Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5499

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
15-05-2012
Zaaknummer
AWB 08/5189, 12/1615 en 12/1616
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft geweigerd aan de beslissing van de geheimhoudingskamer zijn medewerking te verlenen. Door deze opstelling wordt zowel eiser als de rechtbank de mogelijkheid ontnomen de authenticiteit en betrouwbaarheid van de rekeningstandenlijsten te controleren en te beooordelen. Verweerder heetf derhalve het van hem te verlangen bewijs niet geleverd en de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1265
V-N 2012/42.7 met annotatie van Redactie
FutD 2012-1379
NTFR 2012/1252 met annotatie van Mr. R.H.J. Aelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 08/5189, 12/1615 en 12/1616

Uitspraakdatum: 11 mei 2012

Uitspraak in de gedingen tussen

X te Z, eiser,

gemachtigde: mr. A, advocaat te Amsterdam,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.1. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2007 voor het jaar 1995 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 10.538 met een verhoging van fl. 707 zonder kwijtschelding (100% van de nagevorderde belasting). Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikking een bedrag van fl. 258 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2007 een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1996 (hierna: VB) opgelegd berekend naar een belastbaar vermogen van fl. 244.000, met een verhoging van fl. 357 zonder kwijtschelding. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikking een bedrag van fl. 126 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 20 december 2007 voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.347 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.458. Gelijktijdig is bij afzonderlijke beschikkingen een bedrag van € 147 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 736 (100% van het nagevorderde bedrag) opgelegd.

1.3. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 juni 2008 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996, de verhogingen alsmede de beschikkingen heffingsrente en de navorderingsaanslag IB/PVV 2002, de boetebeschikking alsmede de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.4. Eiser heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Verweerder heeft bij brief van 12 mei 2011 een aanvulling op zijn verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en de rechtbank voor een deel daarvan op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzocht te beslissen dat gerechtvaardigd is de beperking tot de rechtbank van de kennisneming van (delen van) die stukken. Hij heeft ook versies van die stukken overgelegd die aan eiser mogen worden doorgezonden, waarin hij de passages heeft weggelaten, waarvoor hij zich beroept op beperking van de kennisneming. Voorts heeft verweerder een cd-rom ingezonden waarop zijn opgenomen de gegevens van een zogenaamde chi-kwadraattoets en de bijlagen B1, B2 en B6 bij de (Belgische) Nota, geschoond van namen en rekeningnummers.

1.6. De rechtbank heeft eiser bij brief van 18 mei 2011 verzocht om te reageren op het verzoek tot geheimhouding van verweerder.

1.7. Bij brief van 21 juni 2011 heeft eiser op het verzoek gereageerd en heeft hij daarbij ten aanzien van een aantal stukken geen toestemming aan de rechtbank gegeven om daarvan kennis te nemen.

1.8. Op 4 juli 2011 heeft een inlichtingencomparitie plaatsgevonden.

1.9. Verweerder heeft bij brief van 7 juli 2011, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, twee pagina’s van rekeningstandenlijsten waarop de naam van eiser is vermeld overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Awb.

