Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW2961

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
15/660336-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; artikelen 6, 7 en 8 Wegenverkeerswet 1994; rijden onder invloed; verlaten plaats na ongeval; veroorzaken van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval; roekeloos; roekeloosheid; aanmerkelijk onvoorzichtig; aanmerkelijk onoplettend; zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte heeft zich in één nacht schuldig gemaakt aan overtreding van verschillende voorschriften uit de Wegenverkeerswet. Na een avond stappen met vrienden heeft verdachte het besluit genomen, ondanks dat een ander de Bob was en verdachte nota bene zijn autosleutels aan deze jongen had gegeven, met een aanzienlijke hoeveelheid alcohol in zijn bloed achter het stuur van zijn auto te gaan zitten. Dit zeer onverstandige besluit van verdachte heeft geresulteerd in een dollemansrit door de bebouwde kom van Hoofddorp. Door na het nuttigen van alcohol toch een motorrijtuig te besturen, worden andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. In het geval van verdachte heeft zich dat gevaar niet veel later ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Op enig moment is verdachte met zijn voertuig op de busbaan gaan rijden met een dusdanige snelheid dat een buschauffeur die daar ook reed, waarneemt dat verdachte de bocht maar met moeite kon houden. Verdachte heeft vervolgens op een recht stuk weg gas bij gegeven en daarbij een rood verkeerslicht genegeerd. Gevolg van de opeenstapeling van verkeersovertredingen van verdachte is een zeer ernstig verkeersongeval geweest met een auto die op dat moment de busbaan overstak. Naast de aanzienlijke materiële schade aan het voertuig zijn de beide inzittenden van de auto zwaar gewond geraakt en had het voor hen nog veel slechter kunnen aflopen. Waar verdachte gehouden was deze mensen hulp te bieden en nadat de hulpdiensten waren gearriveerd zijn identiteit op behoorlijke wijze kenbaar te maken, heeft verdachte er voor gekozen het op een lopen te zetten. De rechtbank wil aannemen dat verdachte hierbij kennelijk in paniek heeft gehandeld maar dat doet aan het kwalijke daarvan niet wezenlijk af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/660336-10

Uitspraakdatum: 13 april 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 maart 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Maassluis,

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 04 september 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig, (personenauto),voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 525 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Feit 2

hij op of omstreeks 04 september 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Aletta Jacobsdreef/ de afgescheiden busbaan,(welke busbaan als zodanig was aangegeven middels een bord C1 van Bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met onderbord "Uitgezonderd Lijnbussen"), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden, immers

heeft hij op die busbaan gereden met een snelheid gelegen tussen 56 en 71 km/uur, terwijl ter plaatse 50 km/uur was toegestaan in elk geval heeft gereden met een gezien de situatie ter plaatse te hoge, in elk geval gezien de sitiuatie ter plaatse onverantwoordde snelheid en/of (vervolgens)

gekomen bij de middels verkeerslichten, als bedoeld in het het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, beveiligde kruising of splitsing van deze busbaan en de Haya van Somerensingel, na een in zijn rijrichting roodlicht uitstralend (voor het busverkeer bestemd) verkeerslicht/negenoog te hebben genegeerd, die kruising is opgereden,

op het moment dat een personenauto,gezien verdachtes rijrichting komend van rechts, welke na een in zijn rijrichting groenlicht uitstralend verkeerslicht te zijn gepasseerd, die kruising is opgereden,

waarna of (mede) waardoor een aanrijding of botsing ontstond tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en dat andere die kruising op rijdend motorrijtuig waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden) zwaar lichamelijk letsel, te weten die [slachtoffer 1] een rotsbeenfractuur (rechts) en/of een hersenkneusing (links) en/of die [slachtoffer 2] een hersenkneusing (rechtsachter) en/of een schedelfractuur aan de voorzijde en/of een kaakfractuur of (beiden) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

Feit 3

hij op of omstreeks 5 september 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de kruising Haya van Somerensingel/ Aletta Jacobsdreef, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander of anderen (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) letsel en/of schade was toegebracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten, en/of (vervolgens) daardoor die anderen naar hij wist of redelijkerwijze moest vermoeden in hulpeloze toestand werden achter gelaten.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar, een werkstraf voor de duur van 120 uur alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaar.

