Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW5059

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
15/700457-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Veroordeling wegens poging tot doodslag tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Verdachte heeft het slachtoffer in de woning van verdachte met een mes in de hals gestoken. Over de toedracht is door verdachte en slachtoffer uiteenlopend verklaard. Buiten twijfel staat echter dat verdachte het slachtoffer met een mes in de hals heeft gestoken. De rechtbank oordeelt dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. De raadsman van verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer en noodweerexces. Volgens verdachte was de messteek een reactie op een aanval van het slachtoffer. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer wegens de overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt de rechtbank dat dit niet kan slagen nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat het handelen van verdachte een onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging, door de aanval met het mes door het slachtoffer veroorzaakt. Verdachte moet verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700457-11

Uitspraakdatum: 4 mei 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 april 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Paramaribo (Suriname),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 14 juni 2011 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet (met) een dolk/mes, althans een scherp voorwerp, in de nek/hals van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 14 juni 2011 te Haarlem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met) een dolk/mes, althans een scherp voorwerp, in de nek/hals van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit en heeft gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze zal worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 11.742,- met oplegging van de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde op grond van het volgende.

Melding

Op 14 juni 2011 wordt via het alarmnummer 112 contact opgenomen met de meldkamer van de Ambulancedienst Kennemerland. Melder zegt dat hij in de woning aan de [adres] te Haarlem een meisje in haar nek heeft gestoken.2

Aantreffen slachtoffer

De politie komt naar aanleiding van deze melding ter plaatse en men ziet in de woonkamer voor een groene bank een vrouw liggen in een plas bloed. Behalve veel bloed ziet men ook een grote hoeveelheid ontlasting. De ambtenaren van politie zien dat een man geknield naast de vrouw zit en dat hij aan het bellen is, terwijl hij de wond in de nek van de vrouw dichtdrukt met een doek. Zij zien links van de salontafel een dolk op de grond liggen met bloed op het lemmet. De man zegt vervolgens dat hij de vrouw heeft neergestoken en hij wordt aangehouden als verdachte.3 De man blijkt te zijn [verdachte] (hierna te noemen: verdachte).4 Ter hoogte van de vrouw wordt een tweede mes gevonden.5 De vrouw wordt per ambulance vervoerd naar het VU ziekenhuis, waar zij laat weten [slachtoffer] (hierna te noemen: aangeefster) te zijn.6

Letsel aangeefster

Uit de medische informatie in het dossier blijkt dat aangeefster op 14 juni 2011 door een arts is onderzocht en dat daarbij links en rechts in de hals scherpe verwondingen zijn waargenomen. Er was sprake van diepe wonden met vaat- en zenuwletsel, waarvoor een langdurige operatie moest worden uitgevoerd en een kunstmatige uitgang voor de luchtpijp moest worden aangebracht.7

Vraag van de toedracht

Zowel uit de verklaring van aangeefster als van verdachte blijkt dat zij allebei alcohol en cocaïne hebben gebruikt en dat zij op een bepaald moment samen in de woning van verdachte zijn overgebleven. Over hetgeen vervolgens is voorafgegaan aan het moment waarop verdachte aangeefster heeft gestoken lopen de verklaringen van beiden echter uiteen.8

Versie aangeefster

Aangeefster heeft verschillende verklaringen afgelegd over hetgeen zich op 14 juni 2011 in de woning van verdachte heeft afgespeeld.

Op 15 juni 2011 verklaart zij daarover dat ze met [betrokkene 1] naar verdachte ging, dat [betrokkene 1] op zeker moment vertrok en dat verdachte seks wilde, maar zij niet. Zij zegt vervolgens tegen de rechercheurs "dat zij wil weten hoe zij hier gekomen is, wat er is gebeurd en waar zij is gevonden".9