1.10. Bij beslissing van 18 juli 2011 heeft de rechtbank op de voet van artikel 8:29, derde lid, van de Awb geoordeeld dat de beperking van de kennisneming ten aanzien van een deel van de door verweerder ingezonden stukken gerechtvaardigd is, heeft de rechtbank het verzoek om beperking ten aanzien van een gedeelte van de stukken afgewezen en met betrekking tot de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 geoordeeld dat verweerder eiser ter zitting in de gelegenheid moet stellen de ongeanonimiseerde rekeningstandenlijsten kortstondig integraal in te zien. Daarbij is – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“(…) Het argument van het controlestrategisch belang van de Belastingdienst overtuigt echter wel. Indien inderdaad de lijsten “op straat” zouden komen te liggen doordat zij in concrete zaken in hun geheel aan de betreffende eiser zouden moeten worden overgelegd, dan is inderdaad denkbaar dat derden daaruit kunnen afleiden dat verweerder hen op basis van de daarin vervatte gegevens over met name tenaamstelling met de thans beschikbare opsporingsmethoden niet kan traceren. Dat neemt niet weg dat eiser na kennisneming van dergelijke stukken in onderhavige zaak niet zonder meer bevoegd is die gegevens aan derden bekend te maken, maar het is de vraag of verweerder de geheimhouding door eiser kan effectueren. Het controlestrategisch belang dat met beperking van de kennisneming gemoeid is, weegt daarom zwaarder dan het belang dat eiser heeft bij het beschikken over de integrale rekeningstandenlijsten. Dat neemt echter niet weg dat een minder vergaande vorm van geheimhouding in een geval als dit voldoende bescherming tegen dat gevaar biedt. Niet valt immers in te zien dat eiser op zitting niet kortstondig inzage zou kunnen hebben van de gehele lijsten om zich een indruk te kunnen vormen die volstaat om zijn verdediging te kunnen voeren. De beperking van de kennisneming van de (volledige) rekeningstandenlijsten is derhalve slechts gerechtvaardigd voor zover verweerder verzoekt die lijsten niet integraal aan eiser door te zenden. (…)”

De beslissing luidt - voor zover van belang - als volgt:

“(…)

3.2. bepaalt dat gerechtvaardigd is de beperking van de kennisneming in de onder 2.1 en 2.7 onder C bedoelde lijsten B1, B2 en B6 van namen en rekeningnummers van anderen dan eiser zelf, in die zin dat aan eiser geen integrale versie van die stukken wordt gezonden, maar dat verweerder eiser ter zitting de gelegenheid moet bieden die stukken kortstondig integraal in te zien;

(…)”

1.11. Bij brief van 11 augustus 2011 heeft eiser aangegeven ermee in te stemmen dat de rechtbank uitspraak doet mede op grond van de stukken ten aanzien waarvan geoordeeld is dat beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.

1.12. Verweerder heeft bij brief van 16 augustus 2011 de ongeanonimiseerde, integrale rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 aan de rechtbank toegezonden met een beroep op artikel 8:29 van de Awb. Verweerder heeft in deze brief onder meer het volgende opgenomen:

“(...)

C. Rekeningstandenlijsten

In de tussenuitspraak is bepaald dat de inspecteur ter zitting kortstondig inzage dient te verlenen in de integrale, ongeanonimiseerde rekeningstandenlijsten. Uit de tussenuitspraak leid ik af dat deze inzage bedoeld is om tegemoet te komen aan de grief van belanghebbende dat hij de echtheid van de stukken niet kan controleren. Na heroverweging heb ik besloten om niet mee te werken aan dit punt in de tussenuitspraak. Hiertoe heb ik de volgende redenen. Allereerst meen ik dat een stuk ofwel geheim dient te blijven, ofwel vrijgegeven dient te worden. Tussenvormen zijn mijns inziens niet denkbaar. Voorts speelt hier nog een ander belang. Indien aan dit oordeel van de rechtbank tegemoetgekomen zou worden, zou ook aan andere gemachtigden voor enkele tientallen verschillende belanghebbenden kortstondig inzage gegeven moeten worden, hetgeen de facto neerkomt op openbaarmaking van het stuk. Bovendien meen ik dat er ook andere manieren zijn om aan de (op zichzelf begrijpelijke) ‘echtheidsgrief’ van belanghebbende tegemoet te komen. Een mogelijkheid zou zijn dat de (geheimhoudingskamer van de) rechtbank de stukken beoordeelt en zich uitspreekt over de echtheid van de stukken. Anders dan de door de rechtbank bij de tussenuitspraak bepaalde oplossing kleven hieraan voor de inspecteur geen onomkeerbare gevolgen. (…)”

Voorts heeft verweerder op grond van de beslissing van 18 juli 2011 nog nadere stukken aan de rechtbank en aan eiser toegezonden. Ten aanzien van een aantal stukken heeft verweerder geen gevolg gegeven aan de beslissing van de geheimhoudingskamer hoewel beperking van de kennisneming daarvan niet gerechtvaardigd is geacht.

