Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5210

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-01-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
15/996510-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:653
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Klimop. Vastgoedfraude.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem heeft verdachte vrijgesproken van deelneming aan één van de ten laste gelegde criminele organisaties. Verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift, heling, witwassen, een belastingfeit en deelneming aan een criminele organisatie.

Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met het beweerdelijk buiten het dossier laten van ontlastend materiaal en uitsluiting van strafvervolging op grond van de wet.

Strafmaatoverweging.

Gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996510-08

Uitspraakdatum: 27 januari 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 juli 2010, 25 november 2010, 26 november 2010, 1 december 2010, 22 december 2010, 7 februari 2011, 10 februari 2011, 17 februari 2011, 18 februari 2011, 28 februari 2011, 10 maart 2011, 8 april 2011, 16 juni 2011, 23 juni 2011, 24 juni 2011, 26 september 2011, 27 september 2011, 7 oktober 2011, 7 november 2011, 11 november 2011 en 13 januari 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

(PROJECT SOLARIS)

Hij op of omstreeks 18 juli 2005, althans in of omstreeks de periode 1 november 2000 tot en met 26 oktober 2005, te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een (marketing)rapport (D-1886),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

in dat (marketing)rapport vermeld dat het is vervaardigd door [getuige 7] in opdracht van [vennootschap 13] ten behoeve van stedelijk onderzoek en overige advisering inzake regio Schiphol/Haarlemmermeer, terwijl in werkelijkheid dat (marketing)rapport een omgebouwde/bewerkte (afstudeer)scriptie uit 1997 van hem, verdachte, is (D-1907),

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

2.

PRIMAIR

(PROJECT SOLARIS)

Rohide BV in of omstreeks de periode van 24 oktober 2005 tot en met 26 oktober 2005 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van

een vals of vervalst (marketing)rapport van Rohide BV bestemd voor [vennootschap 13] (D-1886),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst, terwijl die rechtspersoon Rohide BV en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geschrift bestemd was als ware het echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat die rechtspersoon Rohide BV en/of haar mededader(s) dat (marketing)rapport aan de Belastingdienst heeft/hebben overhandigd en/of ter beschikking heeft/hebben gesteld ter onderbouwing/ondersteuning van een factuur van Fl.150.000,- (exclusief btw) van Rohide BV gericht aan [vennootschap 13] voor verrichtte werkzaamheden en/of diensten (D-1949),

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat dat (marketing)rapport een omgebouwde/bewerkte afstudeerscriptie van [verdachte] uit 1997 is en/of (aldus) het geen (marketing)rapport betrof,

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven.

SUBSIDIAIR

Rohide BV in of omstreeks de periode van 24 oktober 2005 tot en met 26 oktober 2005 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld,

immers is door die rechtspersoon Rohide BV en/of haar mededader(s) een (marketing)rapport (D-1886) aan de Belastingdienst overgelegd en/of ter beschikking gesteld, welke ter onderbouwing/ondersteuning diende voor een factuur van Fl.150.000,- (exclusief btw) van Rohide BV gericht aan [vennootschap 13] voor verrichtte werkzaamheden en/of diensten (D-1949), terwijl in werkelijkheid dat (marketing)rapport een omgebouwde/bewerkte afstudeerscriptie van [verdachte] uit 1997 is en/of terwijl er geen werkzaamheden en/of diensten ten grondslag lagen aan die factuur, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven.

3.

PRIMAIR

(PROJECT SOLARIS)

Hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2000 tot en met 27 december 2000 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

vijf, althans een of meer, factu(u)r(en) van Rohide BV, (telkens) gericht aan [vennootschap 7] ten bedrage van in totaal circa FL.1.100.000,- (exclusief btw) (D-1947 en/of D-1948 en/of D-1951 en/of D-1952 en/of D-1953)

en/of

een brief van Rohide BV gericht aan [vennootschap 7] (D-1963)

en/of

een factuur van Rohide BV gericht aan [vennootschap 13] ten bedrage van in totaal Fl.150.000,- (exclusief btw) (D-1949),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

op/in die factu(u)r(en) vermeld dat door of namens Rohide BV werkzaamheden en/of diensten zijn verricht ten behoeve van/voor [vennootschap 7] en/of [vennootschap 13], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens Rohide BV zijn verricht ten behoeve van/voor [vennootschap 7] en/of [vennootschap 13]

en/of

op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld dat/die in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten

en/of

in die brief opgenomen dat Rohide BV samen heeft gewerkt met [vennootschap 7] voor het vinden van een passende locatie, terwijl in werkelijkheid geen sprake is geweest van een samenwerking tussen Rohide BV en [vennootschap 7], althans geen sprake is geweest van een samenwerking die heeft geresulteerd in het vinden van een passende locatie,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

SUBSIDIAIR:

Rohide BV in of omstreeks de periode van 17 juli 2000 tot en met 27 december 2000 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

vijf, althans een of meer, factu(u)r(en) van Rohide BV, (telkens) gericht aan [vennootschap 7] ten bedrage van in totaal circa FL.1.100.000,- (D-1947 en/of D-1948 en/of D-1951 en/of D-1952 en/of D-1953),

en/of

een brief van Rohide BV gericht aan [vennootschap 7] (D-1963)

en/of

een factuur van Rohide BV gericht aan [vennootschap 13] ten bedrage van in totaal Fl.150.000,- (exclusief btw) (D-1949),

zijnde (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben die rechtspersoon Rohide BV en/of haar mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

op/in die factu(u)r(en) vermeld dat door of namens Rohide BV werkzaamheden en/of diensten zijn verricht ten behoeve van/voor [vennootschap 7] en/of [vennootschap 13], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en/of diensten niet, althans niet in zijn geheel, door of namens Rohide BV zijn verricht ten behoeve van/voor [vennootschap 7] en/of [vennootschap 13]

en/of

op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedrag(en) vermeld dat/die in werkelijkheid geen, althans niet volledig, betrekking heeft/hebben op de in die factu(u)r(en) vermelde(n) werkzaamheden en/of diensten

en/of

in die brief opgenomen dat Rohide BV samen heeft gewerkt met [vennootschap 7] voor het vinden van een passende locatie, terwijl in werkelijkheid geen sprake is geweest van een samenwerking tussen Rohide BV en [vennootschap 7], althans geen sprake is geweest van een samenwerking die heeft geresulteerd in het vinden van een passende locatie,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven.

4.

PRIMAIR

(PROJECT SOLARIS)

Hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 26 oktober 2005, te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa Euro 68.067,- (Fl.150.000,-) (exclusief btw), in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp/geldbedrag was en/of wie het voorhanden had (te weten hij, verdachte)

door voor te wenden dat dit voorwerp/geldbedrag was verkregen op met het opmaken van een (vals of vervalst) (marketing)rapport (D-1886),

althans dit voorwerp/geldbedrag voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat voorwerp/geldbedrag (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

SUBSIDIAIR:

Rohide BV in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 26 oktober 2005, te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) een voorwerp, te weten een geldbedrag van circa Euro 68.067,- (Fl.150.000,-) (exclusief btw), in elk geval enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp/geldbedrag was

en/of wie het voorhanden had (te weten hij, verdachte)

door voor te wenden dat dit voorwerp/geldbedrag was verkregen met het opmaken van een (vals of vervalst) (marketing)rapport (D-1886),

althans dit voorwerp voorhanden/geldbedrag heeft gehad en/of heeft verworven,

terwijl die rechtspersoon Rohide BV en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat voorwerp/geldbedrag (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf, tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven.

5.

PRIMAIR

(PROJECT SOLARIS)

Hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2000 tot en met 8 februari 2001 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 567.225,25 (Fl.1.250.000,-) (exclusief btw), althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) wist(en) dat het een door

misdrijf verkregen geldbedrag(en) betrof(fen).

SUBSIDIAIR:

Rohide BV in of omstreeks de periode van 17 augustus 2000 tot en met 8 februari 2001 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer geldbedrag(en) tot een totaal bedrag van circa Euro 567.225,25 (Fl.1.250.000,-) (exclusief btw), althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl die rechtspersoon Rohide BV en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) wist(en) dat het een door misdrijf verkregen geldbedrag(en) betrof(fen), tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

feitelijk leiding heeft gegeven.

6.

(PROJECTEN HOLLANDSE MEESTER & SOLARIS & COOLSINGEL)

Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 april 2008 te Capelle aan den IJssel en/of Hoevelaken en/of Den Haag en/of Bergschenhoek en/of 's-Gravenzande en/of Bilthoven en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Heemstede en/of Bemmel en/of Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 12] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [medeverdachte 10] en/of [betrokkene 11] en/of Bloemenoord Groep BV en/of Ildewild Consultants BV en/of vennootschap 10] (van 2 februari 1994 tot 14 augustus 2000 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 8]) en/of [vennootschap 9] (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 8]) en/of Capelse Maasoever BV en/of [medeverdachte 13] een/of [vennootschap 5] en/of [vennootschap 17] (van 14 april 1999 tot 26 februari 2009 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 7]) en/of [vennootschap 13] en/of Rohide BV en/of een of meer andere(n) (rechts)pers(o)(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

-oplichting van Bouwfonds (artikel 326 WvSr)

-verduistering in dienstbetrekking bij Bouwfonds (artikel 322 WvSr)

-valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr)

-niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping (artikel 328ter WvSr)

-witwassen (artikel 420bis/420quater WvSr)

-opzetheling (artikel 416 WvSr)

bestaande die deelneming onder meer uit:

het (laten en/of doen) aangaan van valse of vervalste overeenkomsten en/of

het (laten en/of doen) opmaken en/of samenstellen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of kostenbatenanalyses (KBA) en/of rapportages en/of bedrijfsadministraties en/of

het (laten en/of doen) opnemen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven in bedrijfsadministraties en/of

het (laten en/of doen) verzenden van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of

het (laten en/of doen) doorbetalen en/of beheren en/of verdelen en/of ontvangen en/of verhullen van geldbedragen (al dan niet via notaris [betrokkene 6]), die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven en/of

het (laten en/of doen) doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn voor de op te (laten en/of doen) maken valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of bedrijfsadministraties en/of

het (laten en/of doen) doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn om geldbedragen, die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven, door te (kunnen) sluizen en/of

het (laten en/of doen) beleggen van vergaderingen/bijeenkomsten met overige leden van de organisatie en/of

het (laten en/of doen) werven en/of selecteren en/of opleiden en/of coachen van nieuwe leden en/of huidige leden van de organisatie en/of

het (laten en/of doen) oprichten van bedrijven, die met geen ander doel zijn opgericht voor het (laten en/of doen) plegen van vorenbedoelde misdrijven en/of

het verzwijgen tegenover Bouwfonds dat inzake de projecten "Hollandse Meester" en/of "Solaris" en/of "Coolsingel" door Bouwfonds te veel geld is betaald, althans dit niet heeft gemeld bij Bouwfonds en/of

het feitelijk leiding geven aan vorenbedoelde misdrijven.

7.

(PROJECT EUROCENTER)

Hij in of omstreeks de periode van 21 mei 2003 tot en met 26 september 2003 te

Hoevelaken en/of Muiderberg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een Kosten Baten Analyse (KBA) met de projectnaam Kavel 8 & 9 Drentepark te Amsterdam (ook bekend onder de projectnaam Eurocenter) (D-4178/D-3322)

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

in die Kosten Baten Analyse (KBA) de totale bouwkosten begroot op een bedrag van circa Euro 62.910.000,-, terwijl in werkelijkheid die bouwkosten waren begroot op een bedrag van tussen de circa Euro 49.950.000,- en circa Euro 53.274.918, althans in werkeljkheid lager waren dan die circa Euro 62.910.000,-,

en/of

in die Kosten Baten Analyse (KBA) een vergoeding/courtage van Euro 2.000.000,-

opgenomen ten behoeve van Universum Vastgoed BV ter zake bemiddelingskosten

bij verwerving, althans woorden van die aard en/of strekking, terwijl in werkelijkheid Universum Vastgoed BV geen (bemiddelings)werkzaamheden en/of diensten inzake het project Eurocenter heeft verricht en/of zou gaan verrichten,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

8.