In haar verklaring van 21 juni 2011, waarmee zij aangifte deed, verklaart zij dat zij op enig moment naar beneden is gelopen omdat volgens verdachte [betrokkene 1] had aangebeld en voor de deur stond maar dat zij vanaf dat moment niet meer goed weet hoe het gegaan is. Zij zegt zich te herinneren dat zij de voordeur opende en de Turkse/Tsjetsjeense man zag staan die haar eerder die nacht had gereden (om cocaïne te halen, rb). Aangeefster verklaart dat zij naar haar idee op dat moment van achteren werd aangevallen; zij voelde een klap in haar nek en denkt dat zij daar is gestoken. Door verbalisanten geconfronteerd met in de woning aangetroffen sporen waaruit - zoals zij daaraan toevoegen - blijkt dat zij in de woning van verdachte is gestoken en niet bij de voordeur, verklaart aangeefster op verdere vragen dat verdachte handtastelijk werd en dat zij tegenstribbelde. Wat hierna is gebeurd, weet aangeefster volgens eigen zeggen niet meer. Zij merkte niet dat zij gestoken was, maar voelde wel pijn en een stoot in haar nek.10

Op 4 juli 2011 wordt aangeefster thuis bezocht door ambtenaren van politie en in de loop van het gesprek deelt aangeefster mee dat zij zich weer iets kon herinneren van hetgeen mogelijk op 14 juni 2011 was gebeurd. Hetgeen zij vertelt is opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen en komt erop neer dat zij een prik in haar nek voelde toen zij vanuit de hal de woonkamer wilde inlopen. Vervolgens trok verdachte haar de woonkamer in en ontstond daar een gevecht toen verdachte de broek van aangeefster wilde uittrekken. Naar eigen zeggen was aangeefster af en toe buiten bewustzijn. Toen zij weer bijkwam zag zij haar broek op haar heup zitten. Terwijl zij op de bank lag, hoorde zij iemand zeggen dat verdachte de politie moest bellen.11

Op 12 januari 2012 heeft aangeefster bij de rechter-commissaris verklaard dat ze eerst een klap in haar nek voelde, toen ze de woonkamer wilde inlopen, waarna ze door verdachte op de bank werd gegooid, dat verdachte seks met haar wilde en haar met zijn mes stak terwijl zij tegenstribbelde. Aangeefster denkt dat het door de messteek kwam dat zij begon te ontlasten.12

Versie verdachte

De lezing van verdachte luidt zowel bij de melding via het alarmnummer 11213 als in zijn verklaringen tegenover de politie en die ter terechtzitting op 20 april 2012, dat hij door aangeefster werd aangevallen en dat hij haar op hem zag afkomen met een mes in haar hand. Dit gebeurde nadat verdachte boos was geworden op aangeefster omdat zij op de groene bank in zijn woonkamer had gepoept. Verdachte verklaart dat hij aangeefster opdroeg de bank schoon te maken en dat hij zelf zijn kussen en deken uit de slaapkamer heeft gepakt om te controleren of zij dat zou doen. Terwijl hij op de blauwe bank lag, kwam aangeefster echter plotseling met een mes uit de keuken op verdachte af en maakte een stekende beweging met het mes in de richting van de borst van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij de pols van aangeefster heeft vastgepakt om te voorkomen dat hij het mes in zijn borst kreeg. Toen hij die pols vasthield heeft hij zijn (dolk)mes onder zijn kussen vandaan gepakt en aangeefster in één beweging met het scherpe mes in de hals gestoken.14

Bevindingen politie-onderzoek

De politie heeft onderzoek gedaan naar de sporen in de woning van verdachte. Daarbij zijn in de woonkamer op en bij de groene bank flinke hoeveelheden ontlasting en bloed aangetroffen. Deze vlekken en sporen op de grond en op de bank vormen één geheel en passen bij het (neer)steken van een persoon op of direct bij de groene bank.

Het in de woonkamer aangetroffen dolkmes heeft een totale lengte van eenendertig centimeter, waarvan het lemmet een lengte heeft van zeventien centimeter. Op het dolkmes wordt aan beide zijden, zowel op het heft als op het lemmet bloed aangetroffen. Het in de woonkamer aangetroffen kartelmes heeft een lengte van twintig centimeter, waarvan het lemmet een lengte heeft van tien centimeter. Op het kartelmes is op één zijkant van het heft en het lemmet bloed aangetroffen.