Het betreft de volgende stukken:

- de Nota: de namen van bij het Belgisch strafrechtelijk onderzoek betrokken personen en de hierop betrekking hebbende plaatsnamen en bedrijfsgegevens;

- bijlage B11 bij de Nota: de namen die daarop staan vermeld;

- bijlagen B3, B4, B5, B7 en B8 bij de Nota: de cijfermatige informatie;

- memo redelijke schatting: de rekeningnummers.

De ongeanonimiseerde bijlagen heeft verweerder met een beroep op artikel 8:29 van de Awb separaat aan de rechtbank toegezonden.

1.13. Op 19 augustus 2011 heeft de rechtbank nog een brief van verweerder ontvangen.

1.14. De rechtbank heeft op 27 oktober 2011 aan verweerder een brief verzonden waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“(…)De rechtbank zal vooralsnog geen kennis nemen van gegevens waarvan de geheimhoudingskamer heeft bepaald dat deze aan eiser moeten worden verstrekt dan wel ter zitting inzage in moet worden verschaft en waarbij u in afwijking van de geheimhoudingsbeslissing deze gegevens niet aan eiser (ter inzage) wenst te verstrekken.

De rechtbank stuurt u daarom bijgaand beide enveloppen retour (…).”

1.15. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2011.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen B. , C, D en E. Ter zitting heeft de rechtbank partijen de beroepen tegen de afzonderlijke aanslagen gesplitst. De beroepen zijn thans bij de rechtbank geregistreerd als volgt: IB/PVV 2002 onder AWB 08/5189; IB/PVV 1995 onder AWB 12/1615; VB 1996 onder AWB 12/1616. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder opgedragen aan eiser gegevens ter beschikking te stellen waarmee eiser nadere informatie zou kunnen verkrijgen bij de Van Lanschot Bank (hierna ook: de bank) in Luxemburg en eiser in gelegenheid gesteld die informatie in het geding te brengen.

1.16. De rechtbank heeft op 29 november 2011 een brief van verweerder ontvangen, waarbij als bijlage is meegezonden een kopie van de aan de bank te zenden brief die aan eiser ter beschikking is gesteld.

1.17. Op 10 januari 2012 heeft de rechtbank een brief van eiser ontvangen en deze doorgezonden naar verweerder.

1.18. De rechtbank heeft op 30 januari 2012 de reactie van verweerder op voornoemde brief van eiser ontvangen. De rechtbank heeft een afschrift van deze brief doorgezonden aan eiser en eiser daarbij nog eenmaal in de gelegenheid gesteld op het standpunt van verweerder te reageren.

1.19. De rechtbank heeft op 13 maart 2012 een reactie van eiser ontvangen.

1.20. Nadat beide partijen toestemming hebben gegeven uitspraak te doen zonder nadere behandeling ter zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is geboren op 31 oktober 1961 en is ongehuwd.

Overdracht van gegevens door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse autoriteiten

2.2.1. Bij brief van 18 februari 2005 heeft de Belgische Bijzondere Belastinginspectie (hierna: BBI) in het kader van spontane uitwisseling van inlichtingen op grond van de EG-richtlijn van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen (77/799/EEG, hierna: de Richtlijn) gegevens verstrekt aan de FIOD ECD/Team Internationaal te Haarlem.

2.2.2. De hiervoor bedoelde gegevens bestaan uit een nota (hierna: de Nota) en twaalf bijlagen, genummerd B.1, B.2, enzovoorts. Deze gegevens zijn verstrekt op grond van artikel 4 van de Richtlijn. In de Nota is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld (namen en plaatsen zijn door verweerder geanonimiseerd):

“IV VERSTREKTE INLICHTINGEN

De hierna volgende inlichtingen zijn gesteund op stukken die het Belgisch gerecht in beslag heeft genomen bij een huiszoeking bij een verdachte van andere misdrijven.

