Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW4453

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
185128 - HA ZA 11-980
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terecht beroep echtgenote op vernietiging ex 1:89 jo. 1:88 lid 1 sub c BW van een door haar echtgenoot aangegane borgstelling. De uitzondering als bedoeld in 1:88 lid 5 gaat niet op. De kredietovereenkomst met inbegrip van de borgstelling is gesloten met het oog op de langlopende financiering van de vennootschap waarin de echtgenoot samen met zijn compagnon alle aandelen hield, zodat in zoverre is gehandeld in de normale bedrijfsuitoefening. In dit geval is de borgstelling echter tot stand gekomen onder omstandigheden die maken dat desondanks toch toestemming van de echtgenote was vereist. De borgtocht is namelijk aangegaan bij de omzetting van een bestaand krediet, waarbij de borgstelling in privé door de echtgenoot in de plaats kwam van een aantal zekerheden dat door de persoonlijke vennootschap van de echtgenoot was aangegaan. De echtgenoot is daardoor in privé aansprakelijk geworden voor een vordering waarvoor hij voordien niet persoonlijk aansprakelijk was, zonder dat door de bank extra krediet werd verstrekt. Deze omstandigheid maakt dat het aangaan van de persoonlijke borgtocht niet geacht kan worden te behoren tot de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap, zodat daarvoor de toestemming van de echtgenote was vereist.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2013/77

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 185128 / HA ZA 11-980

Vonnis van 25 april 2012 bij vervroeging

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats], [gemeente],

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie in de zaak tegen ABN AMRO BANK N.V.,

advocaat mr. F. Teuben,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M.N. de Groot,

2. [A],

wonende te [plaats], [gemeente],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. H. Oomen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] B.V.,

gevestigd te [plaats], [gemeente],

gedaagde in conventie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres], ABN AMRO, [A] en [B] B.V. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tegen [B] B.V. op 14 september 2011 verleende verstek

- het tussenvonnis van 21 december 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 19 maart 2012

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Wijlen [C] (hierna: [C]) was enig aandeelhouder van [B & Co] B.V. (hierna: [B & Co]).

2.2. [A] was enig bestuurder van de Stichting Administratiekantoor [A] Beheer Zaanstad B.V., welke stichting enig aandeelhouder is van [A] Beheer Zaanstad B.V. (hierna: [A Beheer Zaanstad]).

2.3. [B & Co] en [A Beheer Zaanstad] hielden alle aandelen in [B] B.V..

2.4. [B] B.V. heeft op 23 mei 1996 een kredietovereenkomst gesloten met ABN AMRO voor een kredietfaciliteit van NLG 350.000,00. Bij wijzigingsovereenkomst van 25 november 1998 hebben [B & Co] en [A Beheer Zaanstad] zich hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor hetgeen ABN AMRO uit hoofde van de kredietovereenkomst van [B] B.V. te vorderen heeft.

2.5. Op 24 juli 2003 heeft [B] B.V. bij ABN AMRO een nadere kredietovereenkomst gesloten voor een krediet in rekening-courant van maximaal EUR 125.000,00 (hierna: de kredietovereenkomst), waarbij [C] en [A] zich hoofdelijk in privé aansprakelijk hebben gesteld voor de nakoming van de op [B] B.V. rustende verplichtingen uit de kredietovereenkomst. Deze overeenkomst kwam in de plaats van de overeenkomst van 23 mei 1996.

2.6. Medio 2009 voldeed [B] B.V. niet langer aan haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst, waarna ABN AMRO hetgeen zij uit hoofde van die kredietovereenkomst van [B] B.V. te vorderen had, ineens heeft opgeëist. Vervolgens heeft ABN AMRO [C] als hoofdelijk schuldenaar tot betaling van het geheel aangesproken.

2.7. In augustus 2009 hebben [C] en [eiseres] een hypothecaire lening (hierna: de hypothecaire lening) afgesloten bij Fortis Bank (Nederland) N.V., een rechtsvoorganger van ABN AMRO. Hiermee is de vordering van ABN AMRO op [B] B.V. voldaan.

