Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW4172

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
15/700958-11 en 15/750054-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX6432, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich, veelal tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in een korte periode schuldig gemaakt aan een woninginbraak, diefstal van een personenauto, meerdere diefstallen van benzine, diefstal van kentekenplaten, een inbraak in de stacaravan van zijn opa en een brutale straatroof. Hij heeft zich samen met zijn mededaders eigendommen van anderen toegeëigend en bij de straatroof is geweld gebruikt. Er is daarmee sprake van schending van het eigendomsrecht van de aangevers, van schending van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer van de straatroof en, nu dit incident plaatsvond op de openbare weg, van schending van de openbare orde. Met name de straatroof is een zeer angstige gebeurtenis voor het slachtoffer geweest. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij niet alleen het slachtoffer van de beroving rechtstreeks geraakt, maar ook een algemeen gevoel van onveiligheid in de samenleving aangewakkerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij nota bene in de stacaravan van zijn grootvader en in de woning waar hij in het verleden woonachtig was heeft ingebroken. Het hoeft geen betoog dat verdachte met het plegen van de feiten grote onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij teweeg heeft gebracht in het bijzonder bij de slachtoffers. Zij hebben grote hinder ondervonden van het handelen van verdachte. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zijn persoonlijk gewin heeft laten prevaleren boven het welzijn van anderen en dat hij er voor heeft gezorgd dat de slachtoffers zijn geconfronteerd met financiële en emotionele schade. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 december 2011 reeds eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen en het gegeven dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw ernstig in de fout te gaan. De rechtbank heeft acht geslagen op het omtrent verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de jeugdreclassering en de daarin getrokken conclusies. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte baat heeft bij reclasseringstoezicht en behandeling bij De Waag. De rechtbank zal een fors voorwaardelijk strafdeel opleggen teneinde verdachte ervan te doordringen zich te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en zich te houden aan de aanwijzigen hem te geven door of namens de Reclassering. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/700958-11 en 15/750054-09 (tul)

Uitspraakdatum: 3 april 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 maart 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Haarlem,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij in de nacht van 2 op 3 december 2011 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, terwijl hij, verdachte, zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, in/uit een woning (gelegen aan de [adres 2]) heeft weggenomen een portemonnaie met inhoud en/of autosleutels (behorende bij een personenauto Peugeot 207, kenteken [kenteken 1]) en/of een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel.

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 2 december 2011 tot en met 3 december 2011 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Peugeot 207, kenteken [kenteken 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Feit 3

hij in de periode van 3 december 2011 tot en met 9 december 2011 te Alkmaar en/of Breukelen en/of Velserbroek en/of Berkhout en/of Santpoort-Noord, althans in Nederland, (telkens al dan niet) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen een hoeveelheid benzine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Tankstation Tamoil en/of Shell Ruwiel en/of Tankstation Total en/of Esso tankstation en/of Gulf Tankstation, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Feit 4

hij in de periode van 20 november 2011 tot en met 6 december 2011 te Voorthuizen, gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een stacaravan heeft weggenomen een televisie (van het merk Sharp) en/of twee geluidsboxen (van het merk Logitec), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Feit 5

primair

hij in de periode van 6 december 2011 tot en met 7 december 2011 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee kentekenplaten ([kenteken 2]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen kentekenplaten onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking;

subsidiair

hij in de periode van 6 december 2011 tot en met 9 december 2011 te Haarlem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, twee kentekenplaten ([kenteken 2]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die kentekenplaten wist(en) dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 6

hij op of omstreeks 08 december 2011 te Hoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid poststukken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Post.nl en/of de afzenders van deze poststukken, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

Feit 7

hij op of omstreeks 08 december 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugtas (inhoudende bankpasje(s), een zakmes en/of geld), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen deze [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- die [slachtoffer 5] één of meermalen in het gezicht althans tegen het hoofd althans het lichaam werd geslagen/gestompt en/of

- die [slachtoffer 5] een mes, althans een scherp voorwerp, werd getoond en/of

- die [slachtoffer 5] tegen de grond werd gewerkt en/of

- de tas van de schouder van die [slachtoffer 5] werd getrokken/gerukt;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van alle (voor zover van toepassing: primair) ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Jeugdreclassering, locatie Haarlem, thans in de persoon van mevrouw [betrokkene 1] ook indien zulks inhoudt dat verdachte zijn behandeling bij De Waag voortzet en positief afrondt.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij Shell gedeeltelijk, namelijk tot een bedrag van € 87,99, hoofdelijk wordt toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] gedeeltelijk, namelijk tot een bedrag van € 93,63, hoofdelijk wordt toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Ten slotte heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van de op 29 september 2009 door de kinderrechter van de rechtbank Haarlem opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken, waarvan de proeftijd op 17 december 2010 met één jaar is verlengd.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

