Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5712

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
12/1216 en 12/1217
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zijn besluit om aan eiser een Wwb-uitkering te weigeren niet zonder meer de bevindingen van het huisbezoek ten grondslag mogen leggen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat eiser de Nederlandse taal zodanig gebrekkig beheerst, dat hij naar alle waarschijnlijkheid de vragen die hem zijn gesteld ten tijde van het huisbezoek niet of onvoldoende heeft kunnen begrijpen. Het beroep is gegrond. Voorts treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 1216 en 12-1217 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2012

in de zaken van:

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigden: mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, en C.J. Forder, werkzaam bij het kantoor van mr. Fischer,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser om toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen, omdat eiser een gezamenlijke huishouding voert met [naam].

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 30 december 2011 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 februari 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard onder wijziging van de motivering. Verweerder stelt zich nu op het standpunt dat eiser zijn hoofdverblijf op het adres [adres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 maart 2012 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. AWB 12-1217. Bij brief van eveneens 7 maart 2012 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 12-1216.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 20 maart 2012, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn beide gemachtigden, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. M.E. Zandbergen, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het nu voorliggende geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Ter zitting hebben partijen uitdrukkelijk verklaard hiermee akkoord te gaan.

2.2 Eiser is afkomstig uit Somalië. Sinds september 1993 verblijft hij in Nederland. Sindsdien heeft eiser afwisselend gewerkt en geleefd van een bijstandsuitkering. In mei 2010 is eiser werkloos geworden, waarna hij tot 19 oktober 2011 een WW-uitkering heeft ontvangen. Op 10 november 2011 heeft eiser een Wwb-uitkering aangevraagd, waarna er op 25 november 2011 een gesprek met eiser heeft plaatsgevonden. Op 28 november 2011 volgde er een huisbezoek op het adres [adres], waarna verweerder in het primaire besluit de aanvraag van eiser heeft afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding. In bezwaar heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd, zij het met wijziging van de motivering.

2.3 Bij uitspraak van 19 januari 2012 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat per 30 december 2011 aan eiser voorschotten moeten worden betaald. Deze voorlopige voorziening is een week na verzending op 20 februari 2012 van de beslissing op bezwaar geëindigd.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers Wwb-aanvraag terecht is afgewezen, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres]. Volgens verweerder ligt het primair op de weg van eiser aannemelijk te maken dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Omdat eiser tegenstrijdige verklaringen gaf, heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Daarbij zijn heel weinig bezittingen van eiser aangetroffen. Hierdoor is het voor verweerder niet mogelijk om vast te stellen dat eiser woont op voormeld adres. Verweerder acht het onwaarschijnlijk dat eiser heel weinig bezittingen heeft en de Nederlandse taal niet beheerst, gelet op zijn langdurig verblijf in Nederland. Om die reden is verweerder niet ingegaan op de suggestie van de voorzieningenrechter om eiser nogmaals te horen in het bijzijn van een tolk. Eiser had ook zelf een tolk kunnen meenemen naar de gesprekken met verweerder of naar de zitting. Verweerder wijst er voorts op dat op de hoorzitting met eiser (en diens gemachtigde) geen communicatie mogelijk bleek.

2.5 Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat verweerder ermee bekend is dat eiser de Nederlandse taal gebrekkig beheerst. Volgens eiser heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij tijdens het huisbezoek op 28 november 2011 (nagenoeg) niets heeft begrepen van wat de medewerkers van verweerder van hem vroegen. In dit verband wijst eiser op zijn gezondheidssituatie. Eind februari 2012 is bij hem ernstige diabetes geconstateerd als gevolg waarvan hij al langere tijd erg moe geweest moet zijn, volgens verklaring van de huisarts. Dat eiser tijdens het huisbezoek vragen heeft beantwoord, betekent niet dat hij begreep wat er aan hem werd gevraagd. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte de suggestie van de voorzieningenrechter om eiser alsnog te horen in het bijzijn van een tolk, in de wind geslagen. Ter zitting heeft eiser gewezen op zijn culturele achtergrond. Hierdoor is het verklaarbaar dat hij slechts weinig bezittingen heeft en dat hij al zijn administratie in de binnenzak van zijn jas bewaart. Eiser heeft erop gewezen dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat hij al sinds november 2011 zonder inkomsten zit. Hierdoor is het voor eiser, die diabetespatiënt is, niet mogelijk een aangepast dieet te volgen. Dit schaadt zijn gezondheid.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.5.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat verweerder zich voornamelijk op grond van de bevindingen van het huisbezoek op 28 november 2011 op het standpunt stelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres]. In het verslag dat is opgemaakt van dit huisbezoek, is onder meer opgenomen, dat de rapporteur aan eiser heeft gevraagd of hij de Nederlandse taal begrijpt en of hij de Nederlandse taal ook spreekt. In het verslag staat vervolgens dat eiser antwoordde dat hij de Nederlandse taal begrijpt en redelijk spreekt.

