Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW1929

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-01-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
187236 - KG ZA 11-532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aandeelhouders vorderen uitkering van dividenden. Op het aandelencertificaat en in de statuten is bepaald dat dividenden die binnen vijf jaar nadat zij opeisbaar zijn geworden, niet worden opgenomen, vervallen aan de vennootschap. Partijen zijn aan deze vervaltermijn gebonden. Ten aanzien van een vervaltermijn zijn de regels van verjaring niet van toepassing, zodat stuiting of schorsing van deze termijn niet mogelijk is. De termijn van vijf jaar is ten aanzien van alle gevorderde dividenden verstreken. Een vervaltermijn is een fatale termijn. De door de aandeelhouders gevorderde aanspraken op dividend zijn daarom vervallen. Het argument van de aandeelhouders dat zij niet eerder een vordering in rechte hadden ingesteld, omdat zij eerst de uitkomst van de andere procedures wilden afwachten, doet niet af aan de fatale karakter van de vervaltermijn van vijf jaar waarbinnen gedagvaard had moeten worden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 92
Burgerlijk Wetboek Boek 2 105
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2012/48
JONDR 2012/554
RF 2012/74
JOR 2012/106 met annotatie van mr. J.E. Jansen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 187236 / KG ZA 11-532

Vonnis in kort geding van 24 januari 2012

in de zaak van

1. [EISER],

wonende te [plaats], [land]

2. de stichting

STICHTING ACTIEF BEHEER AANDELEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Wassenaar,

eisers,

advocaat mr. K.G.W. van Oven te ’s-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

FORWARD BUSINESS PARKS 2000 N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Schiphol-Rijk,

gedaagde,

advocaat mr. T.R.B. De Greve te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser c.s.] en Forward genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser c.s.]

- de pleitnota van Forward.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Chipshol Forward N.V. heeft op 4 oktober 1991 1000 toonderaandelen aan [eiser] en 500 toonderaandelen aan de Lafranca Stiftung (hierna: Lafranca) uitgeleverd. Deze aandelen hebben een nominale waarde van NLG 1,--. [eiser] en Lafranca hebben voor elk van de aandelen NLG 1.750,-- betaald.

2.2. Op de aandelencertificaten staat onder meer het volgende vermeld:

[…]

Dividenden die binnen vijf jaren, nadat zij opeisbaar zijn geworden, niet zijn opgenomen, vervallen aan de vennootschap.

2.3. In de statuten van Chipshol Forward N.V. wordt onder meer het volgende bepaald:

[…]

Winstbestemming, reserves

Artikel 18.

[…]

6. De vordering tot uitkering vervalt door een tijdsverloop van vijf jaren te rekenen vanaf de dag van betaalbaarstelling.

[…]

2.4. De naam van Chipshol Forward N.V. is gewijzigd in Forward Business Parks N.V. Op 4 april 2001 is een akte van splitsing van Forward Business Parks N.V. verleden, als gevolg waarvan deze vennootschap heeft opgehouden te bestaan en haar vermogen onder algemene titel is overgegaan op Forward 2000 (hierna: Forward) en Chipshol 2000.

2.5. Tussen partijen is een geschil ontstaan. [Eiser] en Lafranca hebben in 1998 samen met medeaandeelhouder [A] een procedure aangespannen tegen onder meer Forward. In deze procedure hebben [eiser] en Lafranca ontbinding van de overeenkomst gevorderd. Hiertoe hebben zij onder meer aangevoerd dat de aan hen geleverde aandelen niet die eigenschappen hadden waarop zij op basis van de verkregen informatie mochten rekenen, zodat de waarde van die aandelen zich veel minder gunstig heeft ontwikkeld dan zij mochten verwachten.

Volgens [eiser] en Lafranca waren de aandelen op het tijdstip van aankoop veel minder waard en had de vennootschap veel minder groeimogelijkheden dan op basis van het jaarverslag over 1990 en de draft prospectus mocht worden aangenomen. Anders dan volgens de eisers uit de stukken mocht worden afgeleid, had de vennootschap geen samenwerkingsovereenkomst met een andere vennootschap, te weten N.V. Landinvest, die het mogelijk moest maken om grond in de omgeving van Schiphol te verwerven om daar kantoorgebouwen te ontwikkelen. Forward zou jegens hen bovendien onrechtmatig hebben gehandeld, omdat zij in 1991 bij gelegenheid van de aandelenemissie onjuiste en misleidende informatie heeft verstrekt en effectenrechtelijke regels heeft overtreden. Op die gronden zou aan hen met name schadevergoeding toekomen. Op 28 oktober 1997 hebben [eiser], [A] en Lafranca aan Forward een stuitingsexploot doen betekenen.

2.6. De rechtbank Amsterdam en vervolgens het gerechtshof Amsterdam hebben de vorderingen afgewezen, kort gezegd omdat [eiser] en Lafranca niet tijdig op de voet van artikel 6:88 BW hebben geprotesteerd tegen het ontbreken van een goede samenwerkingsovereenkomst met N.V. Landinvest. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep bij arrest van 8 oktober 2010 verworpen.