4. Bewijs

4.1. Bewijs(middel)verweer

Door de raadsman is met betrekking tot de feiten 1 en 2 aangevoerd dat de uitslag van de ademanalyse niet voor het bewijs kan worden gebruikt nu de bij dit onderzoek gebruikte apparatuur, in strijd met de wettelijke vereisten, niet door de Minister van Justitie is aangewezen als een apparaat waarmee een ademanalyse kan worden uitgevoerd. Gevolg hiervan is dat verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken en dat voor feit 2 geldt dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte onder invloed van een hoger alcoholpromillage dan wettelijk is toegestaan heeft gereden, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier blijkt dat verdachte na zijn aanhouding heeft meegewerkt aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, te weten een ademanalyse, door het blazen van ademlucht in een voor dat onderzoek bestemd apparaat. Nadere regels met betrekking tot het vaststellen van het alcoholgehalte van uitgeademde lucht en het daarbij te gebruiken apparaat zijn neergelegd in het Besluit alcoholonderzoeken (Besluit van 5 juli 1997, Stb. 293, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 25 november 2008, Stb. 520). Artikel 3 van dit Besluit bepaalt onder meer dat voor het verrichten van ademanalyse gebruik wordt gemaakt van een ademanalyseapparaat dat behoort tot een door de Minister van Justitie aangewezen type. In de Regeling type-aanwijzing ademanalyse-apparaat 3 (geldend ten tijde van de onderhavige feiten) wordt aan dit artikel uitvoering gegeven. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier bevindt een ambtsedig proces-verbaal waarin de verbalisant die het betreffende onderzoek heeft uitgevoerd, verklaart dat bij de ademanalyse van verdachte gebruik is gemaakt van een apparaat dat door de Minister van Justitie is aangewezen ingevolge het Besluit Alcoholonderzoeken. Reeds op die grond en in aanmerking nemend dat namens verdachte de betrouwbaarheid van de ademanalyse ook niet is betwist, verwerpt de rechtbank het verweer. Daarbij komt dat in artikel 1 eerste lid onder c van genoemde Regeling typeaanwijzing ademanalyseapparaat 3 staat vermeld dat ademanalyseapparaten van het type Intoximeters zijn aangewezen door de Minister van Justitie voor het doen van ademanalyses. Volgens de uitslag van het voltooide ademonderzoek zoals zich dat in het dossier bevindt, is de ademanalyse uitgevoerd met apparatuur van de firma Honac Nederland BV, hetgeen gelet op de ter terechtzitting door de officier van justitie gedane mededeling dat deze firma uitsluitend ademanalyseapparaten van het type Intoximeters fabriceert, eveneens tot de conclusie leidt dat de ademanalyse die bij verdachte is afgenomen voldoet aan de daartoe gestelde wettelijke regels.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden feit 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem, behoudens het verweer dat hiervoor reeds is verworpen, geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 16 december 2010 met bijlagen (dossierpagina 107 en 108);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van invordering rijbewijs beginnend bestuurder (los opgenomen in het dossier);

- een schriftelijk bescheid, te weten een "Honac"-ademanalyse formulier.

4.3. Redengevende feiten en omstandigheden feiten 2 en 31

Op zaterdag 4 september 2010 omstreeks 00.40 uur surveilleert een motoragent op de Van Heuven Goedhartlaan in Hoofddorp. Tijdens deze surveillance ziet de agent op 200 meter voor hem een auto in dezelfde richting rijden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ongeveer 50 km/u die hij op dat moment zelf rijdt. De agent ziet de personenauto de busbaan op rijden welke alleen voor lijnbussen bestemd is. Wanneer de agent op de kruising van de Aletta Jacobsdreef met de Haya van Somerensingel komt, ziet hij een beschadigde zwarte Seat Ibiza staan, met daarin twee personen die gewond zijn. Een stukje verderop staat een rode Seat Ibiza met ernstige schade aan de voorzijde, waarbij rook onder de motorkap vandaan komt. In dat voertuig zitten op dat moment geen personen.2 In de zwarte Seat zitten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die beiden gewond zijn geraakt.3 Hoewel niemand het daadwerkelijke ongeval heeft zien gebeuren, is door een buschauffeur die op de busbaan rijdt wel gezien dat er een rode auto met een flinke snelheid voor hem op de busbaan reed die met moeite en slippende banden in de bocht kon blijven rijden. Kort hierna ziet de buschauffeur op voornoemde kruising deze rode auto zwaar beschadigd staan en ziet hij twee personen weglopen.4

