Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW3952

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
190720 - KG ZA 12-138
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vakbonden vorderen uitstel van de OR-verkiezingen bij Albert Heijn BV omdat bij de huidige indeling in kiesgroepen het winkelpersoneel is ondervertegenwoordigd t.o.v. de leidinggevenden. Vordering wordt afgewezen. Uitleg art. 9 WOR.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 9
Wet op de ondernemingsraden 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/142 met annotatie van mr. I. Zaal
AR-Updates.nl 2012-0398
JAR 2012/142 met annotatie van mr. I. Zaal
ROR 2012/15

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 190720 / KG ZA 12-138

Vonnis in kort geding van 10 april 2012

in de zaak van

1. de vereniging

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

2. de vereniging

CNV DIENSTENBOND,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. N.W. Ruiter te Amsterdam,

tegen

DE ONDERNEMINGSRAAD ALBERT HEIJN B.V.,

gevestigd te Zaandam,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat dr.mr. S.F.H. Jellinghaus te Tilburg

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALBERT HEIJN BV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in het incident,

advocaat mr. J.M. van Slooten te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de Bonden, de Ondernemingsraad en Albert Heijn genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte vermeerdering eis

- de incidentele conclusie tot voeging van Albert Heijn

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de Bonden

- de pleitnota van de Ondernemingsraad

- de pleitnota van Albert Heijn.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Albert Heijn is een detailhandel in levensmiddelen. Zij heeft een ondernemingsraad als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR). De zittingtermijn van de huidige ondernemingsraad eindigt op 1 mei 2012. Voor 16, 17 en 18 april 2012 zijn verkiezingen voor een nieuwe ondernemingsraad gepland.

2.2. In het Reglement Ondernemingsraad Albert Heijn, vastgesteld op 30 november 2011, is onder meer het volgende bepaald:

II SAMENSTELLING EN ZITTINGSDUUR

Artikel 2

1 De Ondernemingsraad bestaat uit 18 leden en komen voort uit de volgende kiesgroepen:

Winkelorganisatie 10 zetels.

A: 1 lid wordt gekozen uit en door de landelijke kiesgroep Regiomanager/ Operationeelmanager.

B: 1 lid wordt gekozen uit en door de landelijke kiesgroep Supermarktmanager.

C: 1 lid wordt gekozen uit en door de landelijke kiesgroep AssistentSupermarktmanager.

D: 1 lid wordt gekozen uit en door de landelijke kiesgroep Teamleider.

E: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers uit de regio 500.

F: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers uit de regio 520.

G: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers uit de regio 540.

H: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers uit de regio 560.

I: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers uit de regio 580.

J: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Medewerk(st)ers Albert werkzaam binnen de Home Shop Centers.

Logistics 7 zetels

K: 1 lid wordt gekozen uit en door de landelijke kiesgroep Operationeel Sitemanager / Operationeelmanager / Director Replenishment / Replenishment Operationeel Manager / Manager- Medewerkers Replenishment Preparation / Manager Externe Exploitaties / Account Manager Externe Exploitaties / Preparation / Flowmanagers / Projectmanager België, Managers BEP & EMS.

L: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers RDC Zaandam/ en de groep Overige Medewerk(st)ers werkzaam binnen Replenishment.

M: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers RDC Zwolle.

N: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers RDC Tilburg.

O: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers RDC Pijnacker.

P: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers LDC Geldermalsen. en alle Medewerk(st)ers werkzaam op de afdelingen Centraal Transport en IT Helpdesk.

Q: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Overige Medewerk(st)ers LVC Nieuwegein / Utrecht.

Vanuit het Hoofdkantoor 1 zetel

S: 1 lid wordt gekozen uit en door de groep Medewerk(st)ers die vallen in de: functiegroep 2 en hoger, HRB winkelorganisatie.

Artikel 7

(…)

4. Binnen 1 week, nadat de in lid 3 bedoelde periode is verstreken, bepaalt de verkiezingscommissie voor iedere kiesgroep het aantal handtekeningen dat nodig is voor de indiening van een kandidatenlijst door degenen, die geen lid zijn van een vereniging van werknemers als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder a. van de WOR, welke een kandidatenlijst heeft ingediend. Dit aantal bedraagt tenminste 1/3 van het aantal van de kiesgerechtigde werknemers, die niet bij een van de verenigingen van werknemers als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder a, van de WOR, zijn aangesloten, met een maximum van 5 handtekeningen.