2.7. In de aandeelhoudersvergadering van Forward van 27 juni 2002 is besloten dat dividend van € 6,80 per aandeel zal worden uitgekeerd tegen inlevering van het volledige aandeel Chipshol Forward N.V. Voor ieder ingeleverd aandeel wordt een nieuw aandeel Forward uitgereikt.

2.8. Op 27 mei 2003 en 23 juni 2004 is in de aandeelhoudersvergadering besloten dat aan de aandeelhouders dividend van telkens € 10,-- per aandeel wordt uitgekeerd.

2.9. Op 8 juni 2005 is door de directie van Forward besloten om een bedrag van

€ 112,-- per aandeel uit de agioreserve uit te keren.

2.10. [eiser] en Lafranca hebben bij akte van cessie van 3 oktober 2005 hun aanspraak op dividend van de aandelen in Forward overgedragen en geleverd aan de rechtspersoon naar het recht van de Marshall Eilanden Dox Commerce and Finance Corporation (hierna: Dox).

2.11. Dox heeft een kort geding aanhangig gemaakt tegen Forward, waarin zij haar aanspraak op dividend in de aandelen Forward heeft gevorderd. Bij vonnis van 14 april 2006 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering afgewezen.

2.12. In mei 2006 is tussen [eiser] en Dox een akte van retrocessie opgemaakt, waarbij het dividend op de aandelen is teruggeleverd aan [eiser].

2.13. Lafranca heeft haar aandelen in Forward overgedragen aan de stichting Stichting Actief Beheer Aandelen (hierna: SABA).

3. Het geschil

3.1. [Eiser c.s.] vorderen samengevat – uitvoerbaar bij voorraad en zonder borg- of andere zekerheidsstelling:

primair:

veroordeling van Forward tot betaling aan [eiser] van € 160.598,13 en tot betaling aan SABA van € 80.299,07, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 30 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

veroordeling van Forward tot betaling als hiervoor onder primair genoemd onder bevel voorafgaand aan die betalingen al het nodige en mogelijke te doen teneinde tot omwisseling van de aandelen van [eiser c.s.] in aandeelbewijzen met het opschrift Forward Business Parks 2000 N.V. te komen en de, aan die aandeelbewijzen gehechte, op de door haar te verrichten uitkeringen betrekkelijke dividendbewijzen van [eiser c.s.] in ontvangst te nemen, een en ander onder verbeurte van dwangsommen van voor [eiser] en Forward ieder telkens € 10.000,-- per dag dat Forward na twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in gebreke mocht blijven daaraan te voldoen;

met veroordeling van Forward in de proceskosten.

3.2. Forward voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Forward heeft primair betwist dat [eiser c.s.] een spoedeisend belang hebben bij hun vordering.

4.2. De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van dat verweer als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Naast een bevoegdheids- of ontvankelijkheidsvereiste is het spoedeisend belang een van de belangen waarmee de voorzieningenrechter rekening heeft te houden bij de beantwoording van de vraag of het verantwoord is om door middel van het geven van een voorlopige voorziening vooruit te lopen op de beslissing in een eventuele bodemprocedure. Daarbij dient de voorzieningenrechter zich er rekenschap van te geven dat zowel de feiten als de juridische waardering daarvan onzeker kunnen zijn, de geschilpunten ingewikkeld en de voorziening zelf soms ingrijpend. Omdat de mate van onzekerheid respectievelijk de voor- en nadelen van (het uitblijven van) de voorlopige voorziening steeds weer kan verschillen voor partijen, legt ook het spoedeisend belang van elke gevorderde voorziening een steeds wisselend gewicht in de schaal. Het beroep van Forward op het beweerdelijk ontbreken van een spoedeisend belang staat daarom niet op voorhand in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eiser c.s.] De afweging van alle betrokken belangen waaronder de beweerde urgentie van de gevraagde voorlopige voorziening zal daarom worden uitgesteld, totdat hierna een zo goed mogelijke prognose zal zijn gegeven van het oordeel van de bodemrechter over de feiten en het daarop toe te passen recht.

4.3. Voorts heeft Forward aangevoerd dat de vordering van [eiser c.s.] reeds aan de orde is geweest in de door Dox aangespannen kort geding. Deze vordering is toen afgewezen. [Eiser c.s.] zijn de rechtsopvolgers van Dox. Het nogmaals in kort geding voorleggen van dezelfde vordering is in strijd met de goede procesorde en in strijd met het stelsel van gesloten rechtsmiddelen. Dox had hoger beroep in moeten stellen tegen het vonnis of had een bodemprocedure moeten starten, aldus Forward.

