Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BW1886

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
177279 - HA ZA 11-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot het doen van een gerechtelijke verklaring op grond van artikel 477a Rv. Vorderingen worden afgewezen nu gedaagde tijdens de procedure zijn verklaring alsnog met bescheiden heeft onderbouwd. Dwingend bewijs notariele akte. Stelling dat buiten die akte om aanvullende afspraken zijn gemaakt tussen gedaagde en degene ten laste van wie het conservatoir derdenbeslag was gelegd, onvoldoende onderbouwd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2012/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 177279 / HA ZA 11-50

Vonnis van 22 februari 2012

in de zaak van

de stichting

STICHTING INSTANDHOUDING VAN HET OUDE ROOMSCH KATHOLIEKE KERKHOF TE PURMEREND,

statutair gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. A. Ester,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats], [gemeente],

gedaagde,

advocaat mr. G.F.H. Velthuizen.

Partijen zullen hierna de Stichting en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 maart 2011 met de daarin vermelde stukken

- het proces-verbaal van comparitie van 15 juni 2011 met de daarin vermelde stukken

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating productie van de zijde van de Stichting.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 25 november 1992 is de Stichting opgericht door [A] (hierna: [A]). Naast [A] waren twee neven van hem secretaris en penningmeester. Vier andere neven, waaronder [de broer van gedaagde], waren bestuurslid.

2.2. Op 26 oktober 2008 heeft een vergadering van het bestuur van de Stichting plaatsgevonden. Op verzoek van [de broer van gedaagde] heeft zijn broer [gedaagde] in zijn plaats de vergadering bijgewoond. Agendapunt voor de vergadering was – onder meer – de verantwoording over de financiën van de Stichting door [de broer van gedaagde].

2.3. [Gedaagde] en [de broer van gedaagde] zijn ieder voor de helft eigenaar geweest van de appartementsrechten aan de [A-straat] [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] en aan de [B-straat] [nummer 1] te Utrecht (hierna: “het pand”). Het pand werd (deels) verhuurd.

2.4. Op 16 oktober 2008 heeft [gedaagde] Hol & Molenbeek Bedrijfsmakelaars opdracht gegeven tot het verrichten van een geveltaxatie van de [A-straat nummers 1, 2, 3 en 4]. In het taxatierapport d.d. 21 oktober 2008 is de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat getaxeerd op € 280.000,-.

2.5. Bij notariële akte van verdeling en levering d.d. 5 november 2008 is het aandeel in de appartementsrechten van [de broer van gedaagde] overgedragen aan [gedaagde]. De akte van verdeling en levering d.d. 5 november 2008 houdt – voor zover hier van belang – in:

“[…]

WAARDE

Het registergoed [de rechtbank: het pand] wordt in de verdeling betrokken voor een waarde van TWEEHONDERDTACHTIGDUIZEND EURO € 280.000,00).

Deze waarde blijkt uit een aan de akte gehechte kopie van het taxatierapport de dato éénentwintig oktober tweeduizendacht.

VERDELING EN LEVERING

De comparanten verklaarden de volgende levering te zijn overeengekomen:

Aan de comparant sub 2 [de rechtbank: [gedaagde]] wordt toebedeeld:

het registergoed

zulks onder de verplichting om:

wegens overbedeling uit te keren aan de comparant sub 1 [de rechtbank: [de broer van gedaagde] een bedrag in contanten, groot ÉÉNHONDERDVEERTIGDUIZEND EURO (€ 140.000,00).

[…]

Ter uitvoering van de verdeling verklaarden de deelgenoten:

[…]

van gemelde uitkering van ÉÉNHONDERDVEERTIGDUIZEND EURO (€ 140.000,00) aan de comparant sub 1 is reeds ÉÉNHONDERD VIERENTWINTIGGUIZEND TWEEHONDERD ZESENTWINTIG EURO EN VIJFENZESTIG EUROCENT (€ 124.226,65) door de comparant sub 2 aan de comparant sub 1 voldaan.