Feit 1 tot en met 6

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende, waarbij de rechtbank ten aanzien van al deze feiten - nu verdachte die feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen onderzoek auto d.d. 11 december 2011 (dossierpagina 165 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2011 (dossierpagina 110 en 111) (feit 1 en 2);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 december 2011 (dossierpagina 329 e.v.) (feit 3);

- een schriftelijk bescheid, te weten het niet ondertekende proces-verbaal van aangifte d.d. 19 januari 2012 en de daarbij behorende bijlagen (dossierpagina 388 e.v.) (feit 3);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2011 (dossierpagina 404 e.v.) (feit 3);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 19 januari 2012 (dossierpagina 453 e.v.) (feit 3);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 11 december 2011 (dossierpagina 592 e.v.) (feit 3);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2011 (dossierpagina 352 e.v.) (feit 4);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2011 (dossierpagina 418 e.v.) (feit 5);

- een schriftelijk bescheid, te weten het niet ondertekende proces-verbaal van aangifte d.d. 19 januari 2012 (dossierpagina 470 e.v.) (feit 6).

De door de rechtbank als schriftelijke bescheiden aangeduide bewijsmiddelen worden slechts tot het bewijs gebezigd in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Feit 7

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 7 ten laste gelegde feit op grond van het volgende.1

Op 8 december 2011 rijdt verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in een personenauto. Verdachte is bestuurder van de auto, [medeverdachte 1] zit naast hem op de bijrijderstoel en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zitten achter in de auto.2 Zij willen een tas stelen van iemand, rijden wat rond en komen in Amsterdam uit. Van te voren hebben zij besloten een tas te stelen3 omdat niemand van hen geld heeft.4 [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 3]: "pakken we die".5 [medeverdachte 3] vraagt verdachte vervolgens om de auto te stoppen omdat hij "een tas wilde pakken".6 [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] openen de achterportieren en springen uit de auto. Verdachte heeft meteen door dat zij iemand gaan beroven, want dat was van te voren besloten.7 Verdachte rijdt een klein stukje door en wacht om de hoek zodat het kenteken van de auto niet opgeschreven kan worden en hij aldus niet betrokken wordt bij de straatroof.8

Op het moment dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] uit de auto springen heeft [medeverdachte 3] een mes in zijn handen.9 Beiden lopen op aangeefster [slachtoffer 5] af die op dat moment haar fiets tegen de gevel van haar woning aan de [adres 3] te Amsterdam zet.10 Zij voelt dat op haar schouder wordt getikt waarop zij omkijkt en onmiddellijk een vuistslag tegen haar kin krijgt en waarna zij door de twee jongens tegen de grond wordt gewerkt. Aangeefster probeert overeind te komen maar voelt dat de jongens hard op haar in blijven slaan. Wanneer het aangeefster lukt om overeind te komen wordt zij wederom tegen de grond gewerkt en wordt hard op haar in geslagen en met haar geworsteld.11 Alhoewel niet gezien door aangeefster wordt door [medeverdachte 3] een mes aan haar "getoond" om haar bang te maken zodat zij haar tas zou afgeven.12

Uiteindelijk lukt het de daders om de rugtas van aangeefster met kracht af te rukken en rennen zij hard weg. In de weggenomen rugtas zitten bankpasjes, geld en een zakmes.13 Ten gevolge van de straatroof heeft het slachtoffer verwondingen aan beide handen opgelopen, is haar kin pijnlijk en dik geworden, is haar rug beurs, is haar knie geschaafd en is haar pols gevoelig.14

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] springen weer in de auto. Verdachte ziet dat zij een rugtas tussen hen inzetten en rijdt vervolgens weg.15 Het geld dat tijdens de beroving wordt buitgemaakt wordt besteed aan wiet waar alle verdachten gebruik van maken.16

4.2. Bewijsoverweging

Namens verdachte is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat verdachte onvoldoende wist dat zijn stoppen gelegenheid gaf om een persoon te beroven. Daarbij voert de raadsman aan dat de verklaring bij de politie, inhoudende dat verdachte van te voren wist wat er zou gebeuren en hij daarvoor gestopt is, gelet op verdachtes verklaring ter terechtzitting, ongeloofwaardig is. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 7 ten laste gelegde feit.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door verdachte afgelegde verklaring ten overstaan van de politie zoals opgenomen in de bewijsmiddelen. Dat verdachte ter terechtzitting enigszins anders heeft verklaard doet daar niet aan af.

Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Die samenwerking is aanwezig indien de medeplegers willens en wetens samenwerken tot het plegen van een strafbaar feit. Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte en zijn medeverdachten van te voren een plan hebben gemaakt om iemand te beroven van een tas om zodoende aan geld te komen. Verdachte rijdt samen met zijn mededaders enige tijd rond en zij komen uiteindelijk een voor hen geschikt slachtoffer tegen in Amsterdam. Wetende dat zijn medeverdachten iemand gaan beroven stopt verdachte op hun verzoek en blijft hij om de hoek van de straat - om kennisneming van het kenteken van de auto te bemoeilijken - wachten totdat zij het slachtoffer daadwerkelijk hebben beroofd. Nadat het slachtoffer is beroofd en zijn medeverdachten weer in de auto zijn gestapt rijdt verdachte weg waardoor hij de vlucht vergemakkelijkt. Bij een beroving als de onderhavige is het van groot belang dat de daders snel kunnen vluchten in geval van alarmering of betrapping.

Nu verdachten voorafgaand aan het delict een plan hebben gemaakt en er kennelijk een taakverdeling is gemaakt waarbij verdachte degene was die op commando de auto stopte om zijn medeverdachten de gelegenheid te geven een slachtoffer te benaderen, en verdachte na afloop van de beroving als bestuurder van de (vlucht)auto is weggereden, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte enerzijds en zijn medeverdachten anderzijds. Dit geldt te meer nu verdachte ook heeft meegedeeld in de buit.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte de diefstal met geweld tezamen en in vereniging heeft gepleegd met zijn medeverdachten.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

Feit 1

hij in de nacht van 2 op 3 december 2011 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, terwijl hij, verdachte, zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, uit een woning gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, autosleutels (behorende bij een personenauto Peugeot 207, kenteken [kenteken 1]) en een mobiele telefoon (Samsung Galaxy S), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutel.

Feit 2

hij in de periode van 2 december 2011 tot en met 3 december 2011 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Peugeot 207, kenteken [kenteken 1]), toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Feit 3

hij in de periode van 5 december 2011 tot en met 9 december 2011 te Alkmaar, Breukelen, Velserbroek, Berkhout en Santpoort-Noord, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid benzine, toebehorende aan Tankstation Tamoil, Shell Ruwiel, Tankstation Total, Esso tankstation of Gulf Tankstation.

Feit 4

hij in de periode van 20 november 2011 tot en met 6 december 2011 te Voorthuizen, gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een stacaravan heeft weggenomen een televisie van het merk Sharp en twee geluidsboxen van het merk Logitec, toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Feit 5

primair

hij in de periode van 6 december 2011 tot en met 7 december 2011 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee kentekenplaten ([kenteken 2]), toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte en/of zijn mededader die weg te nemen kentekenplaten onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking.

Feit 6

hij op 8 december 2011 te Hoorn tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid poststukken, toebehorende de afzenders van deze poststukken, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader.

Feit 7

hij op 8 december 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een rugtas, inhoudende bankpasjes, een zakmes en geld, toebehorende aan [slachtoffer 5], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen deze [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat

- die [slachtoffer 5] meermalen in het gezicht althans tegen het lichaam werd geslagen,

- die [slachtoffer 5] een mes werd getoond,

- die [slachtoffer 5] tegen de grond werd gewerkt, en

- de tas van de schouder van die [slachtoffer 5] werd gerukt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Feit 2

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Feit 3

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Feit 4

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feit 5 primair

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, .