4.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de eisen van een goede procesorde dan wel het stelsel van gesloten rechtsmiddelen kunnen meebrengen dat na afwijzing van een vordering in kort geding in een later kort geding niet hetzelfde kan worden gevorderd. De vordering in kort geding welke Dox in 2006 heeft aangespannen, is evenwel door de voorzieningenrechter afgewezen omdat Dox de verkeerde partij had gedagvaard en omdat onduidelijk was of de akte van cessie wel rechtgeldig was opgemaakt. Aan een inhoudelijke behandeling van de vordering is de voorzieningenrechter destijds niet toegekomen. Nu de voorzieningenrechter inhoudelijk nog niet over de vordering heeft geoordeeld, hebben [eiser c.s.] de door Forward genoemde rechtsbeginselen niet geschonden.

4.5. [Eiser] en SABA hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat hun als aandeelhouder van Forward respectievelijk een bedrag van € 122.850,-- en € 61.425,-- toekomt, uit hoofde van uitgekeerde dividenden en uitkeringen uit reserves. Forward weigert om dit aan [eiser c.s.] uit te keren. Ook weigert Forward om de aandelen van Chipshol Forward N.V. van [eiser c.s.] om te wisselen voor nieuwe aandelen Forward. Aan de andere aandeelhouders zijn wel dividenden en uitkeringen uit reserves gedaan. Hiermee handelt Forward in strijd met de verplichting van artikel 2:92 lid 2 BW, inhoudende dat de naamloze vennootschap haar aandeelhouders op gelijke wijze moet behandelen, aldus nog steeds [eiser c.s.]

4.6. Forward heeft hiertegen aangevoerd dat alle aanspraken van [eiser c.s.] op dividend en uitkeringen uit reserves (hierna: dividenden) zijn vervallen. Vast staat dat [eiser c.s.] de gestelde dividenden nooit uitgekeerd hebben gekregen. Zowel in de toonderstukken als in de statuten is opgenomen dat indien dividenden binnen vijf jaar nadat zij opeisbaar zijn geworden niet worden opgenomen, deze aan de vennootschap vervallen. Nu een vervaltermijn niet kan worden gestuit, zijn alle door [eiser c.s.] gestelde aanspraken vervallen. De vorderingen van [eiser c.s.] moeten daarom worden afgewezen, aldus nog steeds Forward.

4.7. [Eiser c.s.] hebben betwist dat de aanspraken op de dividenden zijn vervallen. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat [eiser] en Lafranca binnen vijf jaar nadat de dividenden zijn vastgesteld, meerdere malen aan Forward hebben gemeld dat zij hun aandelen wilden inleveren en hun dividend uitgekeerd wilden krijgen. Forward heeft vervolgens ontkend dat [eiser] en Lafranca aandeelhouders waren en weigerde hun aandelen in te nemen. In deze situatie kan Forward zich niet op de vervaltermijn beroepen. [Eiser] en Lafranca hebben Forward niet gelijk in rechte betrokken, omdat zij eerst de uitkomst van de bodemzaak tegen Forward wilde afwachten, aldus nog steeds [eiser c.s.]

4.8. De voorzieningenrechter overweegt het volgende. Op het aandelencertificaat en in de statuten is bepaald dat dividenden die binnen vijf jaar nadat zij opeisbaar zijn geworden, niet worden opgenomen, vervallen aan de vennootschap. Partijen zijn aan deze vervaltermijn gebonden. Nu door Forward een beroep is gedaan op deze vervaltermijn, is ook de voorzieningenrechter aan deze termijn gebonden. Ten aanzien van een dergelijke vervaltermijn zijn de regels van verjaring niet van toepassing, zodat stuiting of schorsing van deze termijn niet mogelijk is.

4.9. De besluiten tot uitkering van dividenden van de aandelen in Forward zijn genomen in de periode 27 juni 2002 tot en met 8 juni 2005. Een vervaltermijn is een fatale termijn. De dividenden hadden daarom binnen vijf jaar na het dividendbesluit moeten worden uitgekeerd. De termijn van vijf jaar is inmiddels ten aanzien van alle gevorderde dividenden verstreken. De door [eiser c.s.] gevorderde aanspraken op dividend van [eiser c.s.] – indien al zou komen vast te staan dat zij aandeelhouders zijn, hetgeen door Forward wordt bestreden – zijn derhalve vervallen. Het argument van [eiser c.s.] dat zij niet eerder een vordering in rechte hadden ingesteld, omdat zij eerst de uitkomst van de andere procedures wilden afwachten, doet niet af aan de fatale karakter van de vervaltermijn van vijf jaar waarbinnen gedagvaard had moeten worden. Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eiser c.s.] worden afgewezen.

4.10. Nu de vorderingen van [eiser c.s.] worden afgewezen, behoeven de overige verweren van Forward geen bespreking meer.

4.11. [eiser c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Forward worden begroot op:

- griffierecht € 3.529,00

- salaris advocaat 2.000,00

Totaal € 5.529,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser c.s.] in de proceskosten, aan de zijde van Forward tot op heden begroot op € 5.529,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries op 24 januari 2012.?