2.3. De huidige ondernemingsraad bestaat uit 20 leden. De indeling in kiesgroepen op basis waarvan de huidige ondernemingsraad is tot stand gekomen was vrijwel gelijk aan de onder 2.2 vermelde indeling.

2.4. FNV Bondgenoten en CNV Dienstenbond (hierna FNV en CNV) zijn verenigingen als bedoeld in artikel 9 lid 2 aanhef en sub a WOR. Bij brief van 19 januari 2012 heeft de Ondernemingsraad FNV en CNV uitgenodigd kandidaten voor de komende verkiezingen te stellen.

2.5. FNV heeft de Ondernemingsraad bij brief van 10 februari 2012 medegedeeld dat zij van mening is dat de verkiezingen, ten gevolge van de indeling in kiesgroepen, onvoldoende garantie bieden op een juiste vertegenwoordiging van alle binnen de onderneming werkzame personen. FNV verzocht de Ondernemingsraad daarover met haar in overleg te treden en haar vooruitlopend daarop inzage te verschaffen in de numerieke verdeling van actief en passief kiesgerechtigden over de verschillende kiesgroepen. CNV heeft Albert Heijn verzocht betrokken te worden bij het door FNV gevraagde overleg.

2.6. Op 5 maart 2012 heeft overleg plaatsgevonden waarbij de Ondernemingsraad, de Bonden en Albert Heijn vertegenwoordigd waren. Vervolgens heeft CNV Albert Heijn, mede namens FNV, bij brief van 8 maart 2012 bericht dat zij de kwestie aanmerkt als een geschil als bedoeld in artikel 36 WOR. Op 20 maart 2012 hebben de Bonden de Bedrijfscommissie markt I (hierna: de Bedrijfscommissie) om bemiddeling verzocht.

2.7. Op 14 maart 2012 heeft de Ondernemingsraad de Bonden een overzicht verstrekt van de aantallen medewerkers per kiesgroep.

3. Het geschil

3.1. De Bonden vorderen bij dagvaarding dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

3.1.1. de Ondernemingsraad zal veroordelen de voor 16, 17 en 18 april 2012 geplande verkiezingen uit te stellen voor een periode van zes maanden of voor een zodanige periode als de voorzieningenrechter juist zal achten,

3.1.2. zal bepalen dat de zittingstermijn van de zittende ondernemingsraad wordt verlengd met eenzelfde termijn als de verkiezingen later dan 16, 17 en 18 april 2012 worden gehouden,

3.1.3. zal bepalen dat in artikel 7 lid 4 van het reglement van de Ondernemingsraad de zinsnede aan het slot “met een maximum van 5 handtekeningen” moet worden gelezen als “met een maximum van 30 handtekeningen”.

3.1.4. Bij akte vermeerdering eis vorderen de Bonden dat de voorzieningenrechter de Ondernemingsraad zal veroordelen kopieën te verstrekken van de handtekeningenlijsten waarmee de kandidatenlijsten als bedoeld in artikel 9 lid 2 aanhef en onder b WOR zijn ingediend.

3.2. De Ondernemingsraad voert verweer.

3.3. Albert Heijn vordert in het incident dat haar wordt toegestaan zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van de Ondernemingsraad.

3.4. De Bonden en de Ondernemingsraad hebben zich dienaangaande gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

3.5. In de hoofdzaak concludeert Albert Heijn tot afwijzing van de vordering van De Bonden.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzoek van Albert Heijn om zich te mogen voegen aan de zijde van de Ondernemingsraad – waartegen de Bonden en de Ondernemingsraad geen bezwaar hebben gemaakt – is ter zitting toegewezen, aangezien Albert Heijn geacht kan worden belang te hebben bij voeging om benadeling van haar eigen rechten en rechtspositie te voorkomen en aangezien voorts het geding ten gevolge van de voeging niet nodeloos wordt vertraagd of nodeloos ingewikkeld wordt.

