevens betreft die worden verzameld in het kader van de uitoefening van de politietaak. Dit geldt ook voor het verzoek van eiser voor zover dat ziet op verstrekking van informatie over apparatuur en over verbalisanten die de eventuele verkeersovertredingen hebben geconstateerd. Het betreft een verzoek om informatie dat is gerelateerd aan een beperkte groep van met name genoemde personen. Eiser behoort niet tot de categorie van personen bedoeld in de artikelen 16 tot en met 24 van de Wpg aan wie politiegegevens mogen worden verstrekt. Omdat eiser informatie vraagt over een beperkte groep van met name genoemde personen, is iedere inhoudelijke reactie op zijn verzoek herleidbaar tot deze groep personen, zelfs als documenten zonder politiegegevens worden verstrekt of als de informatieverstrekking inhoudt dat geen gegevens over verkeersovertredingen van de bewindspersonen bekend zijn. Het is niet realistisch om aan te nemen dat over de bewindspersonen geanonimiseerd informatie kan worden verstrekt. Aangezien de Wpg een gesloten systeem van verstrekking van politiegegevens kent, heeft verweerder op goede gronden geweigerd eiser de gevraagde informatie te verschaffen.

2.7 Eisers heeft als tweede beroepsgrond aangevoerd dat de weigering informatie te verstrekken in strijd is met gevallen waarin diverse politiekorpsen met toepassing van de Wpg of de Wob informatie over verkeersovertredingen verstrekken aan anderen dan de overtreder.

2.8 De door eiser aangehaalde gevallen zijn echter niet gelijk met het geval van eiser die om informatie heeft verzocht over verkeersovertredingen van bewindspersonen. Eiser heeft ter zitting moeten erkennen niet bekend te zijn met gevallen waarin over verkeersovertredingen door een politieregio informatie is verstrekt aan anderen dan de overtreder, zonder dat deze politieregio beschikte over een machtiging van de overtreder. Eiser beschikt niet over een machtiging van de bewindspersonen over wie hij informatie heeft gevraagd.

2.9 Ter zitting heeft eiser nog het standpunt ingenomen dat de gevraagde informatie dient te worden verstrekt, omdat volgens hem ook in andere gevallen door politiekorpsen kennelijk in afwijking van de Wpg en de Wob informatie is verstrekt over verkeersovertredingen. Deze beroepsgrond kan niet leiden tot het door eiser beoogde doel. Onjuiste toepassing van de Wpg in andere gevallen kan er immers niet toe leiden dat de door eiser gevraagde informatie aan hem zou moeten worden verstrekt. Het verstrekken van informatie aan eiser over verkeersovertredingen van de bewindspersonen is immers in strijd met de Wpg en zou leiden tot veronachtzaming van het belang van de bewindslieden op bescherming van hun de persoonsgegevens, terwijl de Wpg dit belang juist beoogt te beschermen.

2.10 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. M. Mateman en J.M. Janse van Mantgem, leden, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.