[…]

Dat de restantvordering ad VIJFTIENDUIZEND ZEVENHONDERD DRIEENZEVENTIG EURO EN VIJFENDERTIG EUROCENT (€ 15.773,35) door de comparanten onder gelijktijdige afstand van het vorderingsrecht, inzake gemelde vordering wegens overbedeling, is omgezet in een vordering wegens geleend geld door de comparant sub 1 aan de comparant sub 2.

[…]”.

2.6. Op 14 april 2009 heeft de Stichting [de broer van gedaagde] gedagvaard voor de rechtbank in Amsterdam wegens – kort gezegd – onrechtmatig handelen door zonder toestemming van de Stichting met haar gelden te speculeren.

2.7. Voorafgaand aan de bodemprocedure heeft de Stichting ten laste van [de broer van gedaagde] – onder meer – conservatoir derdenbeslag doen leggen onder diens broer [gedaagde]. Het exploot van de gerechtsdeurwaarder d.d. 1 april 2009 vermeldt onder meer dat twee exemplaren van het formulier als bedoeld in artikel 475 lid 2 Rv zijn achtergelaten alsmede dat aan de derde-beslagene bevel en aanzegging is gedaan om binnen vier weken de verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv af te leggen en te richten aan de gerechtsdeurwaarder of de advocaat van de beslaglegger.

2.8. Bij brief van 15 april 2009 heeft mr. Velthuizen namens [gedaagde] het volgende aan mr. Ester bericht:

“De heer [gedaagde] stelde mij het exploot van de deurwaarder ter hand d.d. 1 april 2009, volgens welke wordt verzocht om een verklaring ex artikel 475 lid 2 WRv in verband met het Presidiaal verlof tot het leggen van conservatoir beslag.

Namens cliënt kan ik u melden dat er tussen cliënt en [de broer van gedaagde] geen rechtsverhouding bestaat uit hoofde waarvan laatstgenoemde een vordering heeft op cliënt. […]”.

2.9. Bij brief van 27 april 2009 aan mr. Velthuizen heeft mr. Ester verzocht om overlegging van justificatoire bescheiden waaruit kon blijken van daadwerkelijke betaling alsmede om de complete leveringsakte van de appartementen waaruit kon blijken voor welke prijs er was gecontracteerd.

2.10. Bij brief van 25 mei 2009 heeft mr. Velthuizen het volgende aan mr. Ester meegedeeld:

“[…]

Bijgesloten zend ik u een tweetal verklaringen van de notaris. Hieruit volgt dat cliënt reeds op 13 juli 2006 een bespreking heeft gehad met de notaris met betrekking tot de overdracht van het pand aan de [A-straat] en aan de [B-straat] te Utrecht.

Cliënt is al vanaf 1997 met zijn broer in gesprek over de uitkoop van diens aandeel. Dat is ook de reden dat de broer van cliënt af vanaf 1997 de huuropbrengsten ontving van het onroerend goed. Ik zend u een bankafschrift waaruit blijkt dat deze zijn voldaan op de rekening van de broer van cliënt. Cliënt beschikt over alle bankafschriften. Op die wijze is reeds € 60.000,-- verrekend. Door ondergetekende is namens cliënt ook nog een procedure gevoerd bij de rechtbank Utrecht tegen de huurder van het pand. De hieraan verbonden kosten zijn voor rekening gekomen van cliënt.

Voorts heeft cliënt nog op 2 januari 2008 € 7.000,- overgemaakt aan zijn broer. Op 17 en 21 januari 2008 heeft cliënt alleen de hypotheekschuld van € 84.452,73 (waarvan € 42.226,36 namens zijn broer) op het onroerend goed afgelost (producties) en op 8 februari 2008 nog eens € 15.000,-. Na verrekening van een en ander heeft cliënt nog de volgende betalingen gedaan aan zijn broer; op 24 februari 2009 is € 7.500,- overgemaakt, op 2 maart 2009 € 1.000,- en op 4 maart 2009 nog eens € 7.277,15. Het spreekt voor zich dat van alle betalingen bankafschriften voorhanden zijn.