Het betreft gegevens van de Bank van Lanschot Bankiers Luxembourg.

De stukken, bestaande uit verscheidene lijsten op papier (bijlagen 1 tot en met 11) werden aangetroffen en in beslag genomen bij een huiszoeking in een garagebox te W(...) uitgevoerd in het kader van een onderzoek onder leiding van Onderzoeksrechter V(…). Deze garagebox werd op dat ogenblik gehuurd door de heer P(…) en door diens bende gebruikt als uitvalsbasis voor overvallen. Met een brief van 18 december 2001 heeft de procureur-generaal aan de belastingadministratie toelating verleend tot het nemen van inzage en afschrift van het dossier (bijlage 12).

Toelichting van de feiten zoals blijkt uit de verhoren.

De kopieën van de bankstukken werden door V(…) gekopieerd uit een de computerbestand van de heer M(…). M(…) had als helpdeskmedewerker bij de firma L(…) te W(…) de gegevens in bezit gekregen via zijn afdelingschef, de heer J(…). P(…) is een gewezen werknemer van de bank. L(…) is een toeleveringsbedrijf van kantoorbenodigdheden aan bedrijven. De originele bankgegevens stonden op “microtape” zoals V(…) het verwoordt. Door middel van een toestel van een Duitse zusterfirma van L (…) zijn de originele bankgegevens gelezen en op een diskette gezet en vervolgens afgedrukt. (…) Dergelijke tape [microtape] is leesbaar en omzetbaar met behulp van een computer. (…) Tenslotte heeft V(…) de afgedrukte lijsten gefotokopieerd -ten minste een gedeelte ervan- en deze kopieën bewaard in de gehuurde garagebox, waar zij door de politie werden aangetroffen.

Mogelijke motieven zoals blijkt uit de verhoren.

V(…) vermoedt dat M(…) en P(…) de bedoeling hadden de bank op te lichten door middel van deze stukken. V(…) verklaart dat M(…) hem en zijn dochter zou hebben bedreigd voor het geval “er iets uitkwam van deze stukken”. Het kopiëren en bewaren van de lijsten door V(…) evenals de beweerde bedreiging, kunnen ook wijzen op de intentie om de klanten van de bank aan de hand van de adreslijsten te lokaliseren met het oog op huisdiefstal.

Besluit

Dit alles betekent dat door de betrokkenen een hoge mate van geloofwaardigheid aan de stukken werd gehecht. Immers, de stukken zijn voor betrokkenen slechts nuttig onder een dubbele voorwaarde. Ten eerste moeten ze echt zijn in de zin van afkomstig van de bedrijfsadministratie van de bank. Ten tweede moeten ze accuraat zijn in de zin van overeenkomen met de werkelijkheid inzake enerzijds de namen en adressen van de rekeninghouders en anderzijds de rekeningstanden. Hieruit kan besloten worden dat de stukken zowel inzake herkomst als inhoud inderdaad een hoog gehalte aan waarachtigheid bevatten.

De stukken zijn door het Parket in beslag genomen ter gelegenheid van een huiszoeking, en bijgevolg op rechtmatige wijze verkregen. Vervolgens werd aan de administratie toelating van en inzage in en afschrift van de stukken verleend. Bijgevolg heeft de administratie de stukken verkregen op rechtmatige wijze. Bovendien betekent dit dat de oorsprong van de stukken ondubbelzinnig is.” (…)

Identificatie eiser

2.3. Verweerder heeft door hem geanonimiseerde stukken in het geding gebracht die bij die Nota waren gevoegd, waaronder door hem als (kopieën van) rekeningstandenlijsten aangeduide stukken. Op die door verweerder overgelegde stukken, door verweerder aangeduid als B1 en B2 zijn onder meer de volgende gegevens vermeld.