(PROJECT EUROCENTER/PHILIPS)

Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 13 november 2007 te Eindhoven en/of Hoevelaken en/of Hoofddorp en/of Heemstede en/of Weert en/of Haelen en/of Roermond en/of Tilburg en/of Aerdenhout en/of Bloemendaal en/of Rosmalen en/of Den Bosch en/of Den Haag en/of Bilthoven en/of Haarlem en/of Aplhen aan den Rijn en/of Capelle aan den IJssel en/of IJsselstein en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in verengiging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft deelgenomen heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een organisatieverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 14] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 2] en/of [betrokkene 16] en/of [medeverdachte 4] en/of [betrokkene 3] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 8] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of Landquest NV en/of Kanaalcentrum Utrecht BV en/of Europalaan Utrecht BV en/of Idlewild Consultants BV en/of Universum Holding BV en/of Universum Beheer BV en/of en/of [medeverdachte 15] en/of [medeverdachte 13] en/of [medeverdachte 14] en/of AFR Vastgoed BV (van 29 januari 2001 tot 10 april 2006 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 2]) en/of [vennootschap 4] en/of [vennootschap 5] en/of [vennootschap 6] en/of een of meer andere(n) (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

-oplichting van Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Bouwfonds (artikel 326 WvSr);

-verduistering in dienstbetrekking bij Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV en/of Bouwfonds (artikel 322 WvSr);

-valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr);

-niet ambtelijke actieve en/of passieve omkoping (artikel 328ter WvSr);

-witwassen (artikel 420bis/420quarter WvSr);

bestaande die deelneming onder meer uit:

het bedenken en/of plannen en/of voorbereiden van vorenbedoelde misdrijven

en/of

het uitdenken en/of vastleggen van constructies waarop de met vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden worden verdeeld en/of aan het zicht worden onttrokken van derden

en/of

het ten behoeve van vorenbedoelde misdrijven oprichten van vennootschappen en/of aangaan van samenwerkingsverbanden en/of inrichten van de (eigendoms)verhoudingen binnen vennootschappen en/of op andere wijze betrekken van derden

en/of

het ten behoeve van vorenbedoelde misdrijven doen van giften en/of beloften aan andere deelnemers van die organisatie en/of aan anderen in ruil voor medewerking

en/of

het verzwijgen tegenover de werkgever (Bouwfonds en/of Stichting Philips Pensioenfonds en/of Philips Real Estate Investment Management BV en/of Schootse Poort Onroerend Goed Beheer BV) van (deze) giften en/of beloften

en/of

het aanwenden en/of gebruik maken van de positie en/of specifieke kennis en/of vaardigheden van (een) andere deelnemer(s) van de organisatie en/of van anderen

en/of

het voor rekening van en/of op naam van de werkgever (doen of laten) aangaan van valse of vervalste en/of onzakelijke overeenkomsten

en/of

het ten behoeve van het aangaan van valse of vervalste overeenkomsten overleggen van valse of vervalste KBA's en/of notities en/of andere stukken

en/of

het (doen of laten) verrichten van (frauduleuze) betalingen aan de contractpartijen ter uitvoering van valse of vervalste overeenkomsten

en/of

het (doen of laten) verstrekken van geheime of vertrouwelijke informatie aan andere deelnemers van de organisatie en/of aan anderen

en/of

het (doen of laten) opnemen van valse of vervalste overeenkomsten en/of facturen en/of brieven in bedrijfsadministraties (van de werkgever)

en/of

het (doen of laten) opmaken en/of samenstellen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven ten behoeve van de verdere doorgeleiding van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen (frauduleuze) gelden

en/of

het doen of laten beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden door andere deelnemers van de organisatie en/of het beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden voor andere deelnemers van de organisatie

en/of

het (doen of laten) beheren van de door middel van vorenbedoelde misdrijven verkregen gelden middels buitenlandse vennootschappen en/of buitenlandse bankrekeningen

en/of

het beleggen of bijwonen van bijeenkomsten en/of vergaderingen met de andere deelnemers van de organisatie, zulks ten behoeve van besluitvorming over vorenbedoelde misdrijven

en/of

het werven en/of selecteren en/of opleiden en/of coachen van huidige leden en/of nieuwe leden van de organisatie

en/of

het feitelijk leiding geven aan vorenbedoelde misdrijven.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie

Namens verdachte is op twee gronden bepleit dat het openbaar ministerie voor alle feiten niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging.

Allereerst herhaalt de verdediging ten principale hetgeen bij wege van preliminair verweer door haar is aangevoerd en waarop de rechtbank bij beslissing van 28 februari 2011 en onder verwijzing naar haar beslissing van 1 december 2011 heeft gereageerd. Samengevat komt het verweer erop neer dat jegens verdachte door daartoe niet bevoegde ambtenaren opsporingshandelingen zijn verricht waardoor hij in zijn belangen is geschaad en welke handelingen aan het openbaar ministerie moeten worden toegerekend; dat de Belastingdienst nauw heeft samengewerkt met de FIOD-OI en dat sprake is geweest van opsporing van louter commune feiten. De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar hetgeen zij op 28 februari 2011 heeft beslist nu de verdediging geen (nieuwe) feiten of omstandigheden noch argumenten heeft aangevoerd die nopen tot heroverweging van die beslissing.1

Daarnaast voert de verdediging - zakelijk weergegeven - het volgende aan. Kort voordat het in ambtshandeling AH-0060 geverbaliseerde OVC-gesprek (opname vertrouwelijke communicatie) van 27 augustus 2007 tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8] aanvangt wordt door [medeverdachte 1] met verdachte een telefoongesprek gevoerd dat is opgenomen en afgeluisterd. Het telefoongesprek wordt niet uitgewerkt in de desbetreffende ambtshandeling maar wel in het niet in het strafdossier van verdachte gevoegde tapverslag onder nummer 0000260006198873. De verdediging heeft dit telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte in de dataroom beluisterd en heeft de uitwerking van dit gesprek bij pleidooi (productie 4) overgelegd en voorgehouden aan de rechtbank. De verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 1] in het kort daarop volgende gesprek met [medeverdachte 8] refereert aan dit eerdere telefoongesprek met verdachte dat volgens de verdediging betrekking heeft op de door verdachte na diens vertrek bij Bouwfonds opgerichte stamrecht BV met daaronder een werkmaatschappij en niet, zoals het openbaar ministerie stelt, op Rohide BV. De verdediging heeft voorts betoogd dat in voornoemd telefoongesprek tussen verdachte en [medeverdachte 1] uitvoerig gesproken wordt over project UPC, één van de projecten waarin [vennootschap verdachte] werkzaamheden verrichtte voor Landquest, hetgeen zij als ronduit ontlastend voor verdachte aanmerkt. Omdat dit telefoongesprek door de FIOD-ECD is "weggemoffeld" door het niet te verbaliseren in ambtshandeling AH-0060, is deze ambtshandeling misleidend; verdachte wordt ten onrechte in een kwaad daglicht geplaatst, omdat gesuggereerd wordt dat het over criminele zaken gaat en het ontlastende materiaal weggelaten wordt. De verdediging stelt dat het openbaar ministerie wordt geacht een compleet overzicht te hebben van de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken en daarom wist of had moeten weten dat zich in het door de verdediging ingebrachte tapgesprek voor verdachte ontlastende informatie bevindt.

Daar komt bij dat de FIOD-ECD niet geïnteresseerd was in de oude agenda's waarover [getuige 26] beschikte en waaruit zou blijken dat zij afspraken had met [getuige 7] van en inzake Rohide BV.

Uit het voorgaande concludeert de verdediging dat het openbaar ministerie, althans de FIOD-ECD, handelend onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie, welbewust de rechten en belangen van verdachte heeft geschonden door het ontlastende tapgesprek 0000260006198873 van 27 augustus 2007 en de agenda's van [getuige 26] in strijd met de Edwards-jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) buiten het dossier van de zaak van verdachte te laten. Het openbaar ministerie en de FIOD-ECD hebben doelbewust verklaringen verdraaid en ontlastend materiaal weggelaten waardoor suggesties worden gewekt die niet op feiten gebaseerd zijn. De verdediging verbindt hieraan het rechtsgevolg dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard.

In reactie op het verweer van de verdediging heeft het openbaar ministerie zich op het standpunt gesteld dat de door de verdediging gelegde beweerdelijke relatie tussen het telefoongesprek en het OVC-gesprek met het daarbij geformuleerde verwijt dat ontlastend materiaal uit het dossier zou zijn gehouden, is gebaseerd op een onjuiste uitleg van het OVC-gesprek en verzonnen aannames en conclusies.

De rechtbank overweegt als volgt.

De kennelijke bedoeling van het opstellen van ambtshandeling AH-0060 is het bij proces-verbaal relateren van een opgenomen gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8]. Vlak voor dit gesprek hebben [medeverdachte 1] en verdachte een telefoongesprek met elkaar gevoerd. Gelet op de bedoeling van deze ambtshandeling en de vaststelling door de rechtbank dat de desbetreffende ambtshandeling op pagina 2, vierde alinea, melding maakt van het voeren van dat telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte, mist het door de verdediging ingenomen standpunt dat de FIOD-ECD het telefoongesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte welbewust heeft "weggemoffeld" feitelijke grondslag.

Ten aanzien van de samenstelling van het strafdossier acht de rechtbank de volgende uitgangspunten van belang: ten behoeve van de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering wordt onder leiding en in opdracht van de officier van justitie een zaaksdossier gevormd. Ingevolge het uitgangspunt dat het strafproces de materiële waarheidsvinding dient, dienen in het dossier die stukken te worden gevoegd die redelijkerwijs van belang kunnen zijn hetzij in voor verdachte belastende, hetzij in voor hem ontlastende zin. Het oordeel of stukken redelijkerwijs voor verdachte van belang kunnen zijn komt primair het openbaar ministerie toe. Daarnaast komt de verdediging de bevoegdheid toe stukken in het geding te brengen die voor het bewijs van betekenis kunnen zijn en de rechtbank te verzoeken deze aan het dossier toe te voegen. Ook kan de rechtbank ambtshalve de toevoeging van bepaalde stukken aan het dossier gelasten.

Beginselen van een behoorlijke procesorde brengen aldus mee, dat stukken die voor de beoordeling van de betrouwbaarheid of de rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel redelijkerwijze van belang kunnen zijn of anderszins voor verdachte van belang zijnde stukken, in beginsel door het openbaar ministerie aan het procesdossier worden toegevoegd.

Met name in een grootschalig onderzoek, waarin een groot aantal verdachten betrokken is, zoals het onderhavige, levert het opsporingsonderzoek zoveel materiaal op dat alle bij de zaak betrokkenen - onder wie dus ook de verdachte - gebaat zijn bij een gewetensvolle selectie daarvan door het openbaar ministerie aan de hand van de zojuist omschreven belangen. Logischerwijs zal die selectie ook gerelateerd zijn aan de niet-identieke verwijten die de diverse verdachten gemaakt worden. Op die selectie dient uiteraard controle mogelijk te zijn. In de onderhavige zaak vormt de zogenaamde dataroom - waarin zich stukken bevinden die bij het opsporingsonderzoek naar voren zijn gekomen maar niet door het openbaar ministerie aan het procesdossier zijn toegevoegd - een belangrijk element in die controlemogelijkheid.

Met alle begrip dat de rechtbank heeft voor de - aan een onderzoek van een dergelijke omvang inherente - moeilijkheden die de verdediging ervaart, is zij van oordeel dat het openbaar ministerie met de inrichting van deze dataroom heeft gekozen voor een aanvaardbare oplossing om te voldoen aan dit controlevereiste. Met name sedert het moment waarop de dataroom benaderd kan worden vanuit Amsterdam - de rechtbank heeft daartoe op 26 november 2010 opdracht gegeven aan het openbaar ministerie - is in elk geval het daarvóór bestaande probleem van verlies van kostbare reistijd in belangrijke mate opgelost.

Daarnaast biedt de dataroom tezamen met een aan de verdediging verstrekte index van de inhoud van wat zich in die dataroom bevindt, voor de verdediging naar het oordeel van de rechtbank een adequate mogelijkheid van de inhoud van de voor de verdediging mogelijk relevante stukken kennis te nemen en in voorkomend geval om toevoeging aan het procesdossier van dergelijke stukken te verzoeken.

Als dan vervolgens het centraal staande verwijt van de verdediging dat het openbaar ministerie, althans de FIOD-ECD handelend onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie, de rechten en belangen van verdachte heeft geschonden door ontlastend materiaal in strijd met de Edwards-jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) welbewust buiten het dossier van verdachte te laten, wordt getoetst aan de hand van de ter onderbouwing van die verwijten gegeven voorbeelden, komt de rechtbank tot de conclusie dat in elk geval die voorbeelden niet illustratief zijn voor dat verwijt. Ook overigens ziet de rechtbank in het dossier geen aanleiding om te veronderstellen dat het openbaar ministerie dan wel de FIOD-ECD welbewust voor de verdachte ontlastend materiaal buiten het procesdossier van verdachte heeft gehouden.

Van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (volgens HR 30 maart 2004, LJN: AM2533), is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt de verweren strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Noch elk op zichzelf, noch in onderlinge samenhang bezien kunnen deze verweren leiden tot het door de verdediging bepleitte resultaat. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vervolging.