2.8. [Eiseres] en [C] waren tot diens overlijden in december 2009 gehuwd. [Eiseres] heeft de kredietovereenkomst niet ondertekend. [Eiseres] heeft bij fax van haar advocaat aan ABN AMRO van 2 mei 2011 de kredietovereenkomst vernietigd.

3. De vordering

in conventie

3.1. [Eiseres] vordert – samengevat – na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair:

voor recht te verklaren dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van [C] bij de kredietovereenkomst gesloten op 24 maart 2003 op 2 mei 2011 buitengerechtelijk is vernietigd, dan wel deze te vernietigen en ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van EUR 123.022,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2009 tot de voldoening;

subsidiair:

ABN AMRO te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade ter hoogte van een bedrag van EUR 123.022,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2009 tot de voldoening;

meer subsidiair:

[A] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van EUR 61.511,12, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2010 tot de voldoening, doch slechts voor zover [B] B.V. niet binnen één maand na betekening van het te wijzen vonnis is overgegaan tot betaling van de gehele som van EUR 123.022,24 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2009;

2.

[B] B.V. te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van EUR 123.022,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2009 tot de voldoening;

3.

ABN AMRO, [A] en [B] B.V. te veroordelen in de proceskosten en EUR 131,00 aan nakosten (EUR 199,00 in geval van betekening), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis.

in voorwaardelijke reconventie

3.2. ABN AMRO vordert voor zover de vordering van [eiseres] in conventie wordt toegewezen:

- voor recht te verklaren dat [eiseres] per 18 november 2011 een bedrag van EUR 50.427,83 is verschuldigd aan ABN AMRO;

- voor recht te verklaren dat de schuld van ABN AMRO aan [eiseres] is verminderd met het bedrag dat [eiseres] is verschuldigd aan ABN AMRO;

- [eiseres] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijf dagen na de datum van het te wijzen vonnis, tot de voldoening.

4. De beoordeling

in conventie

Ten aanzien van ABN AMRO

4.1. [Eiseres] heeft aangevoerd dat zij de in de kredietovereenkomst opgenomen persoonlijke borgstelling door [C] buitengerechtelijk heeft vernietigd. Voor deze rechtshandeling was immers toestemming van [eiseres] vereist als zijnde echtgenote van [C]. Gelet op het ontbreken van deze toestemming was de borgstelling, op grond van het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW jo. artikel 1:89 BW vernietigbaar.

4.2. ABN AMRO betwist dat [eiseres] een beroep op vernietiging ex artikel 1:89 BW toekomt. Zij betoogt primair dat de borgstelling is geëindigd doordat [C] de schuld op 4 september 2009 heeft voldaan, waardoor van vernietiging van deze borgstelling geen sprake meer kan zijn. Subsidiair betwist ABN AMRO dat voor het aangaan van de borgstelling door [C] toestemming van [eiseres] was vereist, omdat sprake is van de uitzondering als bedoeld in artikel 1:88 lid 5 BW. Meer subsidiair heeft ABN AMRO aangevoerd dat – indien mocht blijken dat wel toestemming was vereist – [eiseres] deze toestemming heeft gegeven door het aangaan van de hypothecaire lening in augustus 2009. Uiterst subsidiair meent ABN AMRO dat [eiseres] geen beroep op vernietiging van de borgstelling toekomt, omdat sprake is van rechtsverwerking. Deze verweren zullen hierna afzonderlijk worden behandeld.

4.3. Het primaire verweer van ABN AMRO faalt. In artikel 3:53 BW is bepaald dat vernietiging terugwerkt tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht. Deze terugwerkende kracht houdt in dat partijen in de situatie worden gebracht waarin zij zich vóór het verrichten van de rechtshandeling bevonden. In gevallen waarin reeds prestaties uit hoofde van die rechtshandeling zijn verricht, betekent dit dat deze ongedaan gemaakt moeten worden, omdat door vernietiging de rechtsgrond voor het verrichten van die prestaties met terugwerkende kracht is komen te vervallen. Derhalve kon [eiseres] een beroep doen op vernietiging van de borgstelling, ook nadat de borg was uitgewonnen.