Lijst B1:

“Date: 09/05/96

RACINE * NAME *CCY* CURRENT ACCOUNTS * DEPOSITS *

0005132 X NLG 797.92 .00

BONDS * SHARES / OPTIONS * INV. FUNDS * TOTAL **

.00 .00 56,47.50 57,245.42 P”

Lijst B2:

“Date: 11/28/96

RACINE * NAME *CCY* CURRENT ACCOUNTS * DEPOSITS *

0005132 X NLG 797.92 .00

BONDS * SHARES / OPTIONS * INV. FUNDS * TOTAL **

.00 .00 58,283.00 59,080.92 P”

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of de onderhavige navorderingsaanslagen (inclusief verhogingen), boetebeschikking en beschikkingen heffingsrente terecht, en naar de juiste bedragen, zijn opgelegd, c.q. zijn gegeven. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend, verweerder bevestigend.

3.2. Verweerder baseert de navorderingen op zijn stelling dat eiser bij de bank tegoeden heeft aangehouden waarvan hij voor de jaren 1995 (ib/pvv), 1996 (vb) en 2002 (ib/pvv) geen aangifte zou hebben gedaan. Voor de standpunten van partijen wordt verder verwezen naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Verweerder heeft zich ter onderbouwing van zijn standpunt dat eiser in 1995 en 2002 tegoeden op rekeningen bij de bank aanhield, die hij niet heeft aangegeven, naar de kern uiteindelijk alleen gebaseerd op de vermelding van de naam “X” in de rekeningstandenlijsten, die (indirect) afkomstig zouden zijn uit de administratie van de bank, door verweerder aangeduid met B1 en B2, welke lijsten volgens verweerder betrekking zouden hebben op 5 september 1996 en 28 november 1996. Eiser heeft aangevoerd dat hij nooit een rekening bij de bank heeft aangehouden en de overtuigende kracht van de door verweerder ingebrachte (kopieën van) die rekeningstandenlijsten bestreden. De bewijslast dat eiser tegoeden bij de bank heeft aangehouden, die hij niet zou hebben aangegeven, rust op verweerder.

4.2. De rechtbank heeft bij de beslissing van 18 juli 2011 geoordeeld dat verweerder aan eiser ter zitting de gelegenheid moet bieden de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 kortstondig integraal in te zien opdat eiser in de gelegenheid is zich nader uit te laten over de overtuigende kracht van die (gestelde kopieën van) rekeningstandenlijsten als bewijsmiddel. Verweerder heeft onder meer geweigerd mee te werken aan dit onderdeel van de beslissing. Door die opstelling van verweerder is noch eiser, noch de rechtbank in de gelegenheid de overtuigende kracht van die bewijsmiddelen te beoordelen door daar integraal kennis van te nemen. Op grond van artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank, indien een partij niet voldoet aan de verplichting inlichtingen te geven of stukken over te leggen, daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. Verweerder is in dit geval gehouden de (kopieën van de) rekeningstandenlijsten over te leggen omdat dat op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Op die verplichting bestaat alleen een uitzondering als de rechtbank dat op de voet van artikel 8:29 Awb heeft bepaald. Verweerder heeft slechts gedeeltelijk gevolg gegeven aan de ter zake door de rechtbank gegeven beslissing.