Verder wordt op de blauwe bank een dekbed en fleecedeken aangetroffen. Naast het dekbed en tegen de armleuning wordt een foedraal van een groot mes aangetroffen met een lengte van dertig centimeter.15

Conclusie rechtbank

De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de steekpartij alleen verdachte en aangeefster in de woning van verdachte aanwezig waren en dat alleen zij kunnen verklaren over hetgeen daar is voorgevallen. Hoewel buiten iedere twijfel vaststaat dat verdachte aangeefster op

14 juni 2011 met een mes in de hals heeft gestoken, bieden het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen wat daaraan precies is voorafgegaan. Aangeefster en verdachte leggen daarover elk een verschillende verklaring af en allebei waren zij in meer of mindere mate onder invloed van alcohol en cocaïne.

Wel bieden het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar het oordeel van de rechtbank aanknopingspunten om de versie van verdachte niet zonder meer ter zijde te schuiven. Daarbij wijst de rechtbank op het feit dat verdachte vanaf het moment dat hij de melding bij het alarmnummer 112 heeft gedaan, bij de verhoren door de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting consistent en gedetailleerd heeft verklaard over het gebeurde, waarbij hij niet terughoudend is geweest over zijn eigen aandeel daarin. De versie van verdachte vindt ook enige steun in de overige dossierstukken, bijvoorbeeld waar het betreft de plek waar de kussens, dekens en het foedraal van het mes (op de bank) zijn aangetroffen. Ook moet in dit verband worden vastgesteld dat in de buurt van aangeefster een tweede mes is aangetroffen.

Daartegenover staat dat aangeefster wisselende verklaringen heeft afgelegd en aanvankelijk ook een andere dader heeft aangewezen, kennelijk omdat zij moeite heeft zich de gebeurtenissen in de bewuste nacht te herinneren. De versie van aangeefster geeft ook geen verklaring voor het tweede mes dat in haar buurt is aangetroffen.

Opzet

De rechtbank deelt niet het door de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting ingenomen standpunt dat verdachte niet het voor een bewezenverklaring vereiste opzet op de dood van aangeefster heeft gehad en dat verdachte daarom van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

Vaststaat dat verdachte aangeefster met kennelijke kracht in de hals heeft gestoken, een gedeelte van het lichaam waar een toegebrachte steek zonder meer de aanmerkelijke kans oplevert dat aangeefster ten gevolge daarvan kan komen te overlijden. De hals is immers een kwetsbaar gebied waar zich belangrijke (slag)aderen bevinden. Bovendien heeft verdachte gestoken met een (dolk)mes met een lemmet van zeventien centimeter waarover hij zelf verklaart dat het scherp was en dat hij dwars door de hals van aangeefster heeft gestoken, waarbij het mes er aan de andere kant van haar hals weer uitkwam. Indien uitgegaan wordt van de versie van verdachte had hij ook de bedoeling aangeefster te steken om zich op die manier te verdedigen tegen haar door hem ervaren aanval. Mede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de aanmerkelijk kans op de dood van aangeefster - op het moment van steken - willens en wetens heeft aanvaard en op de koop toe heeft genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het voorgaande, op zijn minst sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster.

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 14 juni 2011 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een dolk/mes, in de hals van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Beroep op noodweer

Verdachte verklaart vanaf het begin (de melding bij alarmnummer 112) dat hij op de bank lag, toen aangeefster met een mes op hem afkwam en hem daarmee probeerde te steken. Hij heeft daarop met zijn linkerhand de hand van aangeefster met daarin het mes vastgepakt. Met zijn andere, vrije, hand heeft verdachte het mes gezocht dat hij - zoals hij gewend was te doen - onder zijn kussen had gelegd. Het pakken van het mes was lastig en verdachte moest enige tijd tasten. Vervolgens bleef het mes, zo geeft verdachte aan, nog even in de hoes steken voordat hij het er uit kon halen. Meteen daarop volgend heeft verdachte aangeefster in één beweging met het mes in de hals gestoken. Volgens verdachte handelde hij daarmee uit zelfverdediging.

Daarop aansluitend heeft de raadsvrouw van verdachte bepleit dat sprake was van noodweer, zodat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens de niet-strafbaarheid van het feit.

De rechtbank overweegt het volgende.