4.4. ABN AMRO heeft als subsidiair verweer aangevoerd dat voor het aangaan van de borgstelling door [C] geen toestemming van [eiseres] was vereist, omdat [C] indirect aandeelhouder en indirect bestuurder was van [B] B.V. en de kredietovereenkomst met borgstelling in privé is aangegaan ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van [B] B.V.. ABN AMRO heeft in dat verband aangevoerd dat [B] B.V. met het uit hoofde van de kredietovereenkomst verkregen rekening-courantkrediet kon voldoen aan haar lopende betalingsverplichtingen. Voorts kon deze faciliteit slechts gebruikt worden voor doeleinden die de normale bedrijfsuitoefening dienen. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het krediet om een andere reden is verstekt of voor een ander doel dan de normale bedrijfsuitoefening is gebruikt.

4.5. Ter comparitie heeft [D], werkzaam als accountmanager bij ABN AMRO, verklaard dat de kredietovereenkomst uit 2003 een voorzetting was van de kredietovereenkomst uit 1998. De reden voor deze omzetting was gelegen in het streven van ABN AMRO om individuele kredieten om te zetten naar een gestandaardiseerd ondernemerskrediet. Bij de omzetting is geen extra krediet verstrekt. Een aantal in 1998 overeengekomen zekerheden – waaronder de pandrechten op vorderingen op debiteuren, de hoofdelijke aansprakelijkheid van de persoonlijke vennootschappen van [C] en [A] en twee achtergestelde leningen van elk EUR 68.000,00, aangegaan door deze vennootschappen – is komen te vervallen omdat die niet in de standaard pasten. De hoofdelijke borgstelling in privé door [C] en [A] is voor de vervallen zekerheden in de plaats gekomen, aldus [D].

4.6. Op grond van het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt. Een rechtshandeling die een echtgenoot in strijd met dit voorschrift heeft verricht, is door de andere echtgenoot vernietigbaar.

4.7. In artikel 1:88 lid 5 BW is echter – voor zover hier van belang – bepaald dat de toestemming als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub c BW niet is vereist voor een rechtshandeling die wordt verricht door een bestuurder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van die vennootschap. De wetgever heeft met het begrip ‘normale bedrijfsuitoefening’ een wezenlijke beperking op de uitzondering van lid 5 beoogd. De toestemming van de andere echtgenoot is alleen dan niet vereist indien de rechtshandeling waarvoor de in artikel 1:88 lid 1 sub c BW bedoelde zekerheid wordt verstrekt zelf behoort tot de rechtshandelingen die in de normale uitoefening van een bedrijf plegen te worden verricht. Daarbij kan belang toekomen aan omstandigheden waaronder de borgstelling tot stand is gekomen (Hoge Raad 8 juli 2005, NJ 2006/96).

4.8. In het onderhavige geval is de kredietovereenkomst met inbegrip van de borgstelling gesloten met het oog op de langlopende financiering van de onderneming. In zoverre is gehandeld in de normale uitoefening van het bedrijf. Dit neemt echter niet weg dat desondanks sprake is van omstandigheden die maken dat toch toestemming van [eiseres] was vereist. Bij de omzetting van de kredietovereenkomst is immers een aantal zekerheden komen te vervallen, die door de persoonlijke vennootschappen van [C] en [A] waren aangegaan. Voor deze vervallen zekerheden is borgstelling in privé door [C] en [A] in de plaats gekomen, zonder dat ABN AMRO extra krediet heeft verstrekt. Door het aangaan van de borgstelling is [C] derhalve in privé aansprakelijk geworden voor een vordering waarvoor hij voordien niet persoonlijk aansprakelijk was, zonder dat dit hem respectievelijk [B] B.V. financieel voordeel opleverde. Deze omstandigheden maken dat het aangaan van de persoonlijke borgstelling geacht wordt niet te behoren tot de normale bedrijfsuitoefening van [B] B.V., zodat daarvoor de toestemming van [eiseres] was vereist. Dit leidt tot de conclusie dat ook het subsidiaire verweer van ABN AMRO faalt en dat [eiseres] in beginsel een beroep kan doen op vernietiging van de borgstelling.