Te uwer informatie: het onroerend goed is op 21 oktober 2008 getaxeerd op € 280.000,-. […]

In de visie van cliënt heeft de economische overdracht van het aandeel van zijn broer dus al in het verleden plaatsgevonden. Vervolgens heeft cliënt de notaris op 16 oktober 2008 (dus voor de vergadering van 26 oktober 2008) verzocht om de overdracht ook juridisch te effectueren. […]”.

2.11. Bij vonnis van 15 september 2010 heeft de rechtbank in Amsterdam geoordeeld dat [de broer van gedaagde] zonder toestemming van de bestuursleden of machtiging van [A] heeft gehandeld met gelden van de Stichting en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank heeft [de broer van gedaagde] veroordeeld tot betaling aan de Stichting van de schade ad € 400.470,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2009.

2.12. [De broer van gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 15 september 2010.

2.13. Het vonnis van 15 september 2010 is bij deurwaardersexploot van 15 oktober 2010 aan [gedaagde] betekend, waarbij is aangezegd dat de eerder door hem gedane verklaring uitdrukkelijk werd betwist.

2.14. Bij brief van 11 november 2010 heeft mr. Velthuizen het volgende aan mr. Ester laten weten:

“[…]

In het exploot wordt melding gemaakt van het feit dat de eerder door cliënt afgegeven verklaring door uw cliënte wordt betwist. Hierbij deel ik u mede dat cliënt zijn stellingen onverkort handhaaft en niet beschikt over zaken die onder het beslag zouden vallen.”

2.15. Bij brief van 15 november 2010 heeft mr. Ester – onder meer – aan mr. Velthuizen bericht dat de verklaring van [gedaagde] door de Stichting werd betwist, omdat er geen onderliggende bescheiden waren overgelegd van de gestelde betalingen en evenmin de leveringsakte waaruit de koopprijs van het pand kon blijken. Voorts is aangezegd dat de Stichting erop stond dat [gedaagde] de onderliggende bescheiden ter staving van zijn standpunt binnen zeven dagen na 15 november 2010 zou overleggen, bij gebreke waarvan een procedure ex artikel 477a Rv. zou worden gestart. Tevens is aangezegd dat met ingang van 15 november 2010 aanspraak werd gemaakt op de wettelijke rente over het door [gedaagde] te betalen bedrag.

2.16. Bij brief van 25 november 2010 heeft mr. Velthuizen gesteld dat met de brief van 25 mei 2009 inhoudelijk was gereageerd en dat daarmee de kwestie was afgedaan.

2.17. In opdracht van de Stichting heeft makelaarskantoor Het Peil Vastgoed het pand op 13 juli 2011 getaxeerd. Het taxatierapport van 20 juli 2011 vermeldt als onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat op de peildatum 5 november 2008 € 424.000,-.

3. Het geschil

3.1. De Stichting vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:

- tot het doen van een gerechtelijke verklaring van de vorderingen en zaken die door het exploot d.d. 1 april 2009 ten laste van [de broer van gedaagde] onder haar gelegde beslag zijn getroffen;

- tot betaling en afgifte aan de Stichting van hetgeen volgens de vaststelling van de rechtbank aan de Stichting blijkt toe te komen;

- in de kosten van dit geding.

3.2. [Gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De Stichting stelt zich op het standpunt dat de door [gedaagde] afgelegde verklaring onjuist is, omdat [de broer van gedaagde] wel degelijk een vordering op [gedaagde] heeft. In de onderhavige verklaringsprocedure ex artikel 477a Rv vordert de Stichting daarom dat [gedaagde] alsnog een juiste verklaring aflegt. [Gedaagde] blijft echter bij zijn standpunt dat [de broer van gedaagde] geen vordering op hem heeft en dat zijn verklaring derhalve juist is.

4.2. Uitgangspunt in een verklaringsprocedure is dat de bewijslast van de stelling dat de afgelegde verklaring onjuist is en daarmee ook van de stelling dat de beslagene – in tegenstelling tot hetgeen is verklaard – een vordering op de derde heeft, op de beslaglegger rust. De ingevolge artikel 476a Rv op de derde rustende verplichting om de verklaring met redenen te omkleden en zoveel mogelijk vergezeld te doen gaan van feitelijke gegevens en tot staving dienende bescheiden brengt echter wel mee dat de derde bij betwisting een verzwaarde motiveringsplicht heeft.

