Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW2968

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
15/800067-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen invoer cocaïne; niet-ontvankelijkheidverweer; schending art. 6 en 8 EVRM; schending van beginselen van een goede procesorde; art. 348 Sv; art. 359a Sv; strafvermindering.

In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 227 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank neemt op grond van het verhandelde ter terechtzitting ten bezware van verdachte in aanmerking, dat hij kennelijk een organiserende en begeleidende rol in deze drugssmokkel had, waardoor hijzelf niet het meeste risico heeft hoeven lopen. Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking, dat hij in het verleden meermalen is veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel, dat de door de officier van justitie gevorderde straf in beginsel in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd met dien verstande dat rekening houdend met de ernst van de schending van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dit dient te leiden tot enige strafmindering, zodat de rechtbank van oordeel is dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800067-11

Uitspraakdatum: 19 april 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 april 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Curaçao (Nederlandse Antillen),

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 227,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Bespreking van het niet-ontvankelijkheidverweer

De raadsman heeft betoogd, dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vervolging van verdachte, nu - door publicatie van informatie en camerabeelden, die door de KMar aan de NOS zijn verstrekt - onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte - ernstig tekort is gedaan aan het recht van verdachte op een eerlijk proces en diens recht op privacy. Een minder verstrekkend gevolg dan de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie volstaat niet om recht te doen aan de ernst van de inbreuk op de (grond)rechten van verdachte, temeer nu die inbreuk is gemaakt door volstrekt onnodig handelen van de marechaussee, dat geen enkel redelijk belang diende.

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar onder meer het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2007 (LJN: AE4767), geconcludeerd tot verwerping van het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer. Zij stelt zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt, dat het in het late journaal van de NOS, getoonde fragment, waarbij verdachte slechts eenmaal ongecensureerd in beeld was en niet met naam en toenaam werd genoemd, weliswaar een schending van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) oplevert, maar niet een zodanige dat dit meer compensatie vergt dan de enkele constatering dat de schending heeft plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de camerabeelden waargenomen en op grond van deze waarneming vastgesteld dat verdachte in een late NOS-uitzending, éénmaal (kort) ongecensureerd in beeld was, niet bij naam werd genoemd, met voorafgaand commentaar door een KMar-medewerker dat "bijna geen misdrijf aan de aandacht ontsnapt" en voorts als commentaar tijdens het beeld van verdachte: "van diefstal tot drugshandelaren die een bolletjesslikker belagen".Voorts is verdachte in het NOS-journaal van 20.00 uur gecensureerd in beeld gekomen waarbij het volgende commentaar werd gegeven: "Op Schiphol hebben drugshandelaren het een stuk moeilijker gekregen.....Bijna geen misdrijf blijft onbespied......Daarbij gaat het om kruimelwerk maar ook om deze ripdeal waarbij rivaliserende bendes een bolletjesslikker belagen met een geladen pistool". Genoemde beelden zijn voorts op de website van de NOS en de Telegraaf geplaatst. Daarbij heeft de Telegraaf als commentaar vermeld: "Op deze beelden is te zien hoe collega's ingrijpen bij een drugsdeal".

Het vertonen van de door de KMar verstrekte camerabeelden in combinatie met de genoemde mededelingen levert naar het oordeel van de rechtbank een schending op van de beginselen van een goede procesorde als bedoeld in artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (de onschuldpresumptie en het recht op privacy). Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van die wet is, nu deze schending niet plaatsvond in het voorbereidend onderzoek naar strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 132 van het Wetboek van Strafvordering, geen sprake.

Alhoewel het Openbaar Ministerie verantwoordelijk kan worden gehouden voor het verstrekken van de camerabeelden en het doen van uitlatingen door (een medewerker van) de KMar, is niet aannemelijk geworden dat het Openbaar Ministerie die (grond)rechten van verdachte doelbewust heeft geschonden.