2.6 De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan deze laatste mededeling niet die betekenis kan worden gehecht die verweerder hieraan kennelijk hecht. In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat de voorzieningenrechter die op 19 januari 2012 in de zaak met reg. nr. AWB 12-3 WWB haar oordeel gaf, onder meer het volgende heeft overwogen:

‘Ter zitting heeft de voorzieningenrechter uit eigen waarneming geconstateerd, dat verzoeker niet in staat lijkt te zijn om te volgen wat er ter zitting gebeurde. Dit leidt de voorzieningenrechter onder meer af uit het feit dat verzoeker op de vraag: “Vertelt u eens wat verweerder zojuist heeft gezegd” volstrekt geen antwoord gaf. Ook kon hij vragen van zijn gemachtigde niet beantwoorden’. Ook heeft de voorzieningenrechter in diezelfde uitspraak overwogen dat het in de rede had gelegen dat verweerder, na afloop van het huisbezoek, met eiser een gesprek zou hebben gevoerd in het bijzijn van een tolk of een derde die eisers taal spreekt.

2.7 Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat hij geen aanleiding heeft gezien deze laatste aanbeveling van de voorzieningenrechter over te nemen, aangezien eiser al geruime tijd in Nederland woont en zich steeds heeft kunnen redden.

2.8 De voorzieningenrechter heeft ter zitting geconstateerd, dat de communicatie met eiser uiterst moeizaam verloopt. Op de vragen die de voorzieningenrechter aan eiser stelde, gaf deze weliswaar een reactie, maar veelal was het geen antwoord op de gestelde vraag. Doorvragen in versimpeld taalgebruik leidde bij herhaling enkel tot meer verwarring. Dit duidt erop, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, dat eiser de Nederlandse taal zodanig gebrekkig beheerst, dat hij naar alle waarschijnlijkheid de vragen die hem zijn gesteld ten tijde van het huisbezoek niet of onvoldoende heeft kunnen begrijpen. Verweerder heeft dan ook zijn besluit om aan eiser een Wwb-uitkering te weigeren, zoals nader gemotiveerd in het bestreden besluit, niet zonder meer de bevindingen van het huisbezoek ten grondslag mogen leggen. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zoals de voorzieningenrechter op 19 januari 2012 al heeft overwogen, had het in de rede gelegen dat verweerder na het huisbezoek een gesprek was aangegaan met eiser, in het bijzijn van een tolk of van een derde die eisers taal machtig is.

2.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal een nieuw besluit dienen te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.

2.10 Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening dan ook toewijzen en bepalen dat verweerder met ingang van 7 maart 2012 tot zes weken na verzending van de door verweerder nieuw te nemen beslissing op bezwaar, aan eiser voorschotten zal verstrekken ter hoogte van 90% van de voor eiser geldende bijstandsnorm.

2.11 Gelet op het voorgaande, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.311,--. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de voorzieningenrechter in dit geval drie punten toe: een punt voor het beroep, een punt voor het verzoek en een punt voor het verschijnen ter zitting. Elk punt komt overeen met een bedrag van € 437,--. Het gewicht van de zaken is gemiddeld. Omdat ten behoeve van eiser een toevoeging is afgegeven op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

2.12 Tot slot zal de voorzieningenrechter verweerder gelasten het door eiser betaalde griffierecht tot een bedrag van in totaal € 84,-- aan hem te vergoeden.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 20 februari 2012;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.4 treft de voorlopige voorziening dat verweerder met ingang van 7 maart 2012 tot zes weken na verzending van de door verweerder nieuw te nemen beslissing op bezwaar, aan eiser voorschotten zal verstrekken ter hoogte van 90% van de voor hem geldende bijstandsnorm;

3.5 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1311,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.6 gelast dat de het college van burgemeester en wethouders van Haarlem het door eiser betaalde griffierecht van in totaal € 84,00,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Mateman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.