4.2. De Bonden leggen aan hun vordering ten grondslag dat in het reglement voor de Ondernemingsraad de WOR op een aantal onderdelen onjuist is toegepast. Volgens de Bonden brengt de verdeling in kiesgroepen, gelet op het aantal werknemers en het aantal OR-leden per kiesgroep, een extreme ondervertegenwoordiging van het winkelpersoneel en een oververtegenwoordiging van leidinggevenden met zich. Voorts stellen de Bonden dat het aantal ondernemingsraadsleden zonder noodzaak te laag is vastgesteld en dat de Ondernemingsraad het aantal handtekeningen dat vereist is voor de indiening van vrije lijsten op vijf heeft gesteld, terwijl dat aantal volgens de WOR dertig behoort te zijn.

4.3. De Bonden stellen zich op het standpunt dat het reglement van de ondernemingsraad moet worden gewijzigd in die zin dat meer recht wordt gedaan aan het uitgangspunt van evenredige vertegenwoordiging. Voorts dient het reglement in overeenstemming te worden gebracht met artikel 9 lid 2 aanhef en sub b WOR. Met het onder 3.1.4 gevorderde beogen de Bonden te controleren of de vrije lijsten niet door vakbondsleden zijn ondertekend.

4.4. De Bonden hebben op de voet van artikel 36 lid 3 WOR de Bedrijfscommissie om bemiddeling verzocht. Zij verwachten dat de Bedrijfscommissie de Ondernemingsraad zal adviseren zijn reglement in overeenstemming te brengen met de WOR. Dat advies zal echter niet worden uitgebracht vóór 16 april 2012. Eventueel zullen de Bonden daarna een bodemprocedure bij de kantonrechter starten. In verband daarmee vorderen de Bonden dat de verkiezingen zes maanden worden uitgesteld.

4.5. De Ondernemingsraad heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis en aangevoerd dat deze op een zodanig laat tijdstip is aangekondigd dat er geen gelegenheid is geweest het verweer tegen de vordering onder 4.1.4 voor te bereiden.

4.6. Wat betreft de vordering tot uitstel van de verkiezingen voert de Ondernemingsraad aan dat de Bonden geen spoedeisend belang hebben bij hun vordering, omdat de bemiddelingszitting op 11 april 2012 plaatsvindt en de Bedrijfscommissie gewoonlijk onmiddellijk uitspraak doet. De Bonden hadden voorts op grond van artikel 16 van het reglement bezwaar kunnen maken tegen de vastgestelde verkiezingsdata. Nu zij dat hebben nagelaten kunnen zij niet thans in kort geding uitstel vorderen. De Ondernemingsraad wijst erop dat verkiezingen van openbare orde zijn en volgens het reglement niet kunnen worden uitgesteld.

4.7. Voorts voert de Ondernemingsraad aan dat de thans gehanteerde indeling in kiesgroepen al bestaat sinds 1999 en dat de Bonden daartegen nimmer bezwaar hebben gemaakt. De Ondernemingsraad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van de door de Bonden genoemde ondervertegenwoordiging van het winkelpersoneel. Volgens de Ondernemingsraad moet niet uitsluitend naar personele aantallen worden gekeken, want het personeel van Albert Heijn bestaat voor 75 % uit korte part-timers, scholieren/studenten met korte contracten voor maximaal 12 uur per week. Een zuivere toepassing van “one man one vote” zou tot een wanverhouding leiden. Door de huidige medezeggenschapsstructuur, die is tot stand gekomen met de hulp van deskundigen uit het veld en het resultaat is van voortdurend evalueren en bijstellen, is er volgens de Ondernemingsraad sprake van materiële evenredige vertegenwoordiging.

4.8. Met betrekking tot de vordering onder 3.1.3 voert de Ondernemingsraad aan dat de stelling van de Bonden, dat artikel 7 van het reglement in strijd is met artikel 9 WOR, berust op een onjuiste lezing van de wet. Volgens de Ondernemingsraad volgt uit de wettekst niet de verplichting om dertig handtekeningen te eisen voor het indienen van een vrije lijst. De vordering onder 3.1.3 kan voorts volgens de Ondernemingsraad niet in kort geding worden toegewezen, aangezien het hier gaat om een wijziging van het reglement, hetgeen als een verklaring voor recht moet worden aangemerkt.

