Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW2479

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-02-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/3738
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om tegemoetkoming in de planschade die eiser stelt te hebben geleden als gevolg van besluit tot verlening vrijstelling en bouwvergunning voor basisschool. Uitleg maximale invulling bestemmingsplan, advisering, toepassing artikel 6.2, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening (normaal maatschappelijk risico), rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 3738

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2012

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H.A.M. Lamers te Amsterdam-Zuidoost,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmerliede en Spaarnwoude,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 januari 2012, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Driessen, werkzaam bij de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser heeft sinds 3 mei 1977 de blote eigendom van de onroerende zaak perceel [adres eiser]. Op 11 juni 2000 heeft eiser de volledige eigendom verkregen van het betreffende perceel grond met daarop een vrijstaande woning en vrijstaande berging. Bij brief van 8 juli 2008 heeft eiser verzocht om een tegemoetkoming in de schade die hij zou hebben geleden als gevolg van het besluit van 21 november 2006, waarbij vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor de bouw van een basisschool op de gronden aan de [straat 1] en de [locatie]. Verweerder heeft de aanvraag ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), die in juli 2009 advies heeft uitgebracht. Omdat in het advies volgens verweerder een aantal vragen onbeantwoord zijn gebleven met betrekking tot het normaal maatschappelijk risico en de betekenis van een door eiser in erfpacht gekregen strook grond, heeft verweerder een second opinion aangevraagd bij Langhout & Wiarda (L&W) die op 10 februari 2010 advies heeft uitgebracht. Bij primair besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de schade naar zijn mening binnen het normale maatschappelijke risico valt. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

2.2 Op de onderhavige aanvraag is artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing, nu de aanvraag is ingediend ná 1 juli 2008 en betrekking heeft op een planologische maatregel die dateert van na 1 september 2005.

2.3 Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een vrijstellingsbesluit, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van de Wro, blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager.

Ingevolge artikel 6.2, tweede lid, onder b, van de Wro blijft in ieder geval voor rekening van de aanvrager van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak: een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade, tenzij de vermindering het gevolg is:

1°. van de bestemming van de tot de onroerende zaak behorende grond, of

2°. van op de onroerende zaak betrekking hebbende regels als bedoeld in artikel 3.1.

Ingevolge artikel 9.1.18 van de Invoeringswet ruimtelijke ordening geldt artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan.

2.4 Eiser heeft ten eerste aangevoerd dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een maximale invulling van het bestemmingsplan ‘Spaarndam-Oost 1977’, omdat uitermate onwaarschijnlijk is dat op basis van dat bestemmingsplan een ondoorzichtige erfafscheiding van 15 meter hoog wordt opgetrokken, aldus eiser. Een dergelijke erfafscheiding is niet noodzakelijk en bovendien voor de bestemming ‘openbare en bijzondere doeleinden, open terreinen’, onevenredig kostbaar, aldus eiser.

2.5 Volgens verweerder kon op basis van het bestemmingsplan aan de zijde van de woning van eiser rondom het terrein van de school een erfafscheiding worden opgericht, waarvoor in het bestemmingsplan geen maximale hoogte is bepaald en waarvoor derhalve ingevolge de aanvullend werkende bouwverordening een maximale hoogte van 15 meter geldt. De rechtbank deelt het standpunt van eiser, dat niet realistisch is te veronderstellen dat ter plaatse een erfafscheiding die tot een aanmerkelijke uitzichtbeperking voor eiser zou leiden, zou worden opgericht, te meer daar de verkeersveiligheid in verband met de wegen waaraan de school is gelegen daardoor ernstig in geding zou komen. Verweerder heeft deze mogelijkheid dan ook ten onrechte in de planvergelijking meegewogen. De beroepsgrond slaagt.

2.6 Voorts heeft eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte heeft gerefereerd aan de forfaitaire regeling van 2% als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de Wro, met een enkele verwijzing naar het normale maatschappelijke risico. Eiser acht dit in strijd met artikel 9.1.18 van de Invoeringswet ruimtelijke ordening.