Zelfs indien wordt uitgegaan van het door verdachte geschetste scenario waarin aangeefster hem met een mes heeft aangevallen, gaat een beroep op noodweer niet op. Voor een slagend beroep op noodweer is immers niet voldoende de vaststelling dat verdachte zich door de aanval met een mes bevond in een situatie waarin hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het ter verdediging ingezette handelen van verdachte moet zijn geboden door de noodzakelijke (zelf)verdediging, in welke omschrijving besloten ligt dat het handelen dient te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Daaraan voldoet het handelen van verdachte niet. Het pakken van een mes en het daarmee vervolgens met kracht steken in de hals van het slachtoffer staat naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijke verhouding tot de zich voordoende omstandigheden van het geval, in het bijzonder tot uitdrukking komend in de persoon door wie en de wijze waarop verdachte werd aangevallen. Kennelijk kon verdachte nadat hij de pols van aangeefster had vastgepakt gedurende enige tijd met één hand de aanval van aangeefster afweren om met zijn andere hand naar achteren te grijpen, naar zijn dolk te zoeken onder zijn kussen en de dolk uit de hoes halen. Dit laatste ging volgens de verklaring van verdachte bovendien moeilijk omdat de dolk even bleef steken. Verdachte had daarom voor een minder zwaar verdedigingsmiddel moeten kiezen (bijvoorbeeld de aanval met twee handen afweren) of op zijn minst anders met het getrokken mes moeten handelen dan daarmee steken ter hoogte van de hals. Het beroep op noodweer faalt derhalve.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

6. Strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweerexces

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte bepleit dat indien de rechtbank het beroep op noodweer zou verwerpen, in ieder geval sprake is geweest van noodweer-exces, welke vaststelling eveneens zou moeten leiden tot een ontslag van alle rechtsvervolging, maar dan wegens de niet-strafbaarheid van de dader.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen tijdens het opsporingsonderzoek en bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken onvoldoende aannemelijk is geworden dat het disproportionele handelen van verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, die door de aanval met het mes door aangeefster is veroorzaakt. Daarvoor is redengevend dat enige tijd is verstreken tussen de aanval van aangeefster en het steken met het mes door verdachte zoals hiervoor onder 5. is vermeld. Indien wordt uitgegaan van de versie van verdachte, gaat het namens hem gedane beroep op noodweer-exces niet op.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals daarvan is gebleken uit:

- het onderzoek ter terechtzitting;

- de Pro Justitia Rapportage betreffende het psychiatrisch onderzoek door I. Maksimovic, als psychiater verbonden aan het NIFP, gedateerd 30 september 2011;

- de Pro Justitia Rapportage betreffende het psychologisch onderzoek door A.E. Haan, als psycholoog verbonden aan het NIFP, gedateerd 28 september 2011;

- de Pro Justitia Rapportage betreffende het psychologisch onderzoek door A.E. Haan, als psycholoog verbonden aan het NIFP, gedateerd 6 oktober 2005;

- het reclasseringsadvies d.d. 10 oktober 2011, opgemaakt door T. Rijbroek, werkzaam als reclasseringswerker bij GGZ Palier Haarlem;

- de verslagleggingen van een medewerker maatschappelijke dienstverlening bij de Penitentiaire Inrichting Haarlem d.d. 10 november 2011 en 11 april 2012,

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte handelde in cocaïne en verkocht deze stof onder andere aan [slachtoffer]. Op de avond van 13 juni 2011 en gedurende de daaropvolgende nacht, hebben zowel verdachte, als [slachtoffer] in meer of mindere mate alcohol en cocaïne gebruikt. Nadat verdachte en [slachtoffer] samen in de woning van verdachte waren achtergebleven, heeft verdachte [slachtoffer] opzettelijk met een mes in haar hals gestoken. Het mes (met een lemmet van zeventien centimeter) is dwars door haar hals gegaan. Hiermee heeft verdachte het leven van [slachtoffer] ernstig in gevaar gebracht. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de toelichting van haar raadsman ter terechtzitting blijkt dat het gebeuren en het herstel van de messteek haar zowel fysiek als mentaal nog steeds parten spelen.

Een dergelijk feit rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zeker nu verdachte al eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Zoals eerder overwogen, kan de rechtbank niet vaststellen wat er precies is gebeurd voorafgaand aan de steekpartij, maar heeft zij wel aanknopingspunten gevonden om betekenis toe te kennen aan de versie van verdachte. Daarom zal de rechtbank bij de bepaling van de strafduur rekening houden met het door verdachte gevoerde verweer dat hij in een situatie kwam te verkeren waarin hij zich moest verdedigen tegen [slachtoffer] die plotseling met een mes op hem afkwam.