4.9. Albert Heijn voert aan dat uitstel van de verkiezingen haar een aanzienlijke schadepost zal opleveren. De geplande verkiezingen vallen samen met de verkiezingen voor ondernemingsraden van alle andere ondernemingen die tot het Ahold-concern behoren. Vervolgens wordt de centrale ondernemingsraad van Ahold gekozen. Voor de verkiezingen is één gezamenlijke campagne georganiseerd. Direct na de verkiezingen start een programma van trainingen en cursussen voor de nieuw gekozen leden van de ondernemingsraden. De ondernemingsraad van Albert Heijn heeft de meeste zetels in de centrale ondernemingsraad. Uitstel van de verkiezingen bij Albert Heijn brengt met zich dat ook de verkiezingen voor de centrale ondernemingsraad zullen moeten worden uitgesteld. Als de verkiezingen bij Albert Heijn worden uitgesteld zullen de trainingen moeten worden geannuleerd. Daaraan zijn aanzienlijke kosten verbonden.

4.10. Uitstel van de verkiezingen zou voorts onduidelijkheid doen ontstaan over de status van de ondernemingsraad nadat de reglementaire zittingstermijn is verstreken. Evenals de Ondernemingsraad wijst Albert Heijn erop dat de huidige medezeggenschapsstructuur al ruim tien jaar bestaat en dat de Bonden er nog nimmer bezwaar tegen hebben gemaakt. Ook Albert Heijn is van mening dat evenredige vertegenwoordiging niet altijd getalsmatige evenredigheid vereist. Volgens Albert Heijn is in de huidige structuur sprake van kwalitatieve evenredigheid, zodat er geen grond is voor toewijzing van de vorderingen van de Bonden.

4.11. Ten aanzien van het gevorderde uitstel van de verkiezingen overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Bij de inrichting van kiesgroepen heeft de Ondernemingsraad een grote vrijheid binnen de doelstellingen van de wet. Op zichzelf roept de door de Ondernemingsraad gekozen indeling, in het licht van de tevens beoogde evenredige vertegenwoordiging, wel vraagtekens op. Vooralsnog heeft de Ondernemingsraad zijn stelling dat de gekozen indeling in kiesgroepen, mede in het licht van de omvang van de betrekkingen van vele korte part-timers, niet in strijd is met het uitgangspunt van evenredige vertegenwoordiging cijfermatig onvoldoende onderbouwd. Daarbij speelt tevens de combinatie met de beperking in de omvang van de Ondernemingsraad een rol: het aanwijzen van kiesgroepen is immers bedoeld om de vertegenwoordiging van zo veel mogelijk te onderscheiden functiegroepen werknemers in de Ondernemingsraad mogelijk te maken, niet om, zoals ter zitting ten minste is gesuggereerd, een ‘kwaliteitsbeleid’ te voeren ten aanzien van de samenstelling van de ondernemingsraad. Niet is uit te sluiten dat de kantonrechter uiteindelijk de bezwaren van de Bonden tegen de oververtegenwoordiging van de managers gegrond zal verklaren. Daar staat echter tegenover dat bij de onzekerheid of de kantonrechter zover zal gaan, moet worden meegewogen dat een veroordeling tot uitstel van de verkiezingen bij wijze van ordemaatregel, zoals door de Bonden wordt gevorderd, veel ongewenste neveneffecten zal hebben, zoals door Albert Heijn bij tussenkomst naar voren is gebracht.