Bij het ongeval is een rode Seat Ibiza betrokken met kenteken [kenteken].5 Wanneer navraag wordt gedaan in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer komt naar voren dat dit kenteken op naam staat van verdachte.6 Naar aanleiding van deze bevindingen begeven agenten zich op 4 september omstreeks 02.25 uur naar het adres waar verdachte woonachtig is. Aldaar spreken zij de vader van verdachte, die aangeeft dat zijn zoon niet thuis is. De vader van verdachte neemt naar aanleiding van het bezoek van de agenten direct telefonisch contact met verdachte op. Tijdens het telefoongesprek spreekt verdachte ook met de agenten en geeft hen aan waar hij zich op dat moment bevindt. Op het opgegeven adres wordt verdachte aangehouden.7 Verdachte heeft toegegeven dat hij de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zijn identiteit behoorlijk kenbaar te maken of zich om de inzittenden van het andere voertuig te bekommeren.8

Aanvankelijk ontkent verdachte dat hij als bestuurder bij het ongeval betrokken is geweest, maar bij zijn eerste uitgebreidere verhoor geeft verdachte toe de bestuurder van de rode Seat Ibiza te zijn geweest.9 Deze verklaring vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 1], die als bijrijder naast verdachte in de auto zat.10 Verdachte heeft voorts verklaard dat hij die avond, na uit te zijn geweest, een vriend thuis wilde brengen. Hoewel was afgesproken dat een andere vriend van hen die avond de "bob" zou zijn en verdachte om die reden zijn autosleutels ook aan deze vriend had gegeven, heeft verdachte thuis de reservesleutels gehaald en is hij ondanks waarschuwingen van vrienden toch met te veel alcohol op gaan rijden.11 Dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde vindt bevestiging in de blaastest die van hem is afgenomen na zijn aanhouding en waarbij hij een 'F' heeft geblazen. Op het politiebureau is een ademanalyse bij verdachte afgenomen en blijkt hij 525 microgram alcohol per uitgeademde liter lucht te blazen, hetgeen veel meer is dan is toegestaan voor een (beginnend) bestuurder.12

Naar aanleiding van het ongeval dat heeft plaatsgevonden is een proces-verbaal opgesteld met daarin een verkeersongevalanalyse. Met betrekking tot de feitelijke situatie ter plekke komt hieruit naar voren dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de kruising van de wegen Haya van Somerensingel en Aletta Jacobsdreef. Deze laatste weg is een busbaan waar een maximum snelheid van 50 km/u geldt. Op de busbaan is op het wegdek het woord 'lijnbus' aangebracht en de weg is in beide richtingen gesloten verklaard voor alle verkeer met uitzonderingen van lijnbussen. Dit verbod wordt aan weggebruikers kenbaar gemaakt door borden conform model C1 van de bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990. Deze borden hebben een onderbord met de tekst: 'uitgezonderd lijnbussen'. De voorrang op de kruising Haya van Somerensingel met de Aletta Jacobsdreef wordt geregeld door middel van verkeerslichten. Voorts is opgemerkt dat het onderhoud van de weg goed is, dat de straatverlichting werkte en het weer droog was.13

In de verkeersongevalsanalyse is op basis van onderzoek het ongeval en het rijgedrag van verdachte geanalyseerd. Door de raadsman is bepleit dat de conclusies die hierin getrokken worden geen bewijswaarde hebben nu het onderzoek onvoldoende wetenschappelijk verantwoord is. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Niet alleen is de verkeersongevalsanalyse opgesteld door specifiek daartoe opgeleide verkeersongevallenanalisten van de politie, zij hebben daarnaast in hun proces-verbaal zeer duidelijk beschreven aan welke beperkingen het door hen uitgevoerde onderzoek onderhevig is geweest en welke gevolgen dit heeft gehad voor de conclusies die worden getrokken.