Ten aanzien van het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich nog op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ten aanzien van dit feit niet ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard nu de daarin beschreven gedraging zowel valt onder artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) als onder artikel 69, vierde lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) zodat op grond van artikel 69, vierde lid, AWR strafvervolging voor artikel 225, tweede lid, Sr is uitgesloten.

Het openbaar ministerie heeft bij repliek betoogd dat het onder feit 2 primair ten laste gelegde in de medeplegingsvariant kan worden bewezen. Ook als de rechtbank zou menen dat niet voldaan is aan het "strekkingsvereiste" van artikel 69, vierde lid, AWR kan volgens het openbaar ministerie het primair ten laste gelegde worden bewezen nu artikel 69, vierde lid, AWR vervolging voor artikel 225, tweede lid, alleen uitsluit als vervolging voor feiten ex artikel 69 AWR mogelijk is.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De tenlastelegging onder feit 2 primair is toegesneden op artikel 225, tweede lid, Sr terwijl "het feit ter zake waarvan verdachte kan worden vervolgd" zoals bedoeld in artikel 69, vierde lid, AWR in casu eveneens valt onder de strafbaarstellingen van artikel 69, eerste en tweede lid, AWR. In dat geval staat artikel 69, vierde lid, AWR aan een vervolging ter zake van artikel 225, tweede lid, Sr in de weg. Nu de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, AWR hier opgeld doet is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie ten aanzien van feit 2 primair niet ontvankelijk is in zijn vervolging.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er overigens geen redenen zijn het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging

Er zijn geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

Bij de bespreking van de vraag of hetgeen verdachte is ten laste gelegd, bewezen kan worden geacht, besteedt de rechtbank in de eerste plaats aandacht aan de vorderingen dan wel verweren die zijn gericht op vrijspraak en die naar het oordeel van de rechtbank tot die bepleite conclusie leiden en behandelt zij eventuele substantiële op het bewijs of de bruikbaarheid daarvan gerichte verweren. Daarna zal in de vorm van een lopend betoog worden aangegeven wat de rechtbank van de ten laste gelegde feiten bewezen acht. In het kader van dat betoog wordt aandacht besteed aan van de zijde van het openbaar ministerie of van de verdediging ingenomen standpunten. Voor verwijzing naar vindplaatsen wordt gebruik gemaakt van voetnoten. Bij verwijzingen naar stukken van het strafdossier geldt dat steeds rechtstreeks wordt verwezen naar die stukken. Van het zogenaamde bewijsmiddelenoverzicht dat van de zijde van het openbaar ministerie aan de rechtbank en de (raadslieden van de) verdachten is overgelegd als bijlage bij het uitgesproken en tevens in geschrifte gepresenteerde requisitoir en dat hoofdzakelijk bestaat uit verwijzingen naar stukken van het strafdossier alsmede citaten daaruit, heeft de rechtbank daarbij geen gebruik gemaakt.

4.1 Vrijspraak

Feit 7 Valsheid in geschrift

Ten aanzien van de verdachte onder feit 7 op zijn tenlastelegging verweten betrokkenheid bij de totstandkoming van een Kosten Baten Analyse (KBA) waarin het budget voor de ontwikkeling van het project Eurocenter werd vastgesteld, maar de totale bouwkosten voor dat project aanzienlijk hoger waren begroot dan in overeenstemming was met de in werkelijkheid begrote bouwkosten, is van de zijde van de verdediging aangevoerd dat voor bewezenverklaring van deze valsheid in geschrift noodzakelijk is de wetenschap van verdachte vast te stellen. Zij bestrijdt de visie van het openbaar ministerie dat de ongunstige wijziging in de risicopositie van de wederpartij van Bouwfonds verdachte had moeten weerhouden van het mede-ondertekenen van de desbetreffende KBA, omdat hij nu eenmaal wist dat [medeverdachte 1] een "positie" had in Eurocenter en "potjes" creëerde. Want als verdachte "blind" tekent, zoals het openbaar ministerie enerzijds van opvatting lijkt te zijn, kan het anderzijds niet uitgaan van een bewustzijn van verdachte waarin opzet of voorwaardelijk opzet besloten ligt, zo wordt daaraan toegevoegd. In casu heeft verdachte vragen gesteld, wat hij overigens niet had hoeven doen als hij in het complot zat, en het antwoord daarop was van dien aard dat hij daarop zijn handtekening onder de KBA heeft gezet. Die handtekening werd gezet op een moment dat verdachte geen directeur meer was van Bouwfonds Vastgoedontwikkeling (waar hij overigens ook alleen voor de aansturing van de interne projectontwikkelaars verantwoordelijk was), maar als lid van de directie van Bouwfonds Property Development op te grote afstand van Commercieel Vastgoed (voorheen Bouwfonds Vastgoedontwikkeling) stond om een project als Eurocenter te toetsen.

Een bevestiging van het ontbreken van wetenschap van verdachte kan naar het oordeel van de verdediging worden gevonden in de verklaring van [medeverdachte 1] als getuige waar die aangeeft zich niet te herinneren in de periode dat hij weg was bij Bouwfonds met verdachte besproken te hebben hoe de afspraken die hij aangaande Eurocenter had gemaakt, geëffectueerd moesten worden.2 Hij geeft tevens aan niet te weten of verdachte een eigen belang had in het project Eurocenter of in andere projecten van Bouwfonds.3

Op de door de verdediging aangevoerde - en hiervoor verkort weergegeven - gronden is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, dat verdachte opzettelijk heeft deelgenomen aan het valselijk opmaken van de bedoelde KBA. Verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Feit 8 criminele organisatie (Eurocenter/Philips)

De verdediging van verdachte spreekt er haar verbazing over uit, dat haar cliënt in twee door het openbaar ministerie onderscheiden criminele organisaties (Eurocenter/Philips en projecten Solaris, Hollandse Meester en Coolsingel, rb.) wordt ondergebracht als deelnemer, terwijl hij in de eerste tien pagina's van het onderdeel dat door het openbaar ministerie in zijn requisitoir is gewijd aan de criminele organisatie helemaal niet wordt genoemd en hij van de 19 miljoen euro die in het project Eurocenter is verdeeld niets heeft ontvangen. Van de 55.000 opgenomen telefoongesprekken is er niet één als belastend gepresenteerd in het dossier, aan zogenaamde OVC-gesprekken heeft verdachte niet deelgenomen, zo wordt daaraan nog toegevoegd. Vanaf 1 januari 2003 stond hij bovendien als lid van de directie van Bouwfonds Property Development op te grote afstand van Commercieel Vastgoed (voorheen Bouwfonds Vastgoedontwikkeling) om projecten als Eurocenter en Symphony te toetsen.

Na deze feitelijke vaststellingen stellen de raadslieden van verdachte als centrale vraag aan de orde of hun cliënt de mate van wetenschap had die een vereiste vormt om te kunnen komen tot bewezenverklaring van een op het bepaalde in artikel 140 Sr toegesneden tenlastelegging. De raadslieden beantwoorden deze vraag met: Nee, daartoe wijzend op de afstand tussen de hoogste bestuurslaag en de werkvloer. Een bevestiging van het ontbreken van wetenschap kan naar het oordeel van de raadslieden worden gevonden in de verklaring van [medeverdachte 1] als getuige waar die aangeeft zich niet te herinneren in de periode dat hij weg was bij Bouwfonds met verdachte besproken te hebben hoe de afspraken die hij aangaande Eurocenter had gemaakt, geëffectueerd moesten worden. Hij geeft tevens aan niet te weten of verdachte een eigen belang had in het project Eurocenter of in andere projecten van Bouwfonds.4 Aan de namen en bedragen die voorkomen op een handgeschreven notitie die [betrokkene 13] en [betrokkene 12] aantroffen tussen van [medeverdachte 3] ontvangen stukken en op welke notitie onder meer de naam [afkorting voornaam] voorkomt met daarachter een viertal bedragen van in totaal € 785.000, kan naar het oordeel van de verdediging geen betekenis worden toegekend, ook niet in het licht van de betalingen die [medeverdachte 1] in 2006 en 2007 uit zijn bedrijf Landquest deed aan de vennootschap van verdachte, nu [betrokkene 13] en [betrokkene 12] de bedragen niet kunnen duiden en ook [medeverdachte 1] en verdachte de aantekeningen niet kennen. [medeverdachte 1], hierover gehoord als getuige, heeft verklaard dat laatstbedoelde betalingen te maken hebben met prestaties voor werkzaamheden, maar voor een deel ook een betaling betreffen voor verdachte als persoon en dat hij - [medeverdachte 1] - aanneemt dat verdachte ook wist dat de facturen niet per se de lading van de betalingen dekten.5 De betalingen - zo verklaart hij ook nog - kwamen niet uit "potjes" en niet ten laste van Bouwfonds.6

De rechtbank overweegt dat de buitengewoon ruimhartige betalingen die verdachte ten deel vallen via zijn bedrijf [vennootschap verdachte] vragen oproepen die niet geheel bevredigend worden beantwoord. Zo betreft de mededeling van [medeverdachte 1] dat hij aanneemt dat verdachte wist dat niet alle facturen precies de lading dekten van de betalingen een nogal raadselachtige uitspraak, aangezien de desbetreffende facturen immers werden verstuurd door verdachte. Deze globale en vage legitimatie van de facturen doet sterk denken aan de modus operandi die werd gehanteerd bij de betalingen uit de zogenaamde "potjes" die werden gecreëerd om daaruit moeilijke betalingen waaronder bonussen aan individuele medewerkers te voldoen waarvoor niet noodzakelijk een tot de verbeelding sprekende prestatie verricht hoefde te zijn.7 Bovendien verklaart [medeverdachte 1] in reactie op de bedoelde aantekeningen in het stuk met documentnummer D-0637, dat hij over de op het lijstje voorkomende personen heeft gesproken met [medeverdachte 3] en dat in relatie tot deze personen ook over bedragen is gesproken en hij zich kan herinneren met verdachte daaromtrent een afspraak gemaakt te hebben.8 Alles afwegende volgt de rechtbank de verdediging evenwel op de door haar aangevoerde gronden in haar conclusie, dat er onvoldoende bewijs is voor een mate van wetenschap bij verdachte, die hem tot deelnemer aan de onder feit 8 ten laste gelegde organisatie in Eurocenter en de Philips-projecten zou maken. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden9

Dienstbetrekking

In mei 1994 treedt verdachte in dienst bij Bouwfonds Vastgoedontwikkeling BV.10 Met ingang van 1 januari 1999 wordt hij benoemd tot adjunct directeur van Bouwfonds Vastgoedontwikkeling CV, een onderneming met ABN AMRO (Bouwfonds) waarbij hij verantwoordelijk wordt voor de dagelijkse leiding van de ontwikkelingsactiviteiten.11 Verdachte blijft deze functie bekleden tot hij per 1 augustus 2001 als opvolger van [medeverdachte 1] directeur van Bouwfonds Vastgoedontwikkeling BV wordt.12

De methodiek van potjes, moeilijke betalingen en bonussen

Op 1 oktober 1995 wordt [medeverdachte 1] Vastgoed BV door Bouwfonds overgenomen en wordt [medeverdachte 1] als directeur van de werkmaatschappij Bouwfonds Vastgoedontwikkeling BV leidinggevende van verdachte.13 In deze functie meent [medeverdachte 1] enerzijds toestemming te hebben van de toenmalige voorzitter van de Raad van Bestuur van Bouwfonds om vanaf de oprichting van een commanditaire vennootschap met ABN AMRO in 1998 te mogen bijverdienen in Bouwfondsprojecten en hanteert hij anderzijds een werkwijze waarbij (geld)potjes worden gecreëerd van waaruit zogenaamde moeilijke betalingen worden verricht.14

Het creëren van potjes betreft een door [medeverdachte 1] bij Bouwfonds gehanteerde werkwijze die inhield zogenaamde moeilijke betalingen voor Bouwfonds niet zichtbaar - via een derde - te laten lopen teneinde op deze wijze hieromtrent geen vragen op te roepen binnen Bouwfonds. 15 In algemene zin staan tegenover moeilijke betalingen altijd prestaties die evenwel niet goed omschreven zijn op de facturen of in de daaraan ten grondslag liggende contracten. Dat geldt vooral voor de datering van deze facturen en contracten maar ook voor de daarin voorkomende omschrijving van de werkzaamheden.16 Een prestatie kan ook bestaan uit het doorbetalen van gelden.17 [medeverdachte 1] heeft de methodiek van potjes en moeilijke betalingen ("bloemetjesgeld"), overigens mogelijk in andere bewoordingen, besproken met verdachte.18

[medeverdachte 1] verklaart dat een deel van de gelden uit de gecreëerde potjes bij wijze van extra bonus terecht komt bij collega's van Bouwfonds. [medeverdachte 1] vindt de reguliere bonussen van Bouwfonds te laag en kent door het betalen van een bonus uit een potje voor moeilijke betalingen een extra bonus aan toegewijde en goed presterende werknemers toe. Het spreekt voor zichzelf dat ten aanzien van de ontvangst van extra bonussen geheimhouding bestaat.19