4.3. De Stichting heeft allereerst aangevoerd dat de door [gedaagde] afgelegde verklaring niet deugdelijk is, omdat deze onvoldoende met redenen is omkleed en niet met bescheiden is onderbouwd. De rechtbank overweegt hierover het volgende. De brief van 15 april 2009 waarin mr. Velthuizen namens [gedaagde] heeft verklaard dat tussen [gedaagde] en [de broer van gedaagde] geen rechtsverhouding bestaat, is niet nader toegelicht en er zijn geen stukken bijgevoegd die de verklaring kunnen staven. In de daarop volgende brief van 25 mei 2009 heeft mr. Velthuizen verklaard dat wel een vordering heeft bestaan wegens overdracht aan [gedaagde] van het aan [de broer van gedaagde] toebehorende deel van de appartementsrechten, maar dat die vordering deels is verrekend en voor het overige reeds is voldaan middels diverse betalingen. De hoogte van de vordering is in de brief echter niet vermeld en ook de betalingen zijn niet met bescheiden onderbouwd. Na betekening het vonnis van 15 september 2010 van de rechtbank Amsterdam en uitdrukkelijke betwisting van de afgelegde verklaring, is [gedaagde] bij die verklaring gebleven. Ondanks diverse verzoeken van de Stichting om de verklaring met justificatoire bescheiden, waaronder in ieder geval de akte van levering, te onderbouwen, heeft [gedaagde] die onderbouwing niet gegeven. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] daarmee niet heeft voldaan aan zijn verplichting de verklaring met bewijs te staven. In zoverre is de door [gedaagde] afgelegde verklaring onvoldoende en is de onderhavige verklaringsprocedure terecht ingesteld.

4.4. De constatering dat [gedaagde] zijn verklaring tot op het moment van dagvaarden onvoldoende had onderbouwd, wil echter nog niet zeggen dat [de broer van gedaagde] ten tijde van de beslaglegging een vordering op [gedaagde] had en dat de verklaring van [gedaagde] inhoudelijk onjuist is. Zoals hierboven onder 4.2 is vermeld heeft de Stichting bewijslast van die stelling. Daar staat tegenover dat op [gedaagde] in deze procedure een verzwaarde motiveringsplicht rust bij de betwisting van de stellingen van de Stichting, zodat hij zijn verklaring in ieder geval alsnog met bescheiden dient te onderbouwen.

4.5. Niet in geschil is dat [de broer van gedaagde] en [gedaagde] vanaf 1998 tezamen eigenaar waren van de appartementsrechten aan de [A-straat] [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4] en aan de [B-straat] te Utrecht. Blijkens de – eerst in deze procedure door [gedaagde] overgelegde – akte van levering van 5 november 2008 zijn de appartementsrechten tezamen gewaardeerd op € 280.000,-. Het aandeel van [de broer van gedaagde] in de appartementrechten is op genoemde datum aan [gedaagde] overgedragen onder de verplichting uit overbedeling een bedrag van € 140.000,- aan [de broer van gedaagde] te voldoen.

4.6. De waarde van de appartementsrechten in de akte van levering is gebaseerd op het door [gedaagde] overgelegde taxatierapport van Hol & Molenbeek Bedrijfsmakelaars van 21 oktober 2008. In opdracht van [gedaagde] heeft de makelaar een geveltaxatie uitgevoerd van de onroerende zaak aan de [A-straat nummers 1, 2, 3 en 4]. De onderhandse verkoopwaarde van het pand in verhuurde staat is getaxeerd op € 280.000,-.