De verbalisanten hebben in het proces-verbaal aangegeven dat waar onzekerheden bestaan zij van de voor verdachte meest gunstige situatie uit zijn gegaan. Daar komt nog eens bij dat alle door de verbalisanten getrokken conclusies omtrent het rijgedrag van verdachte door verdachte zelf worden bevestigd, althans op geen enkele manier zijn weersproken.

In de verkeersongevalsanalyse wordt geconcludeerd dat verdachte op het moment van de aanrijding waarschijnlijk niet veel minder dan 56 km/u en maximaal 71 km/u heeft gereden, terwijl dit ook ruim overschreden kan zijn.14 Verdachte heeft zelf bij de politie verklaard dat hij schat dat hij tussen de 70 km/u en 80 km/u heeft gereden.15 In zijn volgende verklaring heeft verdachte nog eens bevestigd dat hij de maximum snelheid heeft overschreden. Verdachte verklaart immers dat hij weet dat hij te hard over de busbaan reed. Voorts heeft verdachte over zijn snelheid verklaard dat hij in het begin nog wel remde bij kruisingen en dat hij na de bocht voor de kruising waarop het ongeval plaatsvond gas heeft bij gegeven omdat er een lang recht stuk kwam.16 Verdachte heeft ter terechtzitting hier bovendien niets van teruggenomen en opnieuw bevestigd dat hij te hard reed.17 Op basis van deze bewijsmiddelen, en in samenhang bezien met de hiervoor reeds aangehaalde bevindingen van de surveillerende motoragent en de getuigenverklaring van de buschauffeur, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte de maximum snelheid ter plaatse aanzienlijk heeft overschreden.

De verkeerslichten op de kruising zijn softwarematig beveiligd waardoor conflicterende rijrichtingen nimmer gelijktijdig groen licht kunnen hebben, terwijl van storingen aan het beveiligingssysteem niets bekend is. De verkeerslichten op de busbaan staan voortdurend op rood. Teneinde wit licht te krijgen, zijn bussen uitgerust met een systeem dat er voor zorgt dat bij nadering van de kruising de verkeerslichten op de busbaan op wit springen.

Auto's hebben een dergelijk systeem niet.18 De raadsman van verdachte heeft bepleit dat niet vaststaat dat verdachte door rood is gereden en heeft daartoe aangevoerd dat voertuigen die over de busbaan rijden door een lus in het wegdek de verkeerslichten activeren waarna deze op wit gaan. Bovendien is volgens de raadsman niet uitgesloten dat het verkeerslicht voor het verkeer op de Haya van Somerensingel op rood stond, toen het voertuig waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in zaten de kruising op reed. Deze stelling van de raadsman berust naar het oordeel van de rechtbank op een kennelijk onjuiste lezing van de verkeersongevalsanalyse. In de verkeersongevalsanalyse staat namelijk niet dat wanneer een voertuig over de busbaan de verkeerslichten nadert door een lus in het wegdek de verkeerslichten overspringen.

In de verkeersongevalsanalyse staat beschreven dat voertuigen via een detectielus in het wegdek wit licht aanvragen, maar niet reeds bij nadering van de verkeerslichten wit licht krijgen. Het licht zal rood blijven tot de aanwezigheid van het voertuig door de detectielus is gedetecteerd.19 Nu verdachte de kruising naderde met een te hoge snelheid, het licht op rood stond en verdachte de kruising is op gereden, heeft verdachte eenvoudigweg de tijd niet gehad om wit licht te vragen en te krijgen. De conclusie in de verkeersongevalanalyse is dan ook dat verdachte door rood is gereden. Verdachte heeft hier voorts zelf over verklaard dat hij in het begin nog wel stopte voor verkeerslichten maar na de bocht niet meer.20 Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte het rode verkeerslicht heeft genegeerd op het moment dat hij de kruising waar het ongeval plaatsvond op reed. De door de raadsman geopperde mogelijkheid dat [slachtoffer 1] door rood is gereden toen hij de kruising op reed, doet bij de beoordeling van de gedragingen van verdachte in het geheel niet ter zake. Overigens zij hierover opgemerkt dat nu het verkeerslicht van verdachte in ieder geval op rood stond, de mogelijkheid dat [slachtoffer 1] groen licht had minst genomen waarschijnlijk is te achten.