De rechtbank acht de schending derhalve niet van dien aard, dat deze zou moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging van verdachte, maar wel zodanig ernstig dat ter compensatie niet kan worden volstaan met de enkele constatering dat de schending heeft plaatsgevonden. Niet valt immers uit te sluiten dat verdachte van de schending enig nadeel heeft ondervonden. Bij een (eventuele) strafoplegging zal de rechtbank met de schending rekening houden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het Openbaar Ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenis-straf voor de duur van acht (8) maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank de teruggave aan verdachte zal gelasten van het onder hem in beslag genomen geldbedrag, alsmede dat zij bij vonnis de gevangenneming van verdachte zal bevelen.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 14 januari 2011 omstreeks 6.50 uur werd voor de Burger King op de luchthaven Schiphol een manspersoon gezien die zich nerveus gedroeg. De persoon had een Antilliaans uiterlijk en droeg een zwarte jas van het merk Nickelson met een bontkraag eraan. Omstreeks 7.20 uur werd deze persoon gezien, alleen zittend aan een tafeltje op het terras van Starbucks, met zijn gezicht richting de douanedeur van aankomsthal 4. De man keek nerveus om zich heen, stond op een gegeven moment op, ging bij de douanedeur van aankomsthal 4 bij een andere onbekende man staan en begon tegen deze te praten.

Omstreeks 8.25 uur kwam een derde persoon, naar later bleek [medeverdachte 1], bij hen staan.

Omstreeks 8.40 uur kwamen twee manspersonen - naar later bleek [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] - vanuit de richting van de douanedeur bij aankomsthal 4, liepen naar [medeverdachte 1] en de twee andere onbekende personen toe en bleven staan. Alle genoemde personen gingen als een groep bij elkaar staan en praatten, onverstaanbaar, luid met elkaar. De groep liep vervolgens in de richting van Albert Heijn in aankomsthal 4. Gezien en gehoord werd, dat [medeverdachte 2] onverstaanbaar naar [medeverdachte 1] schreeuwde en deze wegduwde, waarna [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] schreeuwde en deze vastpakte. De andere personen van de groep gingen om hen heen staan en begonnen op een onvriendelijke wijze aan elkaar te trekken en te duwen. De groep liep luid pratend en duwend in de richting van draaideur A, waar de groep bleef staan en onderling aan elkaar bleef trekken en duwen. Door [medeverdachte 1] werd herhaaldelijk aan [medeverdachte 2] getrokken, waarbij de indruk werd gewekt dat [medeverdachte 2] niet met de anderen naar buiten wilde. Vervolgens is de groep uit elkaar gehaald en worden [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 4] aangehouden.2

Bij het uitkijken van de van 14 januari 2011 opgeslagen beelden van de beveiligingscamera's wordt onder meer gezien, dat:

- [medeverdachte 2] vanuit de passage van airside naar landside aankomsthal 4 in beeld komt lopen;

- [medeverdachte 3] in de richting van [medeverdachte 2] loopt en hem omhelst;

- [verdachte] direct op [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] afloopt en een confrontatie met hen lijkt aan te gaan;

- het drietal wegloopt van de schuifdeuren bij aankomsthal 4 en loopt in de richting van [medeverdachte 1] en [een (nog) niet vervolgde medeverdachte] die vanuit de linkerzijde in beeld lopen;

- [medeverdachte 3] met zijn rechterarm [medeverdachte 2] om zijn linkerarm pakt en hem weg lijkt te trekken;

- [medeverdachte 2] op dat moment een discussie lijkt te hebben met [verdachte];

- [medeverdachte 2] voor draaideur A omringd staat door [medeverdachte 3], [medeverdachte 1], [verdachte], [medeverdachte 4] en [een (nog) niet vervolgde medeverdachte], die allen zichtbaar naar [medeverdachte 2] kijken en kennelijk tegen hem lijken te praten;

- [medeverdachte 1] met zijn rechterarm gebaren maakt in de richting van [verdachte];

- [verdachte] achter [een (nog) niet vervolgde medeverdachte] langs loopt, terug loopt en een confrontatie zoekt met [medeverdachte 2];

- [verdachte] daarbij [een (nog) niet vervolgde medeverdachte] passeert en daarbij met zijn rechterhand een duwende beweging maakt tegen de rechterbovenarm van [een (nog) niet vervolgde medeverdachte], die zijn rechterhand uit zijn jaszak haalt en deze op de rug legt van [medeverdachte 2];

- [een (nog) niet vervolgde medeverdachte] iets zegt tegen [medeverdachte 2] en daarna direct via draaideur A naar buiten vertrekt;

- [verdachte] en [medeverdachte 4] voor [medeverdachte 2] staan;