4.7. De Stichting stelt zich op het standpunt dat de waarde van de appartementsrechten veel hoger ligt dan € 280.000,- en heeft ter onderbouwing van dat standpunt een door Het Peil Vastgoed uitgebracht taxatierapport overgelegd waarin de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van de onroerende zaak aan de [A-straat nummers 1, 2, 3 en 4] en de [B-straat nummer 1] per 5 november 2008 is getaxeerd op € 424.000,-. Uit dit taxatierapport leidt de Stichting het vermoeden af dat de verklaring die [de broer van gedaagde] en [gedaagde] ten overstaan van de notaris hebben afgelegd omtrent de waarde van de appartementsrechten niet juist is en dat zij aanvullende afspraken hebben gemaakt waarin een hogere koopprijs is overeengekomen. De Stichting biedt hiervan bewijs aan middels het horen van [de broer van gedaagde].

4.8. [Gedaagde] betwist dat hij met [de broer van gedaagde] een hogere koopprijs is overeengekomen dan in de akte van levering staat vermeld. Gelet op deze betwisting had het op de weg van de Stichting gelegen om nader te onderbouwen dat [de broer van gedaagde] en [gedaagde] buiten de akte om aanvullende afspraken hebben gemaakt. Het enkel opwerpen van het vermoeden dat dergelijke afspraken zijn gemaakt, is onvoldoende. Het taxatierapport van Het Peil Vastgoed kan niet als voldoende onderbouwing gelden, nu daaruit hooguit zou kunnen worden afgeleid dat de appartementsrechten op 5 november 2008 mogelijk meer waard waren dan het bedrag dat [de broer van gedaagde] en [gedaagde] zijn overeengekomen, maar niet dat [de broer van gedaagde] en [gedaagde] onderling een hogere prijs hebben afgesproken dan in de akte van levering staat. Dit betekent dat de Stichting niet heeft voldaan aan haar stelplicht, zodat het bewijsaanbod op dit punt zal worden gepasseerd.

4.9. Gelet op het vorenstaande moet er in deze procedure vanuit worden gegaan dat [de broer van gedaagde] op 5 november 2008 op grond van de akte van levering een vordering van € 140.000,- had op [gedaagde].

4.10. In genoemde akte is voorts opgenomen dat [gedaagde] op 5 november 2008 reeds € 124.226,65 aan [de broer van gedaagde] had voldaan, zodat nog slechts een vordering van € 15.773,35 resteerde. In deze verklaringsprocedure betwist de Stichting de juistheid van het reeds betaalde bedrag. Zij voert daartoe onder meer aan dat de onderliggende bedragen door [gedaagde] niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd en relevante bedragen zoals de onderhoudskosten van het pand en de huuropbrengsten vanaf 2006 niet zijn meegenomen in de berekening. In deze procedure kan de juistheid van reeds betaalde bedrag zoals dat in de akte is vermeld echter in het midden blijven. Het stond [de broer van gedaagde] en [gedaagde] in hun onderlinge verhouding immers vrij welk bedrag dan ook overeen te komen, ook al zou dat bedrag (veel) hoger zijn dan [gedaagde] in werkelijkheid aan [de broer van gedaagde] had voldaan. De in de akte opgenomen verklaringen van [de broer van gedaagde] en [gedaagde] leveren immers dwingend bewijs op tussen hen beiden en op grond daarvan staat tussen [de broer van gedaagde] en [gedaagde] vast dat van de vordering van € 140.000,- reeds € 124.226,65 was voldaan. Hoe [de broer van gedaagde] en [gedaagde] tot dat bedrag zijn gekomen, is in de onderhavige procedure voor de vaststelling van de hoogte van de vordering niet relevant en de berekening daarvan hoeft dan ook niet nader door [gedaagde] te worden onderbouwd. Immers, ook al zou vast te komen te staan dat het bedrag niet juist berekend is, dan nog kan [de broer van gedaagde] niet meer van [gedaagde] vorderen dan het bedrag dat zij samen zijn overeengekomen. De slotsom is dan ook dat [de broer van gedaagde] op grond van de akte op 5 november 2008 nog slechts een bedrag van € 15.773,35 te vorderen had.