4.9. ABN AMRO voert meer subsidiair tot haar verweer aan dat voor zover de toestemming van [eiseres] was vereist, deze kan worden afgeleid uit het feit dat zij in augustus 2009 tezamen met [C] een hypothecaire lening is aangegaan teneinde [C] in de gelegenheid te stellen de schuld uit de kredietovereenkomst te voldoen.

4.10. [Eiseres] betwist dat zij door het aangaan van de hypothecaire lening achteraf toestemming heeft gegeven voor de borgstelling. [Eiseres] heeft aangevoerd dat haar echtgenoot haar vertelde dat er betaald moest worden en dat daarvoor een recht van hypotheek gevestigd moest worden.

4.11. De rechtbank begrijpt het standpunt van ABN AMRO aldus dat zij zich erop beroept dat [eiseres] door het aangaan van de hypothecaire lening de borgstelling heeft bevestigd als bedoeld in artikel 3:55 BW, waardoor de bevoegdheid om de borgstelling te vernietigen zou zijn komen te vervallen. Uit artikel 3:55 BW in samenhang met artikel 3:37 BW volgt dat een dergelijke bevestiging vormvrij is en besloten kan liggen in één of meer gedragingen. De vraag die voor ligt, is wat ABN AMRO in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit het gedrag van [eiseres] mocht afleiden en of zij daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat [eiseres] de borgstelling door [C] heeft bevestigd. Deze vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van hetgeen de wetgever met het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW heeft beoogd: echtgenoten ten opzichte van elkaar te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die financieel risicovol zijn. Hierbij past niet dat een rechtshandeling waarvoor geen toestemming is verleend terwijl deze wel was vereist, wordt bevestigd op een manier die zo impliciet is als in het onderhavige geval, namelijk door het aangaan van een hypothecaire lening waarmee de schuld uit hoofde van de borgstelling is voldaan. Een professionele partij als ABN AMRO heeft daarom aan het feit dat [eiseres] samen met [C] een hypothecaire lening heeft afgesloten niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat [eiseres] de borgstelling heeft willen bevestigen. Dit leidt tot de slotsom dat het meer subsidiair gevoerde verweer van ABN AMRO faalt.

4.12. Uiterst subsidiair beroept ABN AMRO zich op rechtsverwerking. Volgens ABN AMRO heeft [eiseres] door ruim twee jaar te wachten met haar beroep op vernietiging, terwijl zij op de hoogte was van de borgstelling, bij ABN AMRO het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij geen beroep meer zou doen op vernietiging van de borgstelling wegens het ontbreken van haar toestemming. Bovendien is het – zo stelt ABN AMRO – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met elkaar onverenigbaar dat [eiseres] de schuld heeft voldaan en dat zij twee jaar later een reeds door haar voldane verplichting wil vernietigen.

4.13. [Eiseres] heeft daartegen aangevoerd dat zij op het moment van het aangaan van de hypothecaire lening niet wist waarvoor deze diende en dat zij nog steeds niet van alle zakelijke aangelegenheden waar haar man betrokkenheid bij had op de hoogte is. Bovendien is [eiseres] enige maanden na het afsluiten van de hypothecaire lening weduwe geworden, waarna een periode van rouw is gevolgd. Dit verklaart waarom zij niet eerder dan in mei 2011 een beroep op vernietiging van de borgstelling heeft gedaan, aldus [eiseres].