- [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] handgebaren maken naar het drietal [verdachte], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2];

- [medeverdachte 3] achter het drietal langs loopt en contact zoekt met zijn broer [medeverdachte 2], die op dat moment kennelijk een discussie heeft met [verdachte];

- [medeverdachte 1] met beide handen [verdachte] en [medeverdachte 4] uit elkaar duwt om vervolgens kennelijk een discussie aan te gaan met [verdachte];

- [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1] onderling kennelijk een discussie hebben;

- [medeverdachte 4] zijn rechterhand aan zijn rechteroor houdt en lijkt te bellen.3

Op 14 januari 2011 omstreeks 11.00 uur bleek uit de reisbescheiden van [medeverdachte 2], dat deze zojuist met vlucht KL714 vanuit Paramaribo (Suriname) was gearriveerd.

Op grond van de reisbescheiden, de reisgegevens en uiterlijke kenmerken ontstond het vermoeden, dat [medeverdachte 2] inwendig bolletjes met cocaïne vervoerde. Nadat hem was medegedeeld, dat het inwendig vervoeren van bolletjes met cocaïne grote medische risico's oplevert, deelde [medeverdachte 2] na enige tijd mede, dat hij bolletjes met cocaïne had geslikt en dat hij nu moest poepen.4

In totaal werden er bij [medeverdachte 2] 23 slikkersbollen aangetroffen met daarin een witte, qua kleur en samenstelling op cocaïne gelijkende stof. Het totaal nettogewicht van de bij [medeverdachte 2] aangetroffen stof bedroeg ongeveer 227,7 gram. Van de aangetroffen stof is een representatief monster genomen en onderzocht in het Douane Laboratorium te Amsterdam.5

De deskundige van het Douane Laboratorium heeft geconcludeerd dat het onderzochte materiaal cocaïne bevat.6

Op 14 januari (de rechtbank begrijpt en leest:) 2011 werd bij [medeverdachte 2] een mobiele telefoon, voorzien van een simkaart met het nummer [sim 1], in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken, dat:

- op 21 december 2010 middels die simkaart een sms-bericht is ontvangen met de inhoud "[nummer] cuneyt ucar [adres]"; het sms-bericht was verzonden middels telefoonnummer [mobiele telefo[mobiele telefoonnummer 1], toebehorend aan een op 14 januari 2011 onder [verdachte] in beslag genomen telefoon;

- op 24 december 2010 middels die simkaart is ontvangen een sms-bericht met de inhoud: "Vodafone service. U heeft 1 oproep(en) gemist van [mobiele telefo[mobiele telefoonnummer 1]. De laatste was op 24-12-2010 om 13:23 uur."7

Op 14 januari (de rechtbank begrijpt en leest:) 2011 werd bij [medeverdachte 2] een simkaart met het nummer [sim 2] in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat op 25 december (de rechtbank begrijpt en leest:) 2010 middels die simkaart een sms-bericht is ontvangen met de inhoud: "[adres]"; het sms-bericht was verzonden middels telefoonnummer [mobiele telefo[mobiele telefoonnummer 1], toebehorend aan een op 14 januari 2011 onder [verdachte] in beslag genomen telefoon.8

Uit onderzoek is gebleken, dat de reis van [medeverdachte 2] was geboekt bij reisbureau Reena's Reizen, gevestigd te Amsterdam. Door Reena's Reizen werden boekings-, betalings- en reisgegevens van [medeverdachte 2] ter beschikking gesteld, te weten:

- een kopie kwitantie ten name gesteld van [medeverdachte 2] en afgegeven voor de, contant betaalde, reis Amsterdam-Paramaribo-Amsterdam; heenreis 24 december en terugreis 13 januari;

- een kopie van een handgeschreven factuur, afgegeven voor [medeverdachte 2]. Op de factuur staat de reis Amsterdam-Paramaribo-Amsterdam en data heenreis 24 december en terugreis 13 januari vermeld. Deze reis is 21 december 2010 contact betaald tegen een bedrag van € 1340,-. Tevens staat het GSM-nummer [mobiele telefoonnummer 2] op de factuur vermeld.