Feit 1, 2 en 3: factuur van Rohide BV aan [vennootschap 13] en het beweerdelijk onderliggende marketingrapport

Op 8 juli 2005 wordt op basis van artikel 53 AWR een derdenonderzoek ingesteld bij [vennootschap 13] waarbij wordt verkregen een factuur met dagtekening van 27 december 2000 afkomstig van Rohide BV gevestigd te Buitenkaag en gericht aan [vennootschap 13] ten bedrage van fl. 150.000 (exclusief BTW) met betrekking tot door Rohide BV verricht "stedelijk onderzoek en overige advisering inzake regio Schiphol / Haarlemmermeer", factuurnummer 00/8003.20 [betrokkene 11] herinnert zich dat de factuur ziet op een door Rohide BV opgemaakt rapport21 maar kan tijdens het derdenonderzoek geen nadere bescheiden ter onderbouwing van de factuur overleggen.22 Ook bij latere gelegenheden kan [betrokkene 11] dat niet. In de in beslag genomen administratie van [betrokkene 11] worden dergelijke stukken evenmin aangetroffen.23 [betrokkene 11] weet niet welke activiteiten de vennootschap Rohide BV verricht.24 Anders dan de verdediging heeft betoogd is de rechtbank dan ook van oordeel dat het dossier geen blijk geeft van door Rohide BV verrichte werkzaamheden voor [vennootschap 13]. Niettemin wordt de factuur op 6 januari 2001 (inclusief BTW) voldaan.25

Mede naar aanleiding van de bevindingen bij [vennootschap 13] stelt de Belastingdienst een vervolgonderzoek in bij Rohide BV.26 Op 24 en 26 oktober 2005 verkrijgt de Belastingdienst op grond van een op basis van artikel 53 AWR ingesteld derdenonderzoek bij Rohide BV een aantal pagina's van een rapport en bovengenoemde factuur voorzien van nummer 00/8003.27 In de "Aanleiding" van het rapport wordt gesteld dat Rohide BV door [vennootschap 13] is verzocht haar "te ondersteunen bij de opzet en uitwerking van een conceptueel traject om de wijze waarop zij haar (deel)markten bewerkt verder te professionaliseren". Door de inhoud van de in het rapport verwoorde aanleiding en de afsluiting daarvan met de woorden "[getuige 7], november 2000"28 wordt de suggestie gewekt dat het rapport is vervaardigd door [getuige 7]. Uit hetgeen hierna zal worden overwogen concludeert de rechtbank dat het rapport in werkelijkheid betreft een deels omgewerkte afstudeerscriptie van verdachte uit 1997.

Op 1 april 2008 vindt een doorzoeking plaats in het toenmalige woonhuis van verdachte en zijn echtgenote [getuige 7] te Buitenkaag waarbij computers in beslag worden genomen en van harde schijven images worden gemaakt. In de digitale gegevens wordt onder meer het document rapportage [vennootschap 13].doc aangetroffen.29 De inhoud van het bij het derdenonderzoek bij Rohide BV verkregen marketingrapport en het aangetroffen digitale document komen woordelijk overeen. Kennelijk is document rapportage [vennootschap 13].doc de digitale versie van voornoemd marketingrapport. Opvallend is dat de bestandseigenschappen van het digitale document duiden op een opmaak- en afdrukdatum van 18 juli 2005, tien dagen na het derdenonderzoek bij [vennootschap 13], en dat de totale bewerkingstijd van het 99 pagina's tellend document slechts 23 minuten is.30 In de digitale gegevens wordt eveneens aangetroffen document Scriptiedefinitief.doc.31 Blijkens het voorwoord daarvan is het stuk in augustus 1997 door verdachte opgesteld ter afronding van de Postdoctorale Opleiding Vastgoedkunde.32 De documenten rapportage [vennootschap 13].doc en Scriptiedefinitief.doc komen vrijwel woordelijk overeen. Verschillen in beide documenten hebben met name betrekking op de genoemde auteur(s) van beide documenten en de context waarbinnen de documenten blijkens het respectievelijke voorwoord zouden zijn geschreven. Dat het document rapportage [vennootschap 13].doc inderdaad een totale bewerkingstijd van slechts 23 minuten heeft, zoals de digitale documenteigenschappen doen vermoeden, wordt daarmee geloofwaardig.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onderdeel "laatst opgeslagen door: [verdachte]" uit de bestandseigenschappen van document rapportage [vennootschap 13].doc, niet tot de dwingende conclusie leidt dat het document laatstelijk is opgeslagen door verdachte. De rechtbank volgt daarin de door Fox-IT opgestelde schriftelijke reactie op de vragen van de raadsvrouw van verdachte (pleidooi bijlage I) voor zover geconcludeerd wordt dat de waarde van het auteurveld hoogstens iets zegt over de computer waarmee en het gebruikersaccount waaronder het document is opgesteld. De rechtbank merkt daarbij op dat deze conclusie ook niet weerspreekt dat verdachte wél de auteur van het document is. De rechtbank stelt vast dat document rapportage [vennootschap 13].doc is opgemaakt op een zich in het woonhuis van verdachte en [getuige 7] bevindende computer. Het ligt daarom voor de hand dat de rapportage is opgemaakt door [getuige 7] en/of verdachte. Ook de verdediging geeft aan dat er niet meer potentiële medeplegers of medeverdachten dan deze beiden in dit feitencomplex zijn.33 [getuige 7] verklaart (in algemene zin) dat zij rapporten op haar computer opmaakt.34

Ten aanzien van het gebruik van de overige documenteigenschappen bij haar bewijsvoering overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank beziet de in de documenteigenschappen genoemde gegevens in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen. Zo vindt het gegeven dat de totale bewerkingstijd van document rapportage [vennootschap 13].doc slechts 23 minuten is steun in de omstandigheid dat voor deze rapportage slechts enkele onderdelen zijn gewijzigd van (bron)document Scriptiedefinitief.doc. De verdediging heeft onder verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 oktober 2010, LJN: BO0530 bepleit dat de uit de metadata blijkende creatiedatum niet zonder meer als aanmaakdatum van het betreffende bestand kan gelden. De rechtbank kan zich in die stellingname vinden maar stelt vast dat de opmaakdatum van document [vennootschap 13].doc (18 juli 2005) de rechtbank in het licht van het derdenonderzoek op 8 juli 2005 bij [vennootschap 13] onder meer betrekking hebbende op de factuur van 27 december 2000 afkomstig van Rohide BV en gericht aan [vennootschap 13], niet onwaarschijnlijk voor komt. Dit klemt te meer nu geconstateerd is dat [betrokkene 11] op 8 juli 2005 nog niet in het bezit is van stukken die voornoemde factuur rechtvaardigen. De rechtbank twijfelt daarom niet aan de juistheid van de documenteigenschappen ten aanzien van deze punten.

De verdediging heeft nog aangevoerd dat het feit dat het oorspronkelijke door Rohide BV opgemaakte rapport voor [betrokkene 11] niet meer is aangetroffen bij Rohide BV te maken heeft met een computercrash in de eerste helft van 2005.35 De rechtbank acht dit gezien het hiervoor overwogene onaannemelijk.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat document Scriptiedefnitief.doc op onderdelen is bewerkt en uiteindelijk is geworden tot document [vennootschap 13].doc om ter rechtvaardiging te dienen voor de factuur van 27 december 2000 zodat het onder feit 1 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

Feit 3: facturen van Rohide BV aan [vennootschap 7]

Op verzoek van [medeverdachte 1] en [betrokkene 14] richt [medeverdachte 10] de vennootschap [vennootschap 7] op.36 [medeverdachte 10] is feitelijk leidinggevende binnen [vennootschap 7].37 [vennootschap 7] huurt een kantoorruimte bij het WTC in Amsterdam waar [medeverdachte 10] slechts twee of drie keer per maand komt om de postbus te legen. Ook [getuige 6] (zijn toenmalige echtgenote) komt daar de postbus legen en een beetje schoonmaken. Voor het overige worden geen activiteiten verricht binnen de vennootschap. [medeverdachte 10] beschrijft het bedrijf als een "luchtballon waartegen hij ja gezegd heeft" maar die "zakelijk gezien niets om handen had". Met betrekking tot onroerende zaken worden door de BV geen werkzaamheden verricht. Daar hebben noch [medeverdachte 10] noch [getuige 6] de kennis voor in huis.38 [medeverdachte 10] voert meerdere gesprekken met [medeverdachte 1], [betrokkene 14] en [medeverdachte 3], in wisselende samenstelling maar altijd in aanwezigheid van [betrokkene 14] en veelal in aanwezigheid van [medeverdachte 3].39 De gesprekken vinden plaats ten kantore van [vennootschap 7] te Amsterdam of ten kantore van [vennootschap 11] te Heemstede.40 Tijdens deze gesprekken worden aan [medeverdachte 10] teksten verstrekt die als concept hebben te dienen voor facturen van [vennootschap 7]. Door [medeverdachte 1], [betrokkene 14] of [medeverdachte 3] worden de teksten voorzien van een toelichting41 waarna [medeverdachte 10] de teksten afgeeft aan [getuige 6] die op zijn verzoek de facturen opmaakt.42 Beslissingen binnen [vennootschap 7] worden feitelijk genomen door [medeverdachte 1] en [betrokkene 14]. Op het moment dat een factuur moet worden opgemaakt of een inkoopfactuur in de administratie moet worden opgenomen wordt [medeverdachte 10] daarvan op de hoogte gesteld.43 [medeverdachte 10] typeert [medeverdachte 1], [betrokkene 14] en [medeverdachte 3] als een "drie-eenheid" waarin [medeverdachte 1] het boegbeeld is, [betrokkene 14] de adviseur en [medeverdachte 3] een cijferaar.44 [medeverdachte 10] spreekt met [medeverdachte 1] en [betrokkene 14] af dat [vennootschap 7] zakelijke kosten mag declareren en dat hij een provisie krijgt voor de door deze BV te ondernemen activiteiten.45 Met het oog op het binnenhalen van een deel van de ontvangen gelden van [vennootschap 7] kent [medeverdachte 10] aan zichzelf en zijn toenmalige echtgenote [getuige 6] een ruim salaris toe. [medeverdachte 10] laat aan [getuige 6] weten dat er "nu eens echt grof geld verdiend gaat worden".46

Met dagtekening 19 juli 1999 stuurt Rohide BV een brief aan [vennootschap 7] waarin wordt vermeld dat de samenwerking heeft geresulteerd in een passende locatie voor de cliënt van [medeverdachte 10]. Deze brief is ondertekend door [getuige 7].47 De opmerkingen over "een passende locatie" en "een cliënt" zeggen [medeverdachte 10] niets.48 Als bijlage bij de brief wordt gevoegd factuur 00/8001, een factuur gericht aan [vennootschap 7] afkomstig van Rohide BV met dagtekening van 17 juli 2000, waarbij in verband met locatieonderzoek en finders fee fl. 500.000 (exclusief BTW) wordt gefactureerd.49 Op 17 augustus 2000 wordt deze factuur (inclusief BTW) voldaan.50 De factuur wordt door [medeverdachte 1] of [betrokkene 14] aan [medeverdachte 10] ter hand gesteld. [medeverdachte 10] heeft geen idee wat met locatie onderzoek en finders fee bedoeld wordt. Hij heeft nooit opdracht gegeven om de op de factuur omschreven werkzaamheden te verrichten. Desondanks neemt [medeverdachte 10] de factuur op in de administratie van [vennootschap 7] en betaalt hij het factuurbedrag op 17 augustus 2000 aan Rohide BV.51 Met dagtekening 27 december 2000 wordt vervolgens namens Rohide BV een viertal facturen (factuurnummers 00/8002, 00/8004, 00/8005 en 00/8006) gestuurd naar [vennootschap 7] in verband met de regioanalyse en de conceptuitwerking inzake respectievelijk regio Utrecht, Den Haag, Amsterdam/Hoofddorp en Rotterdam. Gefactureerd wordt vier maal een bedrag van fl. 150.000 (exclusief BTW).52 Ten aanzien van deze facturen geldt hetzelfde als voor de factuur met nummer 00/8001: [medeverdachte 10] weet inhoudelijk niets van de facturen, zo weet hij niet wat bedoeld wordt met een regioanalyse. [medeverdachte 10] heeft geen opdracht gegeven om de in de facturen genoemde werkzaamheden te verrichten. [medeverdachte 10] betaalt deze facturen in één keer op 8 februari 2001 in opdracht van [medeverdachte 1] en [betrokkene 14] die er voor zorgen dat bij [vennootschap 7] voldoende financiële middelen aanwezig zijn om de facturen te kunnen betalen.53 Op 9 februari 2001 zijn de met de facturen corresponderende geldbedragen (inclusief BTW) bijgeboekt op rekening van Rohide BV.54 Opgeteld wordt daarmee door [vennootschap 7] in totaal een geldbedrag van fl. 1.100.000 (exclusief BTW) betaald aan Rohide BV.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het genoemde marketingrapport ter onderbouwing van de factuur gericht aan [vennootschap 13] en afkomstig van Rohide BV, de factuur gericht aan [vennootschap 13] zelf en de brief en facturen afkomstig van Rohide BV en gericht aan [vennootschap 7] valselijk zijn opgemaakt en bedoeld zijn om gelden door te sluizen naar Rohide BV.

