Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW3737

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
11/4615
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De navorderingsaanslag is met voldoende voortvarendheid opgelegd. Verweerder heeft de aanslag immers de dag na ontvangst van de Verklaring vrijwillige verbetering opgelegd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat verweerder vóór de ontvangst van de Verklaring vrijwillige verbetering daartoe in de gelegenheid was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1315
FutD 2012-1341
V-N 2012/35.21.20

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 11/4615

Uitspraakdatum: 26 april 2012

Uitspraak in het geding tussen

X te Z, eiser,

gemachtigde: mr.drs. A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1997 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 53.154 (de navorderingsaanslag) en bij beschikking een bedrag van ƒ 24.603 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 augustus 2011 de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 27.104 en de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot een bedrag van ƒ 12.545.

1.3. Eiser heeft op 24 augustus 2011 beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser heeft op 30 december 2009 een zogenoemde “Verklaring vrijwillige verbetering Buitenlands vermogen” ingediend bij verweerder, waarbij hij heeft verklaard gerechtigd te zijn geweest tot bankrekeningen in Zwitserland, Luxemburg en Oostenrijk.

2.2. Met dagtekening 31 december 2009 heeft verweerder de navorderingsaanslag opgelegd naar een geschat bedrag.

2.3. Op 8 januari 2010 heeft verweerder aan eisers gemachtigde een verzoek om nadere inlichtingen ten aanzien van het buitenlandse vermogen gezonden.

2.4. Op 21 januari 2010 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag.

2.5. Eiser heeft in de bezwaarfase inlichtingen verstrekt aan de hand waarvan verweerder de navorderingsaanslag en het bedrag van de heffingsrentebeschikking heeft verminderd.

3. Geschil

3.1. Met betrekking tot de navorderingsaanslag is in geschil of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld in het kader van de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Voorts is het bedrag van de in rekening gebrachte heffingsrente in geschil.

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, en primair tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de heffingsrentebeschikking, en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de heffingsrente en vermindering van de berekende heffingsrente.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding.

4. Beoordeling van het geschil

Voortvarendheid

4.1. De rechtbank stelt voorop dat de twaalfjaarstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR ten aanzien van de navorderingsaanslag afliep op 31 december 2009. De navorderingsaanslag is derhalve – in beginsel – tijdig opgelegd.

4.2. Eiser betoogt onder verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank alsmede naar uitspraken van rechtbank ’s-Gravenhage dat de navorderingsaanslag niet in stand kan blijven als gevolg van stilzitten aan de zijde van verweerder.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien dat verweerder de termijn voor oplegging van de navorderingsaanslag verder heeft overschreden dan noodzakelijk was. Verweerder heeft de aanslag immers de dag na ontvangst van de Verklaring vrijwillige verbetering opgelegd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat verweerder vóór de ontvangst van de Verklaring vrijwillige verbetering daartoe, als gevolg van eerdere aanwijzingen voor het bestaan van de verzwegen buitenlandse vermogensbestanddelen, in de gelegenheid was.

4.4. Voor zover eiser betoogt dat verweerder de navorderingstermijn verder heeft overschreden dan noodzakelijk was gelet op vermeend stilzitten aan de zijde van verweerder in de bezwaarfase, kan hij daarin niet worden gevolgd. Voor de vraag of verweerder in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld bij de bevoegdheid tot navorderen op de voet van artikel 16, vierde lid, van de AWR, is immers de periode ná oplegging van de navorderingsaanslag in het geheel niet relevant.

Heffingsrente

4.5. Eiser voert aan dat verweerder de heffingsrente ten onrechte niet heeft beperkt tot 31 mei 2010, zijnde twee maanden na het verstrekken aan verweerder van kopieën van alle bankafschriften (op 29 maart 2010). Verweerder heeft daartegen ingebracht dat de heffingsrente is berekend tot 1 januari 2010. Daartoe heeft verweerder in bijlage 19 bij het verweerschrift de berekening van de heffingsrente opgenomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de in rekening gebrachte heffingsrente is berekend over een kortere periode dan de door eiser genoemde periode, hetgeen niet ten nadele van eiser is. Overigens is de rechtbank niet gebleken dat de heffingsrente niet op de juiste wijze is berekend, zodat eiser ook in zoverre in het ongelijk dient te worden gesteld.

Slotsom

4.6. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, mr. H.A.M. Röell-Mulder en mr. T.A. de Hek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.