De vraag die thans voorligt, is hoe het verkeersgedrag van verdachte aangemerkt moet worden. Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te komen, dient de rechtbank vast te kunnen stellen dat verdachte schuld heeft in de zin van die bepaling. Dit houdt in dat verdachte zich tenminste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig moet hebben gedragen. Of er sprake is van schuld, dus van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, hangt - volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad - af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met een of meer gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank heeft op basis van het voorgaande vastgesteld dat verdachte die nacht met te hoge snelheid over een busbaan is gereden, welke uitsluitend bestemd was voor lijnbussen, en daarbij, terwijl hij dronken was, een rood verkeerslicht heeft genegeerd. Als gevolg van dit handelen heeft een verkeersongeval plaatsgevonden. Bij de beoordeling over de mate van schuld van verdachte betrekt de rechtbank ook zijn eigen verklaring waarbij verdachte heeft aangegeven dat hij ondanks waarschuwingen van zijn vrienden toch met te veel drank op is gaan rijden,21 dat hij niet echt op het overige verkeer heeft gelet en dat hij dacht dat de andere auto op het moment dat zij elkaar tegenkwamen wel zou stoppen.22 Bovendien geeft verdachte aan dat hij in het begin nog wel remde voor kruisingen maar later niet meer, hetgeen ook gold voor verkeerslichten. Deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien maken dat naar het oordeel van de rechtbank het rijgedrag van verdachte aangemerkt moet worden als roekeloos. Bij deze beoordeling spelen voor de rechtbank geen enkele rol de vragen die de raadsman heeft opgeworpen over het gebrek aan technisch onderzoek aan het andere voertuig en of de bestuurder daarvan wel een rijbewijs had dan wel of de inzittenden hun gordel droegen. Het is slechts het rijgedrag van verdachte dat ter beoordeling aan de rechtbank is voorgelegd. Verwijten die mogelijk aan de bestuurder van het andere voertuig gemaakt kunnen worden, missen overigens ieder begin van aannemelijkheid.

Als gevolg van het ongeval hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich onder behandeling van een arts in het ziekenhuis moeten stellen.23 Door de huisarts van beiden is een letselverklaring opgesteld. [slachtoffer 1] heeft door het ongeval een rotsbeenfractuur en een hersenkneuzing opgelopen.24 Bij [slachtoffer 2] is door de huisarts een hersenkneuzing, een fractuur aan de voorzijde van de schedel, een fractuur aan de oogkas en kaakholte gerapporteerd.25 De raadsman van verdachte heeft betoogd dat deze verklaringen van de eigen huisarts niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden omdat een verklaring van de eigen huisarts niet betrouwbaar zou zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat er geen rechtsregel is die er aan in de weg staat dat de eigen huisarts een verklaring afgeeft omtrent het letsel van zijn patiënt. Bovendien bestaat er geen enkele aanleiding om de inhoud van deze verklaring in twijfel te trekken.

Ruim een jaar na het ongeval is door de politie contact opgenomen met [slachtoffer 1] waarbij gevraagd is hoe het op dat moment met beiden gaat. Uit het gesprek dat de politie met [slachtoffer 1] heeft komt naar voren dat hij enkele dagen in het ziekenhuis heeft verbleven en dat hij na ongeveer één tot anderhalve maand weer aan het werk kon, maar dat hij op dit moment nog last heeft van een gehoorbeschadiging. Over [slachtoffer 2] heeft [slachtoffer 1] aangegeven dat ook zij enkele dagen in het ziekenhuis heeft verbleven, dat zij na ongeveer anderhalve maand weer 100% aan het werk is gegaan maar dat zij nog last heeft van een gevoelige nek. Voor deze klachten hebben zij nog altijd contact met een arts.26

