Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5697

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
14-05-2012
Zaaknummer
11/4606
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade. Gedeeltelijke vernietiging van het bestreden besluit voor zover daarin is geweigerd schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Finale geschillenbeslechting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 4606

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 mei 2012

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

de besliscommissie van het Schadeschap Luchthaven Schiphol,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2005 heeft verweerster het verzoek van eiser om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden in verband met de uitbreiding van het luchtvaartterrein van luchthaven Schiphol en het instellen van geluids- en veiligheidszones, afgewezen. Hierbij is verweerster afgeweken van het advies van 20 oktober 2005 van de Adviescommissie Schadeschap Luchthaven Schiphol (hierna: de adviescommissie).

Bij besluit van 16 mei 2006 heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2007 (AWB 06 – 5993) heeft deze rechtbank het door eiser hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 december 2007 (200702558/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van 16 maart 2007 en de beslissing op bezwaar van 16 mei 2006 vernietigd.

Bij (nieuw) besluit op bezwaar van 19 mei 2009 heeft verweerster eiser een schadevergoeding toegekend van € 4.550,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2003. Daarbij is verweerster (ten dele) afgeweken van het advies van de (speciale) adviescommissie Van der Schans van 12 februari 2009.

Bij uitspraak van 17 februari 2010 (AWB 09 – 2873) heeft deze rechtbank het door eiser ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van 19 mei 2009 vernietigt, behalve voor zover daarbij aan eiser een vergoeding van € 4.550,- is toegekend voor schade als gevolg van het LVB 2003 en bepaald dat verweerster een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen.

Bij (nieuw) besluit op bezwaar van 15 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerster eiser een schadevergoeding toegekend van € 655,- (€ 1310,- minus een korting van 50% wegens normaal maatschappelijk risico) voor het nadeel als gevolg van het vaststellen van geluidzones in het aanwijzingsbesluit 1996, voor zover betrekking hebbend op het vierbanenstelsel (S4S2), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2003.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 30 maart 2012. Eiser is in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.P.M van Ravels, voorzitter van de besliscommissie.

2. Overwegingen

2.1 Eiser, ten tijde hier van belang eigenaar van de woning aan de [adres], heeft verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de uitbreiding van het luchtvaartterrein van de luchthaven Schiphol en het instellen van geluidzones en veiligheidszones rondom de luchthaven.

2.2 In haar uitspraak van 17 februari 2010 (AWB 09-2873) heeft deze rechtbank beslist dat verweerster alsnog een beslissing dient te nemen op het verzoek om nadeelcompensatie. Verweerster is er daarbij op gewezen dat zij niet kenbaar een beslissing heeft genomen op het verzoek om schadevergoeding, voor zover dat betrekking heeft op nadeelcompensatie. Het had, gelet op de complexiteit van de materie, op de weg van verweerster gelegen om onderscheid te maken tussen de verschillende schadeonderdelen.

Verweerster heeft opnieuw een beslissing genomen omtrent toekenning van nadeelcompensatie ter zake van door eiser ondervonden nadeel dat zou zijn veroorzaakt door het aanwijzingsbesluit 1996, voor zover dit betrekking heeft op het zogenaamde S4S2-stelsel.

In het thans bestreden besluit heeft verweerster eiser een schadevergoeding toegekend van € 655,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2003 Verder heeft verweerster geweigerd eiser schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat volgens verweerster geen sprake is van termijnoverschrijding welke zou moeten leiden tot een schadevergoeding. Daarbij wijst verweerster er op dat met instemming van eiser het nemen van een nieuw besluit met instemming van eiser is aangehouden in afwachting van het advies van de adviescommissie Van der Schans en in afwachting van de uitkomst van een hoger beroepsprocedure bij de Afdeling.

2.3 Ter zitting heeft eiser de gronden van beroep die zien op de nadeelcompensatie ingetrokken.

2.4 Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Hij voert aan dat na het indienen van zijn bezwaarschrift van 21 januari 2006, een termijn van vijf jaar is gaan lopen waarbinnen de kwestie moet zijn afgerond. Omdat de procedure thans nog steeds niet is afgerond verzoekt eiser hem een schadevergoeding toe te kennen van € 500,- per 6 maanden dat de termijn van 5 jaar wordt overschreden. Dat hij informeel heeft ingestemd met het aanhouden van zijn zaak kan hem niet worden toegerekend omdat verweerster met dit voorstel kwam, aldus eiser.

2.5 De rechtbank vat het betoog van eiser op als een beroep op de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), en overweegt ten aanzien daarvan het volgende.

2.6 De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 december 2008, te vinden op www.rechstpraak.nl onder LJN: BG8294) is in zaken die uit een bezwaarschrift-procedure en twee rechterlijke instanties bestaan, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de hiervoor vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.7 De redelijke termijn is aangevangen op 21 januari 2006, de datum van indiening van het bezwaarschrift. In tegenstelling tot hetgeen verweerster heeft betoogd, kan uit de uitspraak van de rechtbank van 17 februari 2010 (AWB 09/2873) tussen partijen niet de conclusie worden getrokken dat waar het gaat om de schadevergoeding wegens nadeelcompensatie de redelijke termijn op een later moment is aangevangen. Tussen 21 januari 2006 en het tijdstip waarop de rechtbank thans uitspraak doet is een periode van zes jaar en bijna vier maanden verstreken. Een overschrijding van de redelijke termijn derhalve van één jaar en bijna vier maanden.