Feit 6

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 7

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

7.1. Hoofdstraf

Verdachte heeft zich, veelal tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in een korte periode schuldig gemaakt aan een woninginbraak, diefstal van een personenauto, meerdere diefstallen van benzine, diefstal van kentekenplaten, een inbraak in de stacaravan van zijn opa en een brutale straatroof. Hij heeft zich samen met zijn mededaders eigendommen van anderen toegeëigend en bij de straatroof is geweld gebruikt. Er is daarmee sprake van schending van het eigendomsrecht van de aangevers, van schending van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer van de straatroof en, nu dit incident plaatsvond op de openbare weg, van schending van de openbare orde. Met name de straatroof is een zeer angstige gebeurtenis voor het slachtoffer geweest. Door te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, heeft hij niet alleen het slachtoffer van de beroving rechtstreeks geraakt, maar ook een algemeen gevoel van onveiligheid in de samenleving aangewakkerd. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij nota bene in de stacaravan van zijn grootvader en in de woning waar hij in het verleden woonachtig was heeft ingebroken. Het hoeft geen betoog dat verdachte met het plegen van de feiten grote onrust en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij teweeg heeft gebracht in het bijzonder bij de slachtoffers. Zij hebben grote hinder ondervonden van het handelen van verdachte. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zijn persoonlijk gewin heeft laten prevaleren boven het welzijn van anderen en dat hij er voor heeft gezorgd dat de slachtoffers zijn geconfronteerd met financiële en emotionele schade.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 december 2011 reeds eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen en het gegeven dat verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw ernstig in de fout te gaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het omtrent verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de jeugdreclassering en de daarin getrokken conclusies. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte baat heeft bij reclasseringstoezicht en behandeling bij De Waag. De rechtbank zal een fors voorwaardelijk strafdeel opleggen teneinde verdachte ervan te doordringen zich te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en zich te houden aan de aanwijzigen hem te geven door of namens de Reclassering.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

7.2. Maatregel

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 7 bewezen verklaarde feit met behulp van dat voorwerp is begaan en het ongecontroleerde bezit van dat voorwerp is in strijd met de wet of het algemeen belang.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1. De benadeelde partij [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 267,63 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit kosten voor het vervangen van de kentekenplaten en gederfde inkomsten.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 87,63 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 5 primair bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: kosten vervangende kentekenplaten € 27,63 en kosten gederfde inkomsten € 60.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 5 primair bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.2. De benadeelde partij Shell Ruwiel

De benadeelde partij Shell Station Ruwiel heeft een vordering tot schadevergoeding van € 153,33 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit de waarde van weggenomen benzine en deurwaarderskosten.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 87,99 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 76,59 in verband met weggenomen benzine en € 11,40 in verband met deurwaarderskosten.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 29 september 2009 in de zaak met parketnummer 15/750054-09 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Haarlem verdachte ter zake van diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door twee of meer verenigde personen, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bij vonnis van 17 december 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Haarlem de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd verlengd met één jaar.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36f, 47, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 en 7 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland, thans ter uitvoering van de maatregel hulp en steun in de persoon van mevrouw [betrokkene 1] van de Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, Locatie Haarlem, zolang die instelling dat nodig acht, ook als zulks inhoudt dat verdachte zijn behandeling bij De Waag voortzet en positief afrondt.

Draagt aan de jeugdreclassering op om verdachte hulp en steun te bieden bij het naleven van deze voorwaarden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Onttrekt aan het verkeer:

Voorwerp 9 1.00 STK Mes 273169.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 4] geleden schade tot een bedrag van € 87,63 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 4], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 87,63, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij Shell Station Ruwiel geleden schade tot een bedrag van € 87,99 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan Shell Station Ruwiel, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door (een van) de medeverdachte(n) is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer Shell Station Ruwiel de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 87,99, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens (een van) de medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen. Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/750054-09 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Haarlem d.d. 29 september 2009, met dien verstande dat de jeugddetentie nu verdachte de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt wordt ten uitvoer gelegd als gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N.E. Kwak, voorzitter,

mr. W.A.F. Jansen en mr. C.G. Beyer-Lazonder, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Wessels,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 april 2012.

Mr. C.G. Beyer-Lazonder is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 december 2011 (dossierpagina 577 onder).

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 januari 2012 (dossierpagina 587 boven).

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 11 december 2011 (dossierpagina 571 midden).

5 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 december 2011 (dossierpagina 577 onder).

6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 december 2011 (dossierpagina 577 onder en 578 boven en 587 boven).

8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd.

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 16 januari 2012 (dossierpagina 554 boven).

10 Een schriftelijk bescheid, te weten het niet ondertekende proces-verbaal van aangifte d.d. 8 december 2011 (dossierpagina 509).

11 Een schriftelijk bescheid, te weten het niet ondertekende proces-verbaal van aangifte d.d. 8 december 2011 (dossierpagina 510).

12 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] d.d. 16 januari 2012 (dossierpagina 554 midden).

13 Een schriftelijk bescheid, te weten het niet ondertekende proces-verbaal van aangifte d.d. 8 december 2011 (dossierpagina 510).

14 Een schriftelijk bescheid, te weten het niet ondertekende proces-verbaal van aangifte d.d. 8 december 2011 (dossierpagina 511).

15 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 december 2011 (dossierpagina 578 boven).

16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 11 december 2011 (dossierpagina 571 onder).