Bij de bepaling van de straf houdt de rechtbank ook rekening met de bevindingen die zijn neergelegd in het Pro Justitia rapport betreffende het psychiatrisch onderzoek. Daaruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van lichte zwakzinnigheid. Hij is minder dan anderen in staat weloverwogen keuzes te maken en hij heeft niet altijd controle over zijn agressieve impulsen. Verdachte moet om die redenen als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. Om de grote kans op herhaling te verlagen wordt geadviseerd om verdachte te laten verblijven in een beschermde woonvorm waar men is gespecialiseerd in de begeleiding van mensen met een verstandelijke handicap. Ook het hebben van een dagbesteding en het saneren van de schulden zal kunnen helpen de kans op herhaling te verkleinen.

Aan een nieuw psychologisch onderzoek heeft verdachte niet willen meewerken.

Het reclasseringsadvies komt grotendeels overeen met de aanbevelingen in het rapport van de psychiater. Geadviseerd wordt een reclasseringstoezicht op te leggen, waarbij de reclassering zal samenwerken met de begeleidster die verdachte nu al heeft van SIG. Dit toezicht dient volgens het advies te worden ingevuld met een meldplicht, een behandelverplichting gericht op agressieproblematiek bij De Waag in Haarlem, urinecontroles en een opname van verdachte in een 24-uurs(woon)voorziening.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarbij acht de rechtbank verplicht reclasseringscontact noodzakelijk en zal zij aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf de voorwaarden verbinden, zoals vermeld in het door de reclassering opgestelde plan van aanpak.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen verdachte van € 11.742,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De gestelde schade bestaat uit:

- een voorschot van € 11.000,- aan smartengeld;

- € 100,- aan telefoon-, porto- en reiskosten;

- € 200,- aan kosten voor onbruikbaar geworden en daarom weggegooide kleding;

- € 442,- voor 17 dagen ziekenhuisopname.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 500,- rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,- billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 4.2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Het resterende deel van de vordering vormt een onevenredige belasting van het strafgeding, zodat de benadeelde partij in dat deel van haar vordering niet kan worden ontvangen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 4.2 bewezen verklaarde feit het volgende feit oplevert: poging tot doodslag.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens GGZ Reclassering Palier, zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt dat verdachte, meewerkt aan een ambulante behandeling gericht op agressieproblematiek bij de Waag in Haarlem of een soortgelijke instelling, verdachte meewerkt aan urinecontroles en verdachte dient te verblijven in een 24-uursvoorziening, zoals omschreven in het reclasseringsrapport, en zich houdt aan de daar geldende regels.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.000,-, bestaande uit € 500,- voor de materiële en € 2.500,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag,vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer], de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 40 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mr. M.J.A. Plaisier en mr. S.C.A. van Kuijeren, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.E. Vernes,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 1 augustus 2011, dossierpagina 108.

3 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 juni 2011, dossierpagina 88.

4 Proces-verbaal van aanhouding, d.d. 14 juni 2011, dossierpagina 35.

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juni 2011, dossierpagina 88 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 augustus 2011 (losse dossierbijlage).

6 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 juni 2011, dossierpagina 93.

7 Aanvraagformulier medische informatie, d.d. 21 juni 2011, dossierpagina 151.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting op 20 april 2012: proces-verbaal van aangifte d.d. 21 juni 2011, dossierpagina's 163-164.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2011, opgemaakt d.d. 16 juni 2011, dossierpagina 153.

10 Proces-verbaal van aangifte d.d. 21 juni 2011, dossierpagina's 162-163.

11 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2011, opgemaakt op 5 juli 2011, dossierpagina's 168-169.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] door de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, d.d. 12 januari 2012, p. 2.

13 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2011, dossierpagina's 108-110.

14 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 april 2012, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 juni 2011, dossierpagina's 56-58, proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 15 juni 2011, dossierpagina's 65-66 en proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 juni 2011, dossierpagina's 77-79.

15 Proces-verbaal sporenonderzoek, d.d. 14 juni 2011, opgemaakt d.d. 3 augustus 2011, dossierpagina's 118-120.