4.14. Van rechtsverwerking is sprake indien de gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van dat recht. Van een dergelijke onverenigbaarheid is onder meer sprake indien zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan als gevolg waarvan bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken. ABN AMRO heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit geconcludeerd kan worden dat bij haar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiseres] geen beroep meer zou doen op vernietiging. Dat [eiseres] twee jaar heeft gewacht is daartoe onvoldoende. Gelet op hetgeen onder 4.11 is overwogen is eveneens onvoldoende dat [eiseres] samen met [C] een hypothecaire lening is aangegaan waarna [C] de schuld heeft voldaan. Het uiterst subsidiair gevoerde verweer van ABN AMRO faalt derhalve evenzeer.

4.15. Op grond van het voorgaande ligt de gevorderde verklaring voor recht voor toewijzing gereed.

4.16. De vernietiging van de borgstelling heeft terugwerkende kracht, zodat de persoonlijke aansprakelijkheid van [C] geacht wordt nooit te hebben bestaan. Dit betekent dat de schuld door [C] is voldaan zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestond, zodat [C] het bedrag van EUR 123.022,24 onverschuldigd heeft betaald. ABN AMRO heeft niet betwist dat het onverschuldigd door [C] betaalde bedrag toekomt aan [eiseres] in haar hoedanigheid van erfgename, zodat de vordering van [eiseres], te vermeerderen met de onweersproken wettelijke rente, zal worden toegewezen.

4.17. ABN AMRO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 90,81

- griffierecht 1.400,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 4.332,81

4.18. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen, nu deze niet zijn betwist en voor toewijzing in aanmerking komen.

Ten aanzien van [A]

4.19. Nu het onder 1. primair gevorderde zal worden toegewezen, komt de rechtbank aan onder 1. meer subsidiair gevorderde niet meer toe dan wel is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] geen belang meer heeft bij deze vorderingen.

4.20. [eiseres] zal in haar vordering jegens [A] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- griffierecht EUR 800,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.588,00

4.21. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen, nu deze niet zijn betwist en voor toewijzing in aanmerking komen.

Ten aanzien van [B] B.V.

4.22. Tegen de niet verschenen gedaagde [B] B.V. is verstek verleend, omdat bij de dagvaarding de bij wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen. Nu het onder 1. primair gevorderde zal worden toegewezen, heeft [eiseres] geen recht van regres op [B] B.V. en zal de vordering jegens haar om die reden als ongegrond worden afgewezen.

in voorwaardelijke reconventie

4.23. De voorwaarden waaronder deze vordering is ingesteld, zijn blijkens het voorgaande vervuld. Nu [eiseres] de gevorderde verklaringen voor recht niet heeft betwist, zijn deze toewijsbaar.

4.24. [Eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op: EUR 894,00 voor salaris advocaat (2,0 punten x factor 0,5 x tarief EUR 894,00) te vermeerderen met de onweersproken wettelijke rente.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verklaart voor recht dat de borgstelling door [C], zoals opgenomen in de op 24 maart 2003 tussen [B] B.V. en ABN AMRO gesloten kredietovereenkomst, op 2 mei 2011 buitengerechtelijk is vernietigd,

5.2. veroordeelt ABN AMRO om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 123.022,24 (honderddrieëntwintigduizend tweeëntwintig euro en vierentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 4 september 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt ABN AMRO in de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot op heden begroot op EUR 4.332,81, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt ABN AMRO in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [eiseres], begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat ABN AMRO niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van [A], tot op heden begroot op EUR 2.588,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6. veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van [A], begroot op EUR 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.7. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst af het meer of anders gevorderde.

in voorwaardelijke reconventie

5.9. verklaart voor recht dat [eiseres] per 18 november 2011 een bedrag van EUR 50.427,83 (vijftigduizend vierhonderdzevenentwintig euro en drieëntachtig eurocent) is verschuldigd aan ABN AMRO,

5.10. verklaart voor recht dat het bedrag van EUR 50.427,83 in mindering strekt op het ingevolge de veroordeling in conventie door ABN AMRO aan [eiseres] te betalen bedrag,

5.11. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op EUR 894,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf vijf dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.12. verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs, mr. M. Flipse en mr. C.S. Naarden en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.?