2.8 Aangezien de rechtbank en de Afdeling de beroepsprocedures ieder binnen twee jaar hebben afgerond, kan de overschrijding van de redelijke termijn niet aan deze rechterlijke instanties worden toegerekend. De vraag is of de gehele overschrijding van de redelijke termijn aan verweerster kan worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het verloop van de gehele procedure en de omstandigheden van het geval, de overschrijding van de redelijke termijn niet geheel aan verweerster is toe te rekenen. De rechtbank acht daartoe het navolgende redengevend. In de periode tussen de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2007 en het besluit van 19 mei 2009 is naar aanleiding van die uitspraak een nieuwe Adviescommissie (de commissie Van der Schans) ingesteld voor het uitbrengen van een deskundigenadvies. Eiser heeft blijkens het verslag van de bijeenkomst van de Adviescommissie van 29 februari 2008 de Adviescommissie (dossier 09/2873) de ruimte gegeven om binnen drie maanden na deze bijeenkomst een concept-advies te sturen aan partijen. Op 26 september 2008 heeft de commissie haar concept-advies uitgebracht. Op 12 februari 2009 is het definitieve advies uitgebracht. Een periode van drie maanden vanaf 29 februari 2008 kan, vanwege de instemming van eiser, niet aan verweerster worden toegerekend. Voorts heeft eiser op 18 augustus 2010 ingestemd met het aanhouden van de beslissing op zijn verzoek om nadeelcompensatie wegens het vierbanenstelsel totdat de Afdeling in een proefprocedure zou hebben beslist omtrent de rechtmatigheid van de door verweerster gekozen benadering. Op 11 mei 2011 heeft de Afdeling daarover uitspraak gedaan. Ook de periode tussen 18 augustus 2010 en 11 mei 2011 kan niet aan verweerster worden toegerekend.

2.9 Eiser heeft nog naar voren gebracht dat verweerster bij het verzoek om toestemming voor uitstel voor het nemen van een beslissing op bezwaar heeft aangegeven dat hij daardoor geen nadeel zou lijden. Aangenomen moet echter worden dat deze mededeling van verweerster betrekking had op de inhoudelijke beslissing over het verzoek van eiser om schadevergoeding ten gevolge van de uitbreiding van Schiphol en niet op de, toentertijd nog niet aan de orde zijnde, overschrijding van de redelijke termijn. Deze mededeling van verweerster vormt dan ook geen aanleiding om de perioden waarvoor eiser toestemming heeft gegeven voor uitstel van de besluitvorming alsnog voor rekening van verweerster te brengen.

2.10 Uit het voorgaande volgt dat een periode van drie respectievelijk negen maanden (totaal derhalve twaalf maanden) niet aan verweerster kan worden toegerekend. De overschrijding van de redelijke termijn die aan verweerster kan worden toegerekend, bedraagt dan nog vier maanden.

2.11 Van belang is voorts nog dat eiser bij brief van 27 juni 2011 de rechtbank heeft verzocht om gedurende grote delen in de periode van 25 juli 2011 tot 23 maart 2012 in verband met zijn afwezigheid geen zitting te plannen. Hierdoor heeft de rechtbank de zaak niet voor 30 maart 2012 kunnen behandelen. Hierdoor is naar het oordeel van de rechtbank wel enige vertraging ontstaan die niet aan verweerster kan worden toegerekend, echter niet een vertraging van vier maanden. De overschrijding van de redelijke termijn van vijf jaren met minder dan zes maanden is nog steeds een overschrijding die aan verweerster dient te worden toegerekend.

2.12 De stelling van verweerster dat sprake is van een complexe materie die een rechtvaardiging biedt voor het hanteren van een langere termijn, volgt de rechtbank niet. Immers voor kwesties inzake schadevergoeding als de onderhavige is nu juist de besliscommissie en zijn bijzonder adviescommissies in het leven geroepen die op grond van hun deskundigheid geacht moeten worden hierover binnen redelijke termijnen te kunnen adviseren en beslissen.

2.13 De stelling van verweerster dat geen aanleiding bestaat tot vergoeding van de gestelde schade omdat sprake is van een betrekkelijk gering financieel belang en het nadeel is gecompenseerd door de vergoeding van wettelijke rente kan niet slagen. Bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit wordt spanning en frustratie als grond voor vergoeding verondersteld. Dat sprake is van een gering financieel belang en dat het nadeel al gecompenseerd zou zijn, doet daar niet aan af. De rechtbank wijst er daarbij op dat eiser al vanaf 21 januari 2006 bezig is de gestelde schade als gevolg van de uitbreiding van de Luchthaven Schiphol vergoed te krijgen.

2.14 Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal gedeeltelijk worden vernietigd namelijk voor zover daarin is geweigerd schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

2.15 In het kader van de finale beslechting van dit geschil acht de rechtbank het gewenst dat partijen duidelijkheid krijgen over het hen verdeeld houdende geschilpunt. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Uitgaande van een bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank bepalen dat aan eiser € 500,- als schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.

2.16 Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de behandeling van het beroep. In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerster met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser opgevoerde reiskosten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de hoogte van de voor vergoeding in aanmerking komende reis- en verblijfskosten van een partij vastgesteld overeenkomstig het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, voor zover hier van belang, geldt het tarief openbaar vervoer, laagste klasse. Gelet hierop worden de reiskosten voor een reis van Zoetermeer naar Haarlem v.v. vastgesteld op € 18,60.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 15 augustus 2011, doch uitsluitend voor zover verweerster heeft geweigerd schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen;

3.3 bepaalt dat verweerster aan eiser ter vergoeding van die schade € 500,- toekent;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 veroordeelt verweerster in de door eiser in deze zaak gemaakte reiskosten tot een bedrag van in totaal € 18,60;

3.6 wijst af het meer of anders gevorderde;

3.7 gelast dat verweerster het door eiser betaalde griffierecht van € 152,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, mr. J.M. Janse van Mantgem en mr. drs. L. Beijen, rechters, en op 10 mei 2012 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.