(Mede)plegen

Door de verdediging is ten aanzien van de feiten 1 en 3 primair aangevoerd dat verdachte blijkens de tenlastelegging (mede)pleger van deze feiten zou zijn terwijl de in de tenlastelegging genoemde geschriften hun plaats en functie kennen binnen de vennootschap Rohide BV. Zij stelt zich op het standpunt dat het plegen dan wel medeplegen van de opmaakhandelingen door verdachte niet bewezen kan worden. De verklaring van [getuige 7] houdt in dat zij als enige baas is van Rohide BV, aldus de verdediging. Van een bewuste en nauwe samenwerking met [getuige 7] is evenmin bewijsbaar sprake. Bepleit wordt dat vrijspraak moet volgen omdat er geen bewijs is dat verdachte een opmaak- of vervalsinghandeling heeft verricht of heeft laten verrichten en overigens wegens het gebrek aan aantoonbare wetenschap van en voorwaardelijk opzet op die handelingen.

De rechtbank stelt vast dat het niet [getuige 7] is die de drijvende kracht achter Rohide BV is. De rechtbank slaat daarbij acht op de navolgende feiten en omstandigheden.

[getuige 7] is sinds de oprichting in 1998 enig aandeelhouder, bestuurder en directeur van Rohide BV.55 De bedrijfsactiviteiten van Rohide BV omvatten met name het verlenen van consultancydiensten en projectontwikkeling.56 [getuige 7] weet niet hoeveel tijd zij aan werkzaamheden binnen Rohide BV besteedt of hoeveel zij daarvoor betaald krijgt. Rohide heeft geen personeel in dienst.57 Uit het dossier blijkt dat Rohide BV werkzaamheden heeft gefactureerd en betaald gekregen van [vennootschap 32], [medeverdachte 13], Tanco Trend BV, [vennootschap 7] en [vennootschap 13]. Welke werkzaamheden Rohide BV voor [vennootschap 32], [medeverdachte 13], Tanco Trend BV, [vennootschap 7] en [vennootschap 13] heeft verricht, in welke periode de gestelde werkzaamheden hebben plaatsgevonden en met welke personen binnen die vennootschappen contact werd onderhouden weet [getuige 7] niet. Zij weet niet wat het voor bedrijven zijn en wie de bestuurders / aandeelhouders zijn.58 De affiniteit van [getuige 7] met de bouwsector beperkt zich tot haar interesse in het verbouwen van huizen en het verhuren van appartementen. Affiniteit met voornoemde vennootschappen heeft [getuige 7], anders dan dat zij omzet leveren aan Rohide BV, niet. Wel weet [getuige 7] nog dat de contacten met de vennootschappen tot stand zijn gekomen via verdachte. Ook aan wie de correspondentie afkomstig van voornoemde vennootschappen was gericht weet [getuige 7] niet.59 [getuige 7] weet niet welke berekeningen ten grondslag liggen aan de facturen gericht aan voornoemde vennootschappen.60 Ook wanneer [getuige 7] wordt gevraagd naar specifieke facturen moet zij het antwoord veelal schuldig blijven. Zo kan zij geen toelichting geven bij de facturen afkomstig van Rohide BV en gericht aan [vennootschap 7] en [vennootschap 13] (factuurnummers 00/8001 tot en met 00/8006).61

Uit het dossier blijkt dat een groot aantal zakenpartners van Rohide BV wijst naar verdachte als persoon achter Rohide BV en niet naar [getuige 7]. Zo is het verdachte geweest die de factuur van 27 december 2000 van Rohide BV aan [vennootschap 13] heeft gezonden. [betrokkene 11] verkeert in de veronderstelling dat Rohide BV een vennootschap van verdachte is die hij kent vanuit de omgeving [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [betrokkene 14], een "netwerk van mensen".62 [betrokkene 11] kent "de heer" [getuige 7] niet, hij associeert Rohide BV uitsluitend met verdachte.63 Via Rooswijck Beheer BV (een vennootschap gelieerd aan [medeverdachte 1], rechtbank) komt [vennootschap 32] bij Rohide BV terecht. De eerste contacten tussen Rohide BV en [vennootschap 32] komen tot stand doordat [eigenaar vennootschap 32] facturen ontvangt van Rohide BV. [getuige 24] krijgt van iemand bij Rooswijck BV te horen dat er facturen van Rohide BV aan komen die betaald moeten worden waarna de facturen door hem worden betaald. Van Rohide BV weet [getuige 24] niet veel, alleen dat verdachte "iets" met Rohide BV te maken heeft.64 [getuige 24] kent [getuige 7] niet.65 Hij ziet haar naam slechts op de facturen staan.66 Ook [getuige 25] kreeg opdrachten van Rohide BV in de persoon van verdachte en het was verdachte die namens Rohide BV contact met [getuige 25] onderhield. [getuige 25] kent [getuige 7] alleen als de vrouw van verdachte.67 Opvallend is dat de belastingadviseur van Rohide BV behalve met [getuige 7] ook wel eens contact met verdachte had over Rohide BV.68 Zo bevat het dossier een faxbrief van [getuige 26] bestemd voor Rohide BV ter attentie van verdachte met daarin onder meer het verzoek om de aangifte loonbelasting namens Rohide BV in te dienen69 en een handgeschreven (fax)brief van verdachte aan [getuige 26] waarin verdachte aankondigt dat de bankafschriften van Rohide BV terecht zijn en hij deze zal langsbrengen.70

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [getuige 7] en hij samen naar [getuige 26] gingen om privébelastingaangiften en belastingaangiften voor hun respectievelijke vennootschappen te doen.71 Hij heeft daarbij ook wel iets vernomen over hoe de zaken van Rohide BV gingen.

Verdachte zegt inhoudelijk evenwel niet op de hoogte te zijn geweest van de werkzaamheden van [getuige 7]. Hij heeft wel met haar afgesproken dat zij hem tevoren de naam van een opdrachtgever noemt als deze iets met vastgoed te maken heeft zodat verdachte kan kijken of hij vanuit Bouwfonds daarmee te maken heeft.72

De verklaring van verdachte dat hij inhoudelijk niets weet van de werkzaamheden van de BV van zijn echtgenote acht de rechtbank in het licht van de hierboven weergegeven verklaringen en omstandigheden ongeloofwaardig.

Gezien al het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien kan het niet anders zijn dan dat verdachte ter uitvoering van het plan om de met [medeverdachte 1] besproken bonus uitbetaald te krijgen door via Rohide BV valse facturen te versturen aan [vennootschap 7] en aan [vennootschap 13] en door de factuur aan [vennootschap 13] te onderbouwen met een valselijk opgemaakt rapport, nauw en volledig met [getuige 7] heeft samengewerkt. Daarvoor hoeft niet, zoals door de verdediging is gesteld, uit de gebezigde bewijsmiddelen te volgen of en zo ja welke feitelijke handelingen verdachte zelf dan wel zijn mededader heeft verricht (Hoge Raad, NJ 2004, 443). De rechtbank acht het onder 1 en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2 subsidiair

Met betrekking tot het aan verdachte onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit is door de verdediging gesteld dat vrijspraak van dit feit dient te volgen nu niet voldaan is aan het zogeheten strekkingsvereiste uit artikel 69, tweede lid, AWR.

Met het openbaar ministerie is de rechtbank van mening dat, gelet op het hiervoor bewezen verklaarde, de gelden die Rohide BV van [vennootschap 7] en [vennootschap 13] heeft ontvangen niet werden betaald omdat Rohide BV daarvoor werkzaamheden had verricht maar dat het gelden waren die verdachte via Rohide BV ontving als bonus voortkomend uit zijn dienstbetrekking bij Bouwfonds uit de door [medeverdachte 1] bij die vennootschappen gecreëerde potjes. Deze gelden hadden door verdachte als inkomen uit arbeid opgegeven en belast dienen te worden en hadden niet mogen worden aangegeven en belast in de vennootschapsbelasting van Rohide BV. Daardoor is te weinig belasting geheven.

Dat er bij verdachte geen fiscale claim in de inkomstenbelastingsfeer is neergelegd en er zelfs geen fiscaal dossier met betrekking tot verdachte bestaat, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet hiervoor niet terzake.

De verdediging voert voorts aan dat het beschikbaar (doen) stellen van het marketingrapport73 aan de Belastingdienst door Rohide BV zich weliswaar afspeelt "binnen de sfeer van de rechtspersoon" Rohide BV maar dat niet bewezen kan worden dat verdachte daarbij directe betrokkenheid heeft gehad zodat zijn handelen Rohide BV niet kan worden toegerekend.

Hetgeen de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 en 3 primair ten laste gelegde met betrekking tot het vraagstuk van medeplegen van deze feiten door verdachte heeft overwogen, geldt hier evenzo, zodat de rechtbank volstaat met de verwijzing

naar het daar besprokene. Nu het handelen van verdachte en zijn medeverdachte valt binnen de sfeer van de rechtspersoon Rohide BV kan het bestanddeel "tezamen en in vereniging leidinggeven aan de verboden gedraging" eveneens bewezen worden,

De verdediging heeft hier voorts nog betoogd dat [getuige 26] bij de rechter-commissaris heeft verklaard74 dat zij bij het opmaken van de jaarstukken alle stukken waaronder een rapport heeft ontvangen, waaruit geconcludeerd kan worden dat er wel degelijk een rapport bestaat dat dient ter onderbouwing van de aan [vennootschap 13] door Rohide BV gestuurde factuur.

Bij haar verhoor als getuige door de rechter-commissaris is aan [getuige 26] een handgeschreven notitie afkomstig van "[voornaam]"75 voorgehouden. Zij verklaart daarover dat zij na aankondiging van het derdenonderzoek bij Rohide BV een nadere aanvulling van de verkoopfacturen heeft gevraagd. Zij heeft daarop deze notitie gekregen waarbij een dik rapport was gevoegd. Op vragen van het openbaar ministerie verklaart zij dat zij niet meer weet wat voor rapport dat was. Zij geeft aan deze stukken ook al eerder te hebben gekregen voor het opmaken van de jaarstukken.

De rechtbank merkt dienaangaande op dat de handgeschreven en ongedateerde notitie D-2223, afkomstig van "[voornaam]", waarbij ter onderbouwing volgens [getuige 26] een dik rapport was gevoegd, betrekking heeft op de facturen 00/8001, 00/8002, 00/8003, 00/8004 en 00/8005. In de omschrijving bij de facturen 00/8002 en 00/8004 (gericht aan [vennootschap 7], rb) wordt ter onderbouwing respectievelijk verwezen naar onder meer marktbewerkingsrapport deel 1 en marktbewerkingsrapport deel 2. Voor de factuur 00/8003 (gericht aan [vennootschap 13], rb) wordt ter onderbouwing onder meer verwezen naar marktbewerkingsrapport. Anders dan de verdediging kan de rechtbank uit deze notitie niet opmaken dat het aan [getuige 26] bij deze notitie toegezonden rapport betrekking moet hebben op de factuur gericht aan [betrokkene 11] (00/8003).

De rechtbank acht het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 4 en 5

Door de verdediging is ten aanzien van de feiten 4 en 5 betoogd dat verdachte niet wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het door Rohide BV ontvangen geld van misdrijf afkomstig was. Er is geen bewijs dat verdachte de valse facturen heeft opgemaakt, verstuurd, met de wederpartijen heeft afgesproken of administratief bij Rohide BV heeft verwerkt. Voorts is er geen geldstroom van Rohide BV naar verdachte aangetoond. Er is geen bewijs voor het "verhullen of verbergen" en al helemaal niet voor het feit dat, zoals het openbaar ministerie stelt, verdachte op de hoogte moet zijn geweest van het ophogen van de turnkeyovereenkomst in het project Solaris. De verdediging verwijst ter onderbouwing voor haar standpunt met betrekking tot de wetenschap van verdachte aangaande de turnkeyovereenkomst naar de verklaringen van [getuige 27]76,[medeverdachte 1]77, [betrokkene 13]78, [betrokkene 12]79, [medeverdachte 10]80 en [medeverdachte 3]81.Verdachte tekende in zijn functie van directeur weliswaar de laatste termijnnota's af maar hij deed dat in het kader van lopende verplichtingen die waren aangegaan door de vorige directie. Verdachte betwist de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij bonussen uit "potjes" zou hebben ontvangen en daarover met [medeverdachte 1] afspraken zou hebben gemaakt. [medeverdachte 1] wist ook geen details over deze beweerdelijk gemaakte afspraken te vertellen.82

Het openbaar ministerie wijst erop dat verdachte door louter te ontkennen het tegen verdachte volgens het openbaar ministerie bestaande bewijs, niet kan ontkrachten.