Uit onderzoek van de in beslag genomen telecommunicatie blijkt dat het GSM-nummer [mobiele telefoonnummer 2] in gebruik was bij [medeverdachte 4].9

Bij [medeverdachte 4] werden vier mobiele telefoons aan getroffen, voorzien van de respectieve Imei-nummers [IMEI 1], [IMEI 2], [IMEI 3] en [IMEI 4]. Naar aanleiding van onderzoek aan de printlijst van de bij [medeverdachte 4] aangetroffen mobiele telefoon voorzien van het Imei-nummer [IMEI 4] is gebleken, dat:

- die mobiele telefoon in de periode van 30 november 2010 tot en met 29 december 2010 154 maal telefonisch contact had met het mobiele telefoonnummer [mobiele telefoonnummer 1];

- de bij de aanhouding van [verdachte] aangetroffen mobiele telefoon met het Imei-nummer [IMEI 1], volgens de historische printgegevens, voorzien is geweest van de simkaart met telefoonnummer [mobiele telefoonnummer 1].

Voorts is uit de historische printgegevens gebleken, dat de mobiele telefoon met Imei-nummer [IMEI 4] op 24 december 2010 de telecommunicatiemasten met de nummers 50610 (gelegen aan de Terminal te Schiphol) en 3193 (gelegen aan de Terminal building te Schiphol) aanstraalt.10

[medeverdachte 1] heeft onder meer verklaard, dat hij met [medeverdachte 3] naar de Luchthaven Schiphol is gekomen om diens broer [medeverdachte 2] op te halen. Hij heeft [een (nog) niet vervolgde medeverdachte] gevraagd om een auto te huren. Op de luchthaven Schiphol zag hij twee andere jongens, een lange met lange dreds en een kleine donkere. Deze jongens liepen snel naar [medeverdachte 2] toe op het moment dat deze zijn broer omhelsde. Dit was direct na het naar buitenkomen bij Arrival 4. Deze jongens gingen kort op [medeverdachte 2] staan, één links en één rechts, en begeleidden hem naar de uitgang van het gebouw. Dit was niet vrijwillig. Toen hij die kleine van zich afduwde zei deze: "Bemoei je er niet mee, jij weet niet wie ik ben, straks klap ik je", of zoiets.11

[een (nog) niet vervolgde medeverdachte] heeft verklaard, dat hij aan P4 (de broer die aankwam vanuit Suriname, de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) vroeg waarom P2 (de lange jongen met de dreds en licht getinte huidskleuren, de rechtbank begrijpt: [verdachte]) en P3 (de kleine jongen met donker getinte huidskleur, de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4]) hem wilden meenemen. Hij hoorde P4 zeggen dat hij had geslikt voor P2 en P3 maar dat hij ze niets ging geven.12

Op 12 januari 2011 is gezien dat twee negroïde mannen en een vrouw naar de incheckbalie liepen voor de vlucht naar Suriname, waar door de vrouw werd ingecheckt. De naam van de vrouw was [betrokkene 1]. Eén van de mannen die haar vergezelde, bleek [medeverdachte 4] te zijn. Het ticket van de vrouw bleek op 5 januari 2011 te zijn gekocht bij Reena's Reizen te Amsterdam. Voornoemde [betrokkene 1] werd op 29 januari 2011 ter zake van vermoedelijke overtreding van de Opiumwet wegens het inwendig vervoeren van verdovende middelen aangehouden.13

[betrokkene 1] heeft verklaard, dat zij op 12 januari 2011 door onder meer [medeverdachte 4] oftewel "de kleine" is weggebracht. Hij had haar samen met ene "[bijnaam]" voorgesteld om drugs te smokkelen. Op de dag van vertrek heeft zij haar paspoort - dat zij een week of anderhalve week voor vertrek aan hem had gegeven - van hem teruggekregen en zakgeld. Met haar paspoort had hij het ticket gehaald; ook heeft hij haar visum aangevraagd Zij herkent [medeverdachte 2] bij het tonen van zijn foto als de man die bollen aan het slikken was toen zij in Suriname aankwam.14