4.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

hij op 4 september 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig, (personenauto),voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 525 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Feit 2

hij op 4 september 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, daarmede rijdende over de weg, de Aletta Jacobsdreef/ de afgescheiden busbaan,(welke busbaan als zodanig was aangegeven middels een bord C1 van Bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 met onderbord "Uitgezonderd Lijnbussen"), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te rijden, immers

heeft hij op die busbaan gereden met een snelheid gelegen tussen 56 en 71 km/uur, terwijl ter plaatse 50 km/uur was toegestaan in elk geval heeft gereden met een gezien de situatie ter plaatse te hoge, in elk geval gezien de situatie ter plaatse onverantwoorde snelheid en vervolgens

gekomen bij de middels verkeerslichten, als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, beveiligde kruising van deze busbaan en de Haya van Somerensingel, na een in zijn rijrichting roodlicht uitstralend (voor het busverkeer bestemd) verkeerslicht te hebben genegeerd, die kruising is opgereden,

op het moment dat een personenauto, gezien verdachtes rijrichting komend van rechts, die kruising is opgereden,

waardoor een aanrijding of botsing ontstond tussen het door hem bestuurde motorrijtuig en dat andere die kruising op rijdend motorrijtuig waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beiden zwaar lichamelijk letsel, te weten die [slachtoffer 1] een rotsbeenfractuur en een hersenkneusing en die [slachtoffer 2] een hersenkneusing en een schedelfractuur aan de voorzijde en een kaakfractuur, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 3

hij op 4 september 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de kruising Haya van Somerensingel/ Aletta Jacobsdreef, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander of anderen (te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) letsel en schade was toegebracht, de plaats van het ongeval heeft verlaten, en vervolgens daardoor die anderen naar hij wist of redelijkerwijze moest vermoeden in hulpeloze toestand werden achter gelaten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: Overtreding van artikel 8 lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 2: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 3: Overtreding van artikel 7 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot feit 3 is door de raadsman aangevoerd dat verdachte voor dit feit niet strafbaar is nu hij zich binnen twaalf uur nadat het ongeval heeft plaatsgevonden zelf heeft gemeld bij de politie. De rechtbank verwerpt dat verweer en overweegt daartoe dat verdachte na het ongeval de plaats daarvan heeft verlaten door daarvan weg te rennen. Op basis van het kenteken van het voertuig gaan agenten bij de woning van verdachte langs en aldaar spreken zij met de vader van verdachte. Wanneer deze van de agenten hoort wat er is gebeurd belt hij verdachte. De agenten spreken bij die gelegenheid ook met verdachte en verdachte geeft aan waar hij op dit moment is. Op die locatie houden de agenten hem even later ook aan. Onder deze omstandigheden, waarbij verdachte aangeeft waar hij is na met zijn vader en agenten te hebben gesproken, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het uit eigener beweging alsnog melden. Het zijn immers slechts zijn vader en de agenten geweest die verdachte hiertoe hebben gebracht. Bovendien past de stelling van de raadsman ook volstrekt niet bij de aanvankelijk ontkennende houding van verdachte die bij zijn inverzekeringstelling nog heeft ontkend de bestuurder van de rode Seat te zijn geweest.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en de bespreking aldaar van het omtrent verdachte uitgebrachte Reclasseringsrapport d.d. 26 maart 2012.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