De rechtbank overweegt in aanvulling op het hiervoor onder 1, 2 subsidiair en 3 primair door haar vastgestelde nog het volgende.

Het onder feit 4 ten laste gelegde ziet op het witwassen van fl. 150.000 (excl. btw) welk bedrag door [vennootschap 13] is betaald op een factuur83 afkomstig van Rohide BV en beweerdelijk onderbouwd door een marketingrapport84.

Door voor te wenden dat het aan Rohide BV door [vennootschap 13] betaalde bedrag van fl. 150.000 is verkregen door het opmaken van een marketingrapport terwijl verdachte wist dat in werkelijkheid geen rapport aan [vennootschap 13] ter beschikking is gesteld maar uitsluitend - ter rechtvaardiging van de factuur - een afstudeerscriptie is bewerkt en in de administratie van Rohide BV is opgenomen heeft hij tezamen en in vereniging met [getuige 7] in de periode van 14 december 2001 (de datum waarop de witwasbepaling in werking trad) tot en met 26 oktober 2005 (de datum van het derdenonderzoek bij Rohide BV) verhuld dat de betaling in werkelijkheid ziet op een door [medeverdachte 1] aan hem toegekende (extra) bonus die door [vennootschap 13] is betaald met wederrechtelijk aan Bouwfonds onttrokken geld.

Het onder feit 5 ten laste gelegde ziet op de vermeende heling in de opzettelijke en schuldvariant van een geldbedrag van in totaal fl. 1.250.000 (exclusief btw) welke bedragen door [vennootschap 7] en [vennootschap 13] zijn betaald op facturen85 afkomstig van Rohide BV.

Verdachte heeft tezamen en in vereniging met [getuige 7] middels het sturen van valse facturen van Rohide BV aan [vennootschap 13] en [vennootschap 7] een totaalbedrag van fl. 1.250.000 gefactureerd en op 17 augustus 2000, 6 januari 2001 en 8 februari 2001 via Rohide BV uitbetaald gekregen terwijl hij wist dat deze gelden zijn bedoeld als een door [medeverdachte 1] toegekende extra beloning die door [vennootschap 13] en [vennootschap 7] wordt betaald met wederrechtelijk aan Bouwfonds ontrokken gelden.

Het door de verdediging ten aanzien van het beweerdelijk ophogen van de turnkeyovereenkomst gevoerde verweer laat de rechtbank onbesproken, nu dit feit niet aan verdachte is ten laste gelegd. De overige ook hier door de raadsman opgeworpen bewijsverweren zijn door de rechtbank hierboven reeds besproken, zodat daarnaar wordt verwezen.

De rechtbank acht de onder 4 primair en 5 primair ten laste gelegde feiten op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen.

Feit 6 Criminele organisatie (Solaris, Hollandse Meester en Coolsingel)

Algemeen

Wil sprake kunnen zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 Sr, dan moet daarin een gestructureerd samenwerkingsverband aanwijsbaar zijn waarin de deelnemers in een zekere duurzaamheid, met enige continuïteit samenwerken. Ofschoon het plegen van misdrijven niet de enige of voornaamste bestaansgrond hoeft te zijn en het ook niet zo is dat een deelnemer bekend moet zijn (geweest) met alle personen die deel uitmaken van de organisatie, dient men - om deelnemer te zijn - wel te behoren tot de organisatie en een aandeel te hebben in de gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie dan wel die gedragingen te ondersteunen. Deelneming aan de organisatie is hier de strafbaar gestelde gedraging. Deze vereist niet het meedoen aan door de organisatie beoogde misdrijven, zelfs opzet op die misdrijven is niet vereist. Wel is voor wetenschap van de deelnemer dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, opzet in onvoorwaardelijke zin vereist.

De vraag die beantwoord moet worden is of uit de verzameling van gegevens die als de resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het strafdossier alsmede uit de informatie die het onderzoek ter terechtzitting heeft opgeleverd, in voldoende mate onderbouwd kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een samenwerkingverband van dermate aard en duur, dat voldaan wordt aan de hierboven voor het bestaan van een criminele organisatie gestelde voorwaarden.

Het openbaar ministerie heeft zich in dit verband uitdrukkelijk op het standpunt gesteld, dat de organisatie hier heeft gegolden als een noodzakelijke voorwaarde: zonder een gestructureerd samenwerkingsverband had het overgrote deel van de afzonderlijk ten laste gelegde strafbare feiten, voor de voltooiing waarvan vele handlangers nodig waren, niet eens gepleegd kunnen worden.86 Dat betekent tevens dat de aan verdachten in de zaken die voortvloeien uit het zogenaamde Klimop-onderzoek ten laste gelegde deelneming aan een of - in een aantal gevallen, zoals ook in dat van verdachte - twee criminele organisaties, bepaald niet moet worden gezien als een nodeloze toevoeging aan de tevens geformuleerde verdenkingen van betrokkenheid bij het plegen van specifieke delicten. De fraudes konden in zijn opvatting alleen worden gepleegd bij de gratie van het bestaan en de instandhouding van een crimineel samenwerkingsverband. Om die reden is aan alle in aanmerking komende verdachten deelneming aan één of twee criminele organisaties ten laste gelegd, één die de plundering van Bouwfonds op het oog had en één die zich bezighield met de oplichting van Philips Pensioenfonds en de omkoping van zijn directeuren. De twee onderscheiden criminele organisaties - zo stelt het openbaar ministerie - maken juist het hart uit van het fraudecomplex, van de verdenkingen en van de verwijtbaarheid.

Het noodzakelijke samenwerkingsverband kreeg een gestructureerd karakter door investeringen in juist die samenwerking waardoor een eigen normen- en waardenkader ontstond. De toegezegde - vaak op termijn te incasseren - beloning voor geleverde prestaties bond de deelnemers aan de organisatie en zorgde voor een eigen dynamiek, omdat uittreding zeer nadelig zou uitpakken. Naar de opvatting van het openbaar ministerie raken de zojuist genoemde karakteristieken - de noodzaak van een gestructureerd samenwerkingsverband voor het verwezenlijken van de fraude en de eigen dynamiek van dat verband - het wezen van het fraudeproces dat de afronding vormt van het Klimop-onderzoek.

De samenwerking onder de deelnemers van de organisatie werd ingegeven door de bij hen bestaande wetenschap dat het geheel (de organisatie) groter, sterker en corrumperender is dan de som der delen, zo stelt het openbaar ministerie, daarmee rakend aan de problematiek van het zogenaamde "dubbelop-karakter" van artikel 140 Sr, waarmee wordt bedoeld dat het gevaar bestaat dat een vervolging ter zake van hetgeen is strafbaar gesteld in artikel 140 Sr niet meer zou zijn dan "een som der delen".

Het zogenaamde "dubbelop-karakter" onderkent de rechtbank als een aspect dat aandacht verdient, maar dan toch hoofdzakelijk bij de vraag van de straftoemeting. Het bepaalde in artikel 140 Sr betreft immers de verwoording van een zelfstandig strafbaar feit. Van het begaan van dat strafbare feit kan reeds sprake zijn als (nog) geen (andere) strafbare feiten zijn gepleegd, maar wel het oogmerk daartoe bestaat alsmede collectieve deelneming in de zin van het bepaalde in artikel 140 Sr. Waar sprake is van samenloop met andere strafbare feiten, lossen problemen van overdreven samentelling van straffen zich op in de matigende werking van de zogenaamde samenloopregeling.

Door het nalopen van een aantal karakteristieken die kenmerkend kunnen worden geacht voor een criminele organisatie en toetsing van onderzoeksgegevens aan die karakteristieken vindt het openbaar ministerie een verankering voor zijn opvatting dat er sprake is van een criminele organisatie. Zo wordt de samenhang in het handelen van de deelnemers onderkend in de frequente coördinatie en afstemming tussen leden van de organisatie en de in de onderzoeksresultaten zichtbare gevolgen daarvan in de vorm van uitvoeringshandelingen of andere vormen van betrokkenheid.87 Een plan- en projectmatige aanpak, zoals die zichtbaar wordt in de lange duur van een traject voordat het tot uitbetaling komt, is alleen mogelijk in het kader van een samenwerkingsverband waar in innige samenwerking en loyaliteit wordt geopereerd, een vorm van samenwerking die ook blijkt uit de samenhang in financiële belangen van de deelnemers nu bij een reeks verdachten potjes met crimineel geld werden gecreëerd, aldus het openbaar ministerie dat daaraan toevoegt, dat de verlangde continuïteit van de organisaties door de leiding daarvan werd gezocht en gevonden in het betrekken van ondernemingen en personen bij het doorsluizen en verdelen van geld op grond van valse stukken, een en ander tegen een riante beloning.88 Door een strikte verdeling van taken, waarbij een aantal deelnemers zich met name bezig hield met het doorsluizen van geld dat als resultaat van door anderen gepleegde frauduleuze handelingen werd ontvangen, bleven de vennootschappen met een directe link naar de belangrijkste deelnemers in de luwte. De kenmerkende geslotenheid van de hier besproken samenwerkingsverbanden ziet het openbaar ministerie bevestigd in de wijze waarop [medeverdachte 1] en zijn medewerkers zich binnen Bouwfonds afschermden van de rest van Bouwfonds. De diverse activiteiten van de organisatie werden verhuld en verborgen; zo werden geldstromen verhuld met valse facturen, werd de werkelijke aard van kosten verhuld door middel van valse Kosten Baten Analyses, valse facturen en valse bouwclaims en hielden de feitelijk rechthebbenden zich verborgen achter vennootschapsconstructies of deponeerden het geld op de derdenrekening van een notaris of betaalden aan derden die het geld vervolgens weer moesten doorsluizen.

Samenwerking in een als criminele organisatie te kwalificeren verband

Voor het antwoord op de vraag of sprake is geweest van samenwerking in een als criminele organisatie te kwalificeren verband hecht de rechtbank veel betekenis aan hetgeen de beweerdelijke leider van die organisatie ter terechtzitting als getuige in de zaak tegen verdachte heeft verklaard. Deze verklaring is deels reeds aangehaald onder het kopje "de methodiek van potjes, moeilijke betalingen en bonussen". In aanvulling daarop heeft [medeverdachte 1] verklaard dat moeilijke betalingen onder meer via vennootschappen van [medeverdachte 10] en [betrokkene 11] lopen alwaar potjes zijn gecreëerd die zijn gevoed met geld afkomstig van Bouwfondsprojecten en meer specifiek ten aanzien van [betrokkene 11] met geld uit project Solaris.89 [vennootschap 7] en [vennootschap 13] zijn voorbeelden van entiteiten die werken als platform voor het doorbetalen van gelden, aldus [medeverdachte 1].90

Uit de bespreking van de naast deelneming aan de criminele organisaties ten laste gelegde feiten volgt dat verdachte via Rohide BV aanzienlijke geldbedragen heeft verkregen van aan [medeverdachte 10] en [betrokkene 11] toebehorende vennootschappen, ogenschijnlijk zonder dat daar reële werkzaamheden of prestaties aan ten grondslag lagen. Hierboven is reeds overwogen dat [medeverdachte 1] bonussen toekende aan bepaalde medewerkers. Deze bonus kon door een medewerker worden gedeclareerd door het sturen van een factuur naar de vennootschap waar een potje voor moeilijke betalingen was aangelegd. [medeverdachte 1] voerde daartoe een persoonlijk gesprek met de medewerker over de bonus en legde contact met de beheerder van een potje voor moeilijke betalingen waarbij deze te horen kreeg dat een bepaald bedrag in rekening gebracht zal worden en dat daarover afspraken gemaakt kunnen worden. Voor het overige bemoeide [medeverdachte 1] zich niet met de wijze waarop de bonus werd geïnd bij de beheerder van een potje voor moeilijke betalingen. [medeverdachte 1] bepaalde de grote lijnen en de betrokken medewerker kon zelf bepalen op welke wijze de bonus werd gedeclareerd. Het toekennen van extra bonussen werd niet besproken met de Raad van Bestuur van Bouwfonds. Geheimhouding is de bedoeling en dat weet iedereen die een bonus krijgt.91 In het algemeen was bekend dat de potjes voor moeilijke betalingen met Bouwfondsgeld gevoed werden, men ging er niet vanuit dat een partij als [vennootschap 7] uit eigen zak bonussen betaalde.92 Ook verdachte kreeg door [medeverdachte 1] een bonus toegekend die hij declareerde middels facturen. Daaraan voorafgaand bespraken zij de hoogte van de bonus en bij welke bedrijven gedeclareerd mocht worden. De vraag of de bonus is verzilverd via aan [medeverdachte 10] en [betrokkene 11] toebehorende vennootschappen beantwoordt [medeverdachte 1] bevestigend.93

Die verklaring in samenhang met resultaten uit het opsporingsonderzoek, die voor het grootste deel reeds aan de orde zijn geweest bij de bespreking van de afzonderlijk ten laste gelegde feiten, laten geen misverstand bestaan over de georganiseerde wijze waarop de activiteiten die de werkelijke gang van zaken moesten verhullen werden verricht door personen, die - gelet op hun positie - daartoe het meest geëigend waren.