4.3. De rechtbank dient daarom in de eerste plaats te beoordelen welke consequentie moet worden verbonden aan de weigering van verweerder gevolg te geven aan de geheimhoudingsbeslissing van 18 juli 2011. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verweerder heeft als bewijsmiddel voor de identificatie van eiser zich geheel gebaseerd op de gegevens (de naam X) op een tweetal pagina’s van de rekeningstandenlijsten. Afdrukken van deze pagina’s bevinden zich, in geanonimiseerde vorm, in het dossier (pagina 3 van lijst B1 en pagina 4 van lijst B2). De authenticiteit en de betrouwbaarheid van de rekeningstandenlijsten B1, B2 alsmede B6 en de daarop voorkomende gegevens is voor de beoordeling van de juistheid van de identificatie en de daarmee samenhangende navorderingsaanslagen derhalve cruciaal. Eiser heeft de authenticiteit van deze lijsten betwist en voorts, ook ter zitting nog, gesteld dat als gevolg van de weigering van verweerder de betrouwbaarheid van de informatie op de rekeningstandenlijsten door eiser niet verdergaand kan worden getoetst. Door de weigering van verweerder aan de beslissing van de rechtbank van 18 juli 2011 zijn medewerking te verlenen, wordt eiser de mogelijkheid onthouden zich een indruk te vormen over de authenticiteit en betrouwbaarheid van de rekeningstandenlijsten en zich hierover uit te laten. Door de opstelling van verweerder heeft ook de rechtbank geen kennis kunnen nemen van de integrale (kopieën van de) rekeningstandenlijsten.

4.4. Verweerder heeft nog de suggestie gedaan om de geheimhoudingskamer van de rechtbank de authenticiteit en de betrouwbaarheid te laten toetsen op grond van een integrale versie van de rekeningstandenlijsten. De rechtbank gaat aan dit voorstel van verweerder voorbij, omdat op dit punt geen taak is weggelegd voor de geheimhoudingskamer. De essentie van de geheimhoudingsbeslissing is immers dat eiser ook zelf, uit het oogpunt van zijn recht op het voeren van een gefundeerde verdediging, zich moet kunnen uitlaten over de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de lijsten. Bovendien heeft verweerder niet verzocht om de stukken ook geheim te mogen houden voor de leden van de meervoudige kamer die uiteindelijk over de zaak oordelen.

4.5. Nu de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de lijsten worden betwist, en verweerder aan eiser de mogelijkheid heeft ontnomen de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de rekeningstandenlijsten te controleren, en daardoor de rechtbank ook niet in de gelegenheid is de authenticiteit en betrouwbaarheid nader te beoordelen, is de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de lijsten niet komen vast te staan. Dit betekent dat niet van de juistheid van de daarop vermelde gegevens kan worden uitgegaan. De afdrukken van de rekeningstandenlijsten voor zover deze thans door verweerder aan eiser en de rechtbank zijn verstrekt en waarbij de naam “X” op twee pagina’s daarvan voorkomt, zijn derhalve in de onderhavige zaak voor verweerder niet bruikbaar ter onderbouwing van de in geding zijnde aanslagen. Dit oordeel brengt met zich mee dat, nu het bewijs dat eiser niet aangegeven tegoeden - en inkomsten daaruit - bij de bank aanhield in wezen uitsluitend op de twee betreffende pagina’s is gebaseerd en daarvoor geen ander bewijs is bijgebracht, verweerder het van hem te verlangen bewijs niet heeft geleverd en de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd.

4.6. Vernietiging van de navorderingsaanslagen brengt mee dat ook de verhogingen, de daarop betrekking hebbende kwijtscheldingsbesluiten, de boetebeschikking en de beschikkingen inzake de heffingsrente niet in stand kunnen blijven.

4.7. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het gelijk geheel aan de zijde van eiser. Een bespreking van alle overige standpunten van partijen kan dan ook achterwege blijven. De beroepen zullen gegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van de beroepen redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen bij brief van 21 juni 2011 op het verzoek van de rechtbank van 18 mei 2011, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 - tarief voor beroepen ingediend vóór september 2009 - en een wegingsfactor 1). Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse, die eiser heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen. De rechtbank stelt deze kosten op € 13.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 1995 (inclusief verhoging), de navorderingaanslag VB 1996 (inclusief verhoging) en de navorderingaanslag IB/PVV 2002;

- vernietigt de boetebeschikking;

- vernietigt de bij voornoemde navorderingaanslagen behorende heffingsrentebeschikkingen;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 818;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. S.K.A. Efstratiades, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.