2.7 De rechtbank stelt voorop dat artikel 6.2, eerste lid, van de Wro van toepassing is op het onderhavige verzoek om tegemoetkoming in de schade. Dat gelet op het overgangsrecht de forfaitaire regeling van het tweede lid van artikel 6.2 van de Wro in dit geval niet van toepassing is, maakt dit niet anders. Dit betekent dat eventuele binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van eiser moet blijven.

2.8 In het bestreden besluit heeft verweerder het volgende overwogen. “Hoewel genoemde bepaling (artikel 6.2, tweede lid, Wro) op basis van artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening tot 1 september 2010 niet geldt voor schade die vóór 1 juli 2008 is ontstaan, hebben wij ter oriëntatie op ons te nemen besluit bezien hoe de rapporten van de deskundigen zich verhouden tot de 2% uit de in werking getreden, maar toekomstig geldende wettelijke maatregel. Wij hebben daarbij geconstateerd dat op basis van de adviezen de grens van wat door de wetgever als normaal maatschappelijk risico wordt beschouwd, niet wordt overschreden. Wij menen hieruit te mogen concluderen dat geen sprake is van schade die op grond van artikel 6.1 Wro voor vergoeding in aanmerking behoort te komen.”

2.9 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht een oordeel heeft gevormd over de vraag of de schade binnen het normaal maatschappelijk risico valt, maar dat hij met de hierboven aangehaalde overweging alsnog – ten onrechte – de forfaitaire regeling uit het tweede lid van artikel 6.2 van de Wro heeft toegepast. De beroepsgrond van eiser slaagt in zoverre. Voor zover verweerder het standpunt heeft ingenomen dat het verzoek van eiser moet worden afgewezen omdat het vervangen van een verouderd schoolgebouw dat niet meer voldeed aan de eisen van de tijd valt onder het normaal maatschappelijk risico, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Eiser hoefde niet te verwachten dat mogelijke nieuwbouw van de school zo dicht bij zijn woning zou worden gebouwd als thans het geval is, aangezien er op en tussen de op de bestemmingsplankaart aangegeven bouwvlakken op het terrein van de school voldoende ruimte was voor een andere indeling. De keuze voor de locatie van de nieuwbouw lijkt vooral te zijn ingegeven door de wens van verweerder om een deel van de gronden die bestemd zijn voor openbare en bijzondere doeleinden, te kunnen gebruiken voor woningbouw.

2.10 Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd.

2.11 In het kader van de finale beslechting van dit geschil acht de rechtbank het gewenst dat partijen thans de door hen gewenste duidelijkheid krijgen over het hen verdeeld houdende geschilpunt. De rechtbank ziet daarin aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Nu een hoge erfafscheiding geen deel mag uitmaken van de planvergelijking, geen sprake is van schade die onder het normaal maatschappelijk risico valt en – hetgeen tussen partijen overigens niet in geschil is – de strook grond die eiser van een derde in erfpacht heeft gekregen niet als compensatie van geleden schade kan worden aangemerkt, kan voor de beoordeling van het verzoek om een tegemoetkoming in planschade het advies van SAOZ van juli 2009 als uitgangspunt worden genomen. Gelet op hetgeen in dat advies is overwogen zal de rechtbank, onder gegrondverklaring van het bezwaar en herroeping van het primaire besluit van 1 oktober 2010, de planschade vaststellen op een bedrag van € 15.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 10 juli 2008 tot aan de dag van uitbetaling.

2.12 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. De kosten worden aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 6 juni 2011;

3.3 verklaart het bezwaar van eiser, gericht tegen het besluit van 1 oktober 2010, gegrond;

3.4 herroept het besluit van 1 oktober 2010;

3.5 bepaalt dat aan eiser naar aanleiding van zijn verzoek een tegemoetkoming in de planschade wordt toegekend van € 15.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 10 juli 2008 tot aan de dag van uitbetaling;

3.6 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.7 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,-, te betalen aan eiser;

3.8 gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 152,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L. Beijen, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. G. Guinau en mr. C.E. Heyning-Huydecoper, leden, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.