Een dergelijke gang van zaken, voor de verwezenlijking waarvan de medewerking van meerdere personen op diverse cruciale posities noodzakelijk is, is slechts voorstelbaar bij een georganiseerd verband waarin de deelnemers zich bewust zijn van hun rol of taak in het geheel en aan het vertrouwen in de gezamenlijke onderneming de zekerheid ontlenen dat zij (uiteindelijk) aan hun trekken zullen komen. De talrijke afspraken die in kaart zijn gebracht aan de hand van de agenda's van betrokken personen94 vormen een bevestiging van het geloof in zo'n onderneming. De bewijsmiddelen die zijn gebruikt bij de beschrijving van de redengevende feiten en omstandigheden voor bewezenverklaring van naast de criminele organisaties ten laste gelegde feiten, doen tevens dienst als bewijs voor dat zojuist bedoelde bewustzijn. Zoals van de zijde van het openbaar ministerie aangegeven, kan onderscheid gemaakt worden op het punt van de bij de diverse misdrijven betrokken verdachten, de projecten waarbinnen de verweten strafbare gedragingen plaatsvonden en daarmee ook van de periode waarbinnen werd geopereerd

Deelneming van verdachte aan de organisatie [medeverdachte 1] c.s.

Zoals hierboven al is opgemerkt is deelneming aan een organisatie hier de strafbaar gestelde gedraging. Daarvoor is niet nodig dat wordt deelgenomen aan de misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht en evenmin dat een deelnemer bekend moet zijn (geweest) met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Wel is vereist dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Dit uitgangspunt brengt ook met zich mee dat bewezenverklaring van de naast deelneming aan een criminele organisatie ten laste gelegde feiten betekent dat sprake is geweest van een zekere mate van samenwerking, maar nog niet dat van een overkoepelend en gestructureerd samenwerkingsverband kan worden gesproken.

De verdediging van verdachte spreekt er haar verbazing over uit, dat haar cliënt in door het openbaar ministerie onderscheiden criminele organisaties wordt ondergebracht als deelnemer, terwijl hij in de eerste tien pagina's van het onderdeel dat door het openbaar ministerie in zijn requisitoir is gewijd aan de criminele organisatie helemaal niet wordt genoemd .Van de 55.000 opgenomen telefoongesprekken is er niet één als belastend gepresenteerd in het dossier, aan zogenaamde OVC-gesprekken heeft verdachte niet deelgenomen, zo wordt daaraan nog toegevoegd. Vanaf 1 januari 2003 stond hij bovendien als lid van de directie van Bouwfonds Property Development op te grote afstand van Commercieel Vastgoed (voorheen Bouwfonds Vastgoedontwikkeling) om projecten als Eurocenter en Symphony te toetsen, terwijl hij vóór genoemde datum bij BVO zat, maar wel in een situatie waarin afstand bestond tot extern gedelegeerde projecten, zoals Hollandse Meester, Coolsingel en Solaris waarvoor [vennootschap 8] de gedelegeerd projectontwikkelaar was. Verdachte was slechts voor de aansturing van de interne projectontwikkelaars verantwoordelijk.

Na deze feitelijke vaststellingen stellen de raadslieden van verdachte als centrale vraag aan de orde of hun cliënt de mate van wetenschap had die een vereiste vormt om te kunnen komen tot bewezenverklaring van een op het bepaalde in artikel 140 Sr toegesneden tenlastelegging. De raadslieden beantwoorden deze vraag met: Nee, daartoe wijzend op de afstand tussen de hoogste bestuurslaag en de werkvloer. Aan de namen en bedragen die voorkomen op een handgeschreven notitie die [betrokkene 13] en [betrokkene 12] aantroffen tussen van [medeverdachte 3] ontvangen stukken en op welke notitie onder meer de naam [voornaam] voorkomt met daarachter een viertal bedragen van in totaal € 785.000, kan naar het oordeel van de verdediging geen betekenis worden toegekend, ook niet in het licht van de betalingen die [medeverdachte 1] in 2006 en 2007 uit zijn bedrijf Landquest deed aan de vennootschap van verdachte, nu [betrokkene 13] en [betrokkene 12] de bedragen niet kunnen duiden en ook [medeverdachte 1] en verdachte de aantekeningen niet kennen. [medeverdachte 1], hierover gehoord als getuige, heeft verklaard dat laatstbedoelde betalingen te maken hebben met prestaties voor werkzaamheden, maar voor een deel ook een betaling betreffen voor verdachte als persoon en dat hij - [medeverdachte 1] - aanneemt dat verdachte ook wist dat de facturen niet per se de lading van de betalingen dekten.95 De betalingen - zo verklaart hij ook nog - kwamen niet uit "potjes" en niet ten laste van Bouwfonds.96

Ten aanzien van de criminele organisatie met betrekking tot de zogenaamde Bouwfondsprojecten wordt voorts van de zijde van de verdediging het standpunt ingenomen, dat [medeverdachte 1], waar hij als getuige verklaart over "zijn medewerkers" en over "bonussen" uit "potjes", het kennelijk niet over verdachte heeft gehad. De rechtbank ziet niet waarop deze conclusie, die overigens in strijd is met diverse onderzoeksbevindingen aangaande de ten laste gelegde feiten die verband houden met de zogenaamde Bouwfondsprojecten, is gestoeld. [medeverdachte 1] verklaart immers, dat hij collega's de ruimte gaf een extra bonus te declareren door bijvoorbeeld een factuur te sturen naar een van die potjes en dat hij daartoe de grote lijnen regelde maar dat de betrokken persoon zelf kon bepalen hoe de declaratie zou lopen.97 Op de vraag aan [medeverdachte 1] of hij bonussen aan verdachte uitbetaalde middels facturen en of hij dan ook met verdachte besprak welk bedrag hij mocht factureren, heeft hij bevestigend geantwoord. Ook de vraag of hij tevens besprak bij welke bedrijven gefactureerd kon worden beantwoordde hij met: Ja. Desgevraagd gaf hij tevens aan, dat, als er facturen van verdachte naar [medeverdachte 10] en [betrokkene 11] zijn gegaan, dat zo besproken is.98

Gelet op het voorgaande alsmede op hetgeen is overwogen ten aanzien van de andere dan de deelneming aan een criminele organisatie ten laste gelegde feiten stelt de rechtbank vast dat verdachte bovenop de reguliere bonussen van Bouwfonds extra bonussen van [medeverdachte 1] heeft verkregen. Zonder daarbij een standpunt in te nemen over de vraag of deze bonussen zijn betaald in verband met verdachtes rol in de vermeende criminele organisatie, zoals door de officier van justitie wordt betoogd99, of dat de bonussen zijn betaald ter motivering van een goed presterende en toegewijde medewerker, zoals door [medeverdachte 1] wordt beweerd, stelt de rechtbank vast dat verdachte wist dat hij door het incasseren van deze bonussen Bouwfonds, ook in strafrechtelijk verwijtbare zin, heeft benadeeld. Verdachte stuurt immers ter verzilvering van de bonussen valse facturen naar vennootschappen van [medeverdachte 10] en [betrokkene 11] terwijl hij weet dat daar door [medeverdachte 1] potjes zijn gecreëerd die zijn gevuld met wederrechtelijk van Bouwfonds verkregen geld. Teneinde de werkelijke aard van het op deze wijze verkregen geld te verhullen maakt verdachte gebruik van de aan zijn echtgenote gelieerde vennootschap Rohide BV. Verdachte heeft zich op zijn verschoningsrecht beroepen omdat zijn echtgenote directeur van deze vennootschap is. De rechtbank stelt vast dat verdachte daardoor niet de gelegenheid heeft aangegrepen om te pogen het door [medeverdachte 1] gepresenteerde feitenrelaas te weerleggen. De kennis en handelwijze van verdachte impliceert dat hij wetenschap heeft gehad van het bestaan van een organisatie waarin in ieder geval ook [medeverdachte 10] en [medeverdachte 1] een rol speelden en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van de verdediging dat de wetenschap van verdachte niet uit de bewijsmiddelen valt af te leiden.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 primair, 4 primair, 5 primair en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1.

(PROJECT SOLARIS)

Hij op 18 juli 2005 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een (marketing)rapport (D-1886),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

in dat (marketing)rapport vermeld dat het is vervaardigd door [getuige 7] in opdracht van [vennootschap 13], terwijl in werkelijkheid dat (marketing)rapport een omgebouwde/bewerkte (afstudeer)scriptie uit 1997 van hem, verdachte, is (D-1907),

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

2.

SUBSIDIAIR

Rohide BV op 24 oktober 2005 en 26 oktober 2005 te Buitenkaag als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld,

immers is door die rechtspersoon Rohide BV een (marketing)rapport (D-1886) aan de Belastingdienst overgelegd en/of ter beschikking gesteld, welke ter onderbouwing diende voor een factuur van fl. 150.000 (exclusief BTW) van Rohide BV gericht aan [vennootschap 13] voor verrichtte werkzaamheden en diensten (D-1949), terwijl in werkelijkheid dat (marketing)rapport een omgebouwde/bewerkte afstudeerscriptie van [verdachte] uit 1997 is en terwijl er geen werkzaamheden of diensten ten grondslag lagen aan die factuur, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke vorenomschreven verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven.

3.

PRIMAIR

(PROJECT SOLARIS)

Hij in de periode van 17 juli 2000 tot en met 27 december 2000 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander ,

vijf facturen van Rohide BV gericht aan [vennootschap 7] ten bedrage van in totaal fl. 1.100.000 (exclusief BTW) (D-1947, D-1948, D-1951, D-1952 en D-1953)

en

een brief van Rohide BV gericht aan [vennootschap 7] (D-1963)

en

een factuur van Rohide BV gericht aan [vennootschap 13] ten bedrage van in totaal fl. 150.000 (exclusief BTW) (D-1949),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

op die facturen vermeld dat door of namens Rohide BV werkzaamheden en diensten zijn verricht ten behoeve van [vennootschap 7] en [vennootschap 13], terwijl in werkelijkheid die werkzaamheden en diensten niet door of namens Rohide BV zijn verricht ten behoeve van [vennootschap 7] en [vennootschap 13]

en

op die facturen factuurbedragen vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op de in die facturen vermelde werkzaamheden en diensten

en

in die brief opgenomen dat Rohide BV samen heeft gewerkt met [vennootschap 7] voor het vinden van een passende locatie, terwijl in werkelijkheid geen sprake is geweest van een samenwerking tussen Rohide BV en [vennootschap 7],

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

4.

PRIMAIR

(PROJECT SOLARIS)

Hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 26 oktober 2005, te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een voorwerp, te weten een geldbedrag van € 68.067 (fl. 150.000) (exclusief BTW),

voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven,

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader wisten,dat dat voorwerp/geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.

5.

PRIMAIR

(PROJECT SOLARIS)

Hij in of omstreeks de periode van 17 augustus 2000 tot en met 8 februari 2001 te Buitenkaag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander een of meer geldbedragen tot een totaal bedrag van € 567.225,25 (fl. 1.250.000) (exclusief BTW), heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die geldbedragen wisten dat het door misdrijf verkregen geldbedragen betroffen.

6.