7.1. Hoofdstraf

Verdachte heeft zich in één nacht schuldig gemaakt aan overtreding van verschillende voorschriften uit de Wegenverkeerswet. Na een avond stappen met vrienden heeft verdachte het besluit genomen, ondanks dat een ander de Bob was en verdachte nota bene zijn autosleutels aan deze jongen had gegeven, met een aanzienlijke hoeveelheid alcohol in zijn bloed achter het stuur van zijn auto te gaan zitten. Dit zeer onverstandige besluit van verdachte heeft geresulteerd in een dollemansrit door de bebouwde kom van Hoofddorp. Door na het nuttigen van alcohol toch een motorrijtuig te besturen, worden andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. In het geval van verdachte heeft zich dat gevaar niet veel later ook daadwerkelijk verwezenlijkt. Op enig moment is verdachte met zijn voertuig op de busbaan gaan rijden met een dusdanige snelheid dat een buschauffeur die daar ook reed, waarneemt dat verdachte de bocht maar met moeite kon houden. Verdachte heeft vervolgens op een recht stuk weg gas bij gegeven en daarbij een rood verkeerslicht genegeerd. Gevolg van de opeenstapeling van verkeersovertredingen van verdachte is een zeer ernstig verkeersongeval geweest met een auto die op dat moment de busbaan overstak. Naast de aanzienlijke materiële schade aan het voertuig zijn de beide inzittenden van de auto zwaar gewond geraakt en had het voor hen nog veel slechter kunnen aflopen. Waar verdachte gehouden was deze mensen hulp te bieden en nadat de hulpdiensten waren gearriveerd zijn identiteit op behoorlijke wijze kenbaar te maken, heeft verdachte er voor gekozen het op een lopen te zetten. De rechtbank wil aannemen dat verdachte hierbij kennelijk in paniek heeft gehandeld maar dat doet aan het kwalijke daarvan niet wezenlijk af.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met zijn houding ten opzichte van de slachtoffers in de periode na het ongeval alsmede zijn houding ter terechtzitting. Door bij de slachtoffers langs te gaan en hen zijn hulp aan te bieden heeft verdachte er blijk van gegeven dat hij inziet dat niemand anders dan hijzelf schuld heeft aan dit ongeluk en het laakbare van zijn eigen handelen in te zien. Om die reden zal de rechtbank anders dan in zaken waarin vergelijkbare gedragingen tot vergelijkbare gevolgen leiden, aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank bovendien aanleiding om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Wel zal de rechtbank een volledig onvoorwaardelijke werkstraf opleggen die fors hoger is dan de officier van justitie heeft geëist. De rechtbank heeft er voorts acht op geslagen dat verdachte blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister niet eerder voor dit soort feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7.2. Bijkomende straf

De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorts de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen dient te worden ontzegd voor na te noemen duur.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 9, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Eichperger, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. J.J.M. Uitermark, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 april 2012.

Mr. Eichperger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2010 (dossierpagina 6).

3 Proces-verbaal van verhoor van benadeelde d.d. 4 oktober 2010 (dossierpagina 85).

4 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] d.d. 4 september 2010 (dossierpagina 100-101).

5 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2010 (dossierpagina 8).

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een bevraging uit het register van de RDW (dossierpagina 31).

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2010 (dossierpagina 10 en 11).

8 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 maart 2012.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 4 september 2010 (dossierpagina 58 halverwege).

10 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 4 september 2010 (dossierpagina 78).

11 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 maart 2012.

12 Proces-verbaal d.d. 16 december 2010 (dossierpagina 108).

13 Proces-verbaal verkeersongevalanalyse d.d. 24 januari 2011 (dossierpagina 15-18).

14 Proces-verbaal verkeersongevalanalyse d.d. 24 januari 2011 (dossierpagina 26).

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 4 september 2010 (dossierpagina 58).

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 5 september 2010 (dossierpagina 61).

17 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 maart 2012.

18 Proces-verbaal verkeersongevalanalyse d.d. 24 januari 2011 (dossierpagina 26-27).

19 Proces-verbaal verkeersongevalanalyse d.d. 24 januari 2011 (dossierpagina 27).

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 5 september 2010 (dossierpagina 61).

21 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 maart 2012.

22 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 4 september 2010 (dossierpagina 58).

23 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2010 (dossierpagina 81).

24 Een schriftelijk bescheid, te weten de letselverklaring opgesteld door een arts d.d. 15 oktober 2010 (dossierpagina 83).

25 Een schriftelijk bescheid, te weten de letselverklaring opgesteld door een arts d.d. 15 oktober 2010 (dossierpagina 84).

26 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 december 2011 (los bijgevoegd).