4.2. Bewijsoverweging

Gezien de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden in onderling samenhang en verband bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [verdachte], tezamen en in vereniging zich schuldig hebben gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne op 14 januari 2011. De rechtbank heeft daarbij met name in aanmerking genomen de onderlinge telefonische contacten, de boeking van de reis van [medeverdachte 2] met het telefoonnummer van [medeverdachte 4] bij reisbureau Reena's Reizen te Amsterdam, de omstandigheid dat de drugskoerier [betrokkene 1] welke in opdracht van [medeverdachte 4] eveneens drugs heeft gesmokkeld en [medeverdachte 2] in hetzelfde pand in Suriname heeft getroffen waar zij de drugs moest slikken, de boeking door [medeverdachte 4] van haar ticket bij hetzelfde reisbureau, het sms-bericht van [verdachte] aan [medeverdachte 2] op 25 december 2010 met het adres "[adres]", en de aanwezigheid van [medeverdachte 4] en [verdachte] bij aankomst van [medeverdachte 2], waarbij duidelijk is waargenomen dat zij [medeverdachte 2] die inwendig cocaïne vervoerde, dwongen om met hem mee te gaan. Deze handelingen duiden op een nauwe en bewuste samenwerking tussen deze verdachten zodat sprake is van medeplegen.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 14 januari 2011 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 227,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank in aanmerking genomen, dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 227 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

7.1. Hoofdstraf

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank neemt op grond van het verhandelde ter terechtzitting ten bezware van verdachte in aanmerking, dat hij kennelijk een organiserende en begeleidende rol in deze drugssmokkel had, waardoor hijzelf niet het meeste risico heeft hoeven lopen.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking, dat hij in het verleden meermalen is veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel, dat de door de officier van justitie gevorderde straf in beginsel in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd met dien verstande dat rekening houdend met de ernst van de schending van de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dit dient te leiden tot enige strafmindering, zodat de rechtbank van oordeel is dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Beslissing omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 640,00 aan verdachte dient te worden teruggegeven, nu niet is gebleken of aannemelijk geworden, dat dat geldbedrag met betrekking tot het bewezen verklaarde feit is verkregen en/of het bewezen verklaarde feit met behulp van dat geld, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

9. Vordering tot gevangenneming

De rechtbank acht geen termen aanwezig om tot toewijzing van de vordering tot gevangenneming van verdachte over te gaan. De rechtbank overweegt daartoe dat niet aannemelijk is dat sprake is van vluchtgevaar of anderszins sprake is van een grond welke voorlopige hechtenis zou rechtvaardigen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

47 van het Wetboek van Strafrecht.

2 en 10 van de Opiumwet.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER (4) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een geldbedrag van € 640,00.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot de gevangenneming van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.P.J. Ruijpers, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. C.M. Cichowski-van der Kleijn, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A.B. van Velzen,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 april 2012.

Mr. Cichowski-van der Kleijn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 januari 2011 (Onderzoek Focus, dossierpagina's 53 tot en met 56) en de processen-verbaal van aanhouding d.d. 14 januari 2011 (Onderzoek Focus, respectieve dossierpagina's 65/66, 197/198, 262/263, 300/400 en 558/559).

3 Proces-verbaal uitkijken videobeelden d.d. 21 april 2011, met bijlage (Onderzoek Focus, dossierpagina's 57 t/m 64).

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2011 (Onderzoek Focus, dossierpagina's 67/68).

5 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 17 januari 2011, met bijlagen (Onderzoek Focus, dossierpagina's 88 t/m 94).

6 Het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 21 januari 2011, kenmerk 583 X 11 (los in dossier).

7 Proces-verbaal bevindingen d.d. 28 januari 2011, met bijlagen (Onderzoek Focus, dossierpagina's 132 t/m 149).

8 Proces-verbaal bevindingen d.d. 28 januari 2011, met bijlagen (Onderzoek Focus, dossierpagina's 168 t/m 188).

9 Proces-verbaal boekingsgegevens d.d. 15 april 2011, met bijlagen (los in dossier).

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 maart 2011 (Onderzoek Focus, dossierpagina's 685 t/m 688).

11 Proces-verbaal van verhoor d.d. 16 januari 2011 (Onderzoek Focus, dossierpagina's 283 t/m 292).

12 Proces-verbaal van verhoor d.d. 15 januari 2011 (Onderzoek Focus, dossierpagina's 761 t/m 771)

13 Proces-verbaal van relaas d.d. 31 maart 2011 (Onderzoek Beuk, dossierpagina's 004 e.v.)

14 Proces-verbaal van verhoor d.d. 3 februari 2011 (Onderzoek Beuk, dossierpagina's 139 t/m 148).