(PROJECTEN HOLLANDSE MEESTER & SOLARIS & COOLSINGEL)

Hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 13 november 2007 te Capelle aan den IJssel en/of Hoevelaken en/of Den Haag en/of Bergschenhoek en/of Bilthoven en/of Amsterdam en/of Amstelveen en/of Heemstede en/of Bemmel en/of Buitenkaag, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en/of rechtspersonen, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 14] en/of [betrokkene 12] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 7] en/of [medeverdachte 10] en/of [betrokkene 11] en/of Bloemenoord Groep BV en/of Ildewild Consultants BV en/of [vennootschap 8] en/of Capelse Maasoever BV en/of [medeverdachte 13] en/of [vennootschap 5] en/of vennootschap 17] (van 14 april 1999 tot 26 februari 2009 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 7]) en/of [vennootschap 13]en/of Rohide BV en/of een of meer andere (rechts)person(en), welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, namelijk onder meer:

-verduistering in dienstbetrekking bij Bouwfonds

-valsheid in geschrift

-witwassen

-opzetheling

bestaande die deelneming onder meer uit:

- het (laten en/of doen) aangaan van valse overeenkomsten en/of

- het (laten en/of doen) opmaken en/of samenstellen van valse of vervalste facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of kostenbatenanalyses (KBA) en/of rapportages en/of

- het (laten en/of doen) opnemen van valse facturen en/of overeenkomsten en/of brieven in bedrijfsadministraties en/of

- het (laten en/of doen) verzenden van valse facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of

- het (laten en/of doen) doorbetalen en/of beheren en/of verdelen en/of ontvangen en/of verhullen van geldbedragen , die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven en/of

- het (laten en/of doen) doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn voor de op te maken valse facturen en/of overeenkomsten en/of brieven en/of

- het (laten en/of doen) doorgeven van gegevens aan overige leden van de organisatie, die relevant zijn om geldbedragen, die verkregen zijn met vorenbedoelde misdrijven, door te (kunnen) sluizen en/of

- het (laten en/of doen) beleggen van vergaderingen/bijeenkomsten met overige leden van de organisatie en/of

- het (laten en/of doen) oprichten van bedrijven, die met geen ander doel zijn opgericht dan voor het (laten en/of doen) plegen van vorenbedoelde misdrijven en/of

- het feitelijk leiding geven aan vorenbedoelde misdrijven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1.

medeplegen van valsheid in geschrift

feit 2 subsidiair.

het opzettelijk begaan van het feit omschreven in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij aan de gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

feit 3 primair.

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

feit 4 primair.

medeplegen van witwassen

feit 5 primair.

medeplegen van opzetheling

feit 6.

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 15 juni 2010 waaruit blijkt dat verdachte in dat register niet eerder als verdachte is geregistreerd.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is niet ongevoelig gebleken voor de verlokkingen van gemakkelijk verdiend geld en heeft daartoe meegewerkt aan de vervaardiging van rapporten en overeenkomsten en daarop gebaseerde facturen waarvan de inhoud in strijd was met de achterliggende werkelijkheid. Ook al heet het, dat hebzucht goed is, als die ten toon wordt gespreid door personen wie het naar objectieve maatstaven aan niets ontbreekt en die voor de bevrediging daarvan hun toevlucht zoeken tot valsheid in geschrift, is er weinig reden voor die instelling begrip op te brengen.

Met als drijfveer op een gemakkelijke wijze veel geld te verdienen heeft verdachte door een vennootschap die op naam staat van zijn echtgenote grote geldbedragen ontvangen zonder dat daar werkzaamheden voor zijn verricht. Teneinde deze gelden te ontvangen en de werkelijke aard daarvan te verhullen heeft verdachte een groot aantal valse facturen gestuurd naar personen en/of vennootschappen die als tussenstation fungeerden van waaruit bonussen werden uitgekeerd aan medewerkers van Bouwfonds. Voorts heeft verdachte een jaren eerder opgestelde scriptie ter onderbouwing van facturen bewerkt teneinde te doen voorkomen dat dit een marketingrapport was. Bovendien heeft verdachte door een vennootschap van zijn vrouw hiervoor te gebruiken verhuld dat het geld voor hem bestemd was. In het schimmenspel waarin via valse overeenkomsten, valse facturen, diverse vennootschappen en verzonnen werkzaamheden enorme bedragen werden onttrokken aan de grote financiële ruimte die zich in ontwikkelingsprojecten meestal bevond tussen de stichtingskosten van het project en het bedrag waarvoor het kon worden verkocht, ontving verdachte honderdduizenden euro's. Verdachte heeft daardoor het vertrouwen van zijn werkgever op ernstige wijze beschaamd. Als ontvanger van deze gelden vervulde verdachte een rol in een samenwerkingsverband dat door de duurzaamheid en gestructureerde vorm daarvan door de rechtbank als een criminele organisatie wordt gekwalificeerd. Door de gekozen vorm heeft verdachte eraan meegewerkt dat geldstromen van een juridisch kader werden voorzien met de bedoeling de werkelijke aard van die geldstromen te verhullen. Dergelijke delicten kunnen nadeel teweeg brengen en leiden tot schending van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer gesteld moet kunnen worden in de juistheid van bepaalde geschriften.

Van de zijde van het openbaar ministerie is in dit verband opgemerkt, dat juist geprivilegieerde mensen, mensen met macht, geld en positie, zich aan de wet moeten houden en dat de bereidheid - ondanks een uitstekende positie en een bevoorrecht leven - normen en waarden aan de laars te lappen, tot strafverzwaring dient te leiden. Bestaande mores in de vastgoedmarkt maken de strafwaardigheid van een en ander niet anders, heeft het openbaar ministerie daaraan toegevoegd, evenmin als de media-aandacht van overwegende invloed mag zijn op de strafmaat, aangezien hoge bomen nu eenmaal veel wind vangen.

Ook zonder dat uitgangspunt te verwerpen wil de rechtbank toch steeds in individuele zaken oog hebben voor alle aspecten die van belang geacht kunnen worden voor de bepaling van de strafsoort en de strafmaat. De media-aandacht die ook in de zaak van verdachte speelt, behoort daar zeker toe. De rechtbank acht aannemelijk dat de media-aandacht en de daarin reeds verwerkte oordelen een zware wissel hebben getrokken op verdachte en zijn privéleven. Zij ziet deze media-aandacht evenwel als een kennelijk onvermijdelijk en bovendien van een eigen dynamiek voorzien fenomeen dat zich bij uitstek in zaken met een zekere impact voordoet. Door de verdediging is in dit verband voorts aangevoerd dat de toon van het requisitoir onnodig denigrerend is geweest, ingegeven door de wetenschap dat het hele land meekijkt, en de publicitaire belangstelling enorm was.

Hoewel van de zijde van de verdediging te dien aanzien niet expliciet verweer is gevoerd, heeft de rechtbank zich ambtshalve gebogen over de vraag of rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat de vervolging in eerste aanleg bijna vier jaar heeft geduurd en of dit een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) inhoudt.

Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Ervan uitgaande dat bedoelde termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte voor het eerst is gehoord door de FIOD-ECD, te weten op 7 april 2008, kan worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis wordt gewezen de vervolging van verdachte bijna vier jaar in beslag heeft genomen. Deze duur acht de rechtbank onwenselijk maar niet onredelijk lang, in aanmerking nemend de omvang van het door de FIOD-ECD verrichte onderzoek dat ook nog na 7 april 2008 heeft plaatsgevonden, de enorme omvang en de complexiteit van het Klimop-dossier, het uitgebreide onderzoek dat mede op verzoek van de verdediging in de zaak van verdachte en in de zaken van medeverdachten in het kabinet van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden alsook de tijd die de behandeling ter terechtzitting van verdachtes zaak ter terechtzitting als gevolg van de gelijktijdige berechting van diverse in dit megaproces terechtstaande verdachten, in beslag heeft genomen. De rechtbank zal aan de hiervoor gedane vaststelling omtrent de lange duur van de vervolging dan ook geen consequenties verbinden die van invloed zijn op de strafmaat.

Voor de rechtbank is aannemelijk geworden, dat verdachte tot een schikking met de benadeelde partij heeft willen komen teneinde deze schadeloos te stellen. Dat dit uiteindelijk niet zover is gekomen is een omstandigheid die de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf niet ten nadele van verdachte zal meewegen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 47, 51, 57, 140, 225, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 68 en 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder feit 7 en 8 ten laste gelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M Verpalen, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. M. Hoendervoogt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. A.P. de Klerk en mr. L. Wessels

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 januari 2012.

1 Proces-verbaal van de terechtzitting van 28 februari 2011.

2 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, , p. 8 (onder)/9 (boven).

3 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, , p. 9 (boven).

4 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 8 (onder)/9 (boven).

5 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 9 (midden).

6 Proces-verbaal van de terechtzitting van 24 juni 2011, p. 12 (boven).

7 Proces-verbaal van de terechtzitting van 24 juni 2011, p. 6 (midden).

8 Proces-verbaal van de terechtzitting van 24 juni 2011, p. 7 (boven/midden).

9 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De genoemde bewijsmiddelen zijn in de voetnoten verkort aangegeven. Door verdachten afgelegde verklaringen zijn aangeduid met de letter "V", door getuigen afgelegde verklaringen met de letter "G", processen-verbaal van ambtshandeling met "AH" en overige schriftelijke bescheiden met de letter "D".

10 V59-01, p. 2.

11 D-2625.

12 D-1423 en D-0172.

13 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 4.

14 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 5 en p. 6 (boven).

15 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 10 (boven).

16 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 5 (midden).

17 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 5.

18 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 13 (midden).

19 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 6 (midden/onder).

20 G002-01, p. 11 en 12 en AH-0593 bijlage 2.

21 V63-01, p. 3 (onder).

22 G002-01, p. 11 en 12.

23 AH-1284, p. 10 (midden).

24 V63-01, p. 3 (onder).

25 D-1899-4.

26 G002-01, p. 13 (boven).

27 AH-0593 bijlage 4 en 5.

28 AH-0593 bijlage 4.

29 AH-0602, p. 2 en 3 en D-1886.

30 D-1886, p. 97.

31 AH-0602, p. 3 en D-1907.

32 D-1907, p. 1 en 6.

33 Pleidooi raadsman (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 oktober 2011), randnummer 45.

34 V60-01 p. 8 (boven).

35 Pleidooi, randnummer 90 en bijlage 3.

36 V65-01, p.4 (onder).

37 G100-01, p.2 en V65-02 p.4 (tweede alinea).

38 V65-01, p. 5, eerste alinea.

39 V65-02, p. 7.

40 V65-02, p. 7.

41 V65-02, p. 7, laatste alinea.

42 G100-01, p. 3.

43 V65-03, p. 3.

44 V65-02, p. 8 (onder).

45 V65-02, p. 4 (midden).

46 G100-01, p. 2.

47 D-1963.

48 V65-02, p. 11 (midden).

49 AH-0593 bijlage 7 (D-1947 / D-1964).

50 D-1967.

51 V65-01, p. 7 en D-1967.

52 AH-0593 bijlage 8 (D-1948 / D-1934), AH-0593 bijlage 9 (D-1951 / D-1935), AH-0593 bijlage 10 (D-1952 / D-1936) en AH-0593 bijlage 11 (D-1953 / D-1937).

53 V65-01, p. 7 en 8, D-1933.

54 D-1899-10.

55 D-2597.

56 V60-01, p. 2 (onder) en p. 3.

57 V60-01, p. 4.

58 V60-01, p. 5 en 6.

59 V60-01, p. 7.

60 V60-01, p. 8.

61 V60-01, p. 12.

62 V63-01, p. 3.

63 V63-01, p. 4.

64 G98-01, p. 2.

65 G98-01, p. 4.

66 G98-02, p. 4.

67 G120-01, p. 2.

68 G119-01, p. 2.

69 D-2222.

70 D-2221.

71 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 10 maart 2011: proces-verbaal trz, p. 7 en 8 (midden).

72 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 10 maart 2011: proces-verbaal trz,, p. 8 (tweede alinea).

73 D-1886.

74 Verklaring bij de rechter-commissaris van [getuige 26] d.d. 20 mei 2010, p. 3 (midden) en 4 (onder).

75 D-2223.

76 Verklaring van [getuige 27] als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 19 oktober 2010.

77 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p.13.

78 V08-11, p.3; V08-17.

79 V09-06, p. 4 en 11.

80 V63-02, p. 3.

81 V54-15, p. 6.

82 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 13 (midden)..

83 D-1949.

84 D-1886.

85 D-1949, D-1957, D-1948, D-1951, D-1952 en D-1953.

86 Requisitoir (behorend bij het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 september 2011), p. 240.

87 Een daarvan door het openbaar ministerie gegeven voorbeeld betreft de gang van zaken met betrekking tot de afkoop van het aanvankelijk door verdachte [medeverdachte 1] namens Bouwfonds aan Universum Vastgoed BV verleende winstrecht: requisitoir, p. 245.

88 Requisitoir, p. 248.

89 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 10 (boven).

90 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 5.

91 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 6.

92 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 10 (boven).

93 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 12 (midden).

94 AH-0978.

95 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 9 (midden).

96 Proces-verbaal van de terechtzitting van 24 juni 2011, p. 12 (boven).

97 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 6 (boven/midden).

98 Verklaring [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 24 juni 2011: proces-verbaal trz, p. 12 (midden).

99 Zie bijvoorbeeld: requisitoir, p. 241 (midden).