4.11. Het vorenstaande is slechts anders indien zou blijken dat [de broer van gedaagde] en [gedaagde] buiten de akte om aanvullende afspraken hebben gemaakt omtrent hetgeen [de broer van gedaagde] nog van [gedaagde] te vorderen had. Dat zulks het geval is, wordt door de Stichting wel vermoed, maar is door [gedaagde] betwist en vervolgens niet nader door de Stichting onderbouwd. Zoals hiervoor onder 4.8 is weergegeven, is het enkel opwerpen van een vermoeden onvoldoende. De stelling van de Stichting op dit punt zal dan ook worden gepasseerd en aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

4.12. Ten aanzien van de in een lening omgezette restantvordering van € 15.773,35 stelt [gedaagde] dat hij deze lening begin 2009 heeft afgelost door middel van de volgende betalingen aan [de broer van gedaagde]:

1) 24 februari 2009 € 7.500,-

2) 2 maart 2009 € 1.000,-

3) 4 maart 2009 € 7.277,15.

Van deze betalingen heeft [gedaagde] in deze procedure bankafschriften overgelegd.

4.13. De Stichting betwist deze betalingen althans stelt dat deze onvoldoende door [gedaagde] zijn onderbouwd, omdat uit de in deze procedure overgelegde bankafschriften niet kan blijken om wat voor betalingen het gaat en evenmin hoe de geldstromen tussen [de broer van gedaagde] en [gedaagde] vóór en na die betalingen zijn geweest.

4.14. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Op grond van artikel 476a Rv rust op [gedaagde] de verplichting de door hem gestelde betalingen met bescheiden te onderbouwen. Middels het overleggen van bankschriften heeft [gedaagde] aan deze verplichting en daarmee ook aan de in deze procedure geldende verzwaarde motiveringsplicht voldaan. Noch artikel 476a Rv noch de verzwaarde motiveringsplicht brengen mee dat [gedaagde] tevens gehouden is zijn hele administratie over te leggen om inzage te geven in de aard van de betalingen en de overige geldstromen, zoals de Stichting verlangt. In rechtsoverweging 4.2 heeft de rechtbank erop gewezen dat de bewijslast van de stelling dat [de broer van gedaagde] nog een vordering op [gedaagde] heeft op de Stichting rust. In het licht van de overgelegde bankafschriften had het derhalve op de weg van de Stichting gelegen nader te onderbouwen dat de lening van € 15.773,35 niet door [gedaagde] is terugbetaald. Nu de Stichting deze nadere onderbouwing niet heeft gegeven, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan. De stelling dat de lening niet is terugbetaald en [de broer van gedaagde] derhalve nog een bedrag van € 15.773,35 van [gedaagde] te vorderen heeft, zal dan ook worden gepasseerd.

4.15. Een en ander leidt tot de slotsom dat de Stichting weliswaar terecht de onderhavige verklaringsprocedure heeft ingesteld, omdat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure zijn verklaring onvoldoende met bescheiden heeft onderbouwd, maar dat – na het alsnog overleggen van die bescheiden – niet is gebleken dat de afgelegde verklaring inhoudelijk onjuist was. De vordering tot het alsnog doen van een juiste verklaring zal daarom worden afgewezen, evenals de vordering tot betaling en afgifte, nu het beslag geen doel heeft getroffen.

4.16. Hetgeen de Stichting in deze procedure heeft aangevoerd omtrent het meewerken van [gedaagde] aan het frustreren van de verhaalsmogelijkheden van de Stichting, is in deze verklaringsprocedure niet relevant, omdat het daarin alleen gaat om de vraag of [de broer van gedaagde] ten tijde van de beslaglegging een vordering had op [gedaagde] en [gedaagde] daarover juist heeft verklaard. Dit neemt niet weg dat door [gedaagde] mogelijk onrechtmatig is gehandeld jegens de Stichting. Of daarvan sprake is, zal in een eventueel in te stellen procedure wegens onrechtmatige daad aan de orde kunnen komen. In de onderhavige procedure is daarvoor geen plaats.

4.17. Hoewel de Stichting in deze procedure in het ongelijk is gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de kosten van deze procedure tussen partijen te compenseren, omdat [gedaagde] door te weigeren zijn verklaring met bescheiden te staven de Stichting geen andere keus heeft gelaten dan het instellen van deze verklaringsprocedure.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.?