4.12. In de afweging van de wederzijdse belangen dient te worden meegenomen dat de Bonden zeer kort voor de verkiezingen formeel bezwaar hebben gemaakt tegen een onweersproken al meer dan tien jaar bestaande systematiek van indeling in kiesgroepen waarbij managers en andere leidinggevenden zijn oververtegenwoordigd. Tevens is onzeker of binnen de periode van het gevorderde uitstel van de verkiezingen, zes maanden, partijen in staat zullen zijn om een verbeterde verkiezingssystematiek te ontwerpen dan wel of de kantonrechter daarover een richtinggevende uitspraak zal kunnen doen. Daarbij is van betekenis dat Albert Heijn ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zij zich jegens de nieuw te kiezen Ondernemingsraad niet zal verzetten tegen nieuwe (‘tussentijdse’) verkiezingen indien en voor zover de huidige inrichtingssystematiek van de Ondernemingsraad door de kantonrechter niet aanvaardbaar zal worden geoordeeld. Dat de Ondernemingsraad de beoordeling van deze vraag aan de nieuw te kiezen Ondernemingsraad wil overlaten kan worden gebillijkt, maar laat tevens ruimte voor deze mogelijkheid die alsdan de voorkeur zou verdienen boven het thans gevorderde uitstel.

4.13. Dit voert tot de conclusie dat verlenging van de zittingsduur van de huidige ondernemingsraad niet de meest adequate maatregel lijkt om het verschil van inzicht tussen partijen op dit punt te overbruggen. De onder 3.1.1 en 3.1.2 gevraagde voorzieningen zullen daarom worden geweigerd. De Ondernemingsraad heeft onweersproken aangevoerd dat interne samenhang van kiesgroepen het resultaat is van een langdurige en zorgvuldige afweging, terwijl anderzijds de Bonden, ondanks hun niet onbegrijpelijke bezwaren tegen de indeling, zelf geen concreet alternatief voorstel hebben gedaan. Bij die stand van zaken ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om zelf een andere maatregel te treffen.

4.14. Met betrekking tot het onder 3.1.3 gevorderde wordt het volgende overwogen. In artikel 9 lid 2 aanhef en sub b WOR leest de voorzieningenrechter, anders dan de Bonden, dat het reglement niet mag bepalen dat voor het indienen van een kandidatenlijst een hoger aantal dan dertig handtekeningen is vereist. Wat er zij van de gebruiken die de wettekst in ondernemingen heeft opgeroepen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de bepaling in het reglement dat voor het indienen van een vrije kandidatenlijst maximaal vijf handtekeningen nodig zijn niet in strijd met artikel 9 WOR. De vordering onder 3.1.3 is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

4.15. Het bezwaar van de Ondernemingsraad tegen de onder 3.1.4 vermelde vermeerdering van eis wordt verworpen. De geldigheid van de vrije lijsten wordt door het gevorderde sub 3.1.3 aangevochten, zodat de vermeerderde vordering onder 3.1.4 als annex hiervan kan worden aangemerkt. Beide vorderingen zien immers op de toelaatbaarheid van de vrije lijsten.

4.16. Weliswaar hebben de Bonden in de dagvaarding noch in de akte vermeerdering van eis specifieke gronden voor de vordering onder 3.1.4 aangevoerd, maar dit onderdeel van de vordering is ter zitting voldoende toegelicht en gelet op de samenhang met vordering onder 3.1.3 kan de Ondernemingsraad niet geacht worden zich hierop onvoldoende te hebben kunnen prepareren.

4.17. Aangaande de vrije lijsten zijn nog geen besluiten genomen door de verkiezingscommissie. Niet is gesteld of gebleken dat er concrete aanwijzingen zijn voor onregelmatigheden. De verkiezingscommissie heeft het formulier voor de vrije lijsten zodanig ingericht dat het doel van de Bonden met dit onderdeel van haar vordering, erop toe te zien dat haar leden niet meetekenen voor een vrije lijst, vooralsnog voldoende is gewaarborgd. Aan de ondertekenaars wordt immers gevraagd te vermelden of hij/zij lid is van een vakbond. Tegen die achtergrond is er onvoldoende grond om te vrezen voor onregelmatigheden. Ook dit onderdeel van de vordering is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

4.18. De slotsom van al het voorgaande is dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd. De Bonden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten worden als volgt begroot:

aan de zijde van de Ondernemingsraad op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

en aan de zijde van Albert Heijn op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt de Bonden in de proceskosten aan de zijde van de Ondernemingsraad, tot op heden begroot op EUR 1.391,00,

5.3. veroordeelt de Bonden in de proceskosten aan de zijde van Albert Heijn, tot op heden begroot op EUR 1.